gelukkige dag nog niet bepaalt is, zo hoop ik, dat hy nu haast zal
aanbreken; iets, waarom ik vurig bid.
Myn waarde Vader, die myn geen woord gezegt heeft van zyn voornemen,
om u te komen zien, verhaalde my onder het avondeeten, dat hy by u
geweest waar, om u veel zegen te wenschen met uwe Verjaring. "Zie,
Hendrik, zei hy, 't is een aartig meisje, maar 't is of zy bang van my
is. Zy was wel beleeft en vriendlyk, maar toch zo niet, als zy tegen
haren Voogd (die er ook inkwam,) zich gedraagt: en dat spyt my; want
ik meen het kind wel te doen; jammer, duizend jammer! dat zy niet van
ons Geloof is."
_Ik_. Juffrouw Burgerhart zal, zo dra zy weet, dat gy vriendelyke
gemeenzaamheid niet voor kleinachting in jonge menschen aanziet, u
zeker zo behandelen, als gy wenschen kunt.
_Hy_. Wel, dat's al een raar Compliment, Hendrik. Ben ik dan zo een
Niemands vriend, dat de jonge lieden voor my vrezen? dat zou my
spyten!
_Ik_. Myn waarde Vader, trek er toch dit gevolg niet uit! Gy weet, hoe
pligtmatig ik altoos omtrent u gehandelt heb, en den Hemel dank voor
den braven Vader, dien hy my gaf.
_Hy_. Ja, ik zie zelf wel, dat ik zo niet ben als uw Oom Redelyk, of
als Blankaart, maar dat is zo myn humeur. Nu, zal 't haast lukken?
Wanneer gaat het Huwlyk aan?
_Ik_. Zo dra wy een huis hebben, denk ik.
_Hy_. Wel, is dat de zwarigheid? wagt, met je Vrouw, de occasie hier
by my af: of wil zy niet by zo een knorrig man zo lang komen inwonen?
_Ik_. Daar is geen woord over gesproken; maar ik ben wel verzekert,
dat myn aanstaande Vrouw over haar Mans Vader dus onheusch niet zal
oordelen; en ik bedank u by voorraad allerhartlykst voor deeze
aanbieding.
_Hy_. Waar is uw Broeder Cornelis?
_Ik_. Die eet by den Heer Blankaart.
_Hy_. Wel is 't waar! alle jonge lui zyn even gaarn by hem; maar 't is
ook de beste, de braafste man van de waereld. Hy heeft my ook al zo
eens aan 't oor geweest over uw Broêr.
_Ik_. Ja, myn lieve Vader! Keesje heeft, toen hy te Leiden studeerde,
eene Juffrouw leren kennen, die hem boven alle behaagde; en dewyl de
Heer Blankaart die familie kent, en roemt, zoo is 't niet vreemt, dat
hy een woord voor myn Broêr gesproken heeft: zy is niet ryk....
_Hy-. (_my in de reden vallende_.) Ben ik dan een gierige schrok? Heb
ik ooit op geld gezien? Als 't anders wel is, zal dat wel gaan; maar
al weer niet van myn Geloof, denk ik?
_Ik_. Dit weet ik met geen zekerheid: de Heer Blankaart zal u alles
wel berichten.
_Hy_. Nu, 't is nog zo verre niet. Hy moet eerst wat praktyk hebben.
Ik hoop, dat hy die zaak op het Oostïndische Huis, voor Mevrouw
Buigzaam, maar wel en spoedig zal afdoen: zo hy zich ooit met slegte
zaken bemoeit, ontërf ik hem; geen schelmen in myne Familie, zou ik
hopen: dan nog liever Gereformeerde meisjes tot Schoondochters!
Zie daar de kaart van 't land, myne Liefde, indien gy den braven man
weder mogt ontmoeten. Hy zal u zeer lief hebben, maar het u nooit
zeggen; hy zal u overhopen met presenten, en zien of hy op u keef:
Beter hart dan het zyne is er niet.
Myn Broêr praat bykans zo veel van u als van zyn meisje, en houdt niet
op van te zeggen, dat gy, uit alle meisjes, juist die geene zyt, die
my gelukkig kan maken.
