wáár. Wees toch zo goed en hou een wakent oog over haar; wy mans
hebben daar zo den slag niet van. Indien er iets mogt voorvallen, 't
geen u nodig schynt my te doen weten, zo verzoek ik ernstig om my met
uwe Brieven te verëeren. Ik weet heel wel, dat er geene beloning zyn
kan, die geëvenredigt is aan uwe zorg en raadgevingen voor en aan een
Meisje als myn Sarotje; evenwel zal het myn pligt zyn, om uwe
edelmoedige deelneming in haar op eene waardige wys te gedenken. Kan
ik u van dienst zyn, 't zy door myn persoon, of myn beurs? Ik ken geen
groter geluk dan waardige Vrouwen myne achting te kunnen bewyzen. Ik
ben met eerbied,
MEVROUW!
_Uw Ootmoedige Dienaar_,
ABRAHAM BLANKAART.
DERTIGSTE BRIEF.--Hendrik Edeling vertelt zijn broer Cornelis, hoe hij
Sara heeft leeren kennen; _hij is dol verliefd_. Zoo terloops sprak
hij er met z'n vader over en die had gehoord, dat Saar een dolle meid
was, die losjes leefde, wat hem speet, want haar vader was
achtenswaardig. Wil er niet van hooren en Hendrik is zeer braaf.
EEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Jacob Brunier schrijft een fatterig verliefd
briefje aan Sara, waarop zij onmiddellijk antwoordt.
TWEE EN DERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER JACOB BRUNIER.
_Myn Heer!_
Terwyl gy deezen ontfangt, zyt gy zeker nog druk bezig om uwe
Tonco-Boontjes[1] uit te zoeken. Nu, neem er uw tyd toe, want wy
blyven t'huis, en zien van daag niemand; dit _a governo_[2]; en terwyl
ik toch een verlegen uur heb, zal ik eenige regels krabbelen. Wel man,
gy hebt het vreeslyk volhandig! zo vele en zo vele gewichtige zaken;
't is te hard. Gy zyt nog jong, gy zult u dood werken. Zoudt gy niet
een substituut in uw ampt kunnen stellen, dan waart gy ten minste van
dien kant veilig, al moest het u wat kosten. 't Zou immers jammer zyn,
dat zulk een nyver en veelbelovent jong Heer vóór zyn tyd stierf. En
daar is voor u immers niet aan te denken, Brunier? Letje heeft my in
confidence, gezegt, dat gy, buiten haar zelf te rekenen, aan nog zes
Dames beursjes belooft hebt. De waarde Juffrouw Buigzaam heeft ook
reden van ongenoegen; nog hebt gy het Lint op haar Demicoëffé niet
verspelt, en gy zelf zegt, dat het zo niet meer gedragen wordt.
Juffrouw Hartog is knorrig, om dat gy haar de snuif niet bezorgt.
Juffrouw Lotje gromt alle morgen aan het ontbyt, om dat gy de
Tandpoeijer vergeet. Zie, dat zyn evenwel geen mooije dingen; en wat
zal uwe Zuster daar op toch zeggen, dan dat gy het zo volhandig hebt?
Het meisje haalt dikwyls een paar beschaamde kaken, als Juffrouw
Hartog u, in haren trant, hekelt. En hoe zeer ik ook uwe Vriendin ben,
ik zie geen redden aan die zaken: de menschen hebben gelyk. Indien gy
zo veel onderneemt, moet gy met meer orde handelen. Gy vindt immers,
als gy in den namiddag ons wat komt voorsnappen, allen bezig. De Weduw
naait. Letje breidt. Ik knoop aan myn manchetten. Juffrouw Hartog
speelt met haar hond. Juffrouw Lotje snuift, en frommelt haar zakdoek,
en gy zit er maar lui en leeg by. Waarom neemt gy uw werk niet mede,
dan kost gy als een werkent Lid onzer Societeit worden aangezien. Gy
voldeedt uwe zeven Dames; gy kost om snuif en tandpoeijers denken: gy
kost het Lint spelden _comme il faut_; en ons teffens in uwe nieuwe
denkbeelden doen delen. Dan, dunkt my, waart gy in zes maanden op een
effen bodem. Ik heb gemerkt, dat gy dikwyls in den spiegel kykt: wat
dunkt u, (zie ik wil ook voor uw vermaak zo wel, als voor uw nut
zorgen,) wat dunkt u, dat gy van Logement veranderde, en in een
Spiegelwinkel gingt wonen? Dat zou ook al tyd uitwinnen; dan zaagt gy
u ten vollen, in eens; en kon spoedig uw jabot verschikken, uw das
optrekken, de stofjes en pluisjes van uw kamizool[3] knippen. Ik zie
gaarn dat men zich wel kleedt, maar my voor een kenster in de
kledingskunst uittegeven,--daar zal ik wel afblyven. Myn geest is niet
geschikt tot het uitoeffenen van zulke verhevene zaken. Nu, zo als ik
zeg, neem het niet te zwaar op, en werk met orde. Gy weet wie ik ben?
