Neen, Mevrouw, ik heb geen byzonder oogmerk omtrent Saartje. Ik zal

haar volkomen haar eigen keuze laten doen; en, zo de jongen haar

verdient te hebben, zal hy haar hebben, al had hy geen zesthalf in de

waereld; maar zo zy dwaas genoeg was, om een knaap te willen hebben,

dat een vlegel, of een bobbekop is, of die haar dood zou kniezen, of

tot gekheden brengen: Verduivelt! dan zal myn naam geen Abraham

Blankaart zyn, zo ik het ooit toesta. Hoe, wat hamer, en wat

spykerdoos, heeft haar brave Vader my niet met de dood op zyn lippen

gezeit: "Brammetje Blankaart, ik sterf; zorg gy voor dit dierbaar

Kind. Wees het geen ik voor haar zyn zoude, mogt ik leven." En heeft

hare lieve Moeder ook zo niet gesproken? En heb ik het niet heilig

belooft? En ben ik niet een eerlyk man? Hoor, Mevrouw, het meisje is

veel ryker dan zy weet. Zy kan, ik herhaal het, krygen die zy hebben

wil, mits dat zy wél kiest.

Ja, 't is een weêrgaâs meisje! zo als gy daar schryft, is zy: en ik

ben maar bly, dat zy by zulk eene allerbraafste Dame is, dat is goed

voor haar. Spreek toch niet van my lastig te zyn; ik wou dat uwe

brieven zo lang waren als de Engelsche Courant. Zie, ik ben geen man

van de hedendaagsche Waereld, maar een brief van zulke vrouwen, wel,

dat is een tractement voor my.

Den ouden Heer Edeling ken ik van voor vele jaren. 't Is een eerlyke

knorrepot, een braaf man, een man, daar men op af kan, maar de

lastigste mensch, dien ik ook al ken. Pitten heeft hy, en crediet als

de Bank: maar ik heb my altoos afgehouden van twee soorten van menschen,

van allemansvrienden en van Grimbekken. De laatsten veracht ik, en de

eersten beduiden niet genoeg, om er aan te kunnen denken. Zyn Zoons ken

ik niet; maar ik heb altyd gehoort, dat het beste jongens waren, doch

die 't hart niet hadden, om hunnen Vader ooit dan met schroom toe te

spreken. Dat is toch een ellendige zaak! 't Spreekwoord zeit, de beste

Stuurlui staan aan land; maar als ik kinderen gehad had, by myn Vrouw,

ik zou eerst hunne liefde hebben zien te winnen; en dan zou ik my van

hun vertrouwen en achting gemaklyk hebben meester gemaakt. Wat zegt

gy, Mevrouw?

Indien de jonge Heer des zyn hof aan myn Kleuter wil maken, en zy het

goedvindt, my is 't wel; als 't kind maar gelukkig is, ben ik te

vreden, en ik zal haar, met al wat zy in de waereld heeft, zelf aan

hem, met myn eigen hand, geven. Doch de Oude moest my evenwel geen

Kattesprongen maken, of denken, dat zyn Zoon haar veel eer aandeedt.

Ja, ja, 't is een misselyke knevel, die eigenste Jan Edeling; want dan

zou my 't bloed ook wat heel spoedig in de ooren kruipen. Saartje is

van zulk eene brave oude familie, als er maar weinigen in Amsterdam

zyn; haar overgrootvader was al een styl van de beurs, en een pylaar

van de kerk: en, schoon zy geen geld heeft, dat by Hendriks te pas

komt, zy is echter een schone party; en zy is een heel mooi meisje

ook; en zy heeft, mag ik zeggen, alles geleert; en zy speelt immers

kapitaal? Wees verzekert, dat ik uw verpligtent bericht voor my

onschendbaar zal houden. Zo ik u, waardige Dame, ergens in van dienst

zyn kan, beveel! gy zult my verrukken, door my in staat te stellen van

u te kunnen tonen, hoezeer ik met de grootste achting ben,

Uw welmenende Vriend en gehoorzame Dienaar,

ABRAHAM BLANKAART.

