„Een mooi koopje heb je me daar geleverd!” mopperde ik, terwijl we om
twaalf uur samen den weg uit gingen. „Zoo'n loteling, tusschen je
kinderen in, 't is me een pretje! Daar kan ik plezier aan beleven. Had
je me dat nu niet kunnen besparen en hem mee over laten gaan?”
M'n collega keek me lachend aan.
„Ik kon er heusch niets aan doen, hoor. Hij kon met geen mogelijkheid
mee. 't Vorig half jaar heb ik hem mee over gesleept, omdat hij ook al
twee keer in de derde klas had gezeten; maar nu moest hij zitten
blijven. Je zult het zelf wel merken, hij zal nauwelijks met de jouwe
mee kunnen. Vooral z'n lezen is een misère.”
„Hoe oud is hij wel?” zuchtte ik. „Zou hij nog niet haast dienstplichtig
wezen? Lieve hemel, wat een lengte!”
„Ja,” lachte ze weer, „hij moet tusschen de andere kinderen wel een heel
eind uitsteken. Bij mij was hij al verreweg de grootste.”
„'t Is net Gulliver tusschen de Lilliputters.—En zijn invloed zal zeker
wel veredelend op ze werken. Zulke exemplaren geven meestal een
schitterend voorbeeld.”
„O nee, last zul je niet met hem hebben. 't Is geen kwaad jong. Alleen
natuurlijk hopeloos traag van begrip.”
Ik zuchtte opnieuw, 'k was er niet heelemaal gerust op. 'k Had wel vaker
zulke type's in m'n klas gehad. Te dom om het onderwijs te volgen, dat
hun bovendien niet interesseert, omdat het op jonger kinderen ingericht
is, (de leeslesjes b.v. zijn te kinderachtig, den inhoud kennen ze al
van een vorige cursus, al kunnen ze de woorden ook nu nog niet lezen)
zoeken ze den heelen dag naar een andere bezigheid voor hun geest,
die dan gewoonlijk bestaat in het bedenken van kattekwaad. En omdat
kattekwaad uitvoeren in je eentje zoowat alle bekoring mist, zijn ze
steeds op zoek naar gezelschap en halen gedurig de andere kinderen van
hun werk af. Zoo vergen ze voortdurend je volle aandacht, tob je er dag
in, dag uit maar mee door, zonder dat je ze een oogenblik uit het oog
mag verliezen. En als ze ten slotte met hun vroegrijpe straatwijsheid
nog maar niet den geest van je heele klas bederven, mag je nog best
tevreden wezen.
Iets dergelijks verwachtte ik nu van m'n nieuwen Piet. En daarom zag ik
het zwaar met hem in.
Maar als me iets in m'n leven is meegevallen, dan is het m'n
dagelijksche omgang met Piet geweest, gedurende het halve jaar, dat nu
volgde.
't Bleek een jongen te zijn met een ziel, zoo zuiver als glas en zoo
week als was. Een droomer, die z'n gedachten maar voor een heel klein
deel bij zulke prozaïsche dingen als sommen en taaloefeningen kon
houden. Voor mijn plezier wou hij zich soms wel even inspannen, om er
bij te blijven; dan zat hij met z'n grove jongensknuist heel zoet 't
kinderachtige lesje te volgen, regel voor regel, woordje voor woordje.
Maar al heel gauw werd het hem toch weer te machtig, de wijsvinger bleef
rusten, de gedachten namen hun vlucht en z'n lichtblauwe bolle oogen
staarden in de ruimte, waar zij wie weet welke verborgen schoonheden
ontdekten.
