„.... en toen ze weer wakker werden, waren ze heel verbaasd dat hun
Vader en Moeder er niet meer waren. Ze sprongen overeind, om ze te gaan
zoeken en ze riepen zoo hard ze konden: „Va-a-der!” en „Moe-oe-der!”,
dat het door het heele bosch weergalmde. Maar antwoord kregen ze niet.
Toen werden ze toch wel een beetje ongerust. Waar konden Vader en Moeder
gebleven zijn? En weer riepen en schreeuwden ze, en ze keken naar alle
kanten uit, of ze hen nog niet zagen aankomen. Maar—alles tevergeefs.
„Toen begon hun hartje toch wel heel hard te kloppen, want ze voelden
zich zoo eenzaam in dat groote bosch. De oudsten hielden hun tranen nog
in en bleven maar roepen, al beefden hun stemmetjes ook. Maar de
kleintjes snikten en schreiden zoo luid ze konden, terwijl zij.....”
„O, juffrouw, ik ben zoo bang,” klinkt opeens een schril stemmetje,
dwars door m'n vertelling heen.
't Is Elsje. Ze staat overeind in haar bank, de oogen wijd open van
ontzetting. Voor dit gevoelige hartje zijn zooveel angst en spanning te
zwaar om te dragen.
Door de klas gaat een gemompel van teleurstelling. Hé, dat flauwe kind
ook weer! 't Werd nu juist zoo mooi! En ze kijken me smeekend aan, om
mij te bezweren, me er toch niet aan te storen. Ze lezen de woorden van
m'n lippen en de temperament-volsten roepen: „Hé juffrouw, gaat u nou
verder.”
Maar eerst moet ik m'n kleine Elsje wat geruststellen.
„Je kent het verhaaltje toch,” zeg ik. „Je weet toch wel, dat ze naar
Klein Duimpje gaan, en dat die er wel raad op weet. Luister nu maar
stil, dan zul je hooren, dat 't goed afloopt.”
„O juffrouw, ik vind het zoo naar! Mag ik dan zoolang bij u komen staan,
tot het uit is?”
Haar twee kleine handjes omklemmen de mijne, haar hoofdje duwt ze in de
plooien van m'n boezelaar. Zoo, dicht tegen mij aangedrukt, voelt ze wat
troost en bescherming en nu kan ze het sprookje weer verder aanhooren.
Als 't goed gaat, als Klein-Duimpje dank zij de witte steentjes zijn weg
terug vindt, heft ze haar kopje weer op, ziet me vol spanning aan. En
als het hutje weer bereikt is en Vader en Moeder omhelzen de verloren
gewaande kinderen, dan stralen haar lieve oogen me vol vreugde tegen,
maar ook vol dankbaarheid, omdat ik het zoo goed laat afloopen.
Maar voor de andere kinderen begint het nu pas. Immers, nu komt het
tweede bedrijf, met de broodkruimels. „En dan kunnen ze den weg niet
terugvinden. En dan verdwalen ze! En dan, dan wordt het donker!”
Voor mij ligt hier altijd het hoogtepunt van het drama. De verdere
avonturen, ze zijn angstaanjagend en verschrikkelijk; het verblijf
in de woning van den reus, die „kindertjes eet”, je moet er niet aan
denken; als hij „menschenvleesch ruikt” en overal zoeken gaat, dan
kunnen er koude rillingen over je rug loopen. Maar toch, 't zijn
sprookjes-avonturen, ieder kind weet in z'n hart, dat reuzen en
menscheneters niet bestaan, en dat het dus ook niet „echt gebeurd” is.
Terwijl de beklemming, die van het groote, in avondschemering gehulde
bosch uitgaat, het gevoel van hulpeloosheid en angst voor allerlei
dreigende gevaren zoo reëel is, dat het ons volwassenen nog, den adem
kan doen stokken.
Daarom weid ik bij die episode altijd wat langer uit; de donkere
schaduwen, de krakende tak, de geluiden in de verte, het fladderen van
den nachtuil, alles krijgt z'n beurt, totdat we ten slotte allemaal
met verademing het roode lichtje tusschen de donkere stammen zien
verschijnen, en met een diepe zucht de huivering van ons afschudden, de
huivering, die toch zoo'n genot was.