ACHT EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis beknort Sara om haar houding

tegenover Coos-Jacob Brunier. Foei! Is vermaak dan alles? En wèlk

vermaak! Tante Hofland zal nog gelijk krijgen! Ze mag Anna uitmaken

voor wat ze wil: _bijnamen geven is geen redeneeren_.--Willem maakt

't goed; Smit gaat uit preeken. Hendrik Edeling is een beste jongen;

Smit kent zijn broer.

NEGEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft zijn Moeder: hij

maakt het goed, doet zijn best, maar _Sara kan hij niet vergeten_.

Doet Moeder wel goed?

ZESTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling richt zich tot Blankaart, over Sara.

Of er iets tegen is? _Zijn_ vader zal bezwaar maken: _Sara is niet

Luthersch_--doch dat is misschien nog te ondervangen.

EEN EN ZESTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER HENDRIK EDELING.

_Myn Heer!_

Ik ken genoeg van uwe omstandigheden en zedelyk karakter, om niet

weinig in myn humeur te zyn, met het voornemen, dat gy hebt omtrent

myne lieve Pupil.

Zie, myn Heer Edeling, ik ben geen knorrepot, die altyd legt te

gnokken, en te gnutteren[1] op Jongelui; ô ho! het zat over een

zestig, zeventig jaar, ook al zo breet niet: maar dit is evenwel

hemelsch vast, dat onze jonge Heren het drok genoeg maken, en dat

Ouders of Voogden van geluk mogen spreken, als zy een aartige lieve

meid, die hun aangaat, in goede handen zien. Wel, 't is een bedroeft

ding, dat de jonge Heren zich de vryheid geven om stukjes uittevoeren,

die hen de achting van hunne meisjes onwaardig maken. Dat rydt, dat

rost, dat speelt, lichtmist voor een voor negentien, alsof men een

paardje schytgeld op stal, en nog een lyf in de kist hadt: en als men

dan eindelyk het wilde leventje wat moede is, ja! dan klungelt men

naar de Vryster, die men eene hope leugens en liflafferytjes vertelt.

Het arme schaap neemt alles voor goede munt aan; en zy krygt een man

met een verzwakt en verslonst lichaam, zonder zedelyke, 'k laat staan

Godsdienstige beginsels; zonder kunde in zyne zaken; en haar geld moet

meermaal springen om smousen en ligtekooijen te vreden te stellen.

Zo dat ik maar zeggen wil, myn Heer Edeling, dat ik regt te spreken

ben, met uwe liefde voor het kind. Dat gy haar daar van nog geen kik

gezegt hebt, smaakt my bestig. Hoor, gy zyt een hupsch jongman, en ik

hoop, dat onze lieve Heer haar maar genoeg wysheid zal verlenen, om

u haar hart, zo wel als haar mooi zagt regtehandje te geven: mits

echter, dat myn Heer uw Vader haar die eer aandoet, waar op ydere

brave jonge Juffrouw, in zo een geval, recht heeft.

