„Ja juffrouw, u hoeft me d'r eigenlik niks van te zeggen, ik kan me best
begrijpen, wat u met 'm uitstaat. 'k Zeg van de week nog tegen me man,
die juffrouw van de school, zeg ik, dat mensch raakt al dr zonden an
die jongen kwijt. Hoe u 't klaarspeelt om 'm vijf uur op een dag stil
te houden, daar staat mijn verstand bij stil. Ik voor mijn zie geen
kans, hem vijf minuten op z'n stoel te plakken; zóó heb ik m'n hielen
gedraaid, of hij smeert 'm weer, de straat op. En een brutale mond, dat
hij opzetten kan! Van al de andere vier samen, heb 'k niet zooveel last
als van dat kind alleen.”
Ze had me na vieren bij school opgewacht, moeder Van Ekeren, om eens
te vragen, „hoe 't nou met Arie ging, op school!” Maar nauwelijks had
ik m'n mond open gedaan, of ze was me in de rede gevallen met een
stortvloed van woorden, om haar overvol moederhart eens uit te storten.
„Weet u wat ik wel eens denk?” ging ze voort, en aan het dalen van haar
stem en haar geheimzinnig gezicht kon ik merken, dat er een confidentie
in aantocht was, „toen hij komen moest, werd net me moeder ziek. An 't
hart had ze 't, ziet u. En toen heb ik wat verlangd, om nog es naar
dr toe te gaan! Maar ik kon niet weg he, 'k zat hier met vier kleine
kinderen en eentje op de komst, breek daar maar ineens uit. En 't was
nog niet eens naast de deur. Moeder woonde heel in Groningen. Nou, en
toen is ze dan ook gestorven, zonder dat ik 'r nog eens gezien heb.
Niet eens op de begrafenis ben ik geweest, want 't liep net op 't
laatst met me; veertien dagen later werd 't kind geboren. En nou denk
ik altijd, dat 't schaap die onrust van me meegekregen heit. Me man
lacht me dr om uit, maar wat zegt u nou, juffrouw?”
Ja wat zou ik zeggen? Als onderwijzeres raak je gewend aan heel wat
zonderlinge vragen: „Of 't nou heusch komt, doordat me man vroeger
bij de huzaren heeft gediend, dat al de kinderen zulke kromme beenen
hebben” en „of ze nou die kale plek op Jantje z'n hoofd nog niet eens
met Haarlemmer olie zou insmeren?” Maar deze kwestie was me nog nooit
voorgelegd en 'k zei dus maar op goed geluk, dat het „best mogelijk”
was. Maar bij mezelf dacht ik: Als 't alleen door de ziekte van z'n
grootmoeder komt, dat die jongen zoo'n lastpak is geworden, dan had ik
't goeie mensch toch nog graag een jaar van volmaakte gezondheid gegund.
* * * * *
't Was een knap gezin, de Van Ekerens. De drie oudste jongens waren
gewone bengels, waar je niets extra mee te stellen had. Daarop volgde
het zusje, een lief zacht kind, een beetje zorgerlijk moedertje. En dan
werd de rij gesloten door onze Arie, die dus volgens z'n moeder erfelijk
belast was met haar onrust. Maar volgens welke geheimzinnige wet hij al
de ondeugendheid geërfd had, van z'n drie broertjes samen, en al de
brutaliteit die z'n vader, een beleefd, onderdanig schoenmakertje, z'n
heele leven te weinig had gehad? En wie van z'n voorouders hem dat
plagerige in zijn aard had meegegeven, die trek om ieder, dien hij
aandurfde, het leven lastig te maken?
't Was een verbazend moeilijk kind in de klas. Had je er gemiddeld vijf
zoo, dan zou je 't baantje er aan moeten geven. 'k Vergeleek hem in
gedachten vaak bij een jong stiertje, zoo woest en ontembaar was hij. 't
Had een van de beste leerlingen kunnen zijn, want hij had een uitstekend
verstand, maar hij verkoos geen vijf minuten achtereen op te letten of
z'n best te doen. Maakte hij bv. een taallesje, dan was 't opmerkelijk,
het verschil te zien tusschen den eersten regel en den laatsten.