Nu zal ik u verslag doen van myn Bezoek by den Warmoezier. Ik ging er
deezen namiddag heen. De vrouw was bezig met groenten te wassen,
geholpen door een jongen knaap; de man was in den Tuin.
_Ik_. Goejen dag Aaltje-buur, hoe gaat het al?
_Zy_. (_Zeer verwonderd opkykende_.) Heel wel, myn Heer, maar ik ken u
niet!
_Ik_. Gy kent evenwel, denk ik, eene jonge Juffrouw, die gy een dienst
gedaan hebt, welke ik moet trachten te belonen? Is dat uw Zoon,
Pieter?
_Zy_. Ja myn Heer, dat's Pieter; en dat is myn man, die daar zo druk
bezig is.
_Ik_. Myne goede vrouw, zo 't u gelegen komt, wilde ik u wel eens
spreken.
_Zy_. Als 't je belieft, myn Heer. (_Zy ging met my onder een zwaren
Olmenboom op een Bank zitten, die wat van 't huis afstondt_.)
_Ik_. Vrouw, gy hebt, door die jonge Juffrouw in huis te nemen, en
veilig in de stad te bezorgen, my een dienst gedaan, dien ik u niet
kan belonen; doch ik zal u echter myne erkentenis bewyzen.
_Zy-. Wel, myn Heer! wel, myn Heer! dat is al dubbelt en dubbelt wel:
die zoete Juffrouw heeft my vier gouwen Dukaten, en myn Zoon nog een
gegeven; dat waarlyk veels te veel was. En wie, al was hy een Heiden
of een Turk, zou zo een aller liefst jong mensch niet in huis genomen
hebben, in zo een droevige omstandigheid? Wil ik u wat zeggen, myn
Heer? al had ik geen rooije duit gekregen, ik zou 't even lief gedaan
hebben; ik heb ook kinderen; en hoe bly zou ik zyn, als myne kinderen
ook in nood en verlegenheid brave menschen vonden! maar die ondeugende
R. zal zyn loon wel krygen.
_Ik_. Gy spreekt wél; gy verdient achting. Maar zou ik dat lieve
Klaartje ook niet eens kunnen zien? gy ziet, ik weet van de geheimen.
_Zy_. (_Zy lachte_.) Pieter toe, ga eens even by Kryn-Baas, en vraag,
of Klaartje hier niet eens kan komen; maar je moet niets van dezen
Heer zeggen. (_Pieter ging op een draf, en in een kwartier kwam hy met
Klaartje te rug_.)
_Ik_. Wel, dag schoon kind, ik moet u de groetenis doen van zekere
jonge Juffrouw, die zeer verlangt om u eens by haar te zien.
_Klaartje_. Zo, myn Heer; wel, ik zou gaarn eens gekomen zyn, maar ik
durfde niet om myn Vader; die moet er niet agterkomen, of 't zou er
bedroefd uitzien. 't Heerschap jaagde hem heen', en wat zouden wy dan?
_Ik_. Gy hebt gelyk. (_Onderwyl was Moeder haar Man gaan roepen, die
ook nu by ons kwam; een ordentelyk man, dunkt my_).
_Zy_. Zie, myn Heer, ik heb Vader zo eens een woord gezeit, maar hem
dunkt ook, dat wy wel zes-dubbelt beloont zyn.
_Hy_. Ja, dat denk ik, en zo ik de zonde niet ontzag, ik zou zo een
deugeniet, zo een verleider van jonge meisjes kunnen kloppen, dat hy
't opstaan vergat; dat zou ik! (_en hy zette zyn hoed in de oogen_.)
_Ik_. Hy en zyn soort verdienen niet beter, maar laten wy van wat
anders praten: deeze jonge vrienden zyn Vryster en Vryer?
_Pieter_. Ja, myn Heer, met God en met eeren, en ik heb haar ook
miserabel lief, ook Klaartje? (_Klaartje kreeg een kleurtje en
zweeg_).
_Ik_. En waarom gaat het Huwlyk niet voort?
_Klaartje_. Dat geloof ik, myn Heer, ik heb maar twee-honderd guldens
voor Moeders erf, en Albert-Baas kan niet meê geven; de menschen
hebben zeven kinders, en men kan zonder geld niets beginnen.
