Ik ben eenige dagen zeer ongestelt geweest, en heb zelf drie dagen het

huis moeten houden. Uw laatsten, uit Parys geschreven, heb ik ook daar

op 't oogenblik ontfangen. Ik verheug my over uw kennis met dien

waarden man, als ook over de gunstige gedagten, die hy te mywaards

voedt: Den heer Willis hoop ik eens met myne byzonderste vriendschap

te beschenken, gelijk ik naar de zyne vurig verlang: ik ben voorbereit,

om hem hoog te achten, en te beminnen.

Ik zal myn verhaal vervolgen: Zo dra ik het wagen durfde om uittegaan,

ging ik naar het Huis van Mevrouw Buigzaam, en werdt van myne Beminde

met alle tekenen van heuschheid en vriendschap ontfangen. Zy is wat

afgenomen, doch de koortzen houden op; en nu, nu heeft zy eene zagtheid

in haar gelaat, die my nog veel meer bekoort.

Zy was alleen t'huis: Mevrouw Buigzaam was met de jonge Juffrouwen

naar de Kerk, en Juffrouw Hertog op haar gezelschap. Ik zat by haar,

en nam de vryheid van hare hand te nemen, terwyl ik my informeerde

nopens haren welstand, en zei, dat ik my veel beter gevoelde, 't geen

zy met een zeer merkbaar genoegen hoorde. Deeze gelegenheid, ging ik

voort, is te gunstig, dan dat ik die niet zoude gebruiken, om u

nogmaal van mijne liefde de sterkste verzekering te doen, ik weet wel,

dat de liefde geen vrucht van dwang is; maar ik hoop echter, dat gy my

eens met meer onderscheiding zien zult. Mijne liefde is niet romanesq[1]:

de hoop alleen is in staat, om my te doen volharden. ô! Dat gy my nog

eens beminde; nooit zoudt gy u beklagen, dat gy my den voorrang in uw

genegenheid gegeven hadt!

_Zy_. Ben ik wel geschikt, om u zo gelukkig te maken, als gy verdient

te zyn? ô Myn Heer Edeling, laat ik, vóór ik een besluit neem, nog

eerst myn karakter beter vormen naar dat der Dame, die ik als myne

Moeder eerbiedig! Ik ben zo bedagtzaam, zo bedaart, zo bestendig niet,

als zy, die uwe liefde verdient, behoort te zyn. Ik vorm my zulke

ernstige denkbeelden van het Huwlyk! Ik vrees, dat ik nog niet geschikt

ben, om myne bespiegelingen altoos tot betrachtingen te verhogen. Ik

wagt den Heer Blankaart binnen weinige dagen; laat ik met hem alles

eens overwegen. En gy hebt immers een Vader, myn heer Edeling?

(_Ik voelde die zet_!)

_Ik_. Dat is zo: maar kunt gy een oogenblik twyffelen, of myn Vader

zich niet vereert zoude achten met zo eene Dochter? Hy zal mooglyk

eenige bedenkingen hebben, over het geen de goede man _onderscheid van

Religie_ noemt; gy weet, ik behoor tot Lutersche Gemeente, maar de

Heer Blankaart en myn Vader zullen dat wel vinden.

_Zy_. Indien dat nodig wordt, twijffel ik daar ook niet aan: wat my

betreft, ik zal dit omtrent u zo weinig in aanmerking nemen, als gy

omtrent my deedt. Doch het is nog zo ver niet.

_Ik_. Uw Voogd komt (zo schryft myn Broeder my,) met den Heer Willis

en met hem t'huis, zij hebben elkander te Parys ontmoet. Hoe aangenaam

zullen deeze drie reizigers zyn!

_Zy_. Dan krygen wy elk een Broeder t'huis? want Willis is myn Broeder;

als gy hem kent, zult gy myne keuze billyken.

_Ik_. Dat doe ik nu reeds: ik ken Willis.

