die onder goede vrienden zo aangenaam zyn, zei myn Vader: "Kom een
glaasje van gelukwensching. Welkom, vervolgde hy, met een zeer ernstig
vriendlyk gelaat, daar zyn eerlyk hart in uitscheen: Welkom, lieve
Dochter, in myne Familie. Nooit moet gy u den dag beklagen, die u in
dezelve brengt; ik althans zal een goed Vader omtrent u zyn: gy zyt
het waardig. Geluk, myn Zoon, met uwe Vrouw; wees een zo goed Man,
als gy een Zoon, een Broeder, een Meester waart, en gy zult uwe Vrouw
dierbaar blyven. En gy, Cornelis, (tegen my,) geluk, jongen, met uwe
Zuster; als gy trouwt, zal ik even zeer in myn schik zyn als nu: gy
zyt beide myne Kinderen. Myn Heer Blankaart, geluk met deeze
verbintenis! dat wy beide nog lang getuigen zyn van dat heil, dat myn
Vaderlyk hart van den Almagtigen God afsmeekt." Hy kon niets meer
zeggen, maar boog tegen het gehele gezelschap, en er vielen tranen
langs zyne wangen. De Bruid stondt op, omhelsde hem; hy kuste haar;
niemand sprak: allen droogden wy onze oogen af. Hendrik, (om wat
afwendig te maken,) vroeg aan 't gezelschap, of men hem, toestondt,
om de gewezen kindermeid der Bruid binnen te verzoeken? Niets liever!
Daar op kreeg ik myn hoed en handschoenen, en marcheerde naar de
Keuken, om het ouwe schaap, dat in haar beste Zondaagsche plunje was,
en styf stond van de gouden ringen, in te leiden. "Aanstaande Zuster,
zei ik, met myn hoed onder den arm, en Pieternelletje zeer eerbiedig
aan de hand, daar heb ik myn Vryster, die gaarn de eer hadt, om by u
haar compliment van felicitatie af te leggen." De Bruid trok haar
stoel wat uit, en gaf de vrome eenvoudige Pieternel gelegenheid, om
zich te laten bekyken. "Wel, God dank! zei ze, dat ouwe Pieternel haar
jonge Juffrouws trouwdag nog beleven mogt. Heden, Juffrouw, je bent
krek alleens als je lieve Moeder, toen die trouwde. Niet waar, myn
Heer Blankaart? En toen myn Heer Blankaart even zo klugtig als deeze
myn Heer. Nu, myn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
zegen; och, myn Heer Edeling, je krygt zulk een lief meisje; ze het
ouwe Pieternel nooit een onvertogen woord gegeven, 't was een lief
hartje van een kind, en ik was ook zo mal met haar, dat, als zy
tandjes kreeg, of zo, ik my tot water huilde; niet waar, myn Heer
Blankaart?" En toen gaf zy de Bruid en Bruigom een kusch, die klonk
als een klok. De overige Bedienden werden binnen geschelt; de Heer
Blankaart overend ryzende, nam een schoon tafelbord, waar op zes
verzegelde kleine Pakjes lagen. "Hier, Kinderen, zei hy tegen de
Bedienden, daar is voor u elk een gedagtenis van dit Huwlyk. Gelyke
munniken, gelyke kappen: Abraham Blankaart kan, en wil ook wel,
Goddank! wat missen." Hy gaf elk een pakje, en zy gingen in de keuken
zich vrolyk maken. "Vrienden, zei de brave man: zie, ik ben, wil ik
spreken, maar een oude Vryer, ik heb kind noch kraai; en God de Heer
heeft my boven alle myne begeerte gezegent: Ik weet, 't is waar, niet
wat het Vaderlyke hart is; maar dit lieve Bruidje is de waardige
Dochter van een man, dien ik my ten vriend had uitgekozen; zy is onder
myne oogen opgegroeit; duizendmaal zat zy op myn schoot met my te
snappen, of haar Poppen te kleden; (want ik ben een regte kinder-gek!)
zo dat ik maar zeggen wil, dat dit de gelukkigste dag van myn leven
is; en dat ik nu niets meer van God te wenschen hebbe, dan dat ik en
alle brave menschen gelukkig zyn." Onze Dominé besloot, op 't verzoek
der oude Heren, dit Vrienden-maal met eene dankzegging, die ons de
hoogste denkbeelden gaf van zyn Godvruchtig hart, en zyn
menschlievenden aart. Den Eerwaardigen Jongeling rolden de tranen op
de t'samen geslagen handen. Zyn stem was zielroerent, alles was diepe
aandagt.
