kind, Saartje gaat nu weinig op den tril, en onze dierbare Patiente is
nog te zwak, om haar met myn gerammel te vermoeijen. Doch lang vasten
is geen brood sparen. Ik moet noodzakelyk eens met Letje uit. Juffrouw
Rien du Tout heeft onlangs zulk keurlyk gaas gekogt, en dat zeer
goedkoop; ik moet, eer het stuk op raakt, er ook van hebben. Zoo
Cootje maar meê kan; want hy heeft, wurm daar hy is, ook zyne
druktens; en het schynt, dat hy voor een Heertje van de mode zyne
zaken voorbeeldig waarneemt. Wat zoudt gy een goed werk verrichten,
Naatje, als gy hem wist te beduiden, dat hy waarlyk zeer wel zou doen,
indien hy zo attent was in het verbeteren en in orde brengen zyner
denkbeelden, die nu in zyn harsenvat als een hoop stoute Jongens in
den donker herom tuimelen: Zeg wat gy wilt; maar de Borst is heel
gezeggelyk, en de geest des tegensprekens heb ik met wortel en tak
uitgeroeit. Nu uw beurt, hoor je kind.
_Ik ben uwe Vriendin_,
S. BURGERHART.
Noten:
[1] Oweeërs.
[2] Componist dier dagen.
ZES EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna waarschuwt opnieuw tegen Jacob Brunier
en ze ijvert voor Willem. Het verhaal van de wed. Spilgoed heeft ook
haar getroffen, en ook haar Moeder.
ZEVEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna zet haar pleidooi voor Willem voort.
Moeder heeft Willem de zaak uit 't hoofd willen praten, maar _zy_,
Anna, vindt Willem wel geschikt voor Sara. Moeder zegt: _Sara is te
wereldsch voor Willem_.
ACHT EN VEERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SOPHIA WILLIS.
_Mejuffrouw, Hoogst-Geeerde Vriendin!_
Het zou my smarten, indien ik deezen moest schryven, om u myne
eerbiedige gevoelens en oprechte liefde bekent te maken: ik hoop, dat
gy, in alle myne woorden en daden, die gevoelens zult ontdekt hebben;
en dewyl ik my altoos door de oprechtheid laat bestieren, kan er by u,
op dit stuk, geen twyffeling overblyven.
Dat ik des de vryheid neem om u te schryven, vloeit uit een geheel
anderen oorsprong. Het is om u uit grond myner ziel te bedanken voor
het belang, dat gy in my neemt; en om dat gy my de gelegenheid geeft
om te weten, in welk een licht gy my beschouwt. ô Dierbare Juffrouw
Willis, myn hart zegt my, dat gy myne zwakke zyde kent. Daar in ontdek
ik óók de redenen, die u aanzetten om myn handelwys met uwen Zoon goed
te keuren. Ik beken, dat ik zeer gezet ben op het bywonen van
uitspanningen en dat ik er my meermaal in toegeef, om dat ik volstrekt
geen ander oogmerk heb dan my te diverteeren; maar ik vlei my toch nog
al, dat ik, voor myne jeugd verdwenen is, wyzer zal worden; nu ben ik
zo ver niet, en ik zou my tot veinzery moeten verlagen, indien ik
zeide: dat ik reeds werkelyk bezig was om die neiging in te krimpen.
Het smart my, my te moeten voorstellen, dat uw waarde Zoon, myn lieve
goeje Willem, niet zo gelukkig is als hy verdient te zyn! en niets
troost my zo zeer, dan de bewustheid dat ik verheven ben boven de
vuige listen eener gerafineerde Coquetterie, dan gehandelt te hebben,
na hy my zyne liefde ontdekte, gelyk als de pligt eischt van yder
meisje, dat een braaf ordentelyk Jongeling niet beminnende, hem dat
met heuschheid zegt, om geene hoop aantemoedigen, die geheel ongegront
is.
Ik hoop, in alle gevallen van myn leven het onuitsprekelyk genoegen te
hebben, dat er gelegen is in door u met liefde beschouwt te worden:
niemand is met meer eerbied
_Uwe Dienares, dan_
SARA BURGERHART.
NEGEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier verklaart Sara zijn liefde
en vráágt haar. Zij zouden samen een model-paar zijn en konden
beginnen met een reisje naar Brabant.
VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Willis verantwoordt zich bij Sara, waarvoor
zij op alle mogelijke wijze Willems plannen te keer gaat. En ze
waarschuwt Sara: leef niet te zeer voor vermaak alleen en ga niet uit
met een jonkman, dien ge niet liefhebt! Pas toch op, Saar!--Anna doet
een uitstapje ook met Smit.
[Illustratie: 't kwam mij voor dat zij in zich zelf zeide; "Ei kom, om
thee te schenken is hij echter nog al vrij gebruikbaar".
Illustratie van C. Bogerts naar teekening van J. Buys in de 1e uitgave
van 1782.]
EEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
DE HEER HENDRIK EDELING AAN DEN HEER CORNELIS EDELING.
_Waarde Broeder!_
Hemel! kunt gy met my nog railleeren? Maar geduld! Ik weet dat de
vrolykheid van uw aart een vrucht is van uw goed hart, en dat gy
opregtelyk deelt in alles wat my betreft. Ik zal dan, wat gy my ook
moogt antwoorden, voortgaan om u over myne omstandigheden te schryven.
Weinig dagen na dat ik my zelf het genoegen gegeven had, om een
billyke daad omtrent eene verlegene Vrouw te doen, hoorde ik van den
Heer Brunier, (die met my de kennis onderhoudt,) dat de brave Weduwe
ziek, gevaarlyk ziek, was. Dit smartte my, en wel te meer, om dat ik
daar door berooft was van 't genoegen, om myn bezoek te herhalen.
Brunier ging er echter verscheiden maal daags, om te vernemen hoe het
was. Zyne Zuster kwam dan by hem in de zydkamer, en berichte hem 't
geen hy kwam horen. Doch de beminde van myn hart zag hy niet. Juffrouw
Brunier zeide, dat hare Vriendin de kamer der Lyderes niet verliet, en
dat zy beide allerbitterst bedroeft waren. Broêr lief, wat zyn brave
meisjes toch juwelen! zy zyn de uitdeelsters van onze keurigste
vermaken, en de zoete troosteressen in de ongevallen des levens.
Oordeel, of deeze blyken van vrouwelyke meêlydenheid myn hart troffen!
Binnen weinige dagen ontfingen wy bericht, dat de Doctor haar buiten
gevaar oordeelde; en deeze gunstige tyding werdt vermeerdert door de
aannaderende herstelling der waardige Vrouw.
De eerste reis, dat Brunier vryheid kreeg om haar te komen zien, nam
ik die gelegenheid waar, om hem derwaards te verzellen. Aangedient
zynde, leidde Juffrouw Letje ons by de Weduwe in: Ik zag, tot myn
hartlyk leedwezen, dat zy zéér vervallen was, en feliciteerde haar met
hare gelukkige herstelling, vergeving vragende voor de vryheid die ik
gebruikte. Zy beantwoordde my met de grootste vriendelykheid; en dewyl
de knegt het theegoed binnen bragt, verzogt zy ons om thee te drinken.
Verbeelt u een ruim zindelyk vertrek, proper gemeubileert, dat, met
twee schuiframen, op een aartig Tuintje uitziet, en door twee zware
lindenbomen voor de zon beschaduwt wordt: aan 't hoger eind zat de
Zieke, in een keurlyk net negligé, met een neteldoeks kapertje op.
Naast haar zat de beminnelyke Burgerhart, met een boek by haar de hand
der Weduwe in de hare houdende, ô Keesje lief, zy is schoon!--meer dan
schoon. Het tekenagtige van haar gelaat treft; haar oogen schitteren
van gezontheid en gerustheid. Zy is niet meer dan middelbaar van
lengte; voor eene Gratie zou zy kunnen geschildert worden, niet voor
eene Juno of Minerva, dat beken ik. Brunier maakte zich meester van de
theeketel, en zy zelf schonk thee. De jongen wagtte, mag ik zeggen, op
hare oogen, maar 't kwam my voor, dat zy in zich zelf zeide: "Ei kom,
om thee te schenken is hy echter nog al vry gebruikbaar." Ja, niet
tegenstaande hare minzame trekken, heeft zy iets zo spottig, zo
schalkagtig, zo, hoe noem ik het? 't is nog al iets anders--in haar
gelaat, als zy tot hem spreekt, dat men niet nalaten kan te zeggen,
arme Cootje. Hy legt echter met haar aan; doch komt altoos met verlies
te rug.