Alleen die eene klas, waartoe Elsje hoorde, die heeft Klein Duimpje niet
gehad, zooals 't behoort. Toen ik voelde, hoe die ijskoude handjes
trilden, hoe het lieve kopje zich in namelooze angst tegen mij
aandrukte, alsof 't bij mij bescherming zocht, toen heb ik het roode
lichtje maar gauw laten verschijnen, veel te vroeg eigenlijk. En de
vrouw van den reus is dat keer een allerbeminnelijkste gastvrouw geweest
en de reus zelf een beetje brommerige, maar toch niets kwaadsbedoelende
opa. De vreugde van de behouden thuiskomst echter, die heb ik met de el
uitgemeten.
En toch was die heele water-en-melk Klein Duimpje nog veel te gepeperde
kost voor m'n kleine, lieve Elsje. Want nooit zag ik gevoeliger kindje.
Ik weet nog, dat ik eens een jongen zijn griffels afnam, waarmee hij, na
herhaalde waarschuwingen, toch weer zat te spelen. 'k Was zelf nog jong
en streng en ik wou de straf eens terdege indrukwekkend maken. Daarom
zei ik: „En nu krijg je ze ook niet terug. Ik weet nog wel heel arme
kinderen, die altijd goed oppassen. Aan die zal ik ze geven.”
„O juffrouw,” kwam daar opeens het hooge stemmetje van Elsje, „geeft u
ze aan arme kindertjes? Mag ik er dan ook een paar bij doen; ik kan er
best wat missen.”
Met een handjevol griffels kwam ze uit haar bank gestapt, en—weg was
het indrukwekkende van m'n straf. Het leek eerder een belooning nu, iets
uitverkorens, dat mogen geven aan „arme kindertjes.”
Lief klein ding! Tegelijk met je mooiste griffels heb je me toen een
paedagogische les gegeven, die ik nooit heb kunnen vergeten!
* * * * *
Door den invloed van de school en den omgang met de andere kinderen
leerde ze zich op den duur wel wat beheerschen. Maar een overgevoelig
zieltje was en bleef ze. Toch was 't geen moeilijk kind in de klas, want
met een blik was ze te regeeren.
Soms kon ze wel eens opgewonden of luidruchtig zijn en moest ze zich
uiten in gebabbel of gelach. Maar als ik dan zei, met een tikje verwijt
in stem en blik: „Zeg Els, hoe heb ik het nu met je, vandaag? Je maakt
het me zoo lastig!” dan kreeg ze een kleur als vuur en probeerde
dadelijk weer kalm en oplettend te worden.
Het moederlijk gevoel was ook vroeg bij haar ontwikkeld: het liefst
speelde ze met de allerkleinsten. En werd zoo'n nieuwelingetje op de
speelplaats soms eens omver geloopen, dan was zij de eerste die het zag
en te hulp snelde. Met de grootste zorg werd het kleintje dan opgeraapt
en afgeveegd, getroeteld en getroost. En kreeg ze dan nog de vereerende
opdracht, om hem onder de kraan wat af te wasschen, dan stapte zij heen
met haar beschermeling aan de hand en 't was, als liep zij over rozen.
Maar o wee, als er eentje wat hard te vallen kwam, en het werd een buil,
een geschaafde knie of een bloedneus! Dan had ik alle moeite, haar in
't spoor te houden. Meest redde ik den toestand met een grapje: „Kind,
bewaar je tranen nog even, morgen gaat hij pas dood.” Of: „Straks komt
de zieken-auto voor. Els mag meerijden op den bok, maar eerst moet ze
even lachen.”
Een blikken keteltje was ze: gauw heet en gauw koud.
* * * * *
„En juffrouw?” vroeg het Hoofd, toen hij even in de klas moest wezen,
„hebt u 't ze al verteld?”
„Nee m'nheer,” zei ik haastig, in de hoop, dat ik het gevaar nog
afwenden kon, „dat heeft nog wel even den tijd.”
Maar hij scheen me niet te begrijpen, en zei: „Nu dan zal ik het ze maar
eens vertellen.”
Breed en vierkant plaatste hij zich midden voor de klas, leunde met
beide handen op de voorste bank en overzag de rijen met een
veldheersblik.
Als een electrische stroom ging het door de kinderen; ze voelden 't
allemaal: er kwam wat, en 't was slecht nieuws. Hulpeloos keken ze eerst
naar mij en toen weer naar het strenge gezicht van den hoofdonderwijzer.
Nadat hij op deze wijze stemming gemaakt had, begon hij pas te spreken.
