Nog spyt het my, dat ik zo weinig tyds te Rotterdam gehad heb. Nu, ik

heb uw Zoon dan veilig in uwe handen gestelt. Myne oogen liepen over,

toen ik zag, welk een Moedergek die Willem is. Wat zyn dat lompe

Heiblokken van kerels, die een man uitlachen, als hem eens een losse

traan ontvalt! Ik ben nu een man, mag ik spreken, die van een kind af

door 't kreupelbosch gejaagt is. Ik heb door menigen zuren appel

gebeten, eer ik zulk een man wierd, door den zegen van God, den Heer;

zo dat ik maar zeggen wil, dat ik harden[1] geleert heb: En als ik

echter daar zo een Goliath van een Luitenant, als een eikenboom, voor

my zie staan, en zyn Zoontje, dat hy in geen ront jaar gezien heeft,

hem in de armen zie vliegen; zonder dat het hem het minste aandoet;

dan denk ik, hoor jy grote Sinjeur, al bulkt gy als een stier, en al

blaast gy als een walvisch, jy bent by my, met al dat gesnoeshaan,

maar een bange bloodaart. Je zult wel dra in je hangmat kruipen. Wel,

wat hagel, moet je dan, om je kop voor 't Land te laten, geen liefde

voor je Land hebben? Zal zo een Bulderbast zyn benen onder zyn lyf

laten weg schieten, als of het zo maar bywerkje was, en dat voor

vreemden? Zal hy dat doen, zeg ik, dien alle de vaderlyke driften in

zyn ziel bevroren liggen? Hoor, dat is by my maar uit, _die geen

gevoelig hart heeft, kan niet dapper zyn_.

Hoor, Vriendin, als ik u zie, dan denk ik altyd aan Naömi, de Moeder

van Ruth, uit den Bybel. _Willems land is uw land, en Willems God is

uw God_; zo als er in den Bybel staat. En hy moet maar voortaan in

Amsterdam blyven, en eene brave vrouw voor hem zien te krygen.

Tusschen ons; ik weet net zyn slag, eene mooije lieve jonge juffrouw;

en ik zal hem wel aan 't werkje helpen: 't is een aartig schoon kind.

En Tante moet ook haar milde hand maar open doen. Abraham Blankaart

zal geen troef verzaken: Och Heer! ik heb gelds genoeg; en alle brave

jonge lieden zyn myne kinderen; zo dat, zorg daar niet voor. Hy moet

zelf Koopman worden; ik zal zyn Patroon eens, buiten zyn kennis, gaan

spreken.

Maar nu moet ik u eens een klugtje verhalen: Daar is Brôer Benjamin

met Zuster Slimpslamp met de Noorderzon verhuist, en zy hebben Tantes

Geldkistje meegenomen; (wel nu lach ik my tot een Doctor.) Die malle

Zanne! Nu, zy heeft maar verdiende loon: zy zou naar my geluisterd

hebben; ik zei dikwyls: _Tante, Tante, al dat Bruine goed loopt op je

zak; je zult nog eens van den huig geligt worden: laat ik de kit ereis

voor u schoonmaken, en al dat Jan Rap wegjagen_; maar dan was ik, (dat

Varken!) een godloos mensch, een Saulus, die de Heiligen vervolgde;

plaisierige Heiligen! zie je ze daar niet met Heintje pik, in 't huis

daar naast?