De Kerk ging uit, en wy veranderden van discours. Mevrouw Buigzaam en

de beide Dames waren verheugt, my zo veel beter te zien. Ik bleef er

dien gehelen avond tot tien uuren, want Mevrouw deedt ons de eere aan

om te spelen. Nooit hoorde ik zulk een zielen-muziek. 't Is meer dan

kunst! Ik hoop, dat gy 't eens zult horen.

Zy nam occasie, om my alleen te spreken, en zei: "daar, myn Heer

Edeling, lees dit geschrift; dan zult gy eerst uwe beminde Burgerhart

recht kennen: zy weet niet, dat er u iets van bekent is. Hou dit in 't

oog." Ik lei het Papier in myn brieventas; en afscheid genomen hebbende,

spoedde ik naar huis om te lezen. Ik at niet, maar ging, Vader gegroet

hebbende, naar myne kamer. Lees, en dan zult gy kunnen bezeffen, wat in

myn hart, onder het lezen, is omgegaan! Ik heb het voor u gecopiëert,

doch moet het te rug hebben, zonder dat gy er iets uittrekt.--Hier op

vertrouwende, geef ik u het

VERHAAL.

_Dierbaarste Vriendinnen_!

Ik begin dan aan een Verhaal, dat my onmooglyk is mondeling te doen;

ik schryf dus. Geloof heilig, dat ik het onder het zegel der waarheid

schryve: ô, hoe ben ik in myne eigen oogen gedaalt! Waarom heb ik niet

meer acht gegeven op my zelf; op hen, met wie ik omging; op den raad

myner Willis, en op den uwen, ô beste der Vrouwen! Ik zal boete doen:

ik zal myne dwaasheid afwisselen, tegen de volkomenste geleidelykheid

aan uwe vermaningen; ik zal my zelf zo ver zien opteheffen, dat uwe

vermaningen in goedkeuringen zullen veranderen. En, zo dikwyls als ik

eene te grote zucht voor uitspanningen voel, zal ik in myn Kabinetje

gaan, en dit geschrift, ter myner beschaming, lezen. Laat ik beginnen:

Ik ging met den Deugniet, gelyk gy weet, in den _Hortus Medicus_, vast

voornemende, om nooit weêr met hem uittegaan; en echter hy was dezelfde

beschaafde, aangename, fatsoenlyke man omtrent my. Hy liet my in den

_Hortus_ alles zien; leidde my veel uit van 't geen ik zag; en ziende,

dat ik zulk een groot vermaak vond in dit alles te zien, stelde hy my

voor, of ik ook plaizier had, om eene zeer fraaije Plaats te zien, van

een zyner Vrienden; de Heer en Dame, zei hy, zyn wel niet Buiten, maar

dat zegt niets, men weigert nooit een fatsoenlyk man om die te zien; er

is zeer veel uitheemsch gebloemt. Ik, die in dit voorstel niets ontwaarde,

dan genenenheid om my te verpligten, stond dit geredelyk toe. Wy gingen

des vry spoedig uit den _Hortus_, de Plantage door, de Muider-Poort uit.

Nooit had ik zo veel geest, zo veel vrolykheid, zo veel levendigs in hem

bespeurt, 't Sloeg vyf uuren, zo als wy buiten waren. "Is 't ver?" vroeg

ik. "ô! Wy zullen er binnen 't half uur zyn, als wy wat aantreden." Ik

deed zo, en 't was bykans zes, toen wy voor een laan stil hielden, die

op een zeer fraai huis liep. Het Hek stondt aan. Hy ging de Plaats met

my op, en den Tuinbaas ontmoetende, vroeg hy, is myn Heer of Mevrouw

t'huis, "neen, was 't antwoord, maar dat is het zelfde." "Wilt gy het

huis niet eens zien?" (tegen my.) "Ja, maar ik zie liever bloemhoven,

dan lambrissementen[2]." Wy traden in 't huis.

_Hy_. (_tegen den Tuinman_.) Deeze Dame heeft geen thee gedronken;

hebt gy ook kokent Water? Toe, jongen, brengt het schielyk, met het

geen er by hoort; gy weet uw Heer en ik zyn Vrienden. (_De Kerel ging

heen; ik had geen zin aan hem, hy hadt een lelyken uitkyk_.)