De Heer Blankaart luisterde my in 't oor, dat wy moesten dansen.
Willem en ik haalden twee Fiolen: Een gaf ik aan myn Vader: "Jongen,
zei hy, ik doe er niet meer aan! Ik vrees, dat het gebrekkig zyn zal."
Evenwel, de vreugd, die zyn hart overstroomde, deedt hem die aannemen;
ik presenteerde den Heer Smit ook een: die, zonder eenige kwalyk
geplaatste excusen, zei: "ik zou dit fatsoenlyk gezelschap onëer
aandoen, indien ik my onttrok, om het myne tot eene zo billyke vreugd
te doen. Wy zyn onder de Roos." De Heer Blankaart haalde de Bruid op.
Zy danste niet wel; niet zó wel, meen ik, als zy 't anders kan; en zy
verzogt hem om geëxuseert te zyn. Toen moest Letje en Willem op de
baan; beiden toonden, dagt my, dat zy elkander wilden behagen.
Bruinier was onvermoeit, en gy weet, ik val ook niet heel vies van een
cabriooltje. Eens haalde ik Mevrouw Buigzaam, en danste met haar een
zeer statige Menuët; trouwens allen waren in den goeden smaak: Na een
uur dus doorgebragt te hebben, verdwenen Mevrouw Buigzaam en het
Bruidje. Hendrik bleef nog in de kamer, doch ik geloof, dat wy alleen
zyne uitwendige tegenwoordigheid hadden: De beide oude Heren gaven hem
de hand. De Weduwe kwam niet te rug, voor myn Broeder insgelyks weg
was: de vreugd ging haren gang: ten drie uuren waren de Koetzen
gereet: elk nam even vrolyk, minzaam en even vriendlyk afscheid en
ging naar zyn eigen huis.
Vóór ik ga zien, of de Jonge Lieden al by de hand zyn, sluit ik
deezen. Indien ik eenigszins kan, kom ik in 't laatst van deeze week;
ik heb u wel honderd millioenen van zaken te zeggen; (nu, dat kun je
wel denken;) 't is, of ik u in geen eeuw of twintig gezien heb. Myn
vader is nu zo minzaam als altoos welmenent eerlyk: en nu durven wy
hem beminnen. Blankaart doet u hartlyk groeten, en doen alle de
Vrienden en Vriendinnen, en goede bekenden, en ik omhels u, met een
hart stikkent vol liefde. Maak myn compliment aan uwe waarde Ouders,
en aan de kleine Familie. Altoos ben ik
Uwe
C. EDELING.
Noot:
[1] Zijn "gedicht", niet veel zaaks.
[Illustratie: Nu, mijn Heer en Juffrouw, ik wenschje evenwel van harten
zegen; och, min Heer Edeling, je krijgt zulk een lief meisje;
illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
van 1782.]
HONDERD-EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar en Hendrik zijn gelukkig!
HONDERD-TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.
MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
_Waarde Willis!_
Weet gy wel, dat, zo ik maar iets den slag had van te kunnen grommen,
dat ik dan braaf grommen zou op u? wat was er op te zeggen? elk zyn
beurt, dat's niet te veel; en ook, kind, gy moogt ouder en wyzer zyn,
zo veel als het u zelf maar blieft, doch ik ben zeker nu iets meer
betekenent dan gy: ik ben eene _getrouwde Vrouw_. Foei! Naatje, niet
op de Party geweest! Foei! Naatje, nog al uit blyven; en dat om dat
de Eerwaarde Smit u, en uwe Moeder verzogt, om met hem naar zyne
standplaats te gaan, ter verrigting van duizend dingen die geen
uitstel lyden. Gy hebt er 't meest by verloren. Nu hebt gy myn Oom en
Tante Redelyk niet gezien, noch Kapitein Herberts; nu weet gy niet,
hoe Vader Edeling getracteert, hoe wy jonge Lieden allen gedanst
hebben, en hoe of de oude Vrienden 't werkje aanzagen.