Juffrouw Brunier is een zeer bevallig meisje; maar men ziet haar niet,
als zy by hare Vriendin is. Deeze twee jonge Dames beminnen elkander,
en behandelen elkander ook als welopgevoede Zusters.
Myne Beminde was ongemeen vrolyk; en ik geloof, dat Brunier er te
erger om vaart. Toen wy in gesprek waren over de Patiente, zei zy, met
eene betoverende levendigheid: "Ik moet vrolyk zyn over de herstelling
myner Moederlyke Vriendin; ik weet, hoe veel ik zoude verloren hebben:
yder heeft zyn eige wys van doen: deeze doet de vreugd wenen, en een
ander lachen." Haar lach, Keesje, is echter de lach des vernufts, en
heeft niets van dat luidruchtige, 't welke het verstand afkeurt. Wy
spraken over verscheiden onderwerpen, en ik had gelegenheid om te
zien, dat myne Beminde dien zeldzamen schat, gezont Oordeel, bezit. Zy
heeft, merk ik, veel verkregen kundigheden, doch beroept zich nooit op
haar Auteur. Kort gezeit, ik geloof dat zy, in allen opzichte, dien
man gelukkig zal maken, dien zy zich zelf zal uitkiezen; indien zy met
aandagt eene keuze doet.
Me dunkt, Mevrouw, zeide ik, dat deeze beide jonge Dames u met allen
eerbied en genegenheid behandelen; dit moet my gunstig over haar hart
en verstand beide doen oordeelen.... "ô Myn Heer, viel zy my in, het
zyn de beste kinderen, die ik immer kende. Maar myne Gunsteling
verdient, dat ik haar met die onderscheiding behandel, die myn hart
voor haar gevoelt. Juffrouw Brunier is een meisje, dat al de
geschiktheid heeft, om eene Vrouw van verdienste te worden; en hare
liefde voor Juffrouw Burgerhart maakt haar geneigt, om, in duizend
opzichten, beter te worden. Een verwaarloost karakter, myn Heer! vroeg
ouderloos, en geheel aan haar zelf overgelaten.... Doch Saartje is de
vreugd van myn leven; en ik bemin haar, of zy myn eigen dochter was.
Zoudt gy wel geloven, dat dit luchtige bolletje, dat zo vol potzen is,
en de zonderlingste invallen heeft, somtyds zeer bedaart met my kan
spreken? dat zy de ernstige schriften met aandagt leest; ja, dat ik
haar aanmerkingen over den Godsdienst hoor maken, die geheel nieuw, en
tevens geheel waarheid zyn? God geve, dat zy altoos haren eigen weg
ga, en door haar goed hart, 't welk niet vry is van wat achteloosheid,
niet verstikt worde door eene wel overlegde loosheid." Ik was geheel
aandagt. Zy ging voort: "Dat zelfde Meisje, dat zelf in uw byzyn haar
levendigheid niet kan bedwingen, heb ik, geduurende myne ziekte, niet
dan zwygent en schrijent gezien. Zy was niet te bewegen om my, zelfs
des nagts, aan de zorg myner bedienden toe te betrouwen. Ik heb, in al
die dagen, niets dan uit hare handen gebruikt. Uuren lang lag zy op
hare knieën voor Myn Ledikant, God met opgeheven handen biddende, doch
in zich zelf, om myne herstelling. Nu, mag ik zeggen, bestiert zy de
gehele huishouding. Oordeel uit dit weinige over haar karakter. Hadt
zy wat minder zucht om de Waereld te zien; doch dit, beken ik, is vry
sterk. Zo dat, myn Heer, ik zegen het uur, waar in deeze lieve
juffrouw by my gekomen is: de vermindering van mynen staat heeft
moeten dienen, om my dat geluk te bezorgen: moet ik des niet
vergenoegt zyn in die minderheid."
Mevrouw, zeide ik, ik geloof, dat Juffrouw Burgerhart immers zo veel
reden heeft om het uur te zegenen, waar in zy u leerde kennen. Ik
begryp levendig, dat zy aan u verpligtingen heeft, die zich alleen
door dankbare gevoelens van het geroerde hart laten betalen.... Ik
luisterde.... Is dat, vroeg ik, Juffrouw Burgerhart, die daar speelt?
