Ons discours duurde wel een uur, denk ik; want ik had ook nu en dan

een woordje ingebragt, dat met attentie gehoort, en met lof

toegejuicht wierdt; zoo als dat van zelf spreekt, Naatje. De

Desmoiselles zeiden my: "Dat deeze Heren zeer ryke, zeer fatsoenlyke

lieden waren, en dat de Heer R. geparenteert was aan onze eerste

familiën. Hy hadt _une superbe Bibliotheque_, en zou ons graag dezelve

heel en al ten gebruike geven; ook dat hy aan eene der Juffrouwen

gevraagt hadt, waar ik woonde; en gezegt, dat hy de vryheid zoude

nemen, om de _Essay on men_[1], in vierderleie talen by een gedrukt,

te brengen, wyl hy gemerkt hadt, dat ik die wel eens zoude willen

zien."

t'Huis komende, verhaalde ik ons avontuurtje aan Juffrouw Buigzaam, en

liet haar de stalen zien, die ik by my had. Juffrouw Hartog zette een

vieze tronie, en vondt de taffen zeer _commun_. "Zo, zei ik, en de

Heer R. heeft die zeer fraai gevonden." "Kent gy den Heer R., Juffrouw

Burgerhart?" "Zo als gy hoort, Juffrouw Hartog." Zy wierdt vriendelyker.

"Kent gy dien Heer? vroeg de Weduwe. "Ja, Mejuffrouw, by reputatie.

"Hy is een man van geboorte, _un homme du Ton peutêtre; mais un homme

d'Esprit_.

Rien du Tout was uit; Hartog ging uit, en wy hadden het huis vry. Nu,

zeide ik, zullen wy eens een recht lief stil stichtelyk avondje

hebben; en dribbelde, met een half menuët pasje, de tafel om. Wy

verzogten de waarde vrouw, om voor ons wat te lezen, en kregen ons

naaijen. ô Naatje, nooit heb ik zulk lezen gehoort, en zulk een lieve

stem is er niet! zy voldeedt aan ons verzoek, en las een Boekje: "de

vrolykheid van een Godsdienstig leven;" dat gy zeker kent? De avond

vloog om. Hoe gelukkig waren wy! Halfnegen kwam onze Lotje thuis, ging

zich deshabillieeren, en in de kamer gezeten zynde, vermaakte zy zich

met Jillis, onze kat. De tafel hadt reeds drie kwartier gedekt

gestaan, toen de Sçavante binnen tradt; zy haastte zich, was minzaam,

spraakzaam zelf. Wy zagen wel, dat zy wat verlegen was; zy wist wel,

dat zy nog wat te goed hadt; maar ik beschuldig nooit iemand die zich

zelf beschuldigt; en de lieve goedaartige vrouw maakte geene remarques.

Toen wy reeds yder in ons pavillioentje lagen, hadden Letje en ik het

nog zeer druk over het geen er gelezen was: ik zie duidelyk, dat Letje

verstand en smaak heeft; maar 't is een verwaarloost verstand, en een

nog ongeoeffende smaak: zo vergenoegt als Engelen sliepen wy in.

Morgen zal ik deezen vervolgen, zo er iets, my betreffende, voorvalt.

Gy weet, ik leg alles by elkander, tot dat ik mijne Vriendin Willis

vinde.

* * * * *

Dees dag is stil en eenzelvig voor uwe Pupil afgelopen; en ik ben maar

wat aan 't haspelen geweest, om dat Letje in 't naauw was. 't Geval is

zeer verre uitziende:--zy heeft, deezen middag, het Bierglas van

Juffrouw Hartog gebroken. Hare _veel Waereld_[2] bewaarde Letje niet

voor haar misnoegen; en, dat nog erger is! ons niet voor het aanhoren

eener (geloof ik althans,) geleerde Oratie over de fraaiheid en

byzonderheid van dit glas: "'t welk zy van Lord Muffle, toen die hier

in 't land was, gekregen had; 't was naar de regels der Geometrie

gemaakt, enz. enz., en zy hadt liever, dat Juffrouw Letje haar

grootsten Spiegel gebroken hadt, dan dat Glas." "En ik niet, zeide

Lotje, want dat beduidt een dooije." Dit deedt my lachen. Letje

verzogt excuus; Juffrouw Buigzaam gaf aan Frits last, om even zo een

Bierglas te kopen; en Juffrouw Hartog hieldt hare opgelapte

meerderheid.