Trouwens, schrijven was niet zijn lievelingsvak, altijd brak hij de
punt van z'n potlood, altijd trof hij een griffel, dat kraste.
En toen we met pen en inkt begonnen, werd 't nog slimmer. Nu eens
„spatte die akelige pen zoo erg”, dan weer „zat er telkens een haar aan”
of „viel er zoo maar opeens een klad op z'n werk”. Dat waren nog de
dagen dat hij te regeeren was. Maar nu kon je 't ook nog treffen, dat
hij een van z'n woeste buien had. Dan smeerde hij getroost z'n heele
schrift vol, „want er was een mop op gevallen, en dat had hij niet
gezien en toen had hij er zóó met z'n hand over gestreken.” En als
hij nog maar niet met opzet propjes papier in z'n inktkoker stopte en
daarmee z'n heele bank vol knoeide, dan had ik nog niet eens wat voor
't zeggen.
In 't speelkwartier was hij 't ergst. Je ~kon~ hem haast niet met de
andere kinderen laten meespelen. Altijd werd 't ruzie en vechten in zijn
hoek. Bij ieder spel wou hij de lakens uitdeelen, en begon dat de andere
jongens te vervelen, en lieten ze hem niet meedoen, dan zocht hij z'n
troost in 't plagen van de kleintjes. „Juffrouw, Arie het me pet over de
schutting gegooid. Arie het me fliegmessientje afgegapt, Arie smijt me
suurtje in 't sand”, klonk het dan huilend van alle kanten. Of hij kreeg
z'n „kippekuur” en begon als een gek over de speelplaats te hollen,
zwaaiend met z'n armen en alles en iedereen omver loopend. Geen oogen
had je genoeg voor dien jongen.
Eens kregen we een nieuweling, een oolijke kaaskop. Die had blijkbaar
z'n oogen en ooren op de rechte plaats. Met zijn oordeel over Arie was
hij tenminste gauw klaar en 't was raak ook. In 't speelkwartier stond
hij eerst even met een stuk of wat jongens te smoezen en te gniffelen.
Toen maakten ze een lange rij en begonnen met groote stappen de
speelplaats af te loopen, precies in de maat. En daarbij riepen, neen
schreeuwden ze uit volle borst:
/P
Arie-bombarie,
Je neus staat krom!
Een dubbeltje segare
En 'n dubbeltje werom!
P/
't Vers sloeg oogenblikkelijk in. Alle kinderen hielden op met spelen en
keken lachend toe. Toen 't voor den tweeden keer ingezet werd, was de
rij al dubbel zoo lang, 'k geloof dat de heele klas er achteraan wilde.
Maar daar had je Arie. Met z'n vuisten wou hij den nieuweling te lijf en
'k moest er vlug tusschen komen.
„Bedaar maar” zeg ik, „'t gaat heelemaal niet op jou, want je neus staat
toch niet krom. Maar als je zoo'n vechtersbaas blijft, dan kon je er wel
eens een tik tegen krijgen, dat ze reden hadden, het te zingen.”
En den kaaskop gaf ik den raad, dat versje maar voor z'n moeder te
bewaren, want dat ik 't niet meer hooren wou. En dat de kinderen hier
uit de klas elkaar nooit mochten plagen.
Daarmee was 't uit en 't rijmpje hoorde ik ook niet meer. Maar de
bijnaam was ~te~ toepasselijk, te mooi. Die zat. Eerst werd hij er woest
om en gaf 't aldoor kloppartijen. Maar toen gingen ook de jongens uit de
hoogere klassen hem zoo noemen, en zelfs z'n eigen groote broers. Toen
kon hij er niet meer tegen op, hield zich groot en lachte er om. Ja, op
't laatst werd hij er, geloof ik, zelfs trotsch op.