_Uw Zusters Vriendin_,
----
Noten:
[1] Zaadjes van den Toncaboom: geneesmiddel. Men maakte er o.a.
beursjes van.
[2] Tot naricht.
[3] Vest.
DRIE EN DERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW ZUZANNA HOFLAND AAN MEJUFFROUW CORNELIA SLIMPSLAMP.
_Zuster lief!_
Nu kom ik eindelyk op de zaak, waar over ik u wilde schryven. Daar het
onze Bregtje Sara gezien, met een jong wilt Heer; zy geloofde, dat het
een uit de Kommedie was; en zy was nog veel ligtvaerdiger opgeschikt
dan de Pop van Pieternel, daar je men eens van schreef. Zy was een el
hoog gekapt. Haar Sack, (ja, zo een duivelsch kleed heb ik ook nog in
myn natuurstaat[1] gedragen!) was opgestrikt, je leven zo niet. Ze
hadt witte zyde koussen aan; denk, Zusje, witte zyde koussen, en
kerjeusde schoenen. En ander Orlosie bungelde een hope nesten en
vodden. En ze liep net als de Hoer van Babel met dien Monsieur gearmt.
Zy luisterde, Bregt zag het duidelyk, hem wat in, en toen keek hy de
meid aan, en lachte dat het een schande was. Hoor, Kee, ik ben somtyds
nog al bezwaart over haar; maar Broertje weet my zo tot rust te
brengen. Moet jy niet ietwat hebben, Zannetje, zeit hy, om je klein te
houwen? Is het niet beter, dat je jou bezwaart voelt om je zonden, dan
dat je een Armiaansch slik-grondje hebt? of dat je ziel door eigen
gerechtigheid den Duivel als een roofgoed wierdt overgelevert? En dan
wordt het my alles zo licht, zo licht; och ja, zo licht.
Maar Zusje, je hebt my zo dikwyls in gemoedsgevalletjes geraden, en
Salomon zeit: "twee zyn beter dan een." Ei lieve, wat moet ik doen?
Broeder Benjamin wil dat ik met Blankaart procedeer, zo hy my niet tot
een duit toe betaalt, volgens de Conditie met haar Moeder gemaakt. Al
haar goed is hier ook nog, al de kleeren, en zo voorts, van hare
Moeder, die eene pragtige Vrouw was; en al het gemaakt Zilver; maar
dat evenwel te verdonkeren, hoe zal dat gaan? Blankaart is een droevig
schepsel om mee te handelen; hy zou my, och ja! schandaal aan doen: En
evenwel het Hellewicht verdient zo veel goed niet; zy zou het ook tot
haar bederf gebruiken. Het alles over te geven is ook hart voor 't
vleesch: 't was evenwel myn Zusters goedje, wil ik spreken. Ei lieve,
zendt my nog eens het _Heilig Onrecht_ van Petrus Kwezelius. Ja, je
hebt toch dierbare schotse Boekjes. Wees gegroet, en antwoord my eens,
zul je?
ZUZANNA HOFLAND.
Noot:
[1] Vóór haar bekeering n.l.
VIER EN DERTIGSTE BRIEF.--Sara deelt Anna Willis mee, dat ze Jacob
Brunier voor den mal houdt, zich van hem bedient om zich te vermaken
en fatsoenshalve te doen vergezellen.