* * * * *

Al Weêr een dagje! wel Naatje, en nog al geen Brief van u. 't Zal by

my altemaal verwilderen, 't Hek is van den dam; de Schapen lopen in 't

koorn. Wat nieuws. De Heer R. heeft hier aan huis geweest, en bragt my

het Boek, waarvan ik u gemelt hebbe. Hy zat een uur by ons. Hy sprak

meest met de waarde Vrouw. Waarlyk, 't is een schoon welgemaakt man.

Ik geloof, dat hy veel geest heeft. Het gesprek ging over de _Algemene

Liefdadigheid_, by gelegenheid dat men eenen drenkeling voorby bragt,

die gelukkig geret was. Hy merkte aan: "dat, ofschoon onze deugd niets

kan verdienen, zy echter altoos iets voortreflyks blyft; en dat hy het

met de oude Romeinen hier in eens was: _het is veel schoner één Burger

te behouden, dan honderd Vyanden te doden_."

Juffrouw Buigzaam was wel voldaan over zyne redenen. Ik plaag Letje

gruwlyk met hem, want hy schynt voor haar zéér véél attentie te

hebben; schoon hy my zyne Bibliotheek heeft aangeboden, nevens eene

keurlyk geschreven Catalogus, om te zien, wat my zoude aanstaan. Nu,

dat vind ik wél héél lief, en zal er ook myn gebruik van maken: "Zo

dra ik meer lichts omtrent dit Luchtverschynzel, 't welk nu aan onzen

Huisselyken horisont opdaagt, hebbe, zal ik u daar meer van zeggen."

Zie daar, zo zoude Juffrouw Hartog spreken.

* * * * *

Nog geen Brief van Rotterdam! Geduld--Maar ik moet evenwel nu zeggen,

dat gy uwe Voogdyschap slorzig laat leggen. En ik, arme ziel! kryg

onderwyl vryers als zand. 't Is of heel Amsterdam weet, dat gy my

mondig verklaart hebt. Hebt gy dan met myne Tante overleit, om my, zo

maar kort en goed, aan den Satan overtegeven? Niet dat die hier ook al

geweest is; was dit zo, Rien du Tout zou my dat wel gezegt hebben; zy

is, zegt zy, "met een Helm geboren, en kan kwaad "zien". Nu, dat

kunnen er wel meer, en ook al daar het niet is; ook Naatje? Foei, dat

gy my zo in den pekel laat zitten! Daar heb je dan voor eerst myn

kostelyke vriend Cobus; ja, die eerst komt die eerst maalt: daar heb

je dan myn allerliefste Willem, uw Broeder; daar heb je dan de Heer

R., die my een Boek brengt; ende ten vierden, daar heb je dan de zeer

ernstige, zeer stemmige, zeer verstandige Heer Edeling. Ik heb wel

geen haast om te trouwen; doch als ik nu maar wist, welk man ik moest

kiezen, als my die haast eens overviel: dat is het maar.

* * * * *

Nog geen _Peccavi_![3] en de dag is om. Lees ten slotte dit volgende.

Letje kwam by my. De arme Lot, zei ze, is bedroeft; en ik geloof ook,

ergens om verlegen.

_Ik_. Dat spyt my, waar is zy? Laten wy zien, wat er scheelt. Wat

scheelt u, Juffrouw Lotje?