_Ik_. Gy doet te veel moeite, myn Heer, als ik maar een glas bier

mogt!

_Hy_. Ik geef nooit bier, als de meisjes warm gegaan zyn, en dan stil

zitten.

_Ik_. Wel, laten wy wandelen.

_Hy_. Eerst wat uitrusten. (_De Tuinman bragt theegoed, wij dronken

spoedig een kopje_.)

_Ik_. Kom, nu de bloemen gaan zien; het wordt al tyd.

(_Hy stondt op, en met eene houding, die my verbaasde, zeide hy, dat

hy my beminde, dat hy smoorlyk op my verlieft was; en dat hy niet

twyffelde, of dit had ik wel gezien; hier aan schreef hy ook de

goedheid toe, die ik had gehad, om met hem te gaan, dewyl men daar in

huis zo gegeneert was. Yder woord ontstelde en vertoornde my: ik zei_:

Gy beledigt my ten hoogsten. Nooit heb ik iets, zelf schaduwachtig,

gedagt van 't geen gy zegt; en zo ik het gedagt had, geloof my, dat ik

niet met u zou gegaan zyn. (_Hy lachte, en wilde my kusschen_.) Hou

af, zei ik; gy railleert te sterk.

_Hy_. Hoe, neemt gy het dus op? dan bedriegt gy u; want (_en hy zwoer

een duren eed_,) het is my ernst; ik bemin u: gy zult de myne zyn;

(_al weder naar my toe dringende_.)

_Ik_. Hou u gerust! Gy bedriegt u, zie ik, omtrent my: zo gy my

beminde, zoudt gy my dus niet kunnen vernederen: Laat my gaan, ik wil

hier niet langer blyven.

_Hy_. Laat my gaan; ik wil hier niet langer blyven! ô, Zo spreekt men

niet tegen een man, als ik ben; en dat op zyn eigen Plaats. (_Ik

bestorf als myn linnen_.) Zie, meisje, al die grote gevoelens zyn by

my niets dan meisjes beuzelaryen. Evenwel, gy zyt nog te bekoorlyker,

nu gy zo een fraai rolletje speelt. Kom, myne Saartje, laten wy

gelukkig zyn; de tyd is kostlyk, zo gy ten minsten dwaas genoeg zyt,

om naar huis te willen keeren. Myn Fagon is anders al Buiten, de

Paarden staan, met de leisels opgeknoopt, op den stal, en in weinige

uuren zyn wy ver van hier; want ik waag er myn beste hartdraver aan.

(_Hy wilde my weder kusschen_.)

_Ik_. Schelm! Deugniet! Judas!

_Hy_. Al wat gy maar wilt, myn Engeltje, mits dat gy my gelukkig maakt.

(_Hoe ik te moede was, kunt gy eenigzins opmaken, maar ik hield my

moedig_.)

_Ik_. Ik ben, zie ik, in uwe magt; maar veel eerder dan uwe verfoeilyke

oogmerken te beantwoorden, zal ik het uiterste wagen; ik zal gerugt

maken, zo gy de deur niet open doet.

_Hy_. Ik doe geen deur open, en of gy gerugt maakt of niet, het zal

niets helpen; niemand hoort u. Kom, gy hebt u genoeg verweert. Zelden

had ik zo veel werk met myne Lievertjes. Gy hebt gestreden voor uw

harssenschim; dien lof geef ik u; maar nu eisch ik uwe overgave.

(_Ik werd woedent en was door de sterke aandoeningen op 't punt van

te bezwymen; de vrees zelf gaf my kragten. Ik wilde een raam open

schuiven_.)

_Hy_. Neen, Kindje, daar is voor gezorgt; ik hou om de dood niet van

buren-gerugt. (_Hy werdt, dagt my, kwaadaartig over zyne te leurstelling!