"ô Neen, myn Heer, zeide zy, zo slegt kan zy het Clavier niet
behandelen. 't Zyn stoute meisjes. Ik merk dat zy den goejen lobbes
weêr aan het touwtje hebben. Dien armen Jongen doen zy alles doen, wat
in hare hoofden komt. Burgerhart zal hem, alléén om hem uittelachen,
gedwongen hebben te spelen; schoon zy zelf bekent, dat zy de Kat, in
weinige lessen, zoo ver ziet te brengen, dat die hem lessen kan geven.
't Zyn jonge lui, myn Heer; en ik denk, dat het myn pligt is haar het
leven in myn huis zo aangenaam te maken, als ik immer kan. De Heer
Brunier is een goed slag van een Jongen, die, zo hy wat minder van het
petit-maitres air hadt, nog al passeeren zou."
Onderwyl hoorden wy, dat zy recht vrolyk waren, en iets schenen te
verzetten: wat het was, weet ik niet.
Mevrouw, zeide ik, niets kan my aangenamer zyn, dan te horen, dat zulk
een beminlyk jong mensch uwe achting verdient. Hoe gelukkig zal die
man zyn, die zy uit liefde trouwt! "Dat is zo, myn Heer, maar zy zal
nooit trouwen, zonder haren man zo wel hare hoogste achting als liefde
waardig te keuren, immers dat zegt zy dikwyls."
En heeft zy dien man reeds gevonden, Mevrouw? (Ik vroeg dit met zulk
eene merkbare ontroering, dat de schrandere Vrouw het moet gemerkt
hebben.) "Neen, myn Heer, Juffrouw Burgerhart denkt zeker, zo weinig
aan trouwen, als aan het kloosterleven." Ik voelde, dat myne wangen
gloeiden. Ik nam de vryheid om haar hand te nemen, en die zagtelyk
drukkende, zeide ik: mooglyk ben ik onbescheiden geweest, maar het
belang dat ik heb in dit te weten.... Vergeef het my, Mevrouw.... Ik
Bemin deeze Dame: Zo als ik haar zag, beminde ik haar; en nu myne rede
myne keuze billykt, reken ik my niet ongelukkig. Het is dan mooglyk....
Ik meende verder te gaan; doch de Vrienden kwamen binnen; ik zweeg des.
De Weduwe boog, zoetelyk glimlachende.
"Mamaatje lief, zeide Juffrouw Burgerhart, wy hebben uwe bevelen
voldaan, en ... maar, (het drankflesje opnemende,) moet ik dan kyven?
Foei, myn Heer, gy moet op een ander tyd beter oppassen! weet gy wel,
dat deeze Dame, om duizend en tienduizend redenen, diende gezont te
worden, en zo oud ook, dat zy met een krukje in de eene hand, en my
onder den arm vasthoudende, door haar Tuintje zal moeten wandelen?"
Daar op nam zy een kopje, deedt het medicament er in, gaf het de
Patiente, en wist Brunier te bewegen, om ook eens te proeven, die al
grynzende zei, dat het lekker was. "Zo, zei Saartje, een Veinsaart ook
nog, en dat onder myne oogen."
De beleeftheid deedt my vertrekken; na dat de weduwe my verzekert
hadt, dat het haar niet ongevallig zyn zoude, my eens weder te zien.
Afscheid genomen hebbende, vertrok ik met Brunier, hem bedankende voor
de gelegenheid, die hy my gegeven hadt, om deeze waarde Dame te leeren
kennen.
Zie daar, Broêr lief, zo is het thans gestelt. Zal ik hopen? zal ik
vrezen? Hemel, maar zou zy immer behagen kunnen hebben in my? Schryf
my spoedig. Alles is hier wel. Vader zal u per naaste post schryven;
hy weet niets van deezen.
T.T.
HENDRIK EDELING.