Indien men ons, om dat wy misselyke Potentaten zyn, alles moet laaten

doen dat men wil, wel, dan zyn de redelyke menschen waaragtig te

beklagen. Hoor, myn Heer Edeling, ik zou geen Kind veröngelyken, en

myn Paard, zo min als Snap, myn Patryshond, (die al weer met my naar

Vrankryk gesjouwt is,) hadden nog ooit reden, om my voor een bullebak

van een meester te houden. Daar is nu Jan, die reeds al zes en twintig

jaar by my diende; maar ik heb nog nooit gemerkt, dat de kerel een

beter heer verlangde; want ik zeg altyd: "Abraham Blankaart! maak

toch, myn Vriend, dat je geen mensch of beest zo behandelt, als jy

niet zoudt willen behandelt worden, dan zal je wel doen, en dat is

hier de zaak." Doch myn Heer, uw Vader, voor wien ik zeer veel achting

heb, moet niet denken, dat myne Pupil ooit in zyne Familie zal komen,

indien hy my, als haren Voogd, dit niet met bescheidenheid en yver

verzoekt, 't Zou my om u schrikkelyk moeijen; maar ik heb ook op

sommige punten myne wonderlykheden; en, schoon ik niet aan de Jicht,

of het Podagra zucht, kan ik om de hagel niet veelen, dat men zich

airs zoude geven, omtrent zulk een braaf fatsoenlyk meisje. Myne

gehechtheid aan de Leerstukken der Publique Kerk is, ja al zo sterk

als de zyne aan het Luthersche geloof zyn kan, en daar hoop ik by te

leven en te sterven: amen! Maar watte malle dingen zyn dat! "dat ik

besluit om myn kind nooit buiten myne Kerk te zullen uittrouwen?" Wel,

't is goed, dat onze lieve Heer wyzer is dan wy allemaal; 't zou hier

anders een bedroefde Winkel worden, dat zou het. Laat elk gelooven dat

hy wil, dat hy kan, en laten wy allemaal deugdzaam leven; dat zal wat

beter voor ons uitkomen, dan dit en dats hargueeren, en kieskaauwen,

over dingen, daar de wyste lui zo weinig van begrypen als ik, of een

ander eenvoudig Christenmensch. Hoor, myn Heer Edeling, ik kan zo

Satans nydig worden, als ik daar in plaats van eene stichtelyke

opwekkende Predikatie te horen;--want ik ben een stipte Kerkganger,

moet gy weten; ik ga, als ik t'huis ben, alle Zondag in de ouwe

Kerk,--niets voor myn neus kryg, dan wat scholastiek[2] Vulnis, dat,

mag ik zeggen, diept noch droogt. 't Is goed, dat zulks maar zelden

gebeurt, of Abraham Blankaart zou zo stipt niet ter Kerke gaan. Nu,

myn Heer, gy moet weten, hoe gy met uw Vader dat Boeltje reddert. Doch

hy moet niet vergen, dat myn Saartje van haar Gereformeerde Kerk

afwykt. Hoor, ik moet daar niet over gemoeit worden. 't Is onredelyk;

en is de man driftig, ik ben ook juist de grootste jaabroêr niet. Hy

moest ook niet leggen te choqueeren op myn Kerk, of hy zou zyn man aan

my vinden. Ik versta my wel niet op alle de fynheden der redeneerkunst;

maar ik denk, dat ik echter met hem geen gevaar loop om uit het veld

geslagen te worden: wy kunnen malkander op de Beurs ook wel zo eens een

aartigheidje zeggen.

In hoop dat ik zal voldaan hebben aan uwe verwagting, hebbe ik de eer

my te noemen,

MYN HEER!

Uw dienstwillige Dienaar en Vriend,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Vitter en bediller.

[2] Spitsvondig.

TWEE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis aan Willem: Sara is geen vrouw

voor hem. Een huwelijk kan even ongelukkig zijn door te veel

overeenkomst tusschen man en vrouw als door te weinig. Smit gaat

trouwen met Anna. Willem moet zich maar goedhouden en volharden in

braafheid.

DRIE EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna. Ze is boos. Anna beknort haar

over haar oprechtheid. Anna mag wel _genever proeven_ en zij geen gaas

koopen? Mooie grap! Anna is zoo op zich zelf verliefd, dat ze geen oog

heeft voor andersdenkenden. _En ze duldt geen aanmerkingen op Spilgoed_.

Anna draait! Jacob Brunier mag zijn wie hij wil, maar _slecht_ is hij

niet. Bemoei je met je zelf. Groet Moeder, 't beste voor Willem. Vaarwel.

VIER EN ZESTIGSTE BRIEF.

DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

_Juffrouw Saartje!_

Nou komt myn dat beetje schryven wel te pas, dat je men nog hebt

ingestampt. Ik moet aan u schryven. Ik heb rust noch duur; van nagt

droomde ik, dat ik u op men schoot had, met je neteldoekse jurk, die

ik zelf in het Blaauwe Hoofd nog kogt, an; en dat ik met je zong dat

mooi Liedje: "Een kindje in 't water een kindje in 't water." Ja, dat

was een huur[1]! Dat was eerst een Heer en Juffrouw! Ja, Juffrouw, ik

zou nooit myn Belydenis geleert hebben, had ik niet in joului huis

gedient. Ik woon nou ook wel by brave mensen, maar het is altoos drok;

wy zyn met ons zeven Booijen, en ik heb dikwyls geen tyd om 't _Vader

Ons_ te bidden; en ik mag dat evel zo niet rabbelen; want Kaatje, onze

Kindermeid, zeit, dat het van onzen lieven Heer zelf gemaakt is.

Laatst nam ik het mee in de Kerk, en las het driemaal heel aandagtig,

om dat ik den Dominé niet zien, noch horen kon, zo vol was de Kerk, en

dat is tog mooi; en nu sla ik een reisje over, om aan u te kunnen

schryven; want wie weet, of deuze Brief in veertien dagen nog vol is.

Ik wil maar zeggen, Juffrouw, dat ik gehoort heb, dat de Juffrouw gaat

trouwen, met een Heer die een Franschen naam het, die ik niet

onthouwen kan; 't is een Broêr, zeggen zy, van een Juffrouw, die met u

in 't zelfde huis woont. Hy het een amt op 't Staten of Prinsen hof,

zie dat is al het zelfde; nou, Juffrouw zal hem wel kennen. Ik sloeg

een gat in de lucht; 't was of ik het te Keulen hoorde donderen, daar

onze Koetsier van daan is. Maar die Heer zal wel braaf zyn; anders zou

Juffrouw hem niet nemen, wil ik spreken; maar de mensen praten zo

raar; en Bregt heeft my zo veel vertelt; maar nou ze eens zo vreeslyk

van je gelogen het, geloof ik haar niet meer. Nou, God vergeef het

haar, maar ouwe Bregt zal haar loontje wel krygen, gelyk ik hoop! En

nouw was myn verzoek, of Juffrouw my weer wou inhuren; en dat Juffrouw

met men Heer Willem hadt getrouwt, dat is een Heer! en zo gemeenzaam;