Zijn stem had de plechtige klank, die ieder onderwijzer er bij gepaste
gelegenheden in weet te leggen:
„Kinderen, jullie mag je juffrouw nog wel eens goed aankijken. Want—ze
gaat bij ons vandaan, naar een andere school, een heel eind hier uit de
buurt.”
Even wachtte hij; toen kwam, verpletterend als een een doodvonnis, de
klap op de vuurpijl: „Aanstaanden Zaterdag is ze hier voor 't laatst.”
Met een zekere spanning liet ik mijn blik over de klas gaan, want ik was
toch benieuwd, hoe ze het zouden opnemen.
Neen hoor, ik had me niet in ze vergist: ze vonden het naar. Er lag iets
van verwijt in hun blik; ik hoorde: „He, juffrouw!” en „Wat jammer!”
roepen.
Maar opeens klonk van Elsje's plaats een luide uitroep, haast een
schreeuw:
„Nee meneer, nee, nee!”
Heftig schudde zij het hoofdje, keek den grooten man woedend aan. Toen
zochten haar oogjes mij, en daarbij werd haar blik zacht en smeekend:
„Nee, he juffrouw?”
En toen ik niets anders wist te doen, dan enkel maar zachtjes van ja te
knikken, toen wierp ze zich voorover op haar bank en begroef het hoofd
in beide handen onder luid geschrei.
Nu is schreien altijd aanstekelijk. Ik weet zeker, dat er zonder Elsje
geen traan vergoten zou zijn. Maar nu ze haar zoo erbarmelijk hoorden
huilen, werden de gevoeligsten onder mijn meisjes toch ook een beetje
aangedaan. Zeker vonden ze het, nu ze er goed over nadachten, toch
eigenlijk ook wel heel erg. En de een na de ander haalde de waterlanders
voor den dag en begon een deuntje te schreien.
Jongens huilen niet, en zeker niet, als ze al negen of tien jaar zijn.
Dus lachten ze een beetje spottend naar elkaar, om die „flauwe schapen”,
maar het lachen ging toch niet heelemaal van harte en zelfs zagen bij
een paar de oogen bedenkelijk rood.
Het Hoofd stapte de klas uit, het aan mijn beleid overlatend, hoe ik het
schreiende troepje weer tot rede zou brengen. Bij de deur knikte hij nog
eens, echt voldaan: hij had bloed gezien.
Ik ging voor de klas zitten, zocht mijn overredendste toon uit en begon
met ze te praten. Dat ik het ook niet prettig vond, maar dat er niets
aan te doen was. En dat ze vast wel een aardige juffrouw terug zouden
krijgen, of misschien wel een meester! En als ze me nu die laatste
dagen nog eens echt plezier wilden doen, dan moesten ze nu niet langer
schreien, maar goed gaan opletten.
Vooral het laatste hielp. Ze droogden hun tranen, vouwden devoot de
handjes en keken me braaf aan: „Zitten we zoo zoet genoeg?”
Alleen Elsje was niet tot bedaren te brengen. En omdat ik uit ervaring
wist, dat iedere verdere poging haar nog maar meer van streek zou
maken, liet ik haar stil aan haar lot over. En ik gaf een zucht van
verlichting, toen eindelijk de bel ging en ze, nog steeds snikkend, in
de rij mee liep.
* * * * *
Toen kwam de laatste ochtend.
De kinderen hadden het blijkbaar thuis verteld. De meesten waren „op hun
Zondagsch.” Sommige brachten bloemen voor mij mee, of hun portretje.
Het deed me toch even aan. Ik had daartoe trouwens niet veel noodig,
want ik was zelf een beetje onder den indruk van het naderend afscheid.
Het was mijn eerste „vaste” klas geweest. Daarvóór had ik in veel
klassen gewerkt, eerst als kweekeling, toen als volontair, eindelijk
als „tijdelijke”. Maar dat was toch allemaal nog niet je ware. Je moest
je richten naar de onderwijzeres van wie de klas hoorde, en, wat 't
voornaamste was, je wist, dat je over een paar weken de kinderen toch
weer verlaten zou. Neen aan zoo'n „tijdelijke” klas, daar wilde je je
niet te veel aan hechten.
Maar toen werd ik voor „vast” benoemd en trof toevallig de nieuwe cursus
en „de kleintjes”. Zoo kwamen we dus dien eersten dag samen in een
nieuwe omgeving, vol hoop en verwachting en met frissche idealen. Geen
wonder, dat we dus dadelijk een band hadden.