TWEE EN VIJFTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
_Vriend Jacob!_
Gy durfde my dan nog met een half woord vragen: "of gy u niet mogt
vleijen met eenig antwoord op uwe _Missive_?" Want zo noemt gy dat
fraaije Billet, dat gy my deedt ter hand komen. Om uw eigen fatsoens
wille wenschte ik wel, dat gy er geen woord van gekikt hadt; dan kon
ik ook dit zot stukje op de grote lyst uwer overige Beuslaryen hebben
aangetekent, en, om dat ik niet geemlyk van aart ben, het u gunstig
gepardonneert hebben. Doch nu gy zo dwaas zyt, van my zulk eene
rapsodie, als 't ware, te herinneren; en gy mooglyk wel, (want het
schynt waarlyk niet al te richtig in uw harsengestel,) u zoudt kunnen
gaan inbeelden, dat ik uwe Missive niet al te wel zo spoedig dagt te
kunnen beantwoorden, zo zal ik de moeite nemen, om u, over die
Missive, eens een paar woordjes te zeggen.
Ik zeg niet gaarn onaangename waarheden, en vooral niet aan zulken,
die ik, 't zy dan ook om wat reden, in zekeren zin wel lyden mag. Zo
lang ik u slegts voor een vry geschikt, en goed soort van een jongen
hield, hadt uwe Zuster weinig werks om my te beduiden, dat ik u als
haar Broeder behandelde, en occasie gaf om ons eenige uitspanningen te
bezorgen: Maar, nu ik merk, dat gy eenige oogmerken omtrent my hebt,
waar van ik u nooit verdagt hield, zo moet ik u openhartig zeggen, dat
gy my meer stof tot verwondering geeft, dan ik ooit meende door u te
kunnen krygen.
Hoe, myn Heer, heb ik u de minste aanleiding gegeven, om zulke
gedagten in u te doen opryzen? Hoe weinig kent gy my! Hoe dood vreemt
zyt gy omtrent u zelf! Ik moet of boos op u worden, en dat bevalt my
niet; of ik moet u hartelyk uitlachen. Nooit zeker las men zo eene
ongevallige mengeling van zotteklap, en dwaze inbeelding, op zeer
twyffelachtige verdiensten, dan dat schriftje bevat. Dit van stukje
tot beetje aan te tonen, is beneden myne aandagt. Ditmaal vergeef ik
u alles, op deeze voorwaarden: "dat gy my hier over nooit meer
spreekt;--zelf verbied ik u, my voor deeze gekheden om excuus te
vragen; en dat gy; is 't mooglyk, door dit geval poogt wyzer te
worden, en wat beter uwe eigen waarde te berekenen."
Zo gy hier toe geen geneigtheid hebt, dan zult gy u moeten laten
welgevallen, dat ik u zó, en op dien afstand behandel, als een
fatsoenlyk Meisje een verwaanden, of wilt gy lastigen, knaap altoos
moet behandelen. Uwe Zuster is myne lieve vriendin, maar zy zo wel als
ik begrypt, dat dit geen reden zyn kan, waarom ik zoude moeten
geplaagt worden door een Borstje, dat geen geest genoeg heeft, om my
met zyne Missives ook slegts te diverteeren. Spreek des nergens van;
en ik zal alles vergeten: want zo gy in dit opzicht maar wyzer wordt;
zyt gy een vry draaglyk Heertje; en ik geef de hoop nog niet op, om my
eens met meer reden te kunnen noemen
_Uwe genegene Vriendin_:
S. B.
DRIE EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed schrijft aan Blankaart:
Saartje is allerliefst! En nu is er een meneer, zekere Hendrik
Edeling,--die de wed. zelf uit den brand geholpen heeft--een braaf
man--die naar Saartje vrijt. Hij is knap, 27 à 28 jaar, goed
gemanierd. Staat Blankaart nadere kennismaking toe? Sara spot
er wat mee en wil nog niet trouwen, maar de wed. wil zekerheid.
VIER EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling wenscht zijn broer succes:
geduld maar en volhouden. Gemakkelijk zal 't niet gaan, maar toch
gaan. Hij is haast jaloersch en als hijzelf zijn Jaantje niet had,
wie weet.
VIJF EN VIJFTIGSTE BRIEF.--Anna Willis vertelt van haar uitstapje met
Smit. Ze zijn o.a. in Schiedam geweest en hebben _jenever geproefd_.
Smit werd opgewonden. Schiedam is een gat. Smit heeft intusschen een
erfenis gekregen en nu zal Anna met haar besten vriend gaan trouwen.
Hun liefde berust op _achting_ en _vriendschap_. Zij raadt Sara aan
den advokaat _Fine Mouche_ te nemen, maar dan moet ze er gauw bij
zijn. Hij is zeer gewild en _ijvert voor de rechten der vrouw_. Smit
ijvert voor de _nieuwe psalmberijming_.