En zoo bleef het Arie-Bombarie. Of liever nog voor 't gemak enkel
Bombarie.
* * * * *
Wie nooit voor schooltijd alleen in een leege klas is geweest, kan zich
geen voorstelling maken, van het eigenaardige rumoer, dat dan door de
open ramen naar binnen dringt. Wij ingewijden kennen het echter zoo
goed, dat wij er de fijne nuancen van leeren onderscheiden. Zoo hooren
wij b.v. al aan 't leven voor de school, wat voor weer het buiten is.
Bij mooi weer zijn de kinderen druk en uitgelaten, bij groote hitte hoor
je ze haast niet, dan hangen ze landerig op stoepen of tegen den muur.
Bij stortregen ook niet, want dan komen ze zoo laat mogelijk, of
schuilen zoo lang in een portiek of onder een afdak. 't Stilst is het,
als er ijs in de grachten ligt, dan staan er alleen de heele kleintjes
aan moeders hand en hoor je enkel 't zeurige gekles: „Och juffrouw, wat
u seit? En sal ik nou is wat segge...” Maar ligt er sneeuw, dan is 't
lawaai dubbel sterk, maar 't is een vroolijke, aardige drukte. 't Ergst
is de herrie bij stormachtig weer, dan hebben ze den wind in 't hoofd en
gillen als dol door elkaar. Dan zuchten we eens tegen elkaar en zeggen:
„Hoor je ze? Dat kan weer een dagje worden. Ik zal ze maar dadelijk de
pen op den neus zetten.”
Natuurlijk is 't rumoer ook grooter op dagen, dat ze bizonder opgewonden
zijn: bij prijsuitdeeling, met Sinterklaas, den laatsten dag voor de
vacantie, enz. En op gewone dagen kan plotseling fel tumult losbarsten,
wanneer iets de gemoederen in beroering brengt. Och, 't hoeft heusch
niet zooveel belangrijks te zijn, een kleine vechtpartij is al
voldoende. En dan moet een der onderwijzers juist aankomen en de twee
schuldigen alvast „mee naar binnen” nemen! Dan volgen er heftige
debatten, wie gelijk had en wie „begonnen” is, waaraan zelfs de
kleintjes deelnemen.
't Felst echter laaien de vlammen van hun emotie op, als de „plietsie”
er aan te pas komt. Een jongen heeft bv. een ruit ingegooid, een deur
volgekrast, een voorbijganger gemolesteerd en nu wordt hij huilend en
wel door een diender naar school gebracht, omstuwd door de heele bende.
Dan moet je ze hooren! Allen schreeuwen ze door elkaar en ieder wil den
ander weer overschreeuwen. En er zijn zulke veelbelovende stemmetjes
bij, als 't ware „geschapen” om later met garnalen of radijs, met visch
of komkommers te venten, om „de laatste stuiptrekkinge fan 't kappitaol”
te colporteeren, of om eenvoudigweg maar een klein twistgesprek met een
buurvrouw op touw te zetten, waarbij de heele buurt uitloopt. Wat ze dan
zoo heftig te betoogen hebben? Wel, ten eerste rijst er onmiddellijk
verschil over de kwestie of beklaagde al dan niet schuldig is aan 't
hem ten laste gelegde: op z'n minst de helft begint zonder dat zij er
iets van afweten, te roepen, dat „hij het niet eens gedaan heeft.”
En dan wordt de zwaarte van de straf overwogen: of hij vannacht op
't politiebureau zal moeten blijven? en: of z'n vader 't zal moeten
betalen?
Maar, zooals ik al zei, er hoeft volstrekt niet zoo iets ernstigs
gebeurd te zijn. 'k Ben ook wel eens bij plotseling geschreeuw ongerust
naar 't venster geloopen voor—een jongen met een matrozenhoed op.
„Hajewiet, hajewiet,” gilde de bende „een jonge mit 'n maassieshoed!”