En dat het hemelsch waar is, dat zal ik u eens gaan uitcyferen. Myn

kleine Meid is ziek, zo als gy weet; nu althans, Tante hadt haar een

Briefje geschreven, waar in zy schreef, dat zy zodanig bestolen was,

en verzogt, of zy haar niet eens zou kunnen spreken, of zy haar alles

vergeven wilde, wat zy aan haar misdaan hadt, en of zy by my een goed

woord zoude willen doen, met nog meer vyven en zessen. Wat doet myn

Sarotje? Wel! dat braaf kind schreef haar aanstonds, dat zy haar alles

vergaf; dat zy by my ten besten zou spreken, en Tante komen bezoeken;

maar zy krygt daar op zulke koortzen, dat zy niet uit kon gaan. En zo

dra ik in de stad kom, en met haar spreek, verzoekt dat lief schepzel

my, om toch eens by Tante te willen gaan, en te zien, hoe het toch

was. Wat zou ik doen? Abraham Blankaart hadt er wel niet veel trek in,

doch het Meisje kreeg er my echter naar toe, en ik begreep, dat ik de

ouwe Babbe niet in nood mogt laten. Ik ging er dan heen, met Snap, zo

by me. Tante deed zelf open, en ontstelde. Nu, zei ik, wees maar niet

ontstelt; uw Nicht heeft my by u gezonden, om dat zy zelf ziek is, en

ik kom zien, of ik u helpen kan; en zo ging ik met haar, die huilde en

balkte, den gang door, daar ik nog iemand vond, daar ik u dadelyk van

zal schryven, zo 't my niet ontschiet, want ik ben zo wat met myn

memorie gebruit. Daar hoorde ik toen van A. tot Z. Tante had

getracteert; zy hadden Tante, die niets verdragen kan, de hoogte

gegeven; en Bregt als een zwyn zo vol gegoten. Toen het ouwe Fatsoen,

die zy te bed bragten, en Bregt, die zy op kussens in de keuken gelegt

hadden, sliepen, hadden zy den aap geligt; en daar was, zeit Zanne,

wel twee derde van haar Capitaal, en al hare Juwelen in. Die malle

weêrgaê! zy hadt haar huis op den Nieuwen Dyk verkogt, en wel voor

twintig duizend Guldens aan afgeloste Obligatien in Contanten; al dat

geld was in Gouden Ryders opgewisselt, en lag in een klein kistje. Dit

wisten die Hagels-kinderen, want Zanne hadt met hen overlegt, hoe zy

dat geld best zou uitzetten. Hoe vindt gy die, Juffrouw Willis? Met

zulk bogt, zulk schuim van volk; die weten veel van geld beleggen! ja,

zie, zo zot is dat oud wyf. Had ik t'huis geweest, zie, ik ben nu een

man, die myn hond geen bedroefde snoet kan zien zetten; maar of ik dat

Paar Vromen ook reis eventjes op het Schavot zou geholpen hebben! Ik

zou die bedriegers zo veel _smeert hem Keesje_ hebben laten geven; ik

zou er eensjes zo balsemiek hebben laten rossen, dat zy zouden geweten

hebben, wat het is _den ouden mensch te kruissigen_; zie ik word zo

satans nydig, om dat zulk varkenvolk de bybelsche woorden zo

misbruikt.

Maar nu moet ik u eens wat vragen: want zie, Juffrouw Willis, gy zyt

toch maar een _Moeder in Israël_. Wat denkt gy? fop ik my zelf, als ik

geloof, dat een vrouw van Tantes jaren, die zo een Briefje aan Saartje

kan schryven, om vergeving; die aan zo een kleuter verzoekt, om by my

een goed woord te doen, by my, die, zo als ik daar ga en sta, ook maar

een armen zondaar ben; dat zo een vrouw, laat zy zo fijn zyn als zy

wil, geen boos hart kan hebben? 't Is een malle kwezel, en zo gierig

als het Graf; maar zy kan zich nog bekêren; en ik zal haar ook al maar

helpen; zy zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, nog in fatsoen

verminderen. Haar lekkere tant zal nog niet eens uitmoeten; want

Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zo dat ik maar

zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen, hoe of 't Christelyk of mooglyk

is, dat myn kleuter zo pront haar geloof verstaat. Zy vergeeft haar

Tante alles van harten, wil haar helpen, haar bezoeken. Och! toen ik

dat hoorde, scheurde ik myn kamisool los; zo was ik aangedaan: ik kon

haast geen adem scheppen, en ik dankte God, om dat ik de Voogd van zo

een meisje mogt zyn.