Toen ik nog zeer jong, en zeer bedroeft los was, kon ik Brunier (uw
ouden Vriend,) verzoeken, om alle deze bagatelles voor my zeer keurigies
uit te schryven, en denken, hy kan nu zo goed netjes breijen als 't
behoeft; met schryven zal hy een vaste hand krygen; en kinderen moeten
niet leeg zitten. Maar nu zyn al die flinken[1] over. Ik heb zo veel
achting voor myn lieven man, dat ik iemand, dien hy zyn vriend noemt,
met geen spotterny kan behandelen. Ik heb nu ook door Edeling een trek
uit zyn karakter gehoort, waar aan ik het te danken heb, dat ik deezen
waarden man leerde kennen.
Onze samenleving met den ouden Heer is recht aangenaam; Keesje is de
vreugd van 't huis: ik wensch, dat hy ook maar, zo als myn Voogd zeit,
_een eigen weêrspraak_ hadt. Myn nieuwe Vader is de degelykste man uit
Amsterdam; en nu dat zyne wonderlyke eenigzins grillige manieren, door
de weltevredenheid, over de zagte Noten rollen, vind ik er iets veel
meer Comiecqs dan lastigs in. Ik kan u zeggen, dat _Dochter Edeling_
in de kas is by _Vader Edeling_: ja, dat hy my overlaadt met
gunsten.--Een staaltje van zyne denkwyze:
Gisteren aan tafel zittende, zei hy: Ik ben boos op Blankaart.
_Ik_. Boos op myn Voogd; dat kan niet zyn: want gy, Vaderlief, zyt
hier te redelyk, en hy veel te goedaartig toe: gy beeldt u dit maar
in.
_Hy_. Hoe, denk je, dat ik door inbeeldingen geregeert worde? dat is
al eene aartige zet!
_Ik_. Wy hebben allen onze luimen. Zoudt gy wel geloven, dat ik die
ook heb? ô Ik kan zo luimig zyn, dat ik met my zelf wel kyven zou, als
ik niemand by my heb.
_Hy_. Wel zo, dat ziet er voor u, Hendrik, niet al te voordelig uit!
(_Myn man lachte_.)
_Ik_. Wel neen! tegen zulke lieve redelyke menschen draag ik my nooit
als eene malloot, om dat ik te veel prys stel op hunne achting, met
andren, daar ik méér meê gelyk sta, mik ik het zo naauw niet.
_Hy_. (_Half knorrig, half goedschik_.) Nu, ik ben evenwel boos op
Blankaart.
_Ik_. (_Hem potzig in de oogen kykende_.) En om wat reden? of is Papa
ook een beetje met luimen bezet, want myn Voogd is de beste man van de
gehele waereld, myn man uitgezondert?
_Hy_. Wel! hy heeft u zo veel kostbaarheden gekogt, en op uw verjaring
zulk een boel Juwelen gegeven, dat ik, nu het aan my toekomt, niet
eens weet, wat of ik u zo eens geven zal; en ik ben evenwel uw Vader,
je hebt alles dubbelt en dwars, en daar is nog zo een menigte goed van
myn Vrouw ook. Hy maakt my recht verlegen: want ik zie niets, of je
hebt het.
_Ik_. Ik ben niet heel hebzugtig: en met dit al, daar is iets dat gy
my geven kunt; had ik dat!...
_Hy_. (_My in de rede vallende_.) Wat is dat toch? je zult het hebben,
kind.
_Ik_. Een kinderlyk deel in uw Vaderlyk hart! zo ik dat hebben mag,
dan vraag ik, of Amsterdam te koop is? (_Ik stond op en kuschte hem_.)
_Hy_. Loop, stout dingetje; is 't anders niet, och heden! ik meende,
dat het heel wat byzonders was.
_Ik_. Dat is het ook, lieve Vader!
_Hy_. Nu, gy zyt een raar meisje, hoor; maar, (_in zyne Brieventas
schommelende_,) zie daar is een Wissel op myn Cassier. Neem dit dan
tot een bewys, dat gy my lief en waart zyt, en steek hem maar in uw
Almanakje.
Hem inziende, zag ik, dat hy _fl_ 6000 beliep. Ik bedankte met
aandoening, en zei tegen myn man: daar, Edeling, neem dit van my aan.
Ik heb niets nodig, en, als ik iets van doen heb, weet ik, dat gy my
meer zult geven dan ik verzoek.