wel zie, ik heb buiten u niemand zo lief, als men Heer. Toen ik daar

zo by myn Heer zat thee te drinken, dagt ik nog om je Grootvader,

Pieter Burgerhart. Die is nog by gelyks men Doop-peet: want ik hiette

maar Pieternelletje Pauwls, en ik had zo een dinsigheid[2], om ook een

_van_ te hebben; en toe zei je Grootvader; kom meid, we zullen je

_Pieternelletje Deegelyk_ noemen: 't heugt my nog klaar; ik lei het

Pampier in de eetenskast in men keuken, en Grootvader deedt zyn

schoenen nog aan, en hy lachte dat hy schudde; om dat ik zo bly was

met men _van_. Ik had het zo kostelyk by je Ouwers: en ik heb het nu

ook goed; en als ik oud word, dan denk ik, onze lieve Heer zal ouwe

Pieternel niet verlaten: daar vertrouw ik op. Zo dat ik maar wou

zeggen, dat ik altoos dagt, dat men Heer Willem je was opgeleit. Hoor,

het is my hier te drok, en daar zyn meer huizen dan kerken. Ik wou een

stil dienstje by twee eenige luidjes, daar ik men werkje zo zelf kon

betreuzelen; en wy kennen mekaer, want Juffrouw het wel duizendmaal op

men schoot gezeten, en dan kon ik ook nog eens horen van dien goejen

Heer Blankaart, die ik in velden noch op wegen ontmoet; nou ik kom

haast nooit uit. Ja, Juffrouw, zo jy en men Heer Blankaart niet in den

hemel kommen, dan versta ik my dat werk niet. Wat was hy altyd

grappig, en wat het hy my dikwyls een gulden gegeven; en ik wou

Juffrouw graag wat in haar huishouwing kopen, al was het maar een

Glazen-kasje, of een Turfbakje; maar voorlede week kwam je Tante

Hofland my tegen. Wel nou Pietje, zei zy, weetje nou wel, dat jou

Juffrouw nou in zo een slegt huis woont, en zoo waerelds gekleet gaat?

Ja Juffrouw, zei ik, die Weduw is een heel braaf mensch, dat weet ik

heel wel, en Juffrouw Saartje gaat gekleet, zo als alle ryke jonge

Juffrouwen; en, zei ik, onze lieve Heer ziet op het hart, niet op de

kleren, zei ik; nou zei zy, "Kind, je hebt geen Licht[3]". Nou

Juffrouw, als je trouwt, wat zul je dan kerjeust[4] wezen! en dat's

evel geen zonde; want je Moeder, die zo vroom was, als er een mensch

over een paar benen gaan kon, en ouwe Hille, onze Schoonmaakster, wel

zo veel goeds gedaan het, die oud en katyvig[5] wierdt; sting styf van

't stof, toen zy trouwde; ik wou, Juffrouw Saartje, dat je dat eens

gezien hadt. Laat my tog eens weten, of je haast Bruidstranen zal

drinken. Alle menschen zeggen, dat je op je trouwen staat. Ik ben al

tweemaal aan uw huis geweest; doch Juffrouw was uit, en ik kom weinig

uit, en 't is by ons vreeslyk drok. 't Is nu net drie weken, dat ik

aan deuzen schryf; neem men stoutigheid ten besten. Was ik maar weêr

zo in men eigen gedoentetje by Juffrouw, wat zou ik bly zyn! Ja, ik

wensch nog uit Juffrouws huis gedragen te worden; wist ik dat, ik zou

zo in myn knopjes zyn, want dat was een grote gerustheid.

Nagt lieve Juffrouw Saartje, van je ouwe Pieternel, zo pleeg je te

zeggen.

PIETERNELLETJE DEEGELYK.

Noten:

[1] Goeie dienst!

[2] Zin in.

[3] Geestelijk inzicht.

[4] Trotsch.

[5] Hier: gebrekkig.

VYF EN ZESTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DE EERZAME PIETERNELLETJE DEEGELYK.

_Myne goeje beste Pieternel!_

Ik heb uw Brief gelezen: wel heden, ik wist niet, dat je zoo veel by

mekaêr kon stichten. Ik ben met uw Brief magtig in myn schik. Als het

eens jou uitgaans dag is, zendt my dan een kruijer[1], dan zal ik

t'huis blyven, als ik uit de Kerk kom, en wy willen weêr eens heel

veel praten; je weet, Nelle, daar hou ik wel van. Meid, wat hou ik van

je, om dat je my zo wel opgepast hebt, en zo dankbaar aan myn lieven

Vader en Moeder zyt. De Heer Blankaart is naar Frankryk; zo dat gy hem

niet ligtelyk zult tegenkomen. Ja, dat is een man, niet waar? Och, ik

heb hem zo lief! maar ik ga niet trouwen, daar is geen woord waar aan.

Wees jy gerust: al wierd jy tagtig jaar, dan zal je toch by my wonen,

als ik getrouwt, of op my zelf ben. Sterf des, als je tog sterven

moet, maar gerust voort, 't zal zo zyn. Zeker, Pieternel, als gy oud

en zwak wordt, zal ik voor u zorgen, en je zult dan zien, dat het heel

goed is, op onzen lieven Heer te vertrouwen. En zei Tante "dat je geen

licht hadt?" Heden meid, gy moest eens aan Tante gevraagt hebben, of

't waar is, dat zy zal trouwen, en met welk een Heer; maar daar hebje

niet omgedagt. Ik zal heel graag, als ik trouw, wat in myn Huishouden

van u hebben! Maar 't hoeft juist zo veel niet te zyn, als je

voornemen was. In dit papiertje liggen twee ducaten[2], die doe ik u

present, om dat gy zo een beste meid zyt, en myn Ouwers zoo lief hebt.