_Ik_. Wel, Albert-Baas, als de jonge lui nu in staat waren om zich te
redden, zou het dan wel zyn.
_Hy_. Dubbelt wel, want wy houwen maar elendig veul van Klaartje; ook
Wyf?
_Ik_. Wel, kom aan. Zie naar gelegenheid uit, en als je op je slag
bent, laat het my dan weten: zie, hier is een beurs, daar genoeg in
zal zyn om te beginnen: daar, Moeder doe jy uitdeling, en geef er zo
veel van als gy goed vindt: gy zyt allen hupsche menschen.
De vrouw was verstomt, de man keek of hy zei: "droom ik, of waak ik?"
en Pieter omhelsde zyn meisje, uitschreeuwende; "nou ben je evel de
myne, nou word ik jou man;" en hy kuschte haar, of hy haar wou
opeeten. Nou, zei hy, ik ben op dien Heer "niet jaloersch, geef hem
een zoen voor zyn goedheid." Zy deedt zo, met een ware eenvoudigheid,
die my aandeedt. Na nog wat pratens, ging ik te rug, en kwam maar
juist van pas binnen.
Ik twyfel niet, myne Liefde, of gy zult te vreden zyn met myne wyze
van doen. ô Wat vindt men schone karakters onder zulke gemene lieden!
Laten wy, zo veel wy kunnen, die toch wel doen.
Nu zal myn eerste bezoek by uwe Tante zyn. En dat lieve mensch, 't
welk gisteren by u was, moet ik nader leren kennen. Dit is al
Christelyke deugd! en hoewel 't gezont oordeel wel eens voor een
weinigje te vergetrokken yver schynt te wyken, dit is niets, daar een
mening zo oprecht, en het voordeel zo uitgebreit is.
En nu, myne Liefde, bid ik u, dat gy uwen Edeling niet langer laat
reikhalzen naar een geluk, dat hy zo vurig wenscht, en dat hy met zo
weinig geduld kan afwagten. Myne Zielsbeminde! gy hebt myn koel, al
te onverschillig karakter opgevyzelt tot dien graad, die my alle myne
zedelyke en machinale verrichtingen met vuur, met deelneming, met
vaardigheid en gemaklyk doet uitoeffenen. Liefde voor een waardig
Voorwerp, veradelt den Mensch; zy leidt ons daar, daar wy, in al wat
goed, wat groot, wat nuttig, wat heilzaam is, voor ons en anderen,
komen moeten. 't Wordt middernagt. Ik moet eindigen, om u niet
ongehoorzaam te zyn. Wel dan, ik ga slapen. Rust zagt, myne Beste,
en ontwaak onder de bescherming des Algoeden. Eeuwig ben ik
Uwen
EDELING.
HONDERD-ZEVEN EN VYFTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
_Ge-eerde Vriendin!_
Al heb ik nul op het request gekregen, daarom blyf ik evenwel dezelfde.
Hoe, wat? zoudt gy my tegen uw zin nemen? Wel nog mooijer! Neen,
Vriendin, ik heb u van harten gevraagt, doch het stond u vry, om my
af te wyzen: Nu zal ik al vast als een _niets beduidend oud Vryer_
sterven. Want trouwen zal nu wel agter blyven.
Ik zal echter nog zó veel goeds in de Waereld doen, als ik maar grypen
en vangen kan; want zo maar het leven, dat God de Heer my geeft, met
geld winnen en boekhouden te verpierewaaijen, dat was nooit te
verantwoorden: Me dunkt, dat het er schraaltjes moet uitzien, als een
Christen mensch in den Oordeelsdag evel niets kan opnemen, dat zo iets
de pyne waart is, zo als onze meeste ryke luidjes toch doen. Neen, ik
hoop te kunnen zeggen: "Here! ik ben, en dat is maar niet te ontkennen,
een zondig mensch; ik ben maar een oud Vryer; maar ik heb zo veel goeje
menschen wel gedaan, als ik maar belopen kon; ik heb kwaaje zoeken wyzer
te maken; ik ben niemand ooit hart gevallen, en ik deed dit zo alles, om
dat ik uwe geboden lief had, en uit dankbaarheid, om dat ik zo gezegent
op de waereld was, alles tot lof Uwer genade, amen;" zo dat, ik wil maar
alleen zeggen, dat gy waarde Vriendin, my niet tegen uw zin moet nemen.