Vader schudde zyn hoofd. Ja, zei ik, myn man en ik hebben maar één
belang, en dewyl hy veel meer verstand van geld heeft dan ik, dewyl
ik nooit speel, en alles kan krygen, wat ik begeer, is het immers
niet meer dan billyk, dat ik aan myn besten Vriend alles in bewaring
geef?--Kom, zei hy, ik verpraat, met dat drommelsche Wyfje, weêr al
myn tyd: kom, Hendrik, naar 't Kantoor.--Zy gingen weg, en ik had zo
wat te schikken en te bergen, zo als eene Huishoudende Vrouw altoos
wat heeft, Naatje. 't Was Postdag, ik was blyde, dat myn Voogd by my
kwam Thee drinken. De Heren lieten zich in kommetjes de Thee brengen.
Wy zaten als ouwe lui te snappen, en over byzondere zaken te keuvelen,
toen myn beste Willem inkwam. Hy deedt ons eene openhartige biegt:
"dat hy Letje beminde, en dat hy niets zo zeer wenschte, als eens in
staat te zyn, om voor haar te zorgen, in dien rang, waar in zy gewoon
was te leven: dat zyne Moeder zyne keuze goedkeurde, en dat hy hoopte
eens weder bemint te zullen worden." Blankaart zei: "dat hy hem in
alles raden en ook helpen zou, en met plaisier zag, dat zyn oogmerk
dus verre gelukte." Beide bleven by ons eeten. Edeling hadt Brunier op
de Beurs verzogt. Wy hadden een lieven avond. Beide de jongens waren
vrolyk en vergenoegt. Myn man! och! die is al wat een vrouw zoude
kunnen wenschen: ik vrees maar, dat hy al te goed op my zyn zal; ook
dan, als ik 't eens minder verdien dan nu; en dan zal hy my ongelukkig
maken; want hoe zou ik dit ooit aan my zelf vergeven kunnen?
Morgen gaan wy ons nieuwe huis in order brengen; het is digt by
Mevrouw Buigzaam; dit maakt het voor my verkiesselyk; evenwel, het is
een schoon huis: ik hoop er u wel haast in te zien. Oordeel eens, hoe
druk ik het nu heb! hoe veel airs ik my geef, tegen alle die goede
menschen, die my 't hunne brengen om alles te maken, _comme il faut_.
Ik moet Letje volstrekt tot hulp hebben, of ik kom er niet door. Ik
ben met achting,
Uwe liefhebbende Vriendin,
SARA EDELING,
geb. BURGERHART.
Noot:
[1] Hier: grappen, streken.
HONDERD-DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Saar verhaalt zelf van haar geluk.
HONDERD-VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.--Anna Smit-Willis is eveneens heel
tevreden. Willem kan Sara vergeten en Aletta vragen. "_Alweer een
gelukkig huwelijk_!"
HONDERD-VIJF EN ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik vertelt van zijn geluk en
betuigt andermaal zijn dank aan de Wed. Spilgoed.
HONDERD-ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Wed. Spilgoed: Anna
is gelukkig getrouwd; Willem krijgt een som geld van Blankaart en gaat
met Letta trouwen; _de beide weduwen hopen samen gelukkig oud te
worden_.
HONDERD-ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara bericht, dat Hendrik doodziek
is!--Gelukkig komt in den brief nog de crisis; maar ze heeft wat
uitgestaan; _ze hoopt nl. spoedig moeder te zijn_.
HONDERD-ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed vermaant Sara: denk
aan je kind! wees bedaard, beheersch je, vorm je geen schrikbeelden,
leef voorzichtig en verstandig!
HONDERD-NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier en Willem logeeren
bij Helmers. Willem moet op reis voor zaken. Jammer.
HONDERD-ZEVENTIGSTE BRIEF.--Willem aan Aletta: hij heeft haar innig
lief! Hij heeft Jacob gesproken bij Blankaart: _deze neemt Jacob bij
zich_. Hij is ook bij Hendrik en Saar geweest. Hendrik is weer beter.
HONDERD-EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
MEVROUW DE WEDUWE SPILGOED AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.