ô Myne Vriendinnen, heb ik my zelf dan iets te wyten, gaf ik aanleiding;

immers niet met myn weten_?)

_Hy_. Zie zo, 't wordt mooi laat; nu, ik heb zeer goed Logement voor

u; en ik hoop, dat ik u den tyd aangenaam zal verdryven.

_Ik_. Laat my gaan; 't is nog niet te laat, om in de stad te komen.

(_Hy lachte_.)

_Hy_. Ziet gy my voor zo een verd... gek aan, dat ik, een prooi onder

myn bereik hebbende, die zal laten weg vliegen?

_Ik_. Zo ik iets op u vermag, zo gy eenige menschelyke gevoelens hebt

voor een meisje, dat u nooit beledigde; dat nooit het minste oogmerk

omtrent u hadt; dat u voor een vriend, voor een eerlyk man hieldt,

laat my gaan, en ik zal u alles vergeven. (_Ik schreide bitterlyk_.)

_Hy_. Speel vry denzelfden zang, uit eenen andren sleutel[3]; ik hoor

gaarne _Variantes_, en gy zyt uw onderwerp magtig.

_Ik_. ô Myn Heer, bespot my niet! God weet, in welk een dodelyken

angst ik ben; ô myne waarde moederlyke Vriendin! ô myn Voogd, wat heb

ik gedaan?

_Hy_. Wat? wel, gy zyt vry willig medegegaan met een man, die smoorlyk

op u verlieft is, en die u tot zyne _Sultane Favorite_ hoopt te maken.

Want zie, mooi Meisje, ik wend niet voor u te trouwen, ik wil u niet

bedriegen, elk moet zyn rang bewaren. (_Ik zeeg op een stoel neder, en

ik geloof, dat ik op dat oogenblik in staat zou geweest zyn, om hem

een mes in zyn schurkagtig hart te drukken: zulk tergen maakte my

zinneloos. Hy liet my eenige minuten aan my zelf over; maar wat er

toen in myn geest omging, weet ik niet! Hy naderde my weder_.)

_Ik_. Deugeniet, lieve goede menschen ... ô God! hoort my niemand!

(_Hy nam my op, maar zweeg; doch al myne kragten zich, machinaal,

verzamelende, stootte ik hem van my af; hy beet op zyne lippen en

vloekte_). Toen smeekte ik hem weder, dat hy my gaan liet.

_Hy_. Ja, op de Fargon. (_Ik bedagt my_.)

_Ik_. Kom aan, als het toch zyn moet.

_Hy_. Neen, Meisje, ik versta u. Hier moet gy blyven, geen kuren by

den weg. Ik had gemeent, dat gij goedwillig met my zoudt gegaan zyn,

doch nu is die voorzorg onnodig.

_Ik_. Vrees voor de gevolgen; gy zyt niet boven de wetten.

(_Hy lachte hartlyk_.)

_Hy_. Zou ik niet, Liefde? Weet gy wel, dat de Rechter geen notitie

neemt van zo een galanterietje? Kan het my schelen, waar ik ben, denkt

gy? Hadt ik kunnen vermoeden, dat gy my zo veel moeite zoudt gemaakt

hebben, ik had het wel anders overleit. (_En toen drukte hy my zo

sterk aan de hand, dat hy my zeer deed. Ik beefde zodanig, dat hy zelf

deinsde. 't Werdt schemer-avond, en myn dodelyke angst nam alle

oogenblikken toe_.)

_Ik_. Tyger en geen mensch! Kunt gy my in zulk eene benauwtheid zien;

wat recht hebt gy op my?

_Hy_. Dat recht, dat yder Ligtmis van myn rang op zo veel meisjes

heeft, als hy goedvindt in zyn Serail te plaatsen. Of wilt gy, (_en hy

tradt naar my toe_), dat recht, dat de sterkere heeft over de zwakke.

(_Ik viel voor hem neder, ik smeekte, ik weende, ik geloof zelf, dat

ik hem myn waarde R. noemde_).