Spreekt er maar niet van tegen my; koop er wat voor: zulje, Pieternel?

De Juffrouw, daar ik by in huis woon, is net zo een brave vrouw als

myne Moeder was, dan kun je eens denken. Nu ik ga niet trouwen, hoor.

Gy weet wel, wie u deezen schryft.

S. B.

PS. Dat joului Koetsier van Keulen is, kan ik wel denken. Nagt,

goeje meid.

Noten:

[1] Met een boodschap.

[2] Plm. 6 gulden.

ZES EN ZESTIGSTE BRIEF.--Sara aan Blankaart: ze leest in den bijbel,

gaat naar de komedie en naar concerten, onderhoudt Fransch en Engelsch.

Edeling bezoekt haar dikwijls; ze heeft ook Pieternel gesproken.

ZEVEN EN ZESTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART.

_Myn beste Meisje!_

Uw Brief is my zo welkom, dat ik hem ten eersten ga beantwoorden. Dank

God, myn kind, dat gy by zo eene verstandige en godvrezende vrouw

gekomen zyt: Het hadt ook heel scheef kunnen uitkomen; als gy nu eens

by slegt volk belant waart, en gy hadt eens meê moeten doen: Gy weet,

die met pek omgaat, wordt er door besmet. Ja, dat zou droevig voor u

geweest zyn, zo deeze vrouw gestorven hadt, dat begrypt gy wel. Dat

gy uw pligt omtrent haar deedt, doet my zó goed, en geeft my zó veel

vreugd, dat ik u een wisseltje zend, van honderd ducaten, van my, tot

een teken hoe content ik daar over ben. Koop er wat moois voor, en

draag het my tot gedagtenis; en doe altoôs uw pligt, zult gy? Gy moogt

héél wel met ordentelyke lieden uitgaan, als het maar niet te drok

loopt: nu, gy zyt in goede handen; daar vertrouw ik op: Want gy zyt

jong, kind; en ik weet, hoe de jonge lieden toch zyn.

De Heer Hendrik Edeling is my zeer wel bekent: 't is een allerbest

jong Heer, en een knap kaerel ook. Ik heb somtyds, weet gy, rare

invallen; en ik mag de jonge meisjes gaarn wat kwellen: wat zegt gy,

Saar, als die Heer eens zin aan u hadt, zoudt gy daar wel veel tegen

hebben? Nu, zin of niet, als gy myn eigen Dochter waart, en die Heer

dan zin in u hadt, en my dat zeide, ik zou u aan hem geven, ten

minsten zo gy er niet tegen waart. Zie, kind, ik hoop u nog gelukkig

getrouwt te zien. Doch meisje, meisje, pas op! Gy zult een hele rist

vryers krygen; zy zullen om u dwarlen, als muggen om de kaars. Gy zyt

nu in de vrytyd; is 't zo niet? Ik eisch niet van u, dat gy my kennis

zult geven van alle beuzelpraat, die zy u komen aan 't oor piepen;

maar ik verwagt van u, indien gy aangezogt wordt door iemand, die gy

genoeg in aanmerking neemt, om hem nader te willen leren kennen, dat

gy my dit zult melden.