Maar ik zou my zelf wel uitschelden voor al wat lelyk is, om dat ik

vrees, dat Saartje ziek is geworden van droefheid, over een

verduivelden Brief, dien ik haar geschreven heb. Zy ziet er zo naar

uit: de rozenwangetjes zyn geheel weg! Hoor, zy ziet er regt droevig

uit, maar wil het nog zo niet weten, dat goede Meisje. Ja! daar kryg

ik heel in Parys een Brief, vol met leugen en laster van Saartje, en

van Mevrouw Buigzaam; en dat Saartje zo aansprong, en dat Mevrouw

alles toeliet, en nog eene menigte lelyke dingen; zonder naam, moet gy

weten. Daar ga ik je, als zo een dolle Hartog, aan 't schryven, dat

het nergens naar leek: en nu hoor ik overal, dat Mevrouw Buigzaam de

deugd zelf, en myn Sarotje niets onbehoorlyks gedaan heeft. Zie, ik

ben zo satans nydig, en zo ik uitvind wie my zo by myn neus gehad

heeft, dan zult gy er van horen: konkels zullen er zwaaijen.

Hoe ouwer ik word, hoe meer ik zie, dat men de deugd by de vrouwen

moet zoeken. Ja, van die Juffrouw moest ik u nu nog vertellen, die by

Tante zat. Zy hiet, zo als ik hoorde, Styntje Doorzicht; zy was heel

stemmigjes gekleet; een Samaartje, met spelden-kopjes, op een wit

grondje aan; een zedig Kuifmutsje op, daar het bakkesje van een

Heiligje uitkeek: net _Moeder Maria_, zo als ik haar in de Paapsche

Kerken heb geschildert gezien. Dat lieve mensch sprak zo waaragtig

vroom, zy betoonde zo veel eerbied voor God, zo veel liefde tot den

Naasten, zy gaf Zanne zulk een goeden raad, zy was zo minzaam, dat ik,

met myn armen over elkander geslagen, haar aanhoorde, en dagt: zie

daar eenen van die vromen, zo als God maar een om de honderd jaren

zendt, om ons te leren, hoe verre wy het evel brengen kunnen, als het

ons maar recht ernst is. Zie daar, Juffrouw Willis, nu ben ik een man,

die met een Dominé wel eens over een Kapitteltje harwar, maar ik was

stom; zo sprak dat brave Styntje Doorzicht. Eindlyk sprak ik eens

recht myn hart uit, en ik drukte haar de hand. _Myn Heer, gy zyt een

Zoon van den vromen Aartsvader Abraham; gy wandelt voor Gods

aangezichte, en zyt oprecht; een vroom Israëliet, in wien geen bedrog

is_. Och Juffrouw! zei ik, dat ik het wel meen, dat is waar, maar ik

ben van jongs af in veel slommer[2] geweest, ik heb veel gereist en

getrokken, en vele Voogdyschappen gehad. Ik zeg dikwyls, Abraham

Blankaart, Vriend, jy zult veel vergeving nodig hebben, heb toch veel

lief, man! En zo ging ik daar van daan, zo gesticht, of ik in de Kerk

geweest was. En zou een mensch geen struiken uit den grond vloeken,

als hy bedenkt, dat, om een deel Huichelaars, Benjamins en Slimpslampen,

zulke vrome Godvreezende menschen beschimt en versmaat worden. Ik

geloof waaragtig, dat als de Apostel Paulus (Paulus is _myn_ man,

weetje, en Salomon die van Saartje), als Paulus nu leefde en Styntje

Doorzicht gekent hadt, hy haar als zyn wyf zoude omleiden. 't Is nu zo

moeilyk niet, moet je weten, om een goed Christen te zyn, als toen de

man zei, _dat niet te trouwen beter was_; en ik verzoek Juffrouw Willis,

dat gy daar eens op let. Ja, zo eene Styntje zou eene Martelares