Ik had al reeds een groot geweld in den stal gehoort, maar 't scheen,

dat hy er geen acht op gaf. Eindlyk kwam de Tuinbaas in den gang

lopen, en riep: Myn Heer, de Paarden zyn met hunne poten in de

leiseelen geraakt; en ik kan het niet meester worden: wat moet ik

doen: Hy riep, (met een vloek,) _u gaan ophangen, voor ik u den hals

breek_. De Kerel ging weêr heen, en zei, dat, zo myn Heer de hand niet

wilde lenen, hy zyn Paarden kwyt was. Razent en scheldent ging hy

heen, en stiet my van de deur weg, die hy toesloot. Naauwlyks was hy

weg, of er ging een deur in het vertrek zagtjes open, en daar kwam een

Boerenmeisje, die my, zonder iets te zeggen, wenkte om optestaan. Ik

deed het aanstonds. Zy sloop met my uit het huis, en verstak my in

haar bed op een zoldertje, dat zy wel ter deeg sloot. Ik wist niet, of

ik droomde, dan of ik wakker was; ik wist niet, of 't bedrog of hulp

was: alles was even onbekent. Het werdt duister; en niemand kwam by

my.

Eindelyk hoorde ik beneden lieden spreken; myn bloed stolde in myne

aderen, en ik weet niet, of ik lang in onmagt was. Doch 's middernagts

ging de deur open, en het meisje bragt my een groot glas melk met

water, my wyzende niet te spreken. Zy sloot de deur weêr toe, en,

dewyl de maan opkwam, zag ik haar zeer onderscheiden[4]. "Nu slaapt

myn Vader, zei zy, hoor hem eens ronken!" Wie zyt gy, myn goed meisje?

zei ik.

_Zy_. Ik ben des Tuinmans Dochter, lieve Juffrouw, weest niet ongerust!

ik zal u helpen.

_Ik_. Laat ik u omhelzen, gy zyt myn Redster. O, gy zult wel beloond

worden! en als gy wilt, kunt gy altoos by my blyven; maar door welk

geluk hebt gy my dus verre geret?