En dus schrok ik ook niet, toen op een middag voor schooltijd opeens de
storm weer opstak. Ik keek uit het raam, zag de kinderen in clubjes
bijeen staan, heftig betoogend en gesticuleerend, maar ze schreeuwden
zoo door elkaar, dat ik er geen woord van verstaan kon. „Zeker een
vlieg in het water gevallen”, dacht ik bij mezelf, „zoo meteen zal ik
't wel hooren.”
't Hoofd scheen de ongewone drukte ook gemerkt te hebben: hij zette maar
gauw de deuren open.
En daar had je ze, daar kwamen ze aanstormen, holderdebolder de trap op,
elkaar duwend en stompend, om toch maar de eerste te zijn, die 't groote
nieuws aan de juffrouw komt brengen. In een prop drongen ze de deur in,
hijgend en opgewonden:
—Juffrau, Arie is oferreje.
—Hij is onder 'n auto gekomme.
—Ja juffrau, mit se hoofd dr onder.
—Nietes, mit se beene.
—Och seg, jij sting dr niet eens bij.
—Hij is dood, juffrau!
—Och ga weg.
—Welles, hij had se ooge toe, toe die meneer 'm optilde.
—Nou, dan hoeft-ie toch nog niet dood te zijn. Seg! Die is goed.
—En die meneer het 'm in de autau gedrage.
—En toe benne se met 'm weggereje.
—Waar benne se nou met 'm na toe, juffrau!
—Nou, na se moeder.
—Nietes, na 't gasthuis.
—Of na de plietsie.
—Nee hoor, na 't lijkehuisie.
Zoo schreeuwden en kibbelden ze door elkaar.
Ik voelde, dat ik wit en strak van de schrik werd. M'n hemel, dat
levendige, bewegelijke kind! Zou 't mogelijk zijn, dat die dood was! Of,
nog erger, verminkt, hulpbehoevend voor z'n verdere leven? Ik moest er
niet aan denken. 'k Zag hem vóór me, in tien verschillende houdingen,
maar altijd in beweging en ook altijd bezig iets verbodens te doen:
glijdend langs de trapleuning, klimmend in een lantaarnpaal, dansend
op 't dunste ijs, hangend achter aan de tram, dravend dwars voor een
hollend paard. Nee, 't was eigenlijk geen wonder, dat hij een ongeluk
gekregen had.
„Hoe is 't zoo gekomen?” vroeg ik. En dadelijk brak de stortvloed weer
los.
—Nou, we deeë bokkie, soo met petje-af. En toe kwam opeens die autau
de hoek om. En toe lagge onse pette dr nog. En toe is de autau dr net
bij en toe pakt Arie se pet nog gauw en toe kwam die dr onder, soo met
se hoofd voorover. En 't wiel ging sóó over se beene! En die meneer,
die stapte sellef uit, en toe hep-tie met de sjefeur same Arie d'r in
gedrage, en toe benne se weggereje”.
Ja, 'k zag het voor m'n oogen gebeuren, 'k zag de lange rij
bokspringers, 'k zag ze uiteenstuiven voor de naderende auto, en toen
moest Arie, branie als altijd, natuurlijk weer laten zien, wat ~hij~
wel durfde. En nu, och Heer, deze eene keer was 't mis gegaan....
En ik rilde bij de gedachte aan dat tooneel.
Den heelen middag bleef 't me bij. En met vreezen en beven stapte ik na
vieren de kleine schoenmakerswerkplaats binnen.
Daar zat vader van Ekeren met z'n blauwe voorschoot aan de tafel bij 't
raam. 't Werk lag in z'n schoot en over z'n stalen bril keek hij vol
aandacht naar z'n vrouw, die midden in 't vertrek druk stond te
betoogen. Zoodra zij me zag, riep ze uit:
„Och kijk nou es, daar heb je zn juffrouw ook. Wat een jongen, he
juffrouw, je staat er toch wat mee uit! Wil je wel gelooven, dat de
schrik me nog in me beene zit?”
En ze viel neer op een der stoelen.
Ik herademde. 't Was dus niet ernstig.