Ik ben dan eergisteren by den Heer Helmers geweest; zo als ik tegen u
zei, dat ik doen zou. Hy woont daar als een klein Prinsje, hoor! Ik
dagt: kom! myn Blesje moet ook eens met baas uit; zie, 't beest is my
zo lief als myn Snap, zo als het ook wel merken kan. Daar kwam ik als
een hele Sinjeur de Plaats opryen, maakte myn paard aan een boom vast,
en ging met Snap naar het huis.
_Ik_. Uw dienaar, myn Heer Helmers! doet Abraham Blankaart u ook
belet? maar mooglyk ben ik niet by u bekent, en _onbekent maakt
onbemint_.
_Hy_. In persoon ken ik u niet, myn Heer, maar in karakter wel; gy zyt
hartlyk welkom; waaraan ben ik dit aangenaam bezoek verpligt?
_Ik_. Dat kan ik u voor de vuist, en met weinige woorden, zeggen. Ik
kom uit vryen om uw Vriends Dochter Letje:--maar, kyk zoo niet op,
niet voor my.
_Hy_. Ik zal u met genoegen horen.
_Ik_. Hebt gy den Heer Willis gekent? Hy was niet gelukkig in zyne
affaire.
_Hy_. Neen, maar ik heb een Vriend gehad; die dit met hem, en even
onverdient, was; Letjes Vader.
_Ik_. Nu althans, die man heeft een Vrouw en twee kinderen nagelaten;
(_en, toen zei ik zo veel goeds van u, dat ik het niet zeggen mag_.)
Zyn zoon is myn gunsteling, een braaf ijvrig Jongeling, by den Heer
---- op 't Kantoor; die hem als een Vader bemint. En nu kwam ik by u,
om eens te horen, of gy iets tegen een Huwlyk tusschen deeze Kinderen
zoudt hebben? Zyne moeder zal u, zo gy het bewilligt, nader verzoek
doen: want zy bemint Letje, en zou graag zien, dat haar Willem het
meisje kreeg.
_Hy_. Heeft Letje u niets gezegt van zekeren Brief?
_Ik_. Geen woord. Zy weet ook niet, dat ik naar u toe ben. Zie, ik wou
eerst weten, hoe gy er over denkt. Gy zyt haar weldoener, zegt zy.
_Hy_. Myn Heer Blankaart, Letje (dat ondervind ik op nieuw,) heeft een
zeer goed eerlyk karakter. Hare vriendschap met Juffrouw Burgerhart,
haar inwonen by de brave Weduwe, hebben haar in weinige maanden
ongelooflyk veel nuts gedaan. Ja, ik had een ander oogmerk met haar;
doch ik zal haar myne weldaden niet ten koste van haar vryheid en
geluk toedelen. Indien zy myn voorslag hadt kunnen aannemen, 't zou my
lief geweest zyn; maar, zo zy liever den Heer Willis heeft, my is 't
wel; ik moet u evenwel ook voor de vuist zeggen, dat Letje niet meer
dan twintigduizend Guldens bezit: zo veel als haar Broeder, daar ik
ook zeer wel over voldaan ben: en indien Willis nu niets heeft, dan
zie ik er niet door.
_Ik_. En ik heel wel! God heeft my gezegent, en ik ben maar een oud
Vryer, die kind noch kraai in de waereld heeft. Kom, Helmers! Letje
heeft my zo veel van u verhaalt, dat ik mag veronderstellen, dat gy
nog wel iets doen zult voor haar. Ik zal voor Willis ook wat doen. Ik
had altyd gemeent, als ik niet trouwde, myne Pupil myn goed te maken,
met zo wat Legaten aan myn oude Bedienden; maar zy doet een ryk
Huwelyk, en ik zeg: zie, Abraham Blankaart, gy moet geen water in de
zee dragen, myn Vriend. Nu moeten er andren wel van varen. Och God!
het moet hier immers alles blyven; en wel doen is de boodschap. Is dat
zo niet, myn goeje Vriend?
_Hy_. Gy doet my aan, Blankaart. Geef my uwe vriendschap: ik denk even
als gy.