_Zy_. Dat zal ik u zeggen: myn Vader was druk in den tuin bezig, den

helen dag, met de arbeiders, toen de knecht met de Fargon kwam, en hem

belastte zyn Heer optewagten, doch niet te laten blyken, dat hy zyn

Heer was. Lieve God, dagt ik, daar zal weêr wat agter zitten! want myn

Heer is een heel slegt Heer omtrent de meisjes; maar my heeft hy nooit

gemoeit, dat moet ik zeggen, en zo zeggen al de meiden ook. Nu althans,

ik was in de kamer, toen hy met u in huis kwam, en dewyl ik voor grote

lui wat schaamagtig ben, verstak ik my in de naaste kamer in een

kleêrkast, daar wel twintig rokken in hangen, de eene nog mooijer als

de aâre. Ik dagt, zy zullen wel gaan wandelen, en dan ik gaauw heen

lopen, en dan zien zy my niet: zo dat ik alles hoorde. Zie, Juffrouw,

ik ben Rooms-Kattelyks, en ik bad onze heilige Moeder Gods om hare

bescherming, en ik bad een vyf of zes _Aves_ en _Paters_, zo al in de

kast. Wat kon ik doen? zo als gy weet. En toen viel dat met de Paarden

voor, en toen ging hy heen, en zo haalde ik u, en verstak u in myn

bed. Ik ging voort in den moestuin zo wat wieden, maar ik hield mij

maar zo; om dat ik dan bokken kon, en alles afgluren. Het duurde wel

een half uur, eer alles in 't stal gedaan was, want de Paarden waren

als wilt, en allemaal door de strengen; dat was het maar. Myn Heer

ging in zyn huis, en Vader in 't Boerenhuis. Ik geloof, dat hy

elderments op zyn neus gekeken heeft, toen hy u niet vondt. Hy kwam in

't Boerenhuis, en vroeg met hele lelyke woorden, waar dit en dat gy

heen waart? Myn Vader zei, dat hy dat niet kon weten, om dat hy het zo

met de Paarden te doen gehad hadt. Toen vloog hy naar 't Hek, en vondt

het open. 't Is gedaan, zei hy: daar is niet op; nu 't is myn verdiende

loon, waarom d-r-de ik het Hek niet toe. Hy liep, als een razent mensch,

al heen en weêr, en toen hy dat ook moê was, belastte hy myn Vader licht

te geven, en hem wat brood en kaas te bezorgen; die deedt dat. Ik was in

huis gegaan: Vader vroeg, waar ik geweest was; ik zei, aan 't wieden, en

dat ik toen om een praatje geweest was; dat was daar meê wel, hy zei my

niets. Wy aten schielyk onze Bry, en hy ging naar bed. Toen kwam ik boven,

en hield my stil, tot dat ik hoorde, dat hij wel vast in slaap was. Zie

daar, zo is de hele zaak, myn lieve Juffrouw.

Myne blydschap was onbeschryflyk; maar zy verdween schielyk door de

gedagten: hoe zal ik nu door de waarde Vrouw voor een bedriegster, een

valsch meisje, een ligt jong schepzel gehouden, veracht en verfoeit

worden! Wat zal ik doen? Hoe durf ik er weêr heen gaan? Hoe zal men my

ontvangen? Wat zal de brave Edeling van my denken? 't Is mooglyk, dat

hy reeds by ons geweest is. Zal de deugdzaamste der Vrouwen hem

omtrent my misleiden? Wat zal zy kunnen zeggen? En ik had haar zo

plegtig belooft, voortaan my geheel door haar te laten leiden. Hoe zal

Hartog zich verheugen, indien dit geval ruchtbaar wordt. Kan het

verborgen blijven? Heeft my niemand gezien? Maar, 't geen my 't hart

doorboort, hoe zal het teder hart myner moederlyke Vriendin lyden!

door my lyden!...

Ik was besluiteloos wat te doen. Evenwel, alles al weer overpeinzende,

dagt ik, 't is echter de eenige nu openstaande weg. Ik moet dit

getuigenis geven van myne onschuld! "Ach," zal ik met eene bevende

stem zeggen, "indien ik een slegt Meisje waar, indien ik het oogmerk

had om u te misleiden, zou ik dan te rug komen, ook vóór ik weet hoe

gy my ontfangen zult?" Terwyl ik in deeze gedagten als verzonken was,

zei myn trouwhartig Klaartje, (zo hiet het Boerinnetje,) "Kom,

Juffrouw, nou moest je op je kousjes my volgen, en zo stil als 't

mooglyk is; ik heb onze deur efkes aan laten staan." Ik deed zo, en zy

droeg myn schoenen in haar hand. 't Begon te regenen: de lucht werd

onweerig en donker. ô, Dat was niets! Zie daar wy buiten de deur! Het

bed van den Tuinman voorby gaande, hoorden wy hem diep en gerust

slapen. Ik deed myn schoenen weer aan, en ging met het meisje, agter

de Boerdery om, al zwygende, en aan haar hand. Ik werd doornat, en

moest wel een half kwartier door 't gras; ik vroeg niets, zelf niet,

waar brengt gy my? Toen wy digt by een Warmoezier kwamen, zei zy:

"God dank, dat 's zo ver! Hoor, Juffrouw, ik breng je hier by brave

menschen: maar ik moet, zo dra ik je daar in huis zie, naar myn

Zoldertje: ik moet er op passen, dat ik niet in de kyker raak; 't is

een boos kaerel, als hy begint."

Zy tikte aan een glas. "Wie daar?" riep een mans stem.--"Ik, zei 't

meisje, doch met een zachte stem, toe laat my in huis; ik ben zo

benaauwt."--"Ik kom je by, kind, zei een vrouwe stem;" en zo ging de

deur open. "Aaltje Buur, zei 't Boerinnetje, ik breng je hier een

jonge Juffrouw, die verdwaalt is, maar zy zal je alles wel zeggen, ik

moet voort." Ik kuste haar, en zei haar, waar zy my vinden kon, haar

een ducaat in de hand stekende, en biddende, zo dra zy durfde, by my

te komen.