Ik heb geploeterd en gewerkt met die klas en natuurlijk ook heel wat
geblunderd. Maar ik blaakte van lust en ijver. Het Hoofd had er schik
in en liet me begaan. Vroeg ik om zùlke schriftjes of dàt soort pennen,
ik kreeg ze. Zelfs het mooie nieuwe stel leesboeken, waar ik zoo naar
verlangde, ofschoon de andere nog best bruikbaar waren. Voor mijn
Sinterklaas bouwde hij een estrade, waar een echte bisschop tevreden mee
geweest zou zijn en haalde toen uit zijn woning, die naast de school
lag, zijn eigen fluweelen armstoel. En dan kon hij me soms eens wijs
toeknikken en zeggen: „Ik mag het wel, dat idealisme van de jeugd; ik
ben alleen benieuwd, hoe lang je 't zult houden.”
En die zelfde klas had ik nu al haast drie jaar, toen ik overgeplaatst
werd. Natuurlijk was er wat mutatie in geweest, maar toch niet zoo heel
veel, want de school lag in een uithoek van de stad, waar de ouders niet
zoo vaak verhuizen. En het scheiden was een heel ding voor me.
Ik wou dien laatsten morgen dan ook niet gewoon mijn rooster volgen en
daarom begon ik, met ieder een schoon blaadje papier te geven.
Toen zei ik: „Nu moet je bovenaan eerst je naam schrijven, want die
blaadjes zal ik bewaren als een herinnering aan jullie. En dan mag je
zelf kiezen, wat je het liefste doen gaat: de sommen van het bord maken,
of een taallesje, of een les uit je leesboek overschrijven. 't Is mij
precies eender; als je 't maar op z'n allermooist doet.”
In een oogenblik waren ze vol wijding aan het werk. En ik had de handen
vrij om m'n kast op te ruimen, m'n eigendommen bij elkaar te zoeken,
kortom, alles voor de verhuizing gereed te maken. Toen deelde ik nog wat
plaatjes en andere voor den dag gekomen schatten uit, liet de blaadjes
ophalen, boeken, penhouders enz. uit de kastjes opbergen en zoo kregen
we den tijd vóór het speelkwartier om.
Na het spelen had ik nog ruim een uur. En dien tijd had ik bestemd voor
de „fuif”. Ik haalde een paar groote zakken lekkers uit m'n tasch en
zei: „Kinderen, nu ga ik tot slot trakteeren en een mooi verhaal
vertellen. Wat zeggen jullie van zoo'n gezelligheid?”
Maar ik had buiten m'n Elsje gerekend. Ze had zich den heelen morgen
goed gehouden, maar nu ik van trakteeren en vroolijkheid sprak, werd het
haar te machtig. Verwijtend keek ze mij aan en haar oogen vulden zich
met tranen.
„Lieve hemel, kind, doe me dat niet aan,” dacht ik bij mezelf.
En gauw, om het onheil nog te bezweren, zette ik een der zakken voor
haar neer.
„Kijk eens, wat een lekkere koekjes! Wil jij die eens netjes voor me
uitdeelen? Je gaat maar net zoo lang rond, tot alles op is. Maar er niet
van snoepen, hoor!”
Jawel, ik had goed grapjes maken. Daar lag haar hoofdje alweer op de
bank, de beide armen eromheen, terwijl het heele lijfje schokte van 't
snikken.
Met een zucht gaf ik de zak aan een ander kind. Maar ik wou me nu eens
niet door dat kleine overgevoelige ding van de wijs laten brengen.
Ten slotte gebeurde er toch geen onheil. Over een paar maanden zouden
ze waarschijnlijk toch in andere handen zijn overgegaan. En ik wist
vooruit, dat de meesten a.s. Maandag vriendelijk tegen m'n opvolgster
zouden lachen. En als ze maar een beetje slag had, om hun harten te
winnen, dan was ze binnen veertien dagen meester van het terrein.
Dus asjeblieft de stemming er in gehouden!
„Daar,” zei ik, tegen een dikke jongen, met vrij schoone handen. „Jij de
borstplaatjes. Maar kinderen, houdt 'm in de gaten, want ik zie aan z'n
neus, dat hij de dikste voor zich zelf wil uitzoeken.”