geworden zyn. Lieve God! wat zullen toch zulke misselyke stoethaspels

van mannen, zo als ik er een ben, in den Hemel bedroeft afsteken bij zo

een Styntje, by u, by Mevrouw Buigzaam en by Saartjes Moeder! Nu, ik

meen myn ziel eens braaf onderhanden te nemen, haar eens terdeeg _mores

te leren_: ô, mogt het onder uw oog geschieden; gy verstaat my immers

wel! ik wensch nog eens uw man te worden.--Nu--_is het er uit_. Zeg nu

wat gy wilt: _'t is er uit_.

Duizend groetenissen van Saartje aan u, en aan uwe Dochter. Willem eet

alle middag by my. Ik ben

Uw nederige Dienaar,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Hij is "gehard".

[2] Beslommeringen.

HONDERD-ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: hij is in

de wolken: _vader heeft_ Sara _aan_ Blankaart gevraagd voor 'm--èn: _de

lasterbrief was van_ Cornelia Hartog!--dat komt uit door Rien du Tout.

HONDERD-ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis _is heusch verliefd

op Aletta_; Sara behandelt hem als broer.

HONDERD-NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.

_Mevrouw, zeer waarde Vriendin!_

Al waart gy nu, menschlyker wys gesproken, zoo heilig als een Engel;

(en dat, geloof ik voor my, zyt gy ook maar;) en al wierdt gy ook van

zeven duizend legioenen van Duivelen gelastert, dan zoudt gy evenwel

nog wel zekerlyk zo veel van den mensch hebben, als Moeder Eva, vóór

zy zo lelyk bedrogen wierdt, hadt: kort gezeit, gy zoudt nog wel wat

nieuwsgierig vallen? want vrouwtjes zyn toch niet anders. Ik loop, en

draaf, en klungel daar zo alle daag aan uw huis, puur als of ik naar

u uit vryën kwam; maar dat is zo niet; zulk een fraaije Dame kan in

Abraham Blankaarts pot niet. En 't is of ik nu maar te Amsterdam ben,

om myn tyd met manden uit te dragen: om fiolen te laten zorgen. Zo dat

ik maar zeggen wil, dat ik alle daag aan uw huis kom, om met u eens

alleen te spreken: maar ik heb zo veel te horen, te kyken en te gapen,

en zo myn spikkelatie met die drie Nufjes van meisjes, die, de een

voor, de andre na, in en uit kwispelen en kissebissen; en dan moet ik

er de vreugd in maken, en er zo eens wat meê dollen; en dan zit gy

daar als _de Roze van Saron_ in 't midden, sprekende, onderrichtende,

goedkeurende, minzaam ziende. ô Mevrouw, ik wou, dat onze Schilder

Troost nog leefde; ik liet die groupe schilderen, om er myn

Familiestuk van te maken, mits dat ik er ook in mogt, met Snap zo by

me. En zie daar! dan is de tyd om; en ik heb zelf vergeten, dat ik om

u te spreken gekomen ben.

't Is een regenachtige dag. Ik zei, wel heeft Abraham Blankaart er

niet den hooi[1] van, om al weer daar heen te laveren, en myn tyd te

vermallen met die Meisjes? Ik zal t'huis blyven, en schryven 't geen

ik toch aan Mevrouw niet kan vertellen, en Sarot mag er niets van

weten; 't is zulk een olyk platje!

Dat die zuurkyk[2] weg is, is goed: 't is een verdort gemeen stukje,

voor een fatsoenlyke Juffrouw; maar ik schrijf niet graag over slegte

menschen; ik word dan maar nydig en bedroeft.