ZES EN VIJFTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
_Lieve Willis!_
Allemaal menschen!--dit zeide ik, toen ik uwen vrolyken en my zo regt
smakelyken Brief gelezen had. De liefde is al een grappig ding, geloof
ik. 't Schynt dat zy de peinzende vrolyk, en de ydeltuiten statig kan
maken. Mooglyk, om dat zy het levensvonkje in de dikbloedige gestellen
helder doet opflikkeren, en de zorgeloze onverschilligheid der volmaakt
gezonde meisjes iets aan de hand geeft, dat haar van belang genoeg
schynt, om er over te willen denken. Hoe het zy, 't is zeker dat
Juffrouw Willis my nu veel meer bevalt, om dat zy my wat nader komt,
dan wanneer zy met zekere ernsthaftigheid, niet altoos geheel vry van
styfheid en bedilzucht, my myne les voorzegt. Uw Vriend Smit heb ik
regt lief, zo wel om het geen gy van zyne conversatie, als om 't geen
gy my nopens zyne manier van denken omtrent u mededeelt. Ik hoop hem
spoedig wel geplaatst, wel gehuist, en wel getrouwt te zien. Ik beken
dat gy, buiten uw nadeel, een ruim hart hebt, als gy ons, eenzamen in
den lande, zulk een zegen toewenscht. Maak u vrienden, Naatje, door zo
veel gy kunt dien wensch ten uitvoer te brengen. Wat my aangaat: _Pour
moi keen warme Bier_, zei de Franschman; _Pour moi geen man_. Een
flinke bol, om my, zo als ik zeg, te brengen waar ik zyn wil; dat is
wel, doch meer niet. Uw Advocaat is des aan u; geef hem aan haar, die
zo een meubeltje nodig heeft, en laat myn devies zyn: _Vryheid, blyheid_.
Maar om u eens wat zakelykers te schryven, ik heb met Letje uit geweest,
om dat nieuwmodiesch Gaas. Het stuk was byna weg, doch men wagtte alle
daag nog fraaijer, als ook heerlyke Taffen, enz. Men heeft my verzogt
dat te komen zien: en ik heb aanstaanden maandag daar toe bepaalt.
't Is een besloten winkel; men ziet er niets dan een modieus huis,
moderne meubelen, drie zeer wel gemanierde, taamlyk lelyke, reeds wat
bejaarde Demoiselles, die niets dan Fransch spreken: 't kwam wel, dat
ik die taal kende.
In 't naar huis gaan, gingen wy Coos logement voorby, en spraken
Mademoiselle G---- eens toe; die zeer verblyt scheen ons te zien, en
vriendelyk innodigde. Wy voldeden ook aan haar verzoek. Letje vroeg
schielyk of haar Broêr niet t'huis was; neen, zei zy, maar hy zal
weldra t'huis zyn. Kom, zei Letje, dan gaan wy zo lang op zyn kamer:
ik volgde, zeer benieuwt zynde, hoe of het toch op de kamer van een
Petitmaître er mogt uitzien. Naatje! nooit hebt gy zo een huishouden
gezien! myn oog viel eerst op zyn toilet, dat in de volmaakste
desordre lag. Poeijer en Snuif bedekten alles. Hairkammen,
Wenkbrauwkammetjes, verscheiden Verfjes, Tandenschuijertjes,
Tand-poeijer, een glas half vol water, zo smerig als een eend, een
stuk uitgedoofde Waskaers, eenige Fransche boekjes, die niet van de
strengste zedekunde schenen te handelen, een morsige Inktkoker, een
vuile Slaapmuts en een pot Pommade, maakten de misselykste vertoning,
die ik ooit zag. Al zyn kleêren hingen over stoelen. Eenige paren
zyden kousen slingerden er tusschen. Schoenen, muilen, laerzen, een
hartsvanger, lagen door malkander: alle zyne Boeken konden wel in een
brood-mand, en zagen er vuil en smerig uit. Letje zag dit lieve
boeltje, met beschaamtheid, eens over, en ik was geheel
nieuwsgierigheid. "Kyk me zo een floddervink eens; zo een slons van
een jongen, en die altoos er uit ziet, of hy uit een doosje komt."