_Zy_. Wel dat geloof ik ook; myn Oom Dirk is zo boos op my, om dat ik

hem iets verzogt heb; en, dat nu nog erger is, ik moet myn Kapper

betalen, en ik heb geen gulden aan geld. [_Zy schreidde als een

meisje_.]

_Ik_. Is 't anders niet? kan ik u helpen met twee ducaten, ze zyn wel

zeer tot je dienst; kom, wees maar vrolyk: uw Oom zal 't zo niet

gemeent hebben. [_Ik gaf haar de ducaten: maar zo dankbaar als dat

mensch was_!]

_Zy_. Ik beloof u, uw geld in de volgende week vast te betalen.

_Ik_. Nu ja, dat's wel.

De sloof zat te breijen zonder opkyken, aan een witte garen

kinderkousje: "dat's een veeg teken," zei Letje, tegen my. Arme meid!

't Is waaragtig een groot kind. Ik hoop, dat ik haar toch nog zal

leren spelden[4], en wat schryven, want het eerste is elendig, immers

als zy een opschrift leest, en haar Waschbrief is een Lyst van

Toverkarakters.

S B.

Noten:

[1] Pope 1688—1744.

[2] Kennis van de "Groote Wereld".

[3] Schuldbekenning--van Anne n.l.

[4] Spellen.

TWEE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verhaalt Anna van een bezoek van

Edeling, die in gesprek is geraakt met Corn. Hartog over: _De

Genoegzaamheid der Deugd_; de opinies loopen uiteen en Sara

critiseert; zij is 't eens met Edeling.

DRIE EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Sara verzoekt tante Hofland haar mee te

deelen, wanneer ze haar _klavier, guitaar_ en _muziek_ kan laten halen.

VIER EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER ABRAHAM BLANKAART.

_Ge-eerde Heer en Voogd!_

Al leefde ik honderd jaar, en al deed ik niets in al dien tyd, dan u

myne erkentenis te bewyzen; dan nog zou ik geen tyds genoeg hebben, om

u zo veel daar van te tonen, als myn hart en myn pligt van my vorderen.

Uw edelmoedig geschenk streelt my te meer, om dat my dit verzekert van

de vriendelyke goedkeuring myns gedrags. Ik hoop er zo een gebruik van

te maken, dat ik u ook daar van, zo wel als van de duizend guldens,

behoorlyk rekening zal kunnen doen.

Ik heb Tante een Briefje gezonden, waar van de Copy hier nevens gaat,

en zy heeft my laten zeggen: "dat zy order van u zelf moet hebben;

doch dat zy nog zo iets met u te verrekenen heeft." Ik had echter zo

heel graag myne Muziek, myn Clavier en Guitar.

En nu zal ik eens eene nieuwe pen snyden; ik heb er my reeds in myn

deshabillié toe gezet, om uwen dierbaren Brief ordentelyk te

beantwoorden. Kan ook een verstandig tederlievent Vader wel meer

belang nemen in zyn gehoorzaam Kind, dan gy, myn Heer, in my neemt!

maar geen Kind zal ook my in dankbaarheid en leerzaamheid, hoop ik,

overtreffen.

De Heer Edeling is een uitmuntent Jongman! Nooit verlaat hy ons, of wy

achten hem nog meer, dan de laatste keer dat wy hem zagen. De lieve

Vrouw spreekt van hem, zo als zy zelden spreekt. Maar, myn lieve Heer

Blankaart, zou zo een man, en die zo veel goederen bezit, immer aan my

denken! Neen, zo verwaant ben ik niet. Zo een man moet een Vrouw

hebben, die hem nader komt: nu, dat is zyn zaak. Ik heb geen den

minsten trek om van staat te veranderen. Ik heb nog nooit een man

gezien dan die ik, op zyn allermeest, alleen my ten vriend wenschte.