„Hoe is 't nu met hem?” vroeg ik.
„O, 't is Goddank goed afgeloopen, dit keer. Ik kom zóó van 't gasthuis
en 'k sta 't al net an me man te vertellen; de zuster zegt tegen
me:—Hij is al heelemaal thuis hier en hij heeft allemans praats.”
Nou, dat kennen we, he juffrouw, dan is hij weer boven Jan.”
„Waar heeft hij zich eigenlijk bezeerd?”
„Ja, hij zit overal met builen en schrammen. En z'n eene voet zit in
't verband. Maar 't heeft niets te beteekenen, zeggen ze. Ze houen 'm
alleen voor de sekurigheid nog wat in bed. Maar met een paar dagen krijg
ik hem weer thuis.”
* * * * *
Moeder van Ekeren had 't zich wel wat al te rooskleurig voorgesteld. 't
Duurde nog wel een paar weken.
En,—ik durf 't haast niet te vertellen,—maar elken dag genoot ik van
m'n rust. En de klas ook. Er kwam een kalmte over de kinderen, waar ik
me telkens weer over verbaasde. Zoo gehoorzaam en zoet als engelen waren
ze.
Tot ik op een morgen m'n Bombarie weer in de gang hoorde schetteren. En
daar stond hij al vóór me, netjes schoon gewasschen, z'n haar in een
keurige scheiding gekamd en met de traditioneele spiksplinternieuwe
blouse aan. (Dat is zede, alle kinderen die uit het ziekenhuis komen,
krijgen een nieuw kleedingstuk aan. 'k Heb 't nog nooit anders gezien).
„Zoo, ben je daar weer?” zei ik, zoo hartelijk mogelijk. „Nou, jij blij
he, dat je uit dat gasthuis bent.”
Maar met z'n oude branie trok hij z'n schouders op.
„Huh, 't was dr wat leuk! Van de zusters moch ik alles en die eene
dokter die maakte aldoor lolletjes. En dr was zóó 'n groote steene
bouwdoos, en die kreeg ~ik~ altijd. En die meneer van de auto die het
tweemaal een groote kist druive gestuurd, heelemaal voor mijn alleen,
en toe moch ik se uitdeele, voor de heele saal.”
De kinderen stonden er met open mond omheen, en in hun oogen las ik de
bewondering en ook een beetje afgunst. Die Arie, die 't zoo fijn had
gehad! Dat kon ik toch niet goed verdragen. Ik had juist paedagogische
munt geslagen uit dit geval: „Nou zien jullie 't eens; die Arie, die
altijd zoo wild en onvoorzichtig is, nu moet hij in 't gasthuis liggen
en pijn lijden.” En toen hadden ze allemaal wijs geknikt en ze waren
diep onder den indruk geweest. En nu zou die jongen 't weer heelemaal
bederven. Dan wou ik toch eerst ook nog een woordje zeggen.
„Nou”, begon ik, „'t was toch niet allemaal plezier. Toen je daar onder
die auto lag, toen kon je je lachen toch wel laten.”
Maar hij troefde me leelijk.
„Huh, 't dee haast niet eens pijn. En die meneer die lee me soo
fersichtig neer en hij hield se handschoene an. En toe see die tege de
sjefeur: sachies rije. En ie froeg maar als, of ik errege pijn had. Maar
'k lee wat lekker op die sachte kusses, en hij sat sellef op 't kleine
bankie. En 't was soo prachtig binne in die autau, dr hing een
spiegeltje in en twee faasies met bloeme....”
't Leek wel de zegetocht van Asschepoester in de glazen koets. M'n
kinderen gaapten van bewondering en afgunst. En ik gaf 't maar op.
„Kom, kijk maar eens, of je je plaats nog vinden kunt”, zei ik. En
terwijl hij door de rij liep, hoor ik hem nog verder opscheppen over
z'n autotocht. Toen liet hij zich in z'n bank zakken en besloot z'n
verhaal: „Nou hoor, emmes faan gereje!”
O, Arie Bombarie!