_Waarde Vriendin!_
Geluk met een jongen Edeling!--Gister avond elf uuren, verloste onze
jonge Vriendin van een schoon gezont Kind; zy heeft het niet héél
gemaklyk gehad; maar zich zo verstandig en bedaart gedragen, dat men
dit naauwlyks dus zoude hebben kunnen verwagten. De lieve Juffrouw
Redelyk en ik waren, behalven de Baker, al de Vrouwen, die zy verkoos
by zich te hebben. Het Vrouwtje was deeze laatste agt dagen verbaast
ongemaklyk, en pynelyk; ik geloof, dat de goede Edeling immer zo veel
als zy zelf heeft uitgestaan! In den namiddag liet hy den Heer
Blankaart halen, en Vader Edeling was zo onrustig en zo bezorgt, dat
ik, hem alleen sprekende, hem verzogt, zich wat agter de schermen te
houden. De beide Heren zaten by elkander in de naaste kamer; men
hoorde hen geen woord spreken. Blankaart wandelde al heen en weêr: de
oude Edeling zat in een Vensterbank, zeer onrustig; zo als ik, eens
even in de kamer komende, zag.
De Heer Hendrik was by ons, en verborg zynen dodelyken angst onder een
diep stilzwygen. Saartje sprak hem dikwyls moed in; (ook als zy hare
handen wrong.)--Eindelyk, zie daar, daar horen wy het Kind! 't Is een
sterken Jongen: zyn stem klonk door de kamer. De Kraamvrouw hieldt
zich stil en bedaart. In de naaste kamer hoorden wy: "God dank, God
dank! wat is er?" "Een schone Jongen," riep de Baker; nog wat geduld.
Beide hoorden wy hen elkander al snikkent zegen wenschen. De jonge Man
was, genoegzaam buiten zich zelf, op een stoel neêr gevallen. Ik
wenkte hem, en hy lei met den Vroedmeester zyne vrouw in 't Ledikant.
Juffrouw Redelyk bewaarde het Kind, dat zich braaf liet horen, en
wakker met handen en voeten schopte. Zo dra het was opgebakert, tikten
wy de Heren. Edeling gaf het aan zyn Vader. ô, Kon ik u dat toneel
schilderen! De oude Heer trilde van blydschap; maar hy noch zyn Zoon
zeiden niets: zy drukten elkanderen de hand; hunne oogen stroomden. Hy
gaf het den goeden Blankaart, en ging naar zyn Dochter; hy kuschte
haar, hy zegende haar; hy kuschte zyn Zoon, hy zegende hem: "beleef zo
veel vreugd aan dit kind, als ik aan u beleef, Hendrik, en gy zult een
zeer gelukkig Vader zyn."
Blankaart, met het Kind in zyne armen, was geen minder schildery! De
Natuur is toch niet te overtreffen; men moet zulke dingen zien!
"Welkom, myn zoete kleine Boy:" "zei de goedaartige man:" "welkom, myn
lief kind! jongetje, je komt al in een aartig Waereldje. Nu, dat zul
je, als je tyd van leven hebt, wel ondervinden. Pas maar braaf op, en
je zult gelukkig zyn:" "(en by my komende met het kind:)" "ha! dat's
een kereltje! zei hy; zie je wel, watte heldere kykers dat hy heeft?
't is een mooi kind, zeg ik je: precies zyn Vaders tronie; en watte
vuistjes heeft hy! nu mantje, ga jy by Moeder, die zal je beter
traktéren." Hy ging, met het kind in bei zyn armen voor zyn hart
gefommelt, naar de Kraamvrouw, gaf haar 't kind, kuschte haar; noemde
haar met alle zoete namen, die hy bedenken kon, en wy verzogten de
Heren, zich weêr naar hunne kamer te begeven. Saartje was zeer zwak,
en verlangde, dagt my, naar rust. Wy gingen vervolgens in 't naaste
vertrek eeten. Kort daar op kwam de jonge Heer t'huis, die nog niets
wist. Blankaart sloop in de Kraamkamer, haalde het Kind uit de wieg,
en liet het Cornelis zien: "He! Maatje, wat zeg je me van zo een
knaap?" Hy zag het kind, viel zyn Broeder om den hals, omhelsde zyn
Vader, nam het kind, bezag het met dat goedig gelaat, dat hem zo eigen
is, bragt het in de Kraamkamer, ging by 't Ledikant en toonde zyn
broederlyk hart in stille zegenwenschen.
Morgen word het Kind, hier aan huis, door den Heer Redelyk gedoopt:
zyn naam is _Jan_. Beide de Grootvaders hieten zo. Evenwel het is _Jan
Edeling_; en ik geloof, dat de oude Heer, om geen waerelds goed, het
anders zou dulden.