VYF EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelis Edeling antwoordt zijn broer
Hendrik: Kerel, er op los! Informeer of ze vrij is en dan, vooruit!
ZES EN DERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis waarschuwt Sara. Laat ze toch
geen geschenken aannemen van Jacob Brunier: hij heeft geen geld. Je
raakt op de tong, Saar!--De tante wordt beter. _Ze zendt haar de
sleutels van de linnenkast_, om wat goed op te sturen naar Rotterdam.
ZEVEN EN DERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
_Waarde Willis!_
Of ik nog lees? Wel, dat zou ik gelooven! Ik ben zelf de Lezeres voor
de Familie; en onze lieve Weduw heeft een allerkeurigst Bibliotheekje.
Maar ik heb zo veel over my zelf te schryven, dat het niet aan het
schryven over Boeken komen kan. Zeg wat gy wilt, _myn_ Cootje[1] is
nogthans een goed kind; het schikt zich zo kostelyk op, om zyn Saartje
te behagen, en schommelt uit alle hoekjes en reetjes van zyn armoedig
hoofdje al het verstand, dat hy bezit, by een, om er my op te
regaleeren.
En komt gy in geen zes weken t'huis! ô dat's goed; nu kan ik met myn
Held braaf plaizier nemen, zonder van u op de vingeren te krygen; ik
vrees maar dat ik, want zo zyn de kinderen! myn eigen kwaad niet zal
kunnen zwygen. Eéne conditie! zo gy ophoudt met grommen, hou ik op met
schryven. Waarom zou ik u beletten uw talent uit den doek te nemen? Gy
hebt de gaaf van bedillen, en ik die van er my mede te vermaken, en er
myn voordeel mede te doen. Nu ik er deeze flinken weer uitgegooit heb,
ga ik er my eens terdeeg toe zetten, om uwen Brief te beantwoorden.
Brunier kan zeker nooit myn Vriend zyn, in de sublime betekenis des
woords; maar hy kan, als de Broeder van Letje, als een ordentlyk
Jongman, met my op alle plaatzen komen. "Of hy met die vriendschap te
vreden is?" dat weet ik niet, en meen er myn hoofd ook niet meê te
breken. Is het niet beter, dat ik altoos met den zelfden Jongen
wandel, dan, zo als men zegt, met elk een uitloop? Tut, tut, die
onkosten bedragen niet veel, en bewaren hem mooglyk voor duizend
kostbaarder zotternyen: nu moet hy wel zuinig zyn, of hy kan niet met
ons uitgaan. Hoe ik het goed zal maken? och, zeer gemakkelyk! als hy
trouwt, zal ik zyne Vrouw een stuk huisraad kopen, tienmaal meer waart
dan die kleine uitgaven belopen: Is 't nu wel, myne deftige Willis?
Ja, ja, ik railleer met zyne gebrekkelyke zyde; hadt hy eene slegte
zyde, dan leverde ik den Patient aan u over. Och Heer! ik heb zo maar
wat _zedelyke_ mouches, Engelsche pleister, goudvlies, balsem van
Peru, lippenpommade en soortgelyke prulletjes; doch die zyn van geene
kragt altoos tegen de gebreken van een ziekelyk hart. Maar gy, myne
Vriendin, hebt wel andre kruiden, wil ik spreken, zegt Broêr Benjamin.
Het zou een zot stukje zyn, met zo een Borstje Briefwisseling te
houden; maar, wie zegt u, dat ik dit van zins ben? 't Komt niet in my
op. Ja, ik gelyk omtrent zo veel naar de Godlyke Clarissa Harlowe[2],
als myn schaapshoofd naar den vervloekten Lovelace: Heden, Naatje, hoe
viel u dit in gedagten?
Myn Brief laten zien? daar is hy niet mal genoeg toe; hy begrypt wel,
merk ik, dat ik hem voor een Zotje hou. In het volgende hebt gy
deugdzaam gelyk, ja het loopt drok genoeg: maar 't zal haast over zyn.