Om dan myn vertelling te beginnen; want nu weet gy nog zo veel als

gisteren: zo dat ik maar alleen dit zeggen wou! Daar heb ik een bezoek

gehad van den Agter-agter-klein-agter-Zoon van Marten Luters ouden

vriend, Casper Edeling, van Jan Edeling! en wy hebben te saam over het

Geloof, en de zoete Meisjes, eens heldertjes gebakkeleit. Hij wagtte

my in myn zydkamer. "Zo, Marten-Broêr, zei ik, welkom."--Uw Dienaar,

myn "Heer Blankaart;" en hy keek, of schoppenboêr ook nog van zyn

Familie was; zo, dagt ik, dat zyn de oude grillen. Ik zei des, wel

fraai buigende, dat ik toch beter ken dan zo een oude podagrist: "Uw

dienaar, myn Heer Edeling;" en ik gaf hem een fauteuil. Dus begon hy,

terwyl hy de glazen uitkeek. (_Ik, niet lui, ging over 't horretje

gluren; ja, zo moet men met die wonderlyke menschen, omgaan, of zy

denken, dat de Drommel hun niet wys genoeg is_.)

_Edeling_. Nu, daar is myn Zoon Hendrik dan verlieft op uwe Pupil. Hy

ziet er uit, of hy uit een belegerde stad komt, en mymert, en zwygt,

en ik heb gister het eens op hairen en snaren gezet, maar 't is of ik

met myn kop door dien muur wil: en hy wist my nog een hope te zeggen:

die eigenwyze jongens! Ik ben ook moeilyk[3] op hem.--Gy zegt niets?

_Ik_. Wat heb ik met uw en uw Zoons gemor te doen? Ik zie niet, waarom

ik iets zeggen zou. 't Raakt my niet; en ik _wil_ my er niet meê

bemoeijen.

_Hy_. Wat! raakt het u niet? En dat de jongen knapen zo met het Geloof

omspringen? Ei zeker, zou ik myn huis tot een Noachs-Ark, of een

Remonstrantsche Kerk maken?

_Ik_. Wel, hoe satan heb ik het? Heb je niet uitgeslapen? of maalt je

de geest? Nog eens, wat bruit my uw gekibbel met uw Zoon?

_Hy_. Wel, hy wil Juffrouw Burgerhart hebben, al is zy gereformeert.

_Ik_. Wel, ik wil haar niet geven in eene Familie, die haar niet met

liefde en achting ontfangt.

_Hy_. Wat moet ik dan doen?

_Ik_. Dat's _uw_ zaak. Gy zyt Vader. Uw gezag zal zeker met verstand

gepaart gaan.

_Hy_. En daar is nu myn Zwager, de Pastoor Redelyk, die praat even

eens als gy, en zyn Vrouw ook.

_Ik_. Nu, als je my niets anders te vertellen hebt, kon je de moeite

wel gespaart hebben, om by my te komen. Hoe ik over den Godsdienst

denk, weet gy. Wilt gy geene Gereformeerde vrouw aan Hendrik geven;

wat geef _ik_ daaröm?

_Hy_. Wel, waaröm laten wy onze kinderen dan yder in onze Kerk

opbrengen, en hun geloof leren, by Kategizeermeesters van onze eigen

Leer?

_Ik_. Om dat wy--laat ik zwygen! Hoor, Paulus is myn man. Wat zeit

die? _Onderzoek de schriften_. Dat klinkt u wat anders voor den snoet,

dan _zyn Geloof te laten leren_. Weetje wat, Jan Edeling? daar is nog

maar te veel _Papery_ onder de Protestantsche Christenen. Wy razen en

duiveljagen tegen den _Antichrist_, tegen _den Gog_ en _den Magog_,

tegen den _Paus_; en ydere Dominé wil Paus zyn in zyn Kerk, en ydere

Vader Heilige Vader in zyn huis zyn. Kom aan! daar is uw Zwager (ei,

ik wist dat niet, is hy uw Zwager?) Redelyk; wel, die vrome wyze man,

zegt gy zelf, dat net denkt als ik; zo dat, ik hoef my dat niet te

schamen. Hoor, jou geloof is een enkel _toeval_; want je hebt er

magtig veel toe gedaan, hebje niet? om van Lutersche Ouders geboren te

willen worden. Wel, Jan Edeling, Jan Edeling, 't lykt nergens na: maar

dat gy uw braven Zoon, als zo een regte Nero, niemands-Vriend, van

liefde kunt zien sterven, om een deugdzaam meisje--op myn ziel, (_en

ik sloeg op de tafel_,) uw geloof is 't regte geloof niet!

