't Is de eerste morgen van den nieuwen schoolcursus.
De moeders komen hun kleintjes brengen. Ze zijn ter eere van de
plechtige gebeurtenis netjes gewasschen en gekamd en in de beste plunje
gestoken.
„Ja juffrouw, Henricus Theodorus, maar wij zeggen altijd maar Harrie.
Kom jonge, zeg de juffrouw dris gedag. Nee, met je mooie handje!”
Zoo maak ik kennis met m'n drie dozijn nieuwe leerlingen en ik krijg
een eerste blik uit hun kinderkijkers. Och, wat een verschil al in dien
eersten blik! Ik zie verlegen, nieuwsgierige, brutale, zachte fluweelen,
rustig verstandige, ook stugge onvriendelijke, zelfs onverschillige
kijkers en helaas heel veel fletse ziekelijke; maar de vroolijke,
guitige zijn er toch ook altijd bij.
Ik wijs ieder nieuwelingetje voorloopig z'n plaats aan en luister
geduldig naar de vermaningen der moeders. Of ik Jopie vooral niet op de
tocht zal laten zitten, want 't schaap hoest z'n eige alle nachte kepot,
en of Wimpie wel dalek naar achter mag, astie drom vraagt, want hij is
zoo zwak op 't water. Ook vroolijker gesprekken: „Ja juffrouw, da's nou
Marietje, 't zusje van Jan en Sientje, die ook bij u in de klas hebben
gezeten. Nou, u zal van haar ook niet veel last hebben, ze is een zoete
meid, niewaar Marie?” En 't kind kijkt je met blij vertrouwen aan, ze
kent je al lang, er is thuis al over gepraat, dat ze de juffrouw van Jan
en Sientje krijgt.
Gelukkig, de stroom begint te luwen, 't groepje vrouwen wordt kleiner
en kleiner. Eindelijk is de laatste moeder de deur uit, na nog een
vermanend: „nou, dag Henkie, en nou maar goed oppasse op school”. En
dan kan ik m'n nieuwe stelletje eens bekijken.
* * * * *
Er zijn veel menschen, die rood haar leelijk vinden. 'k Heb een moeder
gekend—zelf was ze vaal grauw-blond en haar man dito-dito, maar er
„zat” rood haar in zijn familie,—die een allerliefst rood jongetje
had van een jaar of drie. Toen ze haar tweede kindje verwachtte, had ze
al haar hoop gevestigd op een „blond meisje”. Nog hoor ik haar bitter
teleurgesteld: „Wat zegt u er nu van, alweer een rooie zoon!” toen ik
haar eenige dagen na haar bevalling kwam opzoeken. 't Was of ze een
misgeboorte ter wereld had gebracht. En in 't wiegje naast haar lag 't
liefste ronde poppetje, dat een moeder zich droomen kan, 't kopje vol
rosse krulletjes.
Ik heb zooveel kinderen onpartijdig bekeken, en 'k moet eerlijk zeggen:
„Er zijn net zooveel mooie en leelijke kinderen met rood haar, dan van
welke andere kleur ook.” Maar in de klas, en nu moet ik een zwakheid
bekennen, ben ik dol op een roodkopje. Het fleurt je heele klas op.
Zelfs in de triestigste dagen zit er nog een beetje gloed in en met
zonnig helder weer kunnen de vonken er afspatten. 't Eerste wat ik dan
ook altijd doe, als ik een nieuwe klas monster, is 't zoeken naar de
lichte vlasblondjes, de pittige zwartjes en vooral naar de glanzige
roodbontjes tusschen de grauwe blondbruinen, die in ons land 't
overheerschende type vormen.
* * * * *
Zoo'n mooi rood kopje had ook Liesbeth en daardoor alleen viel ze mij al
dadelijk op. Een flink schrander gezichtje met een hoog blank voorhoofd
en een paar stevige rooie wangen. Bedaard en onderzoekend zat ze mij
aan te kijken, daar van haar bank bij 't raam. Vol verwachting ging ze
de komende gebeurtenissen tegemoet, volkomen zeker van zichzelf.