Alles gaat naar wensch: den gehelen nagt geslapen als een roos; het
Kind ook. Zy is reeds in allen opzichte Moeder: 't is een bekoorlyk
Kraamvrouwtje! Willis en Brunier zullen van daag den kleinen Jongen in
het naaste vertrek zien, en Grootvader trakteert al wat in zyn dienst
leven ontvangen heeft. Tot de Kruijers en Pakhuisknegts toe, krygen
Rynschen Wyn met Kaneel-Koekjes, en yder is _mantje, jongetje_; elk
maakt het _bestig_. Hemel, hoe is die man verandert! De Brief moet
weg: Ik moet ook nog aan myn Letje schryven. Schryf my haast ook zulke
goede tyding:--met haast, de Brief moet weg.
Uwe Vriendin,
M. BUIGZAAM
Wed. P. SPILGOED.
HONDERD-TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
MEVROUW SARA EDELING AAN MEJUFFROUW ANNA SMIT.
_Zeer lieve Vriendin!_
Niet voor van daag kreeg ik de vryheid om te schryven; en myn kleine
knol is evenwel al drie weken in de Waereld geweest: Nu, 't is goed,
dat ik met een zoet praatje te leiden ben, anders, wel heden, me
dunkt, ik had, voor den _Negenden dag_, wel kunnen schryven. Maar de
slenter moet gevolgt! Tante Redelyk houdt, zeg ik haar, niet van oude
palen te verzetten: maar de Vrouw spreekt, zo zegt zy, by ondervinding;
en dewyl zy reeds tien kindertjes gehaalt heeft, dien ik nog al op
haar zo wat te betrouwen.
Kom meisje, gy moet den moed niet opgeven: gy plagt altyd _ouder_ en
_wyzer_ te zyn dan ik ben, en ik heb my wel gehouden, hoor ik; want
ik, arme sloof, weet niet, hoe andere Vrouwen zich gedragen. Gy kent
myn humeur! "Kom aan, Saartje, zei ik, schik u naar 't geen zo zyn
moet; gy zult er u zelf best by vinden." Zo gezeit, zo gedaan: en zie
daar! my Moeder van het liefste kind, dat gy u verbeelden kunt.
Gelooft gy my niet? vraag het dan aan het schaap zyn Grootvader; vraag
het aan den Heer Blankaart;--aan elk, die het ziet.
En wat heb ik nu een drukte met myn kleine Prul! Ik zou hem wel altyd
op myn schoot willen hebben; maar Baker zeit: "dat hy dan wel haast
niet meer in zyn wieg zal willen, en dat dit toch best is voor hem."
Hoe, best? vroeg ik; kan _myn_ jongje ergens _zo best_ zyn, als op zyn
eige Moeders schoot? Zo ziet gy, dat elk den baas over my speelt, tot
de Baker inkluis. Wat ben ik hongerig, Naatje! Ik kan altyd wel eeten,
en neem 's avonds een trommeltje met beschuit naar bed: (nu, kind, gy
zult wat ondervinden,) ik moet myn Jantje immers voorraat bezorgen?
Myn stoute Broêr klungelt gedurig aan de Wieg, en maakt zyn Neef
wakker, die dan een brave keel open zet, en dwingt om by Mama te zyn;
dan loopt Cees de Kamer uit, en zingt zyn moffenliedje, daar gy eens
zo om moest lachen. Onze Pieternel is hier geweest; dat was een
vertoning! zy zei, "dat het kind er zo verstandig uitzag, en zo leek
op Grootvader Burgerhart, (dat is, op myn Grootvader, moet je weten;)
en zy kon niet bedenken, dat ik al zo een knappe Zeun hadt; wel heden,
het heugde haar nog, als den dag van gisteren, dat ik geboren wierd;
't was op een Dingsdag;--neen, op een Woensdag;--toch op een Dingsdag;
want dit was haar stof- en raag-dag; en zy was net bezig met
Grootvaders slaapkamer te stoffen, toen myn Heer Blankaart, die altyd
by uw Vader was, wil ik spreken, aan den trap riep: Pieternel, kom
eens af, meid, daar hebben wy een aartig piskousje gekregen; en
Mevrouw, ik had er zulk een innerlyke dingstigheid van, dat ik over
myn handstoffer viel, al het stof op het tapyt; zo dat, ik weet het
nog heel wel. Zy beriep zich ook op den Heer Blankaart; die zou 't
niet ontkennen." Grootvader Edeling tracteerde Pieternel ook, en de
welkomst van den jongen Jan Edeling werdt gedronken: ô zulke
toneeltjes smaken my zo! Ik wou, dat ik die maar beschryven kon, zo
als het behoort. Uwe aanstaande Zuster, die nog by haren weldadigen
Vriend is, heeft my een engelagtigen Brief geschreven: Wat zal Willem
met zo een meisje gelukkig zyn!