De goede Vrouw ging met my in een agtervertrekje, stak licht op, en

zag met verbaastheid, dat ik zo wel en kostelyk gekleet was, en

Juweelen aan hadt. Ik viel op een stoel neder, en schreide bitterlyk.

Zy maakte vuur aan, lei braaf hout op, want ik trilde van koude, en

myne kleêren dropen. "Kom, lief jong mensch, zei ze, kom, schik aan 't

vuur, en warm en droogje wat, ik zal Koffy koken; maar je bent, of je

de koorts op 't lyf hebt." Zy ging met de kaars in 't voorste vertrek,

en hadt een glaasje in haar hand, "daar, zei ze, Juffrouw, drink dat

uit, ik mag niet zien, zo als je beeft." Ik deed het. Zy kreeg een

tafel met kopjes, en, zo dra 't water kookte, dronken wy Koffy. Myn

Sak, Rok en Pelise droogde zy, en ik begon door de warmte dermate te

verkwikken, dat ik haar eenvoudig, zo kort doenlyk; alles verhaalde.

Maar, zei ik, wat moest gy denken, myn goede Vrouw, toen Klaartje aan

't vengster tikte? "Wel, lieve Juffrouw, zei zy, dat beurt wel meer.

Als Krynbaas dronken is, (en zins zyn Wyfs dood gebeurt dat maar te

dikwyls,) dan raast hy als een bezetene, en jaagt al wat onder zyn

bereik is de deur uit. Nu is onze Klaartje de Vryster van myn Zoon

Pieter; en zo wy onzen jongen wat by konden zetten, 't zou al een paar

zyn, maar 't is een slechte tyd. 't Is een deugd van een meid, en heur

Moeder was net allëens. Doch, al boodt myn Heer R. myn man duizend

gulden 's jaars, wy zouwen by zo een Dier niet weunen willen. Hy is

zo ondeugent, en daar gaat zo veel om op die Plaats! Maar wy moeten

zwygen; wy zyn maar gemene lui."

_Ik_. Wat zal je man toch denken van my?

_Zy_. Ik heb hem daar, met een woord, gezeit, dat ik hem morgen ogtend

alles zal vertellen, en zei, zie maar weêr in slaap te komen, want by

dag moet de man hard werken, voor my en myn vyf kinderen. En onze

Pieter past ook zo op; maar daar zyn nog zulke kleintjes onder: zy

slapen allemaal hier boven ons hoofd.

_Ik_. Maar zou uw Zoon voor my, met het open gaan van de Poort, niet

een Koets kunnen bestellen, die my tegen kwam buiten de stad? want,

hoe wel ik het by u heb, myn goede Vrouw, ik verlang zo naar huis.

_Zy_. Heel wel, Juffrouw, als ik denk, dat het tyd is, zal ik hem gaan

wekken, zoo als ik altoos doe: jonge lui slapen vast. Goed, zei ik, en

wy bleven by 't vuur zitten, en zy praatte zonder ophouden; zo dat de

tyd viel my nog korter, dan ik gevreest had. Om drie uuren ging zy

Pieter wekken, die, toen hy my zag, vreemt opkeek. "Kind, zei de goede

Vrouw, deeze Juffrouw is verdwaalt geraakt: en ik nam haar in huis,

toen gy al te bed waart. Ga naar de stad, en haal een Koets, die ten

eersten dit heen moet komen; ik zal met haar u tegen wandelen."

Bestig, zei Pieter, en ging de deur uit. Die Jongman staat my wel aan,

Vrouw, zeide ik. "Ja, God dank, zei ze, 't is een braaf Kind, die wel

zo veel "voor zyn moeder doet, als iemand doen kan; en zwygen Juffrouw,

daar is geen schrift van." Nu, 't zal hem geen schade zyn, zei ik. Ik

deed myn gedroogde kleêren en pelise weêr aan, en zei, daar goede Vrouw,

heb je een kleinigheid, tot een bewys van myn erkentenis. (_Ik gaf haar

vier Ducaten_.) "Zoo véél geld! zei ze, dat durf ik niet aannemen."