Die eerste dagen, wat zijn ze vaak van groote beteekenis! Wat
omwentelingen brengen ze in menig kindergemoed! Niet voor de
bewaarschoolklantjes. Die zijn dadelijk thuis; de klas lijkt een
beetje op die andere klas en de juffrouw op hun vorige juffrouw, of de
hoofdjuffrouw, of op de juffrouw, die toen een paar dagen kwam, toen hun
eigen juffrouw ziek was. En je moet hier ook stil zitten en je vinger
opsteken, als je wat zeggen wilt.—En als de leien uitgedeeld of de
potlooden rondgegeven worden, zetten ze een gezicht van: „Alles schon
dagewesen.”
Maar de moeders kindertjes! Voor die is alles nieuw, alles vreemd, alles
anders, dan ze 't ooit in hun gansche bestaan ondervonden hebben. En 't
vreemdste is „de juffrouw”, de nieuwe „moeder” van de school. Wat praat
ze raar, wat is alles gek en „anders” aan haar! Haar kleeren, haar
gezicht, haar manier van opstaan en gaan zitten, haar handbewegingen.
Maar 't ergste is, ze „doet” heel anders dan moeder, je weet nu net
heelemaal niet, wat je aan haar hebt.
Maar ik wou van Liesbeth vertellen.
'k Had de kinderen rij voor rij meegenomen naar de gang en ze daar de
kapstok gewezen. Het één: opstaan, twéé: naast je bank, drie: op stap
in rij en gelid, kenden ze nu meteen in een moeite door. Nu zaten ze
weer stil op hun plaats, terwijl ik de deur sloot en de ramen ging
openzetten. Nieuwe verbazing voor velen: een raam, dat van boven schuin
openvalt!
Opeens hoor ik duidelijk achter m'n rug: „Nou zeg! 't Begint hier pas
een beetje warm te worden!”
Verbluft keer ik mij om en kijk regelrecht in haar groote grijsbruine
oogen. Ze heeft de wenkbrauwen een beetje samengetrokken, haar heele
gezicht zegt: „Mankeert het je nou in je bovenkamer?”
Op school leer je wel, om niet alles te zien en te hooren. Vooral bij
de kleintjes. Lieve hemel, als je eens overal op inging! En dus ben je
ook gewend, in de vermakelijkste situatie's een glad gezicht te houden.
Maar dit was me toch haast te gortig, en ik draaide me dus vlug weer
naar 't raam om 't opkomende lachen te verbergen. En daarbij was 't
geval mij opeens zoo klaar als glas. Natuurlijk 't eenige of anders toch
het oudste kind van een domme moeder, die ze in de zes jaar van haar
leven volkomen de baas is geworden. Thuis wordt geen kopje gewasschen,
geen bloemkooltje gekocht, waar zij niet eerst advies in geeft. En die
sukkel van een moeder is er nog trotsch op, vertelt aan grootmoe en de
tantes of aan iedere buurvrouw op straat: „En 't is zoo'n bijdehandje!
Wil u wel gelooven dat 'k niks meer bij d'r te vertellen heb?” Daar
staat het bijdehandje dan zelf met gepaste trots bij, tot 't haar begint
te vervelen en ze haar met de woorden: „Kom nou Moe, ga nou mee,” de
verdere conversatie afsnijdt. Misschien ook berust de moeder niet zoo
gemakkelijk in de degradatie en is 't dagelijksch een vechten om de
laatste restjes van 't gezag, waarbij 't kind natuurlijk telkens meer
veld wint.
En nu komt zoo'n kleine juffer Albedil op school en zet zonder de
minste aarzeling haar gedragslijn voort. Zoo pas heeft ze gezien, dat
de juffrouw de kachel oppookte, en nu gaat me die suffert de ramen
openzetten. Daar moet ze toch even een eind aan maken!
Wat er dien ochtend wel in dat kleine rooie kopje is omgegaan, toen ik
doodkalm de andere ramen ook openzette en niet de minste notitie van
haar nam? Is ze verbaasd, gegriefd, beleedigd geweest? Vond ze, dat de
wereld in de school op z'n kop staat? Of heeft ze gedacht: „Wacht maar,
je bent me nu nog te vreemd, maar een volgend keer, dan zal ik 't je nog
wel eens anders vertellen?”
* * * * *
De nadere kennismaking met de moeder, eenige dagen later, bevestigde
mijn vermoeden geheel en al.