Maar kwaad was er geen haar aan den heelen jongen. Opletten, neen, dat
kon hij niet, maar als je hem maar met rust liet, dan had je er ook
geen kind aan. Nooit zou hij een ander van 't werk af halen, hij had er
ook niemand bij noodig, aan z'n droomen had hij genoeg. Soms gaf ik hem
een standje, als hij z'n beurt niet wist; eigenlijk meer voor de andere
kinderen dan voor hem zelf, want 'k zag gauw genoeg, dat het boter aan
de galg gesmeerd was. Dan glimlachte hij goedig en ook een beetje
verlegen, alsof hij zeggen wou:
„Och m'n goeie mensch, dat kan ik jou zoo niet uitleggen. Jij vindt
zoo'n verhaaltje uit een leesboek zeker heel erg de moeite waard, om er
een half uur lang met je gedachten bij te blijven. Ik kan 't je niet
eens kwalijk nemen, dat je me er elken dag opnieuw mee komt vervelen, je
weet blijkbaar niet beter.”
Dan keek hij even bij z'n buurman, waar „het was”; wees, om z'n goeien
wil te toonen, drie minuten bij. En dan, dan zweefde z'n geest weer ver
buiten mijn bereik.
Niet zoodra echter was de bel voor 't speelkwartier gegaan, of er kwam
leven in den jongen. Spelen, daar kon je 'm voor krijgen, dat gaf aan
z'n fantasie voldoende voedsel. Steeds was hij de ziel van 't spel, 't
middelpunt van al de jongens; of 't vanzelf sprak, had hij dadelijk de
leiding en bij ieder spel de hoogste functie. Voor een deel kwam dat
natuurlijk door z'n grootte en z'n meerdere kracht, maar toch 't echte
geheim ervan schuilde in z'n uitgesproken talent voor het bedenken en
leiden van alle soorten spelletjes. Hij maakte echter geen misbruik van
zijn overwicht: nooit zag ik hem een kleineren jongen plagen of slaan,
z'n houding had eerder iets beschermends, iets vaderlijks zou ik haast
zeggen.
't Was dan ook enkel aan hem te danken, dat ik dat halfjaar oogluikend
„diefie” kon toelaten, het lievelingsspel van alle jongens, maar dat
ik steeds verbood uit vrees voor gehavende kleeren en vechtpartijen.
Nu, met Piet als „hoofdkommesares” durfde ik 't wagen, zijn leiding
waarborgde me, dat het „zonder kleerscheuren” zou afloopen. Werd er
een „dief” gevangen en „opgebracht”, Piet z'n blonde kop stak boven
't verwarde kluwen uit en dan was ik gerust. „Niet te wild, jongens”
waarschuwde ik nog eens onder 't voorbijloopen, „u let er wel op, meneer
de commissaris!” Dan tikte hij, geheel in z'n rol, even aan z'n pet,
lachte me met z'n zachte blauwe oogen geruststellend toe en zei: „Ja
juffrouw.” En dan liet ik ze hun gang maar weer gaan.
Z'n prestige in den speeltuin werkte ook in de klas nog door. Daaraan
schrijf ik het ten minste toe, dat hij nooit werd uitgelachen, als hij
zich bij de leesbeurt moeizaam en hakkelend door de zinnen heen werkte,
fout op fout makend. Of als hij, groote lummel van elf jaar, nog maar
steeds de tafels niet onder de knie kon krijgen, en me geen antwoord
wist te geven op m'n vraag, hoeveel 7 keer 8, of 9 keer 6 was. 'k
Geloof, dat de heele klas volkomen mijn meening deelde, dat Piet „heel
erg dom” was, maar dat je op de heele wereld geen betere jongen zou
kunnen vinden.
Toch was er nog één leervak, waarbij ik altijd op Piet z'n volle
aandacht kon rekenen. En dat was: bij het zingen.
Op de eerste zangles ontdekte ik het al. Ze mochten zelf om de beurt
een van de liedjes kiezen, die ik ze in de vorige klas geleerd had. En
natuurlijk koos er eentje al heel gauw: „Duifjes, met uw blanke veeren”.
Waarom „natuurlijk?” Omdat ze merkten dat ik 't zelf nooit koos. Toch
had ik 't ze eerst geleerd en vond ik het zelf ook een lief liedje, maar
ze „zakten” onder 't zingen zoo geweldig, dat 't niet om aan te hooren
was. En mijn stem had niet altijd de kracht, om ze op de goede hoogte te
houden: er wordt veel gevergd van je keel, als je voor de klas staat.