O, zei ik, spreek er niet van: ik zal, hoop ik, eens meer voor u doen.

Wy gingen toen de deur uit, en kwamen wel dra op den gemenen weg; de

Koets kwam, ik bedankte Moeder en Zoon, zei, waar de koetsier my brengen

moest, en haalde de gordyntjes voor de glazen.

Nooit kan ik u beschryven, wat er in myn geest, onder het ryden,

omging. Nu vreesde ik, nu schrikte ik voor dat zelfde, dat my deeze

laatste uuren als myn grootste geluk had toegeschenen;--om thuis te

komen! En toen wy nog maar één gragt te ryden hadden, wenschte ik

byna, dat wy eenig beletzel kregen, dat den tyd rekte. ô Hoe beefde,

hoe trilde ik, toen hy stil hieldt! De klank der schel ging my door de

ziel, en, met de handen voor myne oogen, vloog ik onzen goeden knegt

voorby, naar myne kamer, zo verwart, en bedroeft, gelyk gy, myne

dierbare Vriendinnen, my hebt zien aankomen.

Zie daar een Verhaal, dat ik met de grootste naauwkeurigheid hebbe

opgestelt. Hoe gy, na het doorlezen te hebben, over my zult oordelen,

moet ik afwagten; en, indien de Heer Edeling by aanhoudenheid my blyft

beminnen, moet hy, alëer ik hem voor my kies, dit lezen. Hy moet

kunnen zien, wie ik ben, een onvoorzichtig meisje, dat geen kwaad

vermoedde, daar zy 't niet zag; en die door haren trek tot vermaken

en uitspanningen, zich in een gevaar gebragt heeft, dat op haar bederf

konde zyn uitgelopen: een meisje, dat God met tranen dankt voor deeze

Ontkoming; en dat voortaan nog meer zich zelf dan anderen zal mistrouwen.

SARA BURGERHART.

Wel nu, broeder, wat zegt gy van zo een Meisje? Moet ik haar nu nog

niet meerder achten, en tederder beminnen? Die immers zyne dwaasheden,

zo rasch hy die ziet, afkeurt, en zich zelf daar over bestraft, doet

alles, wat men eischen kan? Ik heb onder de hand laten vernemen, of de

schelm in de stad was; maar 't schynt, dat hy eerst eens wil zien, hoe

of 't afloopt. Wy bedekken alles onder een diep stilzwygen. Ik zal

voor de brave menschen zorgen, die myn Engel zo getrouw geholpen

hebben; maar dit alles mondeling. Ik verlang onuitspreeklyk naar uwe

t'huis komst: en hoop, binnen agt dagen, dat geluk te hebben. Vader is

zeer vriendlyk, en heeft zelf deernis met my. Hou den braven Blankaart

te vriend, Keesje; ik vrees anders, dat gy al zoo veel met Vader zult

te doen hebben als ik! Vaarwel, myn Broeder,

T. T.

HENDRIK EDELING.

Noten:

[1] Hier: kunstmatig romantisch.

[2] Lambrizeeringen.

[3] Toonaard.

[4] Duidelijk.

HONDERD-VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed heeft uit Indië _een erfenis

gekregen van_ 80.000 gulden van zekeren Jan Bern, zooals blijkt uit

de Honderd-een en veertigste brief.

In HONDERD-TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF dankt de Wed. Spilgoed.

HONDERD-DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling _geeft zijn koppigen

tegenstand op_; hij is overtuigd door Blankaart.

HONDERD-VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis feliciteert Wed. Spilgoed

en in Honderd-vijf en veertigste brief schrijft ze heel lief aan Aletta

Brunier, ook over Sara.

HONDERD-ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE WILLIS.

_Ge-eerde Vriendin_!

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart · 第 11 / 15 段