CHRIS.

De bel gaat. 't Is negen uur.

Gehoorzaam trekken m'n paardjes aan; de wagen rolt kalm in 't zelfde

spoor van alle dagen, de les is begonnen.

Daar gaat de deur open. Het Hoofd komt binnen, met een nieuwen jongen.

Lieve hemel! denk ik. Dat wordt No. 40. De klas is al zoo vol! En toch

al zooveel jongens!

Met één oogopslag zie ik, dat hij groot en forsch is. „Misschien komt

hij maar op proef en kan een klas hooger geplaatst worden,” is mijn

laatste troost.

„Juffrouw,” begint het Hoofd, „hier kom ik u een nieuwen leerling

brengen; die wil graag in deze klas komen!”

M'n nieuwe leerling en ik bekijken elkaar.

„Hoe heet je?” vraag ik.

„Chris Manders.”

„En hoe oud ben je?”

Hij is een jaar ouder dan de norm van m'n klas. Toch ziet hij er niet

dom uit, of achterlijk. Ook heeft hij niet het verlegene en stugge

van de zittenblijvers. Hij kijkt me zelfs vriendelijk aan, uit een

paar diepblauwe oogen. Maar 't gezicht heeft iets onkinderlijks, iets

vroeg-wijs. 'k Geloof, dat het voornamelijk zit in den trek om den mond.

Ondertusschen heeft hij mij met evenveel aandacht opgenomen, als ik hem.

Maar nu schijnt hij met zijn onderzoek gereed. Hij kijkt eerst eens door

't raam en monstert dan de klas, d.w.z. alleen de jongensrijen.

„'t Is een kleine zwerver,” fluistert 't Hoofd achter de

leerplichtkaart, die hij in de hand heeft. „Eenig kind van een weduwe

met nieuwe trouwplannen. Nu is de jongen natuurlijk te veel. Hij is de

laatste maanden bij zijn grootmoeder, een door en door fatsoenlijke

vrouw. Ze heeft hem zoo pas zelf gebracht. Hij komt van school No....

uit de .... straat. Maar daar draaide hij geregeld stukjes. 't Gewone

liedje hé, geen toezicht thuis! En 't was voor dat mensch, dat zelf nog

uit werken gaat, te ver, om hem geregeld te brengen. Daarom heeft ze

overplaatsing gevraagd en nu is ze vol moed, dat 't hier beter zal gaan.

Ze woont hier vlak bij, en wil hem elken morgen brengen.”

Ik zucht even. 'k Heb meer ervaring op dat gebied. Maar enfin, we zullen

't met Chris moeten probeeren.

't Hoofd, heeft zijn taak volbracht en laat den nieuweling bij mij

achter. En ik zoek met nauwgezetheid een plaats voor hem in de volle

klas.

Neen, niet op de achterste rij; ook niet naast Jantje Kroeze, dat gaat

geen twee dagen goed. Vooraan dan maar? Nee, die bank is te klein voor

hem, en daar zit hij ook de kleinere jongens achter hem in den weg. Ten

slotte vind ik toch een schikking, die me zoowat bevredigt.

En dan kan eindelijk de wagen weer voortrollen.

* * * * *

Natuurlijk heeft de nieuwe leerling dien morgen m'n volle aandacht.

't Begint ten minste goed: hij valt als een wolf op zijn sommen aan.

Rekenen kan hij gelukkig; maar als ik hem moeilijker werk geef, blijkt

het, dat hij toch niet in een hoogere klas past. In godsnaam, dan moet

hij maar hier blijven.

Als de bel gaat voor 't speelkwartier, regent het, dat het giet. Dat

wordt dus binnen blijven.

„Krijg je leien maar, dan mag je wat gaan teekenen.”

Vijf minuten later kijk ik eens over de gebogen hoofden heen. Mijn

troepje is vol animo bezig. Sommigen zitten met het ernstigste gezicht

te teekenen; 't voorhoofd in rimpels getrokken, den mond half open, 't

puntje van hun tong er even uit; anderen krassen maar wat, of maken de

teekening die op 't bord staat nog maar eens na. Zelfs zijn er een paar,

wier picturale aanleg zoo gering is, dat ze er de voorkeur aan geven,

hun lei vol te krabbelen met tafels, of uit 't hoofd een versje over te

schrijven.

Ik kijk eens naar Chris; hij zit te teekenen, of hij 't voor z'n brood

doet, met een kleur van opwinding. Alle jongens om hem heen hangen over

zijn lei, een en al aandacht. En al teekenend geeft hij de verklaring er

gratis bij. 'k Word ook nieuwsgierig, drentel eens door de rijen, blijf

achter hem staan.