Wil ik u eens wat zeggen? Daar is de jonge Heer Willis; die heeft my

gezegt, dat hy my bemint. ô 't Is zulk een braaf, eerlyk, bevallig

Jongman! ik heb hem ook zó lief, als of hy myn eigen Broêr waar; doch

heb hem voor zyne liefde bedankt. ô! ô! Hy zal wel eene brave vrouw

krygen; want het is een recht lieve goedaartige Jongen: waarom zou ik

hem ophouden, daar ik toch geen zin in hem heb, en niet wil trouwen?

De Heer R., een zeer fatsoenlyk ryk Heer, van ruim dertig jaar, denk

ik, heeft kennis met my gemaakt, en zyne heerlyke Bibliotheek my ten

gebruike aangeboden, 't Is toch goed, dat alle Heeren geen laffe

Jonkertjes zyn; "maar 't is heel iets zeldzaams, zeit de Weduwe, veel

oordeel en belezenheid by veel beschaaftheid en waereldkennis te

vinden." Zo dat wy mogen van geluk spreken.

Ik verzeker u, myn waarde Heer, dat ik nooit tegen uwen altoos

redelyken wil trouwen zal; en dat ik, omtrent het XIIIde Geloofsartikel

van vele Dames, eene Ongelovige ben. Niets dunkt my, (en zo dunkt ook

de brave Vrouw,) geeft uw Sexe zo veel stof in de hand, om de onze met

bespotting te beschouwen, dan het beleven deezes XIIIden Artikels. Een

gek kan ik dulden, een Pedant verdragen, een Petitmaitre lyden; maar,

op een Lichtmis zie ik met schrik en versmading! Hy is de Natuurlyke

Vyand myner Sexe: Niet meer van zo een lelyk afbeeldzel des Duivels.

Wie is boven alle zwakheden? Ik ben 't niet! Maar dat ik my ooit zoude

straffen, met een Lichtmis voor myn man te nemen; verächt my, zo ik er

toe in staat ben!

Neen, myn Heer! ik zal uw vroom gemoed nooit bedroeven! Kan ik

ondankbaar zyn? Om u, wat er ooit gebeure, te kunnen bedriegen, zoude

ik zelf eerst moeten bedrogen worden; en wie zou toch, in de wyde

waereld, dáár belang in stellen! Ik sta niemand in 't licht; ik kwel

niemand; ik wil zo graag allen zo wel doen, als in myn vermogen is.

Ik begeer niets dan uwe Vaderlyke gunst te behouden, by deze dierbare

Vrouw myn dagen te slyten, en zo al de eene zotheid voor, en de andere

malligheid na wat af te wennen. De waarde Dame groet u met de hoogste

achting, en ik ben

Uwe liefhebbende Pupil,

SARA BURGERHART.

PS. Ik hoor, dat Tante zal trouwen met een Heer die er veel in zyn Japon

komt; die Heer ken ik; ô my! ô my! 't Is toch grappig ook.

VIJF EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt Cornelis wat hij

zooal gedaan heeft; Sara is een engel! Hij zendt hem Blankaarts

antwoord. Maar vader Edeling blijft koppig--geen "_Noach's ark van

gelooven in zijn huis_! Nooit!

ZES EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Papa Edeling schrijft aan Blankaart; van

dat huwelijk kan niets komen. Hendrik is _Luthersch_, zij niet.

Afgeloopen.

ZEVEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND.

_Mejuffrouw!_

Wel, hoe hebben wy het toch met elkâer? ryd je de witkwast, of maalt

je de geest? Denk jy, dat ik zo maar op een dag heen en weêr zo eens

over kan komen, om u te zeggen, dat gy Juffrouw Saartje haar Linnen en

Muziek zendt? Was het Briefje niet zo beleeft, als er een in heel

Amsterdam te vinden is? Wie hagel hoort er van? 't Is immers het kind

zyn eigen goed. De Guitar heb ik haar zelf uit Londen meêgebragt, toen

zy, tien jaar was; hy kost my verscheide Guinees; maar hy is ook al

wat je horen kunt, zeg ik je. Wat doe je toch met haar Clavier; speelt

Bregt met haar styve dikke stompen er somtyds eens een deuntje op, als

zy dronken is; en dans jy dan met Broêr smulpaap, als er zo een klein

verheugingje is? Wat praat gy toch van nog wat te rekenen of te

verrekenen: zwyg er maar dood stil van, of ik zal u anders spreken.