De kring is haast afgevlogen, en dan zal ik by myn eigen hart en by
myne dierbare Mama Buigzaam huisselyk t'huis zitten, en lezen, en
naaijen, en spelen, en zingen, en met één woord geschikt leven; met
Salomon uitgeeuwende: "ook-dit-alles-was-ydelheid!" Waan met dit alles
niet, dat ik in 't geheel niet meer denk. Ik denk dikwyls, en dat wel
zeer ernstig; maar, 't is of het kwaadje, zou Tantes Bregtje zeggen,
't is of het kwaadje er altoos met zyn neus by is; want de minste
beuzeling verstrooit my. Gy weet, lieve Willis, dat ik geen grote
zoekster van vygebladen ben, doch nu moet ik my echter vrypleiten. Ik
voel, dat ik eene sterke overhelling heb tot het zwaarmoedige; om die
reden verstrooi ik my wel eens met overleg; zo bang ben ik, om toch
nooit dat gebrek voor eene Deugd aan te zien. Nog een woord over het
lezen. Onze brave Huisvrouw heeft eene fraaije collectie van
Leerredenen: Die van Solicoffer en Doddridge bevallen my ongemeen. Wy
lezen zelf in den Bybel, kind; namentlyk de lieve Buigzaam, Letje en
ik; want Juffrouw Hartog is veel te geleert, en Lotje veel te gek, om
van die party te kunnen zyn. Ik verzeker u, dat ik nooit met zo veel
smaak het Evangelie las als nu, nu ik by eene Vrouw ben, die
godsdienstig is zonder veel uitwendigheid, en ons inprent, dat die wel
doet, wel vindt. En daar meê is dat maar uit.
_Ten slotte_, zegt onze geleerde Hartog. De stroom van zinnelyke
vermaken, (of wilt gy, van beuzelagtige uitspanningen? 't is my ook
wel,) moet eens met een springvloed over myn hart heen vloeijen, en al
dat drabbige zwaarmoedige mede spoelen, dat er in myn verdrietig leven
is op- en om- en ondergezakt; dan zal myn ernst redelyk, myne vrolykheid
helder, en myn geheel gedrag eenparig goed, nuttig en pligtmatig zyn.
Vaarwel! ik twyvel niet, of gy zult voldaan zyn over de uitvoering uwer
Commissie. De Meiden zyn wèl, en de dienstpresentatie aan de Juffrouwen.
Heden, Naatje, hoe raar was het my, zo als vrouw en voogd in uw huis te
dribbelen; wat had ik een wysheid in het terdeeg schikken uwer klederen,
enz. Willem, myn beste Willem, was gevallig t'huis. Toen ik hem zeide,
dat zyne Tante wat beter was, kon hy zyne blydschap niet verbergen; maar
toen ik er byvoegde, dat zyne Moeder nog wel zes weken uitbleef, keek hy
heel droevig. Die moedergek! ik zou den Jongen een kus hebben kunnen
geven, zo wèl stondt hem dat droevige; maar Willem is geen Coo Brunier.
Ik vrees, Naatje, dat uwe vermoedens wáár zyn. 't Smart my, want schoon
ik niemand liever voor myn Broeder had dan Willem, ik zou hem in geen
nader betrekking gelukkig kunnen maken. Arme Willem! dit maakt my
ongemaklyk. Omhels uwe Moeder voor
_Uwe Vriendin_,
SARA BURGERHART.
Noten:
[1] Jacob Brunier.
[2] Van Richardson: modeboek dier dagen--_sentimenteel_.
ACHT EN DERTIGSTE BRIEF.--Cornelia Slimpslamp ontraadt Zuzanna Hofland
te procedeeren, en schrijft haar over broeder Kwast te Rotterdam.
NEGEN EN DERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis, zeer verliefd, schrijft aan
Sara heel teerhartig; zij antwoordt onmiddellijk.
VEERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN DEN HEER WILLEM WILLIS.
_Myn lieve Willem!_
Is de man een kind geworden?--Zou ik misnoegt zyn? En om wat reden? Om
dat een braaf fatsoenlyk jong Heer, met wien ik zo veel ommegang heb,
wiens Moeder en Zuster myne hoogstgeachte Vriendinnen zyn, my, eindelyk,
op de betamelykste wys, zegt: dat ik hem niet onverschillig ben? Waarlyk,
dit zyn gruwelyke ondernemingen; vreest gy niet, dat ik u, met eene
theatrale houding, zal toevoegen:
"_Moi, je suis femme, je ne pardonne jamais_."