Daar stond ze op een morgen in de deuropening van 't lokaal, een klein
onaanzienlijk vrouwtje, en nijdig, nijdig als een spin, al deed ze haar
uiterste best om beleefd en zoetsappig te blijven.
„Dag juffrouw, ik ben de moeder van Liesebetje en ik kom es hooren, hoe
of dat nou eigenlijk zit.”
Ik vroeg, waarmee ik haar van dienst kon zijn. Toen werd ze rood van
woede en barstte los: „Ziet u, da's toch geen manier van doen, om mijn
kind zoo te behandelen. Ik betaal het hoogste schoolgeld, en daar heb
ik ook niks tegen, want m'n man verdient het gelukkig. Maar dan hoeft u
mijn kind toch ook niet de slechtste plaats te geven, heelemaal achteran
en naast zoo'n kind met klieren op d'r hoofd en een kappie op van de
kliniek! Mot mijn kind dat soms over krijgen?”
Toen de woordenstroom wat bedaarde, probeerde ik haar aan 't verstand
te brengen, dat haar kind heusch geen gevaar liep; dat zoo'n kind met
een goed hoofdverband, dat twee keer per week vernieuwd werd, vaak een
onschuldiger en zindelijker buurtje was, dan een ander met de mooiste
krullebol, maar 'k merkte al gauw, dat ik m'n woorden wel kon sparen.
„Ja, as u de pik op me kind het, dan kan ik dr ook niks an doen,” kijfde
ze verder. „Eerst zet u dr naast een jodekind en nou naast één met een
zeer hoofd!”
„Was u bij dat jodenkind ook bang, dat ze 't over zou krijgen,”
informeerde ik belangstellend. Maar ze begreep me niet, keek me een
ogenblik dom aan, en raasde toen verder:
„Afijn, dat was nog tot dááraan toe, toen heb 'k nog niks gezegd; maar
nou met die klieren, dat wil ik niet hebben, en—dat zal me man ook niet
permeteeren!”
Pof, 't was eruit, daar lag haar hoogste troef. Als dan niets hielp, dan
zou ik bij die bedreiging toch wel in m'n schulp kruipen. Haar man, nou,
als ik nu nog niet bang werd!
'k Had toch medelijden met het opgewonden schepseltje. Kon zij 't
eigenlijk helpen, dat ze zoo bekrompen van geest was en geen gewone
logische taal begreep? Ze vocht voor haar kind en in haar domme hersens
had nu 't idee post gevat, dat ik 't te kort wou doen. En als je dan
toch betaalde voor een stallesplaats, hoefde je toch geen genoegen te
nemen met het schellinkje!
Voor geen geld wou ik haar nog meer verbitteren door een weigering. Ze
mocht, wat mij betrof, ook nog de voldoening smaken, dat 'k gezwicht was
voor de bedreiging met „de sterke man, die ijzerdraad pruimt.” En dus
beloofde ik haar, dat ik nog wel eens zoeken zou naar een ander plaatsje
voor Liesbeth en troonde haar met een zoet lijntje de deur uit.
„Wat een moeder voor zoo'n flink schrander kind,” dacht ik bij mezelf,
toen ik voor de zoetjes babbelende klas ging zitten. „Wat zal die haar
kind tot steun wezen, later, bij de moeilijke problemen van de
opvoeding!”
Daar voelde ik opeens twee armpjes op m'n knie. 't Kleine ding had
blijkbaar van haar plaats onze woordenwisseling gadegeslagen, had
moeders drift en boosheid bemerkt en—kwam me nu troosten. Vertrouwelijk
leunde ze tegen mij aan, lachte me eens toe en zei, een beetje spottend:
„Wat was ze nijdig, hè? Maar je hoeft je er niks van aan te trekken,
want ze doet toch nooit wat.”
'k Wierp een lange, vertroostende blik in die wijde, grijze kijkers
en 'k dacht: „Kind, je hebt gelijk, ze doet je nooit wat. Jij met je
gezond, klaar verstand en je sterke wil, jij zult er toch wel komen, al
mis je de moederlijke leiding.”
Toen streelde ik haar even over 't glanzige kopje en zei:
„Je bent een beste meid. Maar nu moet je gauw naar je plaats gaan.”