Begryp, myn kind, dat van uwe keuze uw gelukkig of ongelukkig leven

zal afhangen; en dat ik, immers zo lang als gy myne Pupil zyt, u zal

beletten uwe keuze te volgen, "indien brave en verstandige lieden, die

u liefhebben, my zeggen, dat gy eene dwaze keuze doet." Ik zie niet op

geld: zo gy maar een fatzoenlyk man, die u verdient, neemt. Maar ik

denk niet, dat zo een braaf meisje zich zal vergooijen aan een jongen,

die al zyn verdiensten aan zyn Snyer en Kapper verpligt is; die, als

een regt vrouwenaapje, daar zo heen kwispelt, en twee orloges draagt,

daar ik zo satans nydig over kan worden, dat ik hen wel eens een losse

maling wou geven.

Ik heb wel gehoort, dat vele Dames, by de Twaalf geloofsartikelen;

--die gy immers wel pront kent, hoop ik?--dit tot het dertiende maken:

"Ik geloof dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het

niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip waar aan, geen kriezel.

Hoe zou het my bedroeven, als ik merkte, dat gy deeze kettery toestemde!

Gy meisjes praat, (de wyste niet te na gesproken,) somwyl, als of gy in

uw harsens gepikt waart. Wat weet gy toch van lichtmissen? Een losse

malle jongen, die zyn goed verbruit, en om peper moet[1], om dat hy zyn

koorntje groen at, is geen lichtmis; hy is een gek, die men te Delft

moest gaan opsluiten.

Een Lichtmis is een gerafineerde Deugeniet, die zyn roem en vermaak

stelt in eerlyke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven; die Gods

geboden veracht; de wetten der vriendschap schendt; met zyne eeden

speelt; met één woord, een allerverfoeilykst man, die te gevaarlyker

is, naar mate hy een minlyk figuur, en een aartig vernuft heeft; die

de welvoeglykheid zo lang in acht neemt, tot hy de onnoosle in slaap

heeft gewiegt, en die in staat is om schatten aan zyne huurlingen

uittedeelen. Gelooft gy, myn kind, dat zo een schepsel ooit de beste

Echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overyling en in gestorm der

driften begaan, maken geen Deugeniet uit, indien hy die fouten, zo

rasch hy die ziet, verfoeit en schuwt; maar een Lichtmis is zo

bedorven van smaak; zyne neigingen zyn tot heblykheden dermate

opgegroeit, dat hy nimmer een beter vrouw verdient, dan de

allerslegste uit die bende, die hy bedorven heeft.

Een braaf, verstandig, kundig, goedaartig man, is de beste Echtgenoot.

Een man van dit karakter verdient al de liefde, al de achting van eene

vrouw, die hy zo gelukkig poogt te maken als zy ooit op deeze waereld

zyn kan.

Ik zal hier niet meer over schryven; zo als ik zeg, gy hebt de beste

Raadsvrouw by u. Gy kunt Juffrouw Willis ook altoos om raad en

onderrigtingen vragen. Maar ik hou zo veel van u, dat ik u dit toch zo

eens schryven moest. Groet, uit mynen naam, de brave vrouw, aan wie gy

zo gehecht zyt; verzeker haar van myne byzonderste achting. Groet ook

myn Vriend Edeling. En als gy Pieternel spreekt, insgelyks: Wel, ouwe

Pieternel, denkt die nog aan my? Nu, als ik sterf, krygt zy een

Legaatje. Zeg het haar niet; zy zou huilen van blydschap, en van

droefheid ook. De oude Peterzen zal u, op uw order, het Geld bezorgen.

Die ouwe stam heeft ook wat aan my verdient, zo eerlyk en zo hupsch is

de man.

Nagt, myn lieve kind.

Uw liefhebbende Voogd,

ABRAHAM BLANKAART.

PS. Laat uw Clavier, en alles wat tot uw lyf behoort, op myn order,

van uwe Tante halen.

Noot:

[1] Naar Indië.

ACHT EN ZESTIGSTE BRIEF.--Cornelia Hartog, de blauwkous, schrijft aan

Wilhelmina van Kwastama, dat zij vermoedt: Edeling _komt om háár_! Dat

het om Saartje zijn zou, komt niet in haar op. Ze noemt haar wel: Saar

_heeft Hollandsch gezongen_; Cornelia leest nooit Hollandsch. Foei!