_Ik_. Met al myn hart: nu, wat zegt gy?
_Hy_. Ik sta de verkering toe; ik bedank u voor de eer, die gy my in
deezen aandoet; ik zal tonen, dat ik uwe achting niet onwaardig ben;
en laat voorts alles aan uwe bestiering over.
Vervolgens vertelde hy my met aandoening, dat Letje, nog zeer jong
zynde, (nu, zy is nog maar drie en twintig jaar,) eene jeugdige liefde
had opgeöffert aan haar's Vaders redelyk bevel; en dat zy ook hier
voor moest beloont worden. Hy zei my, dat haar Broêr een goede jongen
was, daar wel wat van zou te maken zyn, zo hy in goede handen viel.
Goed, zei ik, ik zal dat knaapje ook al in 't oog houden, en helpen
waar ik kan en mag.
Na de plaats doorgewandelt en op zyn oud Vaderlands afscheid genomen
te hebben, sprong ik te paard, en kwam, zo in my zelf tierelierende,
en zoo vrolyk als een Koning, met Snap de Stad in, at spoedig, en ging
deezen zitten schryven. Ik ben met eerbied,
Uwe Hartvriend,
ABRAHAM BLANKAART.
HONDERD-AGT EN VYFTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW STYNTJE DOORZICHT AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.
_Lieve Vriendinne!_
Ik had dan het genoegen om u, en nog eenige jonge harten aan het huis
van de Vriendinne Buigzaam te zien! Ik was byna niet in staat, om myne
inwendige vreugd te verbergen.--'t Was of ik in een zedelyk School
was, daar men jonge menschen de eerste treden leerde zetten op den
waren weg. Toen ik t'huis kwam, moest ik zo betuigen voor den Here:
_Nu weet ik, dat by u geen aanneming des persoons is, maar dat yder,
in wat staat of rang, in wat kleding_, (_zo die der betaamlykheid maar
niet kwetst_,) _die de gerechtigheid lief heeft, u aangenaam is_? Ja,
ik voel zo eene zielenliefde voor de Vriendinne Buigzaam. In haar zie
ik zo _Maria_ en _Martha_ vereenigt. In Letje is een getrouw zaad
gevallen: de Here geve, dat het door de waereldsche beslommeringen
maar niet verstikken moge! Niet, hartje, dat men den kinderen van
Jezus alle speelgoedje moet onthouden; maar 't moet binnen de palen
van uitspanningjes zo blyven. Och, zy laten het van zelf wel varen,
als zy Maagden, Vrouwen en Moeders in den Here worden. En daar is dat
zoetaardig Lotje, die moet niet verstoten worden; zy is een kind in 't
verstand, maar ook in allerleije boosheid. Ja, Styntje, zei ik zo in
my zelf, als ik haar zo eenvoudig zag zitten breijen, gy moet in
onschuld dit Kind gelyk worden, of gy kunt in 't Ryke Gods niet
ingaan.
Maar gy, myne jonge Vriendinne, hebt vyf talenten ontvangen, en de
Here gaf u ook de gewilligheid, om die tot winst uit te zetten. ô Myn
hartje, gy kunt nog zo veel goeds doen. En uw Bruidegom is een
_Timotheus_, die de begeerlykheden der jonkheid vliedt, in wien het
oprecht geloof woont. ô! Zo de lieve _Johannes_ eens aan hem schreef,
hy zou zeggen: _Ik schryve u, Jongeling, want gy hebt de waereld
overwonnen_. Ik spreke uit ondervinding. De Godsdienstige Edeling is
by my geweest, maar zo als hy zich omtrent uwe Tante gedroeg; ô
Vriendinne, dat was het _werkent_ Christendom! Uwe Tante weende
bitterlyk. Nu ziet zy wél, dat de Here _niet woont in 't water noch in
't vuur_: gelyk er in het oude Verbond staat: dat is, niet in al dat
getier en gebaar van dat zo genaamde Bekérings-werk: maar dat God
woont in een ootmoedig, gezuivert, en hem geheel geheiligt hart; zoo
is het ook met uwe Bruidegom!