Weet je wat je krygen zult? Net twee nieten in een bodemloos mantje;

en Bregt om een oortje raakwat, voor een vervalletje: Broêr kan zo

veel knokkel oly krygen als hy t'huis kan brengen: Dan zult gy wel

_voldaan_ willen tekenen? Wat zegt gy nu van Abraham Blankaart?

Maar wat hoor ik, Zanneke, ga je trouwen met een Heer, die alle daag

in zyn Japon by u komt? Ik kan wel denken, wie of er op u smoel

heeft[1]; wie anders dan de Broeder? Nu geluk, er is maar een paar

bedorven. Evenwel, als ik zo alle ouwe dingen overdenk, dan beklaag ik

u toch. Wy hebben immers menigmaal eens een pretje gehad, en je hoorde

my toen zo graag zingen van: "Toen onze Pau in 't Leger kwam."

Waaragtig, Zanne, de Fynen lopen op uw zak, meid! ze zullen je zo arm

maken als een Mier. De duivelsche gierigheid heeft u gefopt, en de

kweeslary zand in de oogen gestrooit. Neem dan dien Drasboek niet; ik

zal wel een ander opschommelen, als ik in de stad kom. Nu hebt gy

order van my, om Saartjes goed te zenden. Ik blyve

_UWEd. Dienaar _,

ABRAHAM BLANKAART,

Noot:

[1] Zin in je heeft.

ACHT EN ZEVENTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed aan Blankaart: Sara en

Hendrik houden haar beiden op de hoogte. Ze deelt hem nu uitvoerig een

gesprek mee over het _Buitenleven_. Sara vindt zich daar te jong voor,

Hendrik verlangt er naar. Saartje knoopt manchetten voor Blankaart;

deze moet zich van den domme houden!

NEGEN EN ZEVENTIGSTE BRIEF.

DE HEER ABRAHAM BLANKAART AAN DEN HEER JAN EDELING.

_Heer en Vriend!_

In antwoord op uwen, Amst. den ... passato, dient: Ik ben nu maar, die

ik maar ben, een niets beduident oud Vryer, en dat's het al; doch ik

wil je zweren, dat wy niet meer in Geloof dan in humeur verschillen.

Zie daar, ik heb het altoos zo druk en volhandig gehad, dat het

trouwen er is ingetrokken[1], maar selderdemostert, was ik Vader over

een half douzyn jongens en meisjes, wel dan zou ik myn geluk niet

kunnen overzien, als ik daar zo al die kabouters hoorde snappen, en

rabbelen; of Abraham Blankaart ook meê zou doen! En als zy dan zo

verre heen waren, dat zy op 't geen ik zeide aanmerkingen konden

maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen;

wel, dan zou ik God harlyk danken, om dat ik zulke snelle[2] kinderen

had; zo als billyk is. Begrepen zy in 't vervolg eens iet beter dan

ik; bestig, zou ik zeggen, en doen het zo.

Daar heb je nu myn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet veel

meer van de Waereld en van de Schrift als ik, en ik ben dertig jaar

ouder. Voor ik naar Vrankryk ging, zei ik: Kind, lees je jou Gebed

's avonds wel stipt uit Mell? "Myn Heer, zei ze, ik bid uit myn eigen

hart; ik weet immers beter, wat ik nu nodig heb, dan Mell voor vyftig

jaar dat raden kon?" Wat denkt gy, dat ik toen zei? je zult, by dit en

dat, jou Gebed uit Mell lezen, om dat ik het doe? Mis mantje! ik zei,

dat's waar meisje, je heb groot gelyk; en anders zou zy denken, dat ik

haar vyand en niet haar welmenentste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gy

hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op

myn woord, je hebt mis.