Kom! zei ik, hy zal er voor hebben. Daar op deden wy zo veel
kattekwaad, en naaiden zo veel mouwen en zakken en koussen toe, en
verstopten zo veel goed, als de tyd ons toeliet. Toen gingen wy naar
beneden, en zie daar, daar kwam de Vorst van Tour en Taxis, wip wip
wip den stoep op; gevolgt door nog een vlasbaard, of drie, die hier
alle logeeren. Myn Chevalier weet te wel te leven, (zoo hy meent, och
arm!) om ons vryheid te laten zo terstond te vertrekken; en dewyl
Mademoiselle G--- hier sterk op aandrong, traden wy in de eetkamer.
Terstond presenteerde men 't een en ander. De gure dag gaf Coo den
inval om een Bowl Punch te maken. Fiat Punch! Toen had hy 't op zyn
lyf! de Arak, de Citroenen, enz., alles kwam uit den hoek. De drank
was smakelyk, het gezelschap vrolyk, Mademoiselle G--- kluchtig, en
Saartje haar zelf. Enfin, Naatje, wy diverteerden ons als Vorsten; wy
raakten aan 't musiceeren, en 't was wel negen uuren, voor onze Vriend
ons t'huis bragt.
De lieve Buigzaam wagtte reeds met eeten. De Hartog keek, als of zy
zeide: "Wat die Kleuters! moet ik daar naar wagten?" Lotje zat met een
Almenak van 't voorleden Jaar, en hield zich of zy las; doch ik weet
niet, of zy wel eens spelden kan. Wy waren zo dartel, dat de lieve
Vrouw niet wist, wat zy van ons denken moest; en Letje was ongemeen
woordenryk. Ik was niet heel gemaklyk, want Juffrouw Hartog my iets,
't geen ik haar verzogt, wat onbeleeft aanreikende, en er by voegende:
"ei, altyd dat gelach, 't zal wat te beduiden hebben, als wy 't
wisten!" gaf ik haar een antwoord, 't welk aantoonde, dat ik haar,
schoon veel ouder, niet voor myne Voogdes begeerde.
Ik heb u nog niet gezegt, dat de Heer Edeling hier alweêr geweest is.
Juffrouw Buigzaam spreekt met de uiterste achting van hem, en met zo
veel onderscheiding, dat, zo zy tien jaar jonger was, ik zou denken,
dat hy de man zyn zoude, dien zy haar hart wilde geven: nu denk ik dat
niet. Mooglyk heeft hy zin aan Letje. Hy is door haar Broêr hier
althans gebragt. 't Is een zeer fraai man: hy heeft mooije manieren,
en ik hoor, dat hy veel verstand heeft. Als hy weêrkomt, zal ik hem
eens _Philosophiesch betrachten_; zeide uw Pedant Gekje zo niet?
Omhels uwe dierbare Moeder; groet uw Vriend Smit; saluëer uw Tante
voor haar, die gy weet dat is,
Uwe hoogachtende Vriendin,
SARA BURGERHART.
ZEVEN EN VIJFTIGSTE BRIEF.
DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW DE WEDUWE SPILGOED.
_Mevrouw!_
Voor ik iets, Saartje betreffende, aanroer, moet ik u zeggen, dat ik
God hartelyk gedankt heb voor uwe herstelling, 't Zoude al te droevig
zyn, dat zulke weêrgaloze Vrouwen zo klakkeloos uit de waereld gingen,
terwyl wy met hele risten van Beuzelaars en Beuzelaarsters blyven
opgescheept. Het doet my aan myn hart goed, dat ons meisje zo haar
pligt gedaan heeft; zy zal er een present extra uit myn eigen zak voor
hebben. Zie, men moet de jonge lui, als zy wel doen, ook wel doen; en
ik ben, God dank, geen vrekkige Jakhals van een Kaerl. Ik zeg altyd:
"Abraham Blankaart, God heeft u zo gezegent, je hebt kind noch kraai;
hoewel ik weet niet, of dat zo blyven zal; een mensch heeft graag een
eigen weêrspraak. Kind noch kraai! wel deel meê, myn Vriend; maak dat
niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe, dat niemand wel eens
wou zien, of jy ook een mooije doode zyn zoudt. 't Moet hier toch
altemaal blyven, en als jy brave lui op de proppen helpt, dan doe je
als een hupsch Christen mensch betaamt." Nu, dat overgeslagen.