Ik ben niet onder de ryken deezer Stad; maar ik heb overvloed voor my,
en kan nog wat mededelen; en zo uwe Tante niets hadt, en by my toevlugt
nam, ik zou haar gaarne van 't myne geven. Maar nu gy, en uw Vriend,
ryk zyt in goederen, ryk in de genade, en dus ook ryk in goede werken,
zou het in my eene dwaze trotschheid zyn, geen gebruik te willen maken
van 't geen uw beider liefderyke harten my aanbieden: En nu kan ik myne
stille liefdadigheid blyven beoeffenen.
Terwyl ik deezen zo zat te schryven, kwam de Heer Blankaart in myn
huisje. Uw Tante was danig ontstelt. Hy bestrafte haar als _Joannes de
Doper_, en troostte haar, als _Joannes de lieveling des Heren_. Zy
viel in den schuld, bekende, dat zy u zeer onrechtvaardig behandelt
hadt, en u in gevaar gebragt, om op den doolweg te raken. "Nu, zei hy,
Zantje, leer nu beter toezien; er zyn, zo als ik u duizend maal zeide,
hele ondeugende sielen onder dat Fyne goedje. Jou Duivel was gierigheid,
kind, die moest uitgedreven worden; zo als de Schrift zegt, _gierigheid
is een wortel van alle kwaad_. Zie, hadt gy nu van uw geld arme sukkels
meêgedeelt; maar neen, er mogt geen duit af, zo 't niet voor dat Volk
was. Nu, 't schaadt je niet; zo je jou nu nog maar bekeert, zal 't alles
wel lukken: hoor, ouwe kennis, ik begryp niet, hoe of je zo in dien hoop
verwart geraakt zyt. Gy pleegt te wezen als alle andere deftige Burgers;
maar zedert dat je bekeert ben, zit je te zuchten en te steunen, dat de
Duivel in zyn vuist lacht, om dat je het by onzen lieven Heer zo wel niet
hebt als by hem. Denk jy, dat onze Hemelsche Vader, die uit liefde en met
blymoedigheid wil gedient zyn, het scheelt, of gy u als een _graauwe
Munnik_ toetakelt; en er uitziet, of je uit het zothuis kwaamt? dat je
dat kostlyk aangezicht weg moffelt in een malle muts? Niet dat ik wil,
dat gy u optooit als een kleuter; maar kleedt u zo als Styntje: zo een
Samaartje staat immers net en ordentelyk, en het Kuifje zindelyk en
zedig? Zy ziet er ook zo blymoedig uit, dat men niet hoeft te vragen,
of zy zich in den dienst haars Gods wel bevindt, en vrolyk leeft in
den Here. Nu, _zalig zyn zy, die zich beteren_. Wat uw bestaan aangaat,
zorg daar niet voor. Uwe lieve brave Nicht heeft my gebeden, om u uit het
hare te mogen onderhouden; en ik zou haar niet half zo liefhebben, zoo zy
niet zo wel kon goed doen als vergeven. Zie, dat is ook een Christelyke
plicht. En wy hebben allen nog zo veel te doen, eer wy waarlyk Christenen
zyn, ik voor al, dat het ons niet voegt onvergeeflyk te zyn. En jy en ik,
Zantje, mogen by Styntje nog wel een lesje halen."
Vriend Blankaart, zeide ik, ik vinde gedurig zo stoffe, om my te
vernederen voor den Here; laten wy liever elkander leren, en opbouwen
in het goede werk. De Here zelf moet ons leren; en zo doet hy ook in
het woord der waarheid. "Dat is recht, zeide hy: maar wy doen heel
anders, wy verlaten den Sprinkader des levendigen Waters, en houwen
ons zelf gebroken bakken uit; zie, ik lees alle daag in Gods Woord, en
hou my niet op met uitleggingen, die ik niet noodig heb om het te
verstaan, voor zo verre het my raakt als een Christen mensch, wil ik
spreken. Wat kan 't my schelen, of in zo een text van den _Gog_ en den
_Magog_, of van _Constantyn den Groten_ gesproken wordt? Ik wil
_Bybels_, ik wil _practicaal_ horen preken. Daar liep ik verleden
Zondag zo eens in de Meniste Kerk by den Toren; er werdt over de
Bekéring gepredikt; 't was zo fraai, dat ik ging zitten, en luisterde
als een vink. Wel, Styntje, ik ben nu zuiver rechtzinnig, maar
waarlyk, ik kon _amen_ op alles zeggen; en ik zei het ook in my zelf.