God de Heer geeft ons, zyne kinderen, wel reden van zyne bevelen: "doe

dat, op dat het u welga," staat er dat niet in den Bybel? En zullen wy

nu zo misselyk[3] en zo boos zyn, dat wy onze kinderen, in plaats van

brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Hadt, by gelykenis,

Luters Vader eens gaan zeggen: "Luter, ik versta niet, dat je Luters

wordt, jy zult Paaps blyven, want wy zyn van 't begin van de waereld af

allemaal Paaps geweest; en zo jy 't in den kop krygt, om van ons oud

geloof aftegaan, zullen wy eens wat anders by de hand vatten." En was

Luters Vader evenwel zo wel de Vader van Luter niet, als Jan Edeling

Vader is van zynen Zoon Hendrik; en waar was dan je hele Geloof gebleven?

Dat je op je Kerk gestelt bent, eer heeft uw hart; dat's braaf! maar

hier, ik, zei de gek, ben ook op myn Kerk gestelt, en myn hart het ook

eer, zou ik denken. Wel zie, wy verschillen zo weinig in geloofsgronden,

wil ik spreken, dat het niet de pyne waart is, om er zo over aantegaan.

En waarom zouden onze jonge lui niet met malkander te Kerk kunnen gaan?

Hebben wy niet één Heer, één doop? Maar wat hagel hebben wy Leken met

hunne disputen en tandtrekken te doen? Zo dat tegen het Huwelyk heb ik

niet, indien er geen andre dan deeze geloofsverschillen mede gemoeit zyn.

Dat gy van 't Luters geloof zyt, is goed voor u; dat ik op zyn

Gereformeerts geloof, is ook goed voor my. Maar elk zyn vryheid: Gy zyt

immers geen Paus, al ben je Vader? Je kunt immers mis hebben? Of zyt gy

onfeilbaar? Hoe zit het?

Kom aan, daar heb je nu Paulus, de Apostel Paulus, daar gy zo wel aan

gelooft als ik. Wel, die dagt mede al, dat hy 't byster wel hadt; en

dat onze lieve Heer magtig met zynen yver gedient was, dagt hy het

niet? Hoe! de man zeit het zelf; hoe kun je 't nader hebben? dat hy

daar zo liep razen en tieren door Damascus; en wat wil het geval?

Hy hadt het wel net mis! en de brave man heeft er altoos berouw van

gehad, toen hy beter wist. Ik heb voor dertig jaar myn Belydenis

gedaan, by onzen vromen _van der Vorm_, en ik hoop in dat geloof te

sterven; doch als ik eens mogt zien, dat andere Kristenen nader by

Gods woord blyven, fiat! dan moet ik dit licht volgen, en dat zou ik

ook gerust doen; want ik ben een eerlyk man.

Zo dat ik maar zeggen wil, dat ik het Huwlyk om die reden niet kan

afkeuren. Je moest nu evenwel je niet gaan zitten inbeelden, dat ik

met het kind zo goedkoop ben: alheel niet! maar uw Zoon is zulk een

braaf man, daar wil ik maar op komen. Neen, daar heeft zy Goddank te

veel gelds toe, en is zy van te braven familie, en 't is een mooije

Brunet ook, en ze speelt maar capitaal. Sara Burgerhart moet een zo

braaf man hebben als uw Hendrik, en zyne Ouders moeten haar met

achting en liefde in hunne familie nodigen.