_Hy_. Hoor, Abraham Blankaart, ik zou met al myn hart u om het Meisje

voor myn Heintje verzoeken, was zy van zyn Geloof.

_Ik_. Wel, ik wed om een Visje, dat zy van zyn Geloof is.

_Hy_. Hoe? wat? heeft zy dan haar Kerk verzaakt, en dat om een man?

_Ik_. Noch 't een noch 't ander; en evenwel ik wed met u. Zie, zy zyn

het immers daar in eens, en dat's wel een fondamenteel stuk van

eenigheid, dat zy met elkander gelukkig kunnen zyn, en dat gy het hen

maken kunt. (_Hy gaf my zo een knorrige meesmuil; en toen begon hy

weêr op nieuw te zagen, en van 't Geloof, en van elk in zyn Kerk, dat

my 't bloed zo al wat begon te krieuwelen_.)

_Ik_. Nu wil ik in myn huis niet langer dat gegons verdragen. Gy zoudt

beter doen, als gy eens een Kapitteltje in Sint Jan las: die brave

Apostel zal het u zoo ouwerwets zeggen, dat gy wel voelen zult, waar

de wind van daan komt. Maar ja, de Bybel daar leest men niet in, dat

klungelt en sjouwt met Huispostillen, en Uitleggingen, die geen pyp

tabak waart zyn: en Gods heilig dierbaar woord, dat ligt, met zilveren

sloten, in het beste vertrek daar braspenningen te zweten. (_Hy

lachte_.)

_Hy_. Daar is myn hand, Brammetje; jy bent toch een man, die my lykt.

Ik moet nu myn hele les leren. Hoe moet ik dan met myn jongens leven?

want ik heb nog ergens zo een suppliant in de wyde waereld.

_Ik_. Wel, als ik zulke jongens had, en zy hadden liefde voor brave

meisjes van de Protestantsche Kerk, en zy verzogten my, om haar te

mogen hebben, wel, dan zou ik zeggen: ziet; Kinderen, dat staat my

bestig aan. Ik zal zien, dat ik elk zyn Vryster bezorg, en je allebei

in goeden doen stellen, om wat te beginnen; en dan zou ik met myn

jongens eens op 't goed succes drinken, en door myn gang lopen

tierelieren, als of ik zelf nog maar twintig jaar waar. Hoor, Jan

Edeling, dan zult gy vreugd en genoegen hebben, en je kunt voor je

dood nog Grootvader van een kleine kabauter of agt wezen.

_Hy_. Gy hebt gelyk! Ik verzoek u dan om het Huwlyk; en als ik het

zeg, meen ik het waaragtig. 't Zal my tot eer zyn, Juffrouw Burgerhart

myne Dochter te mogen noemen. Zal hy ze hebben?

_Ik_. Met al myn hart; en ik hoop, dat zo uw andre Zoon ook maar een

braaf deugdzaam meisje kiest, dat gy dan ook even redelyk zult zyn.

_Hy_. Zie, Bram, zo ben ik nu ook weêr, als ik iets doe, doe ik het

terdeeg; ik hou niet van dat krummelwerkje. Hoor, _als ik over den

hond kan, kan ik ook over den staart_. Als Cornelis het wel maakt,

en hy een ordentelyk meisje wil, gierigheid daar aan heb ik my nooit

bezondigt; ik wil maar baas zyn, en gelyk hebben.