Een trek uit den Heer Helmers karakter, Gy weet, dat hy, voor ruim
veertig jaar, zyn Vrouw, die hy teder beminde, in 't kraambed verloor?
Nu! die indrukken zyner droefheid zyn onuitwischbaar; en hy neemt zo
veel belang in jonge kraamvrouwen, dat hy ook alle morgen een knegt te
paard zendt, om te horen hoe of het met my is, schoon zyn plaats drie
uuren rydens van Amsterdam legt; en zo, zeit Letje, doet hy omtrent
alle Vrouwen, die hy eenigzins kent. Indien gy, Naatje, niet in eene
andre Provintie waart, gy zoudt ook alle morgen een knegt te paard de
Pastorielaan zien opryden: Nu nog een woord meer in uw trant van
schryven: het geschrevene moest er eerst maar uit.
De ondervinding alléén is in staat om u te leren, wat het is, _Moeder
te zyn_. Gy weet, ik was altoos een _kindergek_; maar, myn Hemel! wat
onderscheid! Hoe is 't mooglyk, dat er Vrouwen zyn kunnen, die
onverschillig zyn omtrent deezen Huwlyks-zegen! Nu, dunkt my, ben ik
eerst regt getrouwt. Nu is myn Edeling my nog oneindig dierbaarder.
Nu is hy door alle de zagte banden der Natuur, door alle de mogelyke
betrekkingen, aan my gehecht; en wat kan eene brave Vrouw zo verrukken,
dan de tederbeminde Vrouw te zyn van dien man, door wien zy Moeder
wierdt? De wys, waar op myn man zich gedraagt, is in zyn karakter; en
dat kent gy. Al de smarten zyn voorlang vergeten, maar de beloning
duurt, groeit aan, en maakt my tot eene der gelukkigste Vrouwen, die
er zyn kunnen.
Nu is het nog der pyne waart om te leven. Ik heb nu werk, ik heb
pligten te voldoen, die myne ernstigste overdenkingen waardig zyn;
en nu zie ik, dat ik, alléén by gebrek van bezigheden, die voor my
berekent waren, eene losse, uithuzige, stoute meid was. Zie, Naatje,
dat hadt gy ook behoren te bedenken; wil ik spreken, zeit Pieternel.
Ik begryp wel, dat het nu maar spelen gaan is, en dat de jonge Jan
Edeling my wel eens andre druktens zal maken! Goed! ik wagt die ook,
en hoop, dat myn verstandige Man, zo ik te véél malle Moeder ben,
Moeder en Zoon beide te recht zal helpen. Ik kan wel niet zeggen, met
Pieternel, dat de Jongen er heel verstandig uitziet; maar 't is immers
een goed kind, dat naar zyn Moeder aart? en gy weet, dat Moeder stikkent
vol potzen en flinken stak, toen zy nog zeer jong en zeer los was? Myn
Brôer heeft er wel moed op, want hy zegt my in vertrouwen: "dat Jan al
naar de Meisjes begint uittekyken." "Oom en Neef hebben een goeden
smaak," zei ik. "Ja, zei hy, de Natuur gaat boven de leer." Hy hoort
ook graag muziek, want als Baker van de Moordenaartjes zingt, schreeuwt
hy als een tyger; maar als ik eenige noten aansla, kykt hy uit zyn
luijers als iemand die zegt: _Nog meer laatste woorden van bisschop T_.
Vaarwel, myne Vriendin. Omhels voor ons uwe waarde Moeder en Dominé,
voor Edeling en my. Ik ben altoos
Uwe Vriendin,
SARA EDELING,
geb. BURGERHART.
HONDERD-DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Aletta Willis-Brunier aan haar man
Willem: Sara voedt kleinen Jan verstandig-aardig op.--_Hun eigen
kinderen_ groeten papa!
HONDERD-VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Vader Willem aan zijn vrouw: dol
gelukkig!
HONDERD-VYF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN EERWAARDIGEN HEER EVERART REDELYK.
_Eerwaardige Heer!_