Nu, nu, 't zou geen onaartig klugtje wezen, met een Papa die zei: "zo

zal 't wezen, Dochter, want ik versta het zo." Neen man! myn Pupil is

een redelyk schepzel, en zo wil ik, dat zy zal behandelt worden. Daar

hadt men dan 't gooijen in de glazen met Papa Edeling, en myn arme

kind was aan de Joden overgelevert. Ik bedank je hartelyk, hoor. Zie

daar is myn antwoord. Ik blyve

Uw Dienstwillige Dienaar,

ABRAHAM BLANKAART.

Noten:

[1] Bij ingeschoten.

[2] Vlugge.

[3] Onhebbelijk.

TACHTIGSTE BRIEF.--Sara blijft aan Anna schrijven, al zwijgt deze.

Sara blijft Sara; Jacob Brunier blijft vrijen zonder hoop; hij is

jaloersch op Edeling. Máár ... Sara _zelf voelt alleen voor zekeren

R_. Met hem gaat ze veel uit: hij is zoo knap, voornaam, ontwikkeld.

Wat zoekt die R? Háár? Maar zij wil nog geen man. Ze wil Anna dwingen

tot antwoorden en toont zich plaagziek grootmoedig.

EEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Hendrik aan Cornelis: Hij heeft met Sara

gewandeld! Zij heeft hem niet af-, zelfs niet teruggewezen, maar _ook

niet beslist hoop gegeven_. Zij zegt niemand lief te hebben, maar wil

nog niet trouwen! Hij heeft moed.

TWEE EN TACHTIGSTE BRIEF.--Zuzanna aan Cornelia Slimpslamp. Zuzanna

zit in de war, want de vrome Stijntje Doorzicht heeft haar de les

gelezen, óók broeder Benjamin gelaakt. Wat moet ze nu? En Sara vraagt

haar goedje. Ach!

DRIE EN TACHTIGSTE BRIEF. Sara aan Anna: ze heeft een prettig avondje

gehad. Er is mooi gezongen. Hendrik _was er ook_; hij speelt mooi bas.

Cornelia Hartog _was opgewonden_! Alette Brunier was allerliefst; _net

een vrouw voor_ Willem! En Hendrik?... _net een man voor_ Spilgoed.

Zij is wat ouder, nu ja!

VIER EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta Brunier logeert op _Bosch en

Veldzicht_ en mist Sara. Ze heeft met genoegen Sara hooren spreken

over Edeling; ze verdienen elkaar! Sara wordt ook eens op 't buiten

verwacht.

VIJF EN TACHTIGSTE BRIEF.--Aletta schrijft ook aan Spilgoed, zendt

haar vruchten. Ook zij wordt eens verwacht, met Sara.

ZES EN TACHTIGSTE BRIEF.--Eindelijk antwoordt Anna Willis: _zij bekent

schuld_; de Wed. Spilgoed verdient achting!--Ze wil weer vriendin zijn

met Sara! Een Geldersche dame heeft haar beter ingelicht: die dame

zal ook Sara bezoeken.

ZEVEN EN TACHTIGSTE BRIEF.--Wed. Spilgoed bedankt Aletta en haar

gastvrouw voor de vruchten. Sara verlangt naar Aletta, dus ze moet

maar gauw komen.

ACHT EN TACHTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ALETTA BRUNIER.

_Chere Letje!_

Wel kind, wat heb je me daar evenwel een lief en verstandig Briefje

geschreven! Kan ik het niet nog meer pryzen? want, al den lof, dien

ik u geef als eene puntige schryfster, kryg ik _immers_ met intrest

te rug? Van my hebt gy _immers_ alles geleert; zeide gy zo niet,

Hartje lief?

Belieft myne Letje nu wel eens geheel aandagt, ja maar ook geheel

onderworpen te zyn? Och, ik heb myn woord gegeven! Zulk een aandrang

kon myn arm zwak hart niet weêrstaan! Gy weet, wat ik u geconfideert

heb? Gy kent myne achting voor den Heer Edeling. Gy weet, (of mooglyk

weet gy 't niet; _want weet ik juist zo de geheime historie van uw

hart_!) dat achting natuurlyker wyze in vriendschap, en vriendschap

heel gemaklyk in liefde kan overgaan? Hier uit zult gy kunnen opmaken,

dat het my onmooglyk was, onze Lotje een verzoekje te weigeren. "Daar

heb ik u schoon beet," zeit myn Voogd; en dan lacht de goede man, dat

hy schatert: Nu iets ernstigers!