„Da's Sinniklaas in se aautau”, legt hij den omstanders uit. „Nou gaat

ie na de franse besar, om kedootjes foor de soete kindere te koope. En

Pietermeknecht is sjefeur. En nou benne se dr. Nou gaat Sinniklaas na

binne en Piet blijft op de autau passe en jaagt de jonges weg, die dr an

wille komme. En dan komt Sinniklaas weer na buite, en dan loopt er een

fent achter 'm an met een heele mand fol pakkies, en dan mot Swarte Piet

hellepe, om die mand bofe op de autau te sette; en dan rije se weer

ferder.”

Hoe hij 't 'm levert, weet ik niet, ik zou 't hem heusch niet na kunnen

doen, maar al de tafreeltjes staan op z'n lei. De jongens gapen het

wonder aan, merken niet eens, dat ik er bij sta. Chris zelf blaakt van

ambitie. Hij is nu aan een nieuwe serie begonnen:

„En nou sit Sinniklaas in se fliegmesjine, en swarte Piet sit dr naast

met al de pakkies. En nou gane se strooie door de schoorsteene, en se

gooie bij al de soete kindere wat in dr schoen. En nou staat hier een

klein huisie en die jonge die wou nooit na school. En nou pakke se 'm

uit se bed en nou mot-ie mee na Spanje. En nou sit-ie te griene in de

sak.”

De „sak” wordt geteekend als een groote lus, zoodat je den zondaar er

in kunt zien zitten „griene”. 't Is een miniatuur poppetje; een kat zou

in een zak nog meer plaats innemen. Ook „zit” hij niet, maar zweeft met

uitgespreide armen en beenen door de ruimte binnen in den zak. Maar

wat hindert dat? De kinderen vinden 't allemaal even prachtig, en dat

vind ik eigenlijk ook. Mijn nieuwe Chris heeft dus fantasie. En hij is

sportief. De traditioneele schimmel bevredigt dit moderne stadskind niet

meer.

„Sinniklaas in de fliegmesjine”, prachtig anachronisme. En in m'n eentje

lachend loop ik verder door de rij.

Dien heelen eersten dag doet Chris zijn uiterste best. Het taallesje

schrijft hij netjes, tot het laatste woord. Onder 't lezen let hij op en

weet zijn beurt.

En als ik 's middags naar huis ga—hoe 't komt, weet ik zelf

niet—misschien door zijn mooie helderblauwe kijkers, misschien door

zijn „Sinniklaas in de autau”, misschien omdat zijn vader dood is en

zijn moeder „wel van 'm af wil”, maar dan voel ik, dat die kleine

zwerver al een plekje in mijn hart heeft veroverd.

* * * * *

't Gaat goed met m'n Chris, een heele week, twee heele weken. 't

Schoolhoofd kijkt voldaan: Zie je, aan ~zijn~ school.... Ikzelf krijg

er ook al een beetje moed op.

Tot op een goeien morgen zijn plaats leeg blijft. Maar de andere jongens

verzekeren me, dat hij niet ziek is. Ze hebben hem gezien; hij hing

achter aan de tram.

Dan krijg ik een bang vermoeden en laat het Hoofd waarschuwen. Die

stuurt dadelijk een boodschap. Nee, zijn grootmoeder weet er niets van.

Dien heelen dag komt Chris niet boven water. Den volgenden ochtend

brengt het Hoofd hem binnen, als de les al begonnen is. De jongen lijkt

heelemaal ondersteboven. Hij drukt zich snikkend tegen den muur en daar

staat hij met één arm voor zijn gezicht, terwijl je hem in zijn tranen

wasschen kunt.

Het Hoofd houdt nog een lange boetpredikatie, die natuurlijk over zijn

hoofd heen tot de klas gericht is. Dan mag hij naar zijn plaats gaan.

Den geheelen ochtend gedraagt hij zich best en houdt hij een berouwvol

gezicht. Na schooltijd laat ik hem even blijven.

„Waarom ben je nu eigenlijk van school weggebleven?” vraag ik.

Ik krijg een lang, onsamenhangend verhaal. Er was een „mellekkar

omgefalle” en ik hoor al de details van gebroken flesschen en

weggestroomde melk. Nou en toen had hij toch moeten „hellepe”, en toen

was 't „feels te laat” geworden. En toen had hij niet meer durven

aanbellen en was maar blijven spelen.

„En 's middags dan?”

Z'n hoofd zakt voorover; hij mompelt nog wat van „niet durven.”

En ik kijk op dat gebogen hoofd en voel niets dan medelijden. Want

wie eenmaal voor deze verleiding bezweken is, die zal elken dag weer

naar de zoete vrijheid verlangen en de groote stad biedt belangwekkende

tooneelen genoeg, die de aandacht vasthouden tot „de school toch al

dicht is.” Laat het gisteren een omgevallen melkkar geweest zijn, morgen

zal 't een aanrijding wezen, of een dronken man, die opgebracht wordt,

of een bekeuring van een slagersjongen, of een troep soldaten met

muziek voorop, of desnoods een ruzie tusschen een paar buurvrouwen.