* * * * *
We hebben het met onze Liesbeth wel hard te verduren gehad, die eerste
dagen! Zoowel de kinderen als ik zelf. Ze was ons levend geweten, de
geïncarneerde critiek. Niets ontsnapte aan haar waakzaam oog, niemand
was voor haar aanmerkingen veilig.
Midden in de mooiste vertelling, op 't spannende oogenblik, daar had je
haar scherp stemmetje: „Juffrouw, die jongen let niet op, hij zit op z'n
schoenen te spugen.”
Stond ik bij een klein onbeholpen gansje en probeerde ik haar te leeren,
hoe ze haar griffel houden moest, dat 't niet zoo afschuwelijk piepte,
dadelijk boog ze zich uit haar bank, om 't stumpertje nog eens vermanend
toe te voegen: „Zie je nou wel? Ik had je toch ook al gezegd, dat je
niet zoo mocht krassen?”
Maar ik was zelf evenmin veilig. Bij 't voorteekenen brak de punt van 't
krijt af. „Je drukt ook veel te hard,” kwam 't dadelijk onverbiddelijk
uit haar mond. De deur sprong open. „Je hebt hem daareven ook niet goed
in 't slot getrokken,” riep m'n meedoogenlooze rechter.
't Leukst was 't op een morgen, in 't speelkwartier. 't Was van dat
druilige winterweer, dat je nauwelijks kunt uitmaken, of 't regent of
dat 't droog is. Ik wou er wel graag even met de kinderen uit, maar 'k
wou ze toch geen nat pak bezorgen. Besluiteloos tuurde ik in de effen
grijze lucht.
„'k Zou er maar in blijven. 't Is veel te nat buiten,” kwam daar opeens
m'n gratis advies uit de derde bank.
'k Was net tot de conclusie gekomen, dat 't op 't oogenblik droog was,
dat de lucht wat lichter werd en dat ik 't dus maar even wagen zou.
'k Telde dus: Opstaan, een, twee, drie. En een paar minuten later waren
we in 't plantsoentje tegenover de school.
Werkelijk bleef 't even droog. Maar vóór 't einde van den speeltijd,
daar was 't al weer mis. En zoodra ik de eerste druppels voelde, klapte
ik 't troepje bij elkaar.
Liesbeth kwam het eerst. Blijkbaar had ze er op geloerd.
„Zie je nou wel?” zei ze triomfantelijk, toch ook met een ietsje verwijt
in haar stem. „Heb ik 't je niet vooruit gezegd? Nou heb je 't land, dat
je eruit gegaan bent!”
Zoo was 't schering en inslag den eersten tijd. Hoe lang 't geduurd
heeft? Vast niet langer dan een of twee weken.
Hoe ze 't afgeleerd heeft! 'k Zou haast zeggen vanzelf.
Ze was verstandig genoeg om gauw in te zien, dat „de juffrouw” een
eenigszins andere persoonlijkheid was, dan haar moeder, en dat er van
haar op- en aanmerkingen niet héél veel notitie werd genomen. Ook merkte
ze natuurlijk, dat geen der andere kinderen zoo iets deed. En ten
slotte, ofschoon ik nooit een kind uitlachen zal, moet ze toch af en
toe aan iets in m'n gezicht gezien hebben, hoe komisch 'k haar vond. En
de slimsten onder de andere kinderen zagen dat ook, en begonnen haar
lachend aan te kijken, als ze weer iets over de klas heen riep.
Nu is een kind voor niets gevoeliger dan voor spot. Dat _zij_, Liesbeth,
't knappe kind, iets belachelijks deed, dat zal wel de genadeslag
hebben toegebracht aan haar zucht tot kritiek. En als haar nog eens de
eene of andere bazigheid ontsnapte en de anderen keken spottend om, dan
kreeg ze een kleur als vuur en had wel een half uur noodig, om weer op
haar verhaal te komen.
En zoo is ze me een prettige, flinke leerling geworden.
Maar wat er die eerste dagen in dat rooie bolletje is omvergehaald en
overeind gezet! Als ze 't zelf nog zou weten en ze kon 't voor me
opschrijven, wat zou ik 't graag eens lezen!