Sticht dat niet beter, dan dat ik hoor zagen, en kaauwen en klungelen
over _Aarons baard_? en er dan nog toepassingen by te krygen, die
Spotvogels stof leveren, maar die verstandige en vrome menschen met
versmading overdenken? Toepassingen, die onze jonge Nazireërs wel
agter weeg mogen laten, zo zy zielen willen winnen; en die my danig
ergeren, om dat zy my doen lachen."
Toen ging de Vriend Blankaart heen, en ik zei in my zelf: _dit is een
Israëliet, in wien geen bedrog is_. En nu, hartje, moet ik u nog
zegenende zegenen: _God geve u een Jozua's besluit: wat ook anderen
doen, wy en ons huis zullen den Here dienen_.--Groet uwen Bruidegom,
groet de Vriendinne Buigzaam, en de jonge Vriendinnen; en neem my in
liefde aan. Ik ben
Uwe ware Vriendinne,
STYNTJE DOORZICHT.
HONDERD-NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vraagt aan Mevr.
Willis, of ze de verkeering van Willem en Aletta goedvindt.--Met Sara
heeft ze ernstig gesproken: die ziet wel tegen het huwelijk op, maar
't zal wel marcheeren.
HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelis schrijft aan zijn Jaantje--Adriana
Nijverhart--dat papa hun verloving ook goedkeurt. Jammer dat _hij
alléén_--naar Hendrik's bruiloft moet: Jaantje's moeder is ziek....
HONDERD-ZESTIGSTE BRIEF.
DE HEER CORNELIS EDELING AAN MEJUFFROUW ADRIANA NYVERHART.
_Myn allerkostelykste kostelykheid!_
De knoop is gelukkig gelegt: ik ben eens even t'huis gekomen, om te
zien, of er ook een Brief van uwe Majesteit, Adriana de Eerste, was.
Neen, geen Brief. Nu, dat's weêr een schreefje op den kerfstok! Ik ga
zo vliegent weer naar 't huis van Mevrouw Buigzaam.
ô Waarom, myne Jaantje, hebt gy gisteren niet by ons geweest? Niets
ontbrak er aan myn geluk dan uw byzyn! Ik geloof niet, dat men met
meerder betaamlykheid, met meerder blydschap, een Party als die van
gisteren zoude kunnen uitdenken en uitvoeren. Alles was naar de
onmerkbare Ordonnantie van Mevrouw Buigzaam; kon het dan anders zyn?
Myn Broeder, weet gy, is een regt schoon man, en zyne Bruid, (of nu
jonge Vrouw,) eene Bevalligheid, die nog meer bekoort dan het schone
zelf. Niemand van ons was eigenlyk opgeschikt: alles was _négligé_.
Wy geleken net één Huisgezin. Hendrik was geheel liefde, geheel vreugd:
De Bruid minder levent dan anders, en men zag, dat zy alleen uit
beleeftheid mede sprak. De voor-avond werdt musicerent gesleten. De
Eerwaarde Smit was geen der minste spelers: maar Mevrouw Buigzaam
wordt niet geëvenaart, ook niet van de jonge Vrouw, en die speelt, zo
als de Heer Blankaart zegt, evenwel "Kapitaal." De eetzaal was gereet
gemaakt, om ons Soupée te houden: het overtrof nog het Verjarings
Collation. De Heer Blankaart's knegt, die van Vader, en die der Weduwe
dienden. Men had voor hun wel degelyk gezorgt, en Blankaart hadt de
oude kindermeid van de Bruid ook verzogt, om meê in de vreugd te
delen. (Van die nog een woord.)
De twee Weduwen werden door de twee oude Heren op hare plaatzen
geleidt; en zo dra de Getrouwden gezeten waren, voegden wy ons er by.
Op het dessert heb ik my ook gewroken; doch zy hebben my, door hun
verdriet te verbergen onder een vriendelyken lach, deerlyk te leur
gestelt. Ik zal het Vod[1] zelf hier in sluiten. 't Zal u mooglyk tot
een zoet rustmiddeltje dienen; en gevolglyk nog ergens goed voor zyn.