Toen het uitdeelen klaar was, begon ik m'n verhaal. Natuurlijk had ik
gezorgd voor een „komische film,” zooiets van een aap, die het heele
huis op stelten zet met zijn streken, of van een heel dommen knecht bij
een rijken, ouden heer, iets, waar kinderen niet van kunnen tot bedaren
komen van de pret. Den vorigen avond, toen ik het opgezocht had, was ik
zeer tevreden geweest over mijn vondst en had me er een groot succes van
voorgesteld.
Maar, het lag zeker aan mijn vertellen, dien ochtend, of aan de kleine
snikkende gedaante, het hoopje troostelooze ellende daar op de derde
bank: de fuifstemming, ze wou niet komen, hoe ik me ook inspande.
En met de aandacht voor mijn vertelling stond het meer dan treurig.
Enkele meisjes hadden den zakdoek te voorschijn gehaald en zaten daarmee
ijverig in hun oogen te wrijven, andere knabbelden op hun koekjes of
staarden het raam uit. De meesten zaten me suffig aan te kijken, maar
luisterden blijkbaar toch niet. Want als er „gelachen” moest worden,
keken ze eerst even verstrooid op en lachten dan witjes mee.
Nooit heb ik zóó verteld! Het was net een nachtmerrie. En het ergste
was, dat mijn horloge blijkbaar met de booze geesten samenspande: het
wou maar niet vooruit. Eerst talmde het afschuwelijk met half twaalf aan
te wijzen. En toen het eindelijk op half twaalf stond, toen wou het er
ook niet weer vandaan. Het was om dol te worden.
En zoo vertelde ik mijn verhaaltje af, onder het „succes d'estime” van
mijn toehoorders. Toen het eindelijk uitging als een nachtkaars, wees
mijn horloge tien minuten over half twaalf! Nog twintig minuten dus.
Hoe ik ze heb omgekregen, weet ik niet meer. Ik liet de kinderen al
hun mooiste liedjes nog eens zingen, maar zelfs dat gaf niet meer: de
pittigste melodietjes lijsden en sleepten ze, dat het niet om aan te
hooren was en ik bij mezelf dacht: Dat zijn nu de resultaten van drie
jaar zangonderwijs.
En toen eindelijk—toen ik de hoop al begon op te geven—ging de bel! Ik
was zoo doodop, dat ik niets anders wist te bedenken dan: „Nou kinderen,
't ga jullie goed hoor! En doe maar flink je best bij de nieuwe
juffrouw.”
Ik ging bij de gangdeur staan om ze één voor één goeiendag te zeggen.
Sommigen had ik wel graag eens willen pakken, maar ik wou geen
onderscheid maken. Op de beurt gaven ze me een handje, keken me even
aan, drukten soms even hun snoetje tegen mijn hand of gaven me hun twee
handjes tegelijk. En daarbij kreeg ik allerlei betuigingen van trouw en
genegenheid en „dat ze bij de nieuwe juffrouw goed zouden oppassen.”
Het allerlaatst kwam mijn kleine Els aangesloft, moe-geschreid en òp van
al de emotie. Ik nam het kleine behuilde gezichtje in mijn twee handen
en probeerde het op te heffen, maar ze wou me niet aankijken: de natte
wimpers bleven op haar wangen liggen. Toen bukte ik bij haar neer en
zei, dat ze nu een groote, verstandige meid moest wezen, en dat ze vast
een veel lievere juffrouw terug zou krijgen. Maar ik weet niet, of ze me
verstond. Toen ik haar na een paar lieve woordjes losliet, zakte haar
hoofdje weer voorover en zoo, met afhangende schoudertjes, haar tasch
bungelend langs haar beenen, sjokte ze de gang door.
Er was nog een, die 't zag. Het Hoofd stond als gewoonlijk bij de
straatdeur en toen ik het rampzalige figuurtje nog even nakeek, ving ik
zijn blik op.
Met een ruk keerde ik me om. Hem ging 't in ieder geval niet aan.
In de leege klas was het kil en doodsch nu. Vlug pakte ik mijn
eigendommen bij elkaar, toch opgelucht, dat het nu achter den rug was.
Het afscheid van mijn collega's kon kort zijn: met de enkele, voor wie
ik sympathie had opgevat, bleef ik de kennis toch aanhouden.
Ziezoo, ik was zoo ver. Even nog een laatste afscheidsblik langs de
bankenrijen....
En toen opeens zag ik iets, dat me, ondanks mijn zelfbedwang, toch de
tranen in de oogen deed springen:
Op Elsje's bank lag een kleurig hoopje lekkers. Mijn „traktatie”, die
had ze versmaad!