NEGEN EN ZESTIGSTE BRIEF.--Charlotte Rien du Tout schrijft aan Dirk

Welgezint, haar oom: ze wil verhuizen, want het tòcht zoo bij de Wed.

Sp. Vraagt ook wat zakgeld.

ZEVENTIGSTE BRIEF.--Oom Welgezint geeft haar den wind van voren. Ze is

precies zoo'n uil als haar vader: Fransche wind! Hij haalt haar door

en noemt haar lui.

EEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Juffrouw!_

Ik heb onlangs eene Vriendin verloren; ze hiet, by gelyk, (zeit onze

Pieternel,) Anna Willis; kent gy haar? Ik vrees neen. Nu, dat zy zo,

weet gy ook, waar ik haar weêr kan vinden? Ei lieve, wys my den weg,

want ik verlang de kennis te hernieuwen; 't was toch, waarde Juffrouw,

een in velen opzichte braaf mensch: wy hebben een klein verschilletje

gehad, en, zo al pratent en weêr pratent, heb ik haar onder weg

verloren. Ik wil zeggen, dat ik niet twyffel, of ik zal haar wel weêr

vinden. Het Orloge onzer vriendschap staat maar wat stil, doch de eene

of andere heusche vriend zal het wel weêr opwinden, en dan zal het

weêr zo fix wyzen, en zo krek lopen als immer. Ik schryf u des maar in

voorraad. Ik zou zelf besluiten kunnen om u deezen te zenden, zo gy my

alleen beledigt hadt. Maar, dewyl de waarde vrouw, die men niet kan

kennen zonder haar hoog te achten, door u zo verkeert behandelt is, en

gy daar voor geen vergoeding aan my doet, zal ik alles opzamelen wat

ik schryf, even of ik u per post schreef. Zo dra gy my zegt: "Ik heb

Juffrouw Buigzaam beledigt; 't is my leed; ik heb slegt gedaan:" is al

myn geschryf, nevens myn vriendschap, weêr tot uwen dienst.

Dewyl ik aan myne eenvoudige oprechtheid wil vast houden, zal ik u

weêr alles wat er omgaat schryven; en daar uit zult gy kunnen zien,

dat ik zeer gaarn met uwe meerderheid van verstand myn voordeel doen

wil, indien gy u in den styl uwer lieve Moeder, en met wat minder

airs, my die gunst aanbieden wilt.

Volgens afspraak gingen Letje en ik, op den bepaalden dag, de taffen

zien. De drie Desmoiselles dronken thee, en wy gevolglyk ook. Onder

het thee-drinken kwamen er twee Heren in, om zyden kousen en een

hairzak. Alle welgekleedde mannen spreken één taal, als zy de _eer

hebben_ tegen jonge Dames te spreken: zo als gy weet, Naatje.

Zy zogten koussen uit, en wy taffen stalen. Gy begrypt wél, dat zy

onzen smaak _admireerden_? Nu dan, zy gingen beide zitten. De oudste

Juffrouw vroeg naar de _Historie der Beide Indiën door Raynal_; (in

't Fransch begrypt gy,) de Heer R. noemde het _un Chef d'Oeuvre_. Zy

spraken vervolgens over eenige _Pieces volantes _, die daaglyks

uitkomen: en zyn vriend gaf haar _le Bibliotheque des Arts_ over; naar

gewoonte, zeide hy. De heer R. sprak, dagt my, zeer wel, ofschoon hy

véél sprak; en dan is dit al een heel kunstje; niet waar? Hy sprak met

_extase_ van de dichters Pope, Thomson en Akenside; en met geene

onbevallige houding zeide hy: _Oui, ma chere Marianne_:

_Virtue alone is Happines below_.

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart · 第 5 / 15 段