Daarom zong ik 't niet graag met ze. En als ze 't zelf kozen, dan liet
ik ze in Godsnaam maar zakken en zette ieder nieuw coupletje weer een
terts hooger in; want dat was zoowat het „verval”.
„Vooruit dan maar”, dacht ik dien dag ook weer en gaf den toon voor ze
aan. De zittenblijvers kenden 't blijkbaar ook, ze zongen ten minste
mee. Maar al bij den eersten regel werd m'n aandacht getroffen door een
nieuw geluid in 't gemengde koor, een hooge, heldere stem, die zuiver
den toon hield en 't heele koortje droeg.
Verrast bleef ik luisteren. Van wien kwam die stem? Van een van de
zittenblijvers? Dat moest ik eens gauw onderzoeken. 'k Liep stapje
voor stapje de jongensrijen door, terwijl m'n klas, zonder in 't minst
gezakt te zijn, het 2de coupletje inzette: „Waait het al te hard daar
buiten....” Opeens, daar had ik den zanger: Vlak naast zijn bank bleef
ik staan, om beter te kunnen genieten. Wat een mooie stem had die
jongen!
Hijzelf had er in 't minst geen erg op, dat ik naar hem stond te
luisteren. Verdiept in zijn eigen gezang, zelf genietend van den
helderen klank, zat hij voor zich uit te staren, als een vogel op een
tak, die alles om zich heen vergeet in de vreugde der zoete melodieën
en schallende trillers.
„'k Moet hem ook eens alleen hooren”, dacht ik. En toen 't liedje uit
was, riep ik hem voor de klas.
„Jij houdt zeker veel van zingen, he? Ken je nog een liedje, dat de
andere juffrouw jullie geleerd heeft? Dan mag je 't ons eens
voorzingen.”
Een beetje aarzelend en verlegen eerst, zette hij z'n liedje in. Jongens
schamen zich gauw, om te zingen, behalve natuurlijk als 't straatliedjes
zijn. Maar al bij de eerste woorden geraakte hij weer onder de
betoovering van de muziek en zong zonder de minste verlegenheid verder.
'k Geloof, dat ook de klas merkte, dat 't „mooi” was. Ze luisterden
aandachtig, mij af en toe eens aankijkend, als om te vragen, of ik 't
ook mooi vond. Nergens zag ik ook maar een zweem van spot, dat die lange
jongen daar met zoo'n ernst zulk een kinderachtig liedje stond te
zingen.
Wat mijzelf betrof, 'k was met mijn gedachten plotseling verplaatst
in de Groote Dom te Keulen. Jaren geleden had ik daar den dienst eens
bijgewoond en was in extase geraakt bij 't plotseling invallen van 't
jongenskoor. Die zuivere, hooge jongensstemmen, met hun eigenaardig
schel timbre, nu hoorde ik ze weer. En met volle teugen genoot ik van 't
gezang van mijn „koorknaap”, zooals ik hem meteen in gedachten doopte.
Nog ben ik niet aan het eind met m'n loftuitingen op Piet.
Al heel gauw merkte ik, dat de jongen voor alles, behalve dan voor
leeren, uitstekend bruikbaar was.
Voor schooltijd begon het:
„Piet, kun jij eens een plaat voor me opzoeken?”
Dan glom z'n heele gezicht al.
„Dan moet je eerst naar den meester van de elfde klas gaan, die weet je
toch wel te vinden?”
Een stomme hoofdknik, vol ongeduld.
„En daar vraag je den sleutel van de platenkist, die hiernaast op het
portaal staat. En dan moet er een plaat in wezen, met een ooievaar, die
op zijn nest staat; en een andere ooievaar vliegt door de lucht. Kun je
't goed onthouden?”
Weg was hij al, om na een paar minuten triomfantelijk met de bedoelde
plaat terug te komen.