_Ik_. En juist daarom hebt gy geen oogvol recht op iemands hart;

alles, wat men, als men van u afhangt, doen kan, is bang voor u te

zyn.

_Hy_. Gy hebt waarlyk gelyk: maar ik zal zien, dat ik dien _ouden

Adam_ er uitramei.

_Ik_. Dan zult gy de beste man van de Waereld zyn; en myn Meisje zal

geen der minsten zyn, die u 't leven aangenaam zal maken. Nu zult gy

eerst gaan ondervinden, hoe gelukkig men is, als men de _beminde_

Vader is van brave kinderen.

_Hy_. Ik heb meer voor myne kinderen gedaan dan duizend Vaders doen;

ik heb nagt en dag gewerkt voor hen, ik gaf altyd in de ruimte....

_Ik_. (_hem in de rede vallende_.) En met dit al, gy zyt wel

gehoorzaamt, wel geëerbiedigt, maar ik vrees, dat uw eigen kinderen

u niet beminnen, zo als zy u zouden bemint hebben, als gy wat min van

het meesteragtige, en wat meer van het Vaderlyke getoont hadt.

Na nog wat pratens ging Marten Neef heen, zo wel gehumeurt, en zo

zagt, als hy zeker nog nooit, zedert hy alleen gaan kon, geweest is!

Waarlyk, 't is een goed eerlyk allerbest man; maar omtrent zyn vrouw

en kinderen was hy, en dat alleen uit grilligheid, een regte

_Bullebak_.

Dat zit daar heel gek, en wel dubbel gek met Tante. Dat Janrap heeft

haar tot op 't gebeente uitgemergelt. Maar myne kleuter spreekt zo ten

goeden, en verzoekt zelf, om uit haar geld Tante wat te ondersteunen,

dat het een lust is om te zien. Ik ben daar eens by die beste vrome

Styntje geweest, (ja, ik leef onder en boven den grond!) en ben met

haar overeen gekomen, dat zy Tante in huis zal nemen, en onder haar

bestuur, vatje het? en dat ik het met haar wel maken zou. Maar ik wil

dat voor het ouwe wyf niet weten; wel, wat hoeft dat? Die allerliefste

vrome ziel zal myn Saartje eens bezoeken, zo een zin heeft zy in 't

meisje.

En nu moet ik u eens aanspreken, want gy zyt _het Vrouwtje van

Thecoa_,[4] uit den Bybel. Ik wou u eens vragen, of Juffrouw Letje

t'avond of morgen niet een goede vrouw voor Willis zyn zoude? of zyn

er al Kapers op de Kust? Het meisje komt my zo wél voor, en ik zie

heel wel, dat zy ook by u twee witte voetjes heeft; en dat zou zy niet

hebben, zo zy geen goed jong kind was; en myn Saar houdt zo kragtig

veel van haar. Nu, denk er eens aan: ik zou dat graag zien. Haar Broêr

heb ik gekent als het olykste Salet-rekeltje, dat er op Gods aardbodem

was, maar hy wordt een heel ander mensch: ik ben ook zyn vriend; doch

Edeling, die my zegt, dat hy het beste hart van de waereld heeft, en

zo goedaartig is als een kind, heeft vóór, hem een beter bestaan te

bezorgen.--Ja, ik wou wel wat zeggen, maar het wil er niet uit;

evenwel het deedt my zo goed, toen ik het hoorde, dat myne oogen

overliepen! Ik kan 't niet zwygen. Hy is het, die aan Edeling uwe

verlegenheid, door een ryken schacheraar u veroorzaakt, vertrouwde[5],

er by voegende: "Myn Heer, ik heb geen geld, anders zou ik of Letje

het al afgemaakt hebben; maar zeg het de brave vrouw nooit, dat ik het

ben, die u dit zeide:" en hy sprak van u, als of gy zyne Moeder waart.