Gister voormiddag ging myne aangenomen Dochter[1] met de kousjes, die

ik onze Klaartje had laten wasschen en opstryken, naar Oom Dirk.

's Middags niet te huis; dat's een goed teken, zei ik. Ten zeven uuren

werdt de sloof met een sleedje t'huis gebragt: zy kwam blymoedig de

zaal op. Naauwelyks hadt zy ons gegroet, of aan 't uithalen van haar

zakken. Oud en nieuw kwam te voorschyn: Chocolaadjes, Ulefeltjes,

Banket, twee grote kluwens fyne wol, om voor Oom koussen te breyen,

een pakje wol, dikke breinaalden, een doosje met wissewasjes. Zy

presenteerde ons van de snoepery: wy namen elk een Chocolaadje, maar

de Scavante bedankte met een hele viese tronie: "Ik proef nooit zulk

goed." Lotje was zo raar, en hadt zulke klugtige zetten, dat Hartog

zelf lachen moest.

Waarlyk, Lief, ik geloof dat zy meer is uitgebluscht, of overdrommelt,

dan wel dat zy van de Natuur zo geheel misdeelt is. Ziet gy wel, dat

ik veel edelmoediger ben, dan de meeste Doctoren, die de ziektens

hunner Lyders vergroten, om des te meer wonderen in het herstellen aan

den dag te brengen? Och, zo dra zy myne Patiente geworden is, heb ik

gezien, dat zy minder ver verzeilt was, dan ik gevreest had. Zy

verhaalde ons, dat zy uitnement vriendlyk was ontfangen; en dat zy de

vryheid had, om een taffen Sak te kopen, doch dat zy eene der

Juffrouwen zou verzoeken, om met haar te gaan. Zy hadt ook haar

speldegeld, en nog twee ducaten extra gekregen; nu vroeg zy my, of ik

de taf wilde kopen? dat ik met een, gaarn lieve Lotje, beantwoordde.

Toen zy met my, (want zy slaapt nu in myn Pavillioen, en ik slaap in

het uwe, tot gy weer t'huis zyt,) boven was, gaf zy my de twee

ducaten, die zy geleent hadt; ik nam die ook, doch alleen om haar eens

weer te helpen, want ik vrees, dat de duiten spoedig zullen wandelen.

Kon ik haar dat óók beduiden! Nu, alles met den tyd; ik moet niet te

veel gelyk doen. Myn Compliment aan Mevrouw uwe Tante. Hou uw Neef

maar; ik weet met al myn Vryers haast geen weg meer; voor al kom

spoedig by

_Uwe tederliefhebbende_

BURGERHART.

Noot:

[1] Lotje Rien du Tout, (spottend).

NEGEN EN TACHTIGSTE BRIEF.

MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.

_Waarde Willis!_

Victorie! Victorie! myne Vriendin is te regt. Ik heb haar weergevonden!

Frits, loop, draaf, vlieg met dit Paket ten eersten naar den Post:

--zo zal ik binnen weinig oogenblikken zeggen; Want ik sta zo met myn

handschoenen al aan, om met Lotje uittelopen. Kortjes dan. Lees de

nevensgaande een, twee, drie, vier Brieven, en oordeel, of ik misnoegt

op u ben; dit alleen nog: de waarde Dame weet niets, haar betreffende.

Ergo, zwygen is 't woord. Met ons zal 't wel schikken: hoe zeit Vader

Kats?

_Alschoon goê Vrienden kyven_,

_Zy zullen Vrienden blyven_.

Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart · 第 6 / 15 段