En wat kan de straat voor goeds leeren aan een kleinen jongen van acht

jaar? Nog is hij niet bedorven; ik merk het aan zijn omgang met de

andere kinderen, aan z'n gesprekken en spelletjes in 't vrije kwartier.

Maar onafwijsbaar moet op den duur de verderfelijke invloed van de

straat op hem inwerken. En dan, arme Chris, wat moet er dan van je

terecht komen?

Omdat het mijn plicht is, praat ik toch ook nog eens tegen hem. En hij

is heelemaal overtuigd. Hij slaat z'n groote blauwe oogen naar mij op

en belooft me alles, alles wat ik maar wil. En we scheiden als de beste

vrienden.

Werkelijk gaat 't weer een weekje goed. En ik zou hem niet eens meer

willen missen. Want hij is een prettige leerling, altijd er bij, en lang

niet dom. En in 't speelkwartier is hij de ziel van 't spel, heeft hij

alle jongens om zich heen.

Vandaag is 't brandweertje. Ze draven met z'n achten of tienen op een

kluit in een heel lang touw; de voering uit hun pet hebben ze naar

buiten getrokken én die toen weer opgezet met de klep als een hanekam

boven op 't hoofd. Nu hebben ze een helm op, als de brandweer.

Tingelingeling, daar komen ze aan, in vollen draf. Op een gegeven

oogenblik staan ze plotseling stil, hier is „de brand”. Met één arm

omhoog, de beenen wijd van elkaar, staan ze te spuiten, pssj, pssj, met

doodernstige gezichten. Als ik voorbij kom, zeg ik: „Denk erom, dat je

eerst alle menschen moet redden”, en ze knikken wijs, al spuitend, en

geen van allen lacht.

Zoo kan 't morgen „de bereje plietsie” zijn, of „motorrije”. Dat laatste

vooral doet Chris graag. Zie hem op het hek zitten, met z'n voeten op

de dwarsplank, de armen voor zich uitgestrekt, de vuisten geklemd om

een denkbeeldig stuur, den rug voorover gebogen, de oogen voor zich

uitstarend. De vreemdste klanken, waarvoor in 't alfabet geen letters

bestaan, stoot hij uit; knalgeluiden, snorgeluiden, blaasgeluiden. 'k

Geloof zeker, dat hij 80 K.M. per uur aflegt, daarboven op dat hek. En

zooals hij daar met z'n oolijken snuit zit te tuffen,—kun je zoo kwaad

op hem blijven? Ook al is hij gisteren weer den geheelen dag op sjouw

geweest?

Nee, telkens moet je weer denken: Arme stakkerd, had je maar een flinken

goeien vader, in plaats van die oude afgewerkte grootmoeder! Wie weet,

wat er dan nog van je terecht kwam!

En zoo sukkelen we nu al een halfjaar voort met onzen Chris. 'k Heb één

geluk, en dat is, dat hij mijn andere jongens niet mee op sleeptouw

neemt. 'k Geloof, hij vindt ze te kinderachtig en zoekt liever zijn

vroegere kornuiten op. Wat dat voor heeren wezen zullen? Heel veel

bizonders vast niet. Wat ze met elkaar uitvoeren langs 's Heeren wegen?

„Spelen op 't zand,” heeft hij eens geantwoord, toen ik 't hem vroeg.

Toch heb ik hem nog nooit betrapt op de ondeugden, die gewoonlijk uit

straatslijpen voortkomen: snoepen, rooken..... stelen. Nooit heeft hij

snoepgoed of centen op zak, nooit mis ik wat in de klas.

En ook nog steeds komt hij in tranen badend weer op school, als een

berouwvol zondaar. Dan hebben „de andere jongens” gezegd, dat het

nog tijd genoeg was, of hij moest „eerst” nog een boodschap voor z'n

grootmoeder doen, of hij heeft weer een andere uitvlucht. Maar altijd

belooft hij, dat 't nu „nooit meer gebeuren zal.”

Arme Chris, je bent me een raadsel. Soms denk ik: Zou het toch nog

mogelijk zijn, dat je aan je noodlot ontkomt? Dat je onvatbaar blijkt

voor de besmetting met het gif van de straat? Of dat je, vóór het vat op

je krijgt, nog eens onder betere leiding komt? Als nu b.v. zoo'n tweede

vader eens schik in je kreeg en je bij zich in huis nam?

Maar voor 't oogenblik kunnen we er niets anders aan doen, dan hem niet

al te afkeerig van de school te maken, en voor de rest—er maar 't beste

van blijven hopen!

Kinderen uit m'n klas · 第 6 / 24 题