Moet zo een jongen geen goede gronden hebben? Moet hy niet beloont

worden? Wat zegt gy? Nu schei ik uit, en ben

Uwe oprechtste Vriend,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Meer dan genoeg.

[2] Cornelia Hartog.

[3] Boos.

[4] Stad bij Bethlehem. Joz. XV.

[5] Vertelde.

HONDERD-VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER R. AAN DEN HEER G.

_Broeder Lichtmis!_

Razent, woedent, helsch kwaadaartig over myne mislukte onderneming! In

myne eigen strikken gevangen! Maar wie kon denken, dat er een Burger-

meisje in de waereld was, die een man, zo als ik ben, tegenstand zou

bieden? Wat moet ik denken; zou er waaragtig zo iets zyn, dat deugd

genaamt wordt? Ei, wisjewasjes! Kinderlyke vooroordelen; dat is 't al,

en anders is 't niets. Nooit heb ik my zo misrekent! En niets dan schrik

kan my haar bezorgt hebben. Zie daar! daar raken de Harddravers met een

poot of drie in een der leizels, die ik bevolen had optestrikken, om

toch gereet te zyn, zo dra zy besloot my te volgen. Er was niemand op de

plaats dan de Tuinvent. Ik moest helpen of myn beste Paarden verliezen.

Ik sluit de schone meid in de kamer, verzekert, dat zy myne gevangene

moest blyven. En in dien tyd, dat ik in den stal ben, is zy 't ontsnapt.

't Is my volstrekt onbegrypelyk, want er was niemand op de Plaats dan

de kerel en ik. Ik kom weêr, doe de deur open, vind haar niet, sta als

een driedubbele gek, loop het huis uit, raas, stampvoet, vlieg by Kryn

in huis; alles vergeefsch; loop naar 't Hek; ja, 't Hek was open, en ik

begreep, dat het niet voor my geraden was, haar na te zetten. Waar zy

belant is, weet de Drommel; doch het scheen my hoognodig, om, vroeg in

den morgen, weg te ryden; ik ging naar Utrecht, en van daar op Arnhem;

thans ben ik op Pruisischen bodem, en laat my ligt Hofraad maken; 't

kan te pas komen. Hoort gy niets? Alles zou ik nog vergeten kunnen,

maar ik bemin haar tot myn straf. Dit maakt my dol op my zelf, en met

dit al, het is niet anders.

Als gy niets beters te doen hebt, kom dan by my, en breng Philips

mede, op dat ik ten minsten een paar guiten heb, op wie ik al het

onweêr myner gehoonde en van liefde gemartelde ziel vryelyk mag

uitgieten.

T. T.

R.

HONDERD-EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis laat Blankaart _een

blauwtje loopen_.

HONDERD-TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Hendrik schrijft Sara een solide

liefdesbrief.

HONDERD-DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Sara antwoordt hem niet minder

degelijk; _er ligt haar nog iets op 't hart; ze denkt dat_ Hendrik

_nog niets weet van 't geval met_ R., maar uit de Honderd-vier en

vijftigste brief blijkt dat hij alles wist.

HONDERD-VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis noemt haar verloofde

Smit "waarde vriend"--deelt hem de _officiëele verloving mee_ van Sara

en Hendrik. Blankaart was zeer ontroerd, doch lachtte zijn tranen weg.

HONDERD-ZES EN VYFTIGSTE BRIEF.

DE HEER HENDRIK EDELING AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

_Myne Tederbeminde!_

Ik kan my zelf het genoegen niet onthouden, om te schryven, in die

droefgeestige uuren, dat ik uw gezelschap moet missen. Ik weet, myne

Liefde, dat de Betaamlykheid my de wet stellen moet; dat ik myne

affaire moet benyveren, en voldoen aan die onderscheiden pligten, die

ik voor my te doen vinde: ik kan u des maar weinige uuren 's daags

zien. Al den tyd, dien ik kan uitsparen, gebruik ik echter om aan u

te schryven.

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart · 第 12 / 15 段