„Prachtig, Piet! Heb je de kist weer gesloten en den sleutel
teruggebracht?”
't Was altijd in orde. In dat opzicht was hij zijn leeftijd eerder
vooruit dan ten achter.
Geen dag ging er voorbij, dat hij me niet op een of andere wijze van
dienst was. Er was b.v. een jongen, die te veel rauwe stoofperen gegeten
had, en wiens maag er op een gegeven oogenblik, midden onder de les, de
brui aan gaf. Dadelijk zocht mijn oog m'n altijd gewillig factotum.
„Och Piet, wil jij even meegaan, om hem eens netjes af te wasschen? En
haal je dan wat zand om hier overheen te strooien? Ja, de bank wil je
wel even met de spons afnemen, he? Maar daarna frisch uitspoelen, Piet!”
Kwam de perensnoeper weer binnen, en zag hij nog bleek en glazig,
dreigend met recidive, dan was het:
„Zeg, Piet, je moest den hoofdonderwijzer eens gaan opzoeken. Neem
Jantje maar mee, en vraag, of je hem even naar huis mag brengen.”
En dan kon ik er heel gerust op zijn, dat Jantje veilig bij zijn moeder
zou belanden.
Moesten de inktpotten bijgevuld of schoongemaakt worden, tot wien kon ik
mij beter wenden dan tot Piet? Met het grootste plezier bleef hij er een
half uur voor na, en verrichtte het onsmakelijk baantje handig en vlug.
'k Geloof dat hij, ook zonder de reep chocolade, die 'k vond dat hij dan
toch ten minste wel hebben mocht, tevreden om half vijf naar huis zou
gegaan zijn.
Z'n groote onmisbaarheid bleek me echter pas, toen het kachelweer werd.
Voor kachels aanmaken en -houden had hij een beslist talent. En na een
paar dagen liet ik dien tak van dienst dan ook met de meeste gerustheid
in zijn handen.
„Piet, kijk eens, of er niet wat bij de kachel moet.”
„Ja juffrouw, d'r mot een beetje bij. Maar de emmer is leeg. Ik zal
maar een bakkie gaan halen.” En dan sjouwde hij een vollen drager cokes
uit het kolenhok aan.
Een ander keer was het: „Juffrouw, hij leit leelijk. D'r mot een stukkie
turref op. Zal ik maar effies naar het turfhok gaan? Wacht, 'k zal me
lei meenemen, dat dee ik bij de vorige juffrouw ook altijd.”
En dan kwam hij met z'n lei volgestapeld met stukjes losse turf en een
paar minuten later snorde m'n kachel weer, zonder dat ik er naar
omgekeken had.
Zoo liep het halfjaar ten einde en 't werd weer „verhooging”.
In gemeenschappelijk overleg besloten 't Hoofd en ik, dat Piet dit keer
maar mee over moest. 't Was wel net met de hakken over de sloot, maar je
kon hem toch niet langer in de vierde laten. En misschien zou het zijn
ijver en eerzucht nog wat aanwakkeren, dat hij nu „verhoogd werd”.
Den laatsten dag kwam z'n moeder me bedanken voor „het genoten
onderwijs.” 't Brave mensch verbeeldde zich beslist, dat ze mij heel
dankbaar moest wezen. „Ja juffrouw, Piet heeft het me zelf verteld, als
u niet zoo uw best op hem gedaan hadt,....”
Met gepaste bescheidenheid hoorde ik dien lofzang aan. In m'n hart
echter stelde ik ondertusschen de balans op.
Op de eene schaal kwam al het plezier, dat ik steeds van Piet had gehad:
de surveillance van m'n jongens in 't speelkwartier, het „dragen” van
m'n koor, zijn solozang, de boodschappen, de inktkokers, 't aanhouden
van de kachel. Op de andere lag enkel 't poovere beetje wetenschap, dat
ik hem had kunnen bijbrengen.
Och Piet, wat sloeg de schaal aan jouw kant toen diep door!