In ernst, Willem, ik dagt niet, dat gy zo dwaas, of dat ik zo eene
_Prude_ was; een van beiden moet echter zeker zyn. Ik zal u dan ééns
voor altóós tonen, dat _gy_ schuld hebt, en ik niet. Verstaat gy dat,
Vriend? Ik zal aan u schryven, als aan een' Jongeling dien ik hoogacht,
om dat hy de achting waardig is van veel beter menschen, dan meisjes
van negentien jaar zyn kunnen; vertrouwende echter, dat gy deeze myne
heuschheid niet zult misbruiken.
Geloof my dat ik, tot gistren toe, nooit er aan gedagt heb, of gy my
met andre dan de oogen eens Vriends zaagt. Myne verkeering met u was
weinig minder dan zusterlyk, en het heeft my duizendmaal gespeten, dat
gy myn Broêr niet waart, ook ten koste myner halve bezitting. Ik nam
alle uwe beleeftheden aan voor beleeftheden; en, om te zeggen zo als
't maar is, ik verwonderde my geen zier, dat gy, als ik by uwe Moeder
was, ons gezelschap hield: zie, me dunkt, dat kwam my toe; en welk
Meisje, zo vrolyk en zo achteloos, zou dit niet denken? Maar nu gy my
gezegd hebt, het geen gy my zeide, my zonder liflaffen, en met zulk
een ontroert gelaat, zeide, nu moet ik eenen anderen weg inslaan; om
dat ik het my zelf nooit zoude kunnen vergeven, een eerlyk man, die my
beminde, met ydele hoop den kap te vullen; en my te verlagen tot het
verachtelyk peil der Coquettes. 't Smert my, dat uwe genegenheid juist
gevallen is op de eenigste stoute meid, die u mooglyk eene
teleurstelling als deeze zou doen ondervinden. Wat kan ik het helpen?
Ik ken de liefde niet, en heb geen den minsten trek om zulk eene
grillige zaak te leeren kennen, om dat ik volkomen gelukkig ben in de
omstandigheden, waar in ik my bevinde. Hier uit kunt gy opmaken, dat
gy alle bedenkelyke reden hebt, om zo vriendlyk als nog ooit iemand te
groeten, dien ik nu en dan zie, en daar ik overal mee kom; ja dat gy
onreedlyk zyn zoudt, zo gy hem niet zo lief hadt als uw hart eischt.
Wel Willem, wel Willem, moet gy u óók in het Satirique omtrent de
Vrouwen vergrypen? Wie heeft u toch gezegt, dat wy altoos Beuzelaars
vóór hupsche Jongens verkiezen? De een of ander vergiftig knorrig ouwe
Vryer, denk ik, die de zonden zyner jeugd wel gaarn op eene Sex zoude
schuiven, die altoos door de beste mannen met achting behandelt wordt.
Wil ik u eens zeggen, hoe het eigenlyk zit? Wy Meisjes worden, meest
allen, op eene zeer kinderagtige wyze opgevoet. Men schynt omtrent het
bestaan onzer zielen als rechtzinnige Muzelmannen te denken. Ons
postuur, onze kleur, onze houding, trekken al de zorgvuldigheid: men
leert ons de kunst van behagen, en hierom krygen wy dans-, en
zingmeesters, en hierom moeten wy 't Fransch, 't Ombre leren, enz. Ik
beken, dat een Meisje ten minsten niet gekker zyn moet dan ik nu ben,
om, voor dat zy oud en lelyk wordt, te begrypen, dat alle deze
fraaiheden niets zyn dan bywerk, dat zy zo wel denken kan als haar
Broêr Piet, haar Neef Jan, haar Oom Gerrit. Het getal dier Meisjes
is grooter, dan men gelooft dat het is; doch wat zullen wy, arme
Zieltjes, evenwel doen, als wy zien, dat onze aanstaande Heeren en
Meesters zo verheven van verstand zyn, dat zy ons _idoliseeren_[1]
om die Beuzelingen; en mooglyk, (om hun eigen zelfs wil) geredelyk
ontslaan van alles, dat in 't oog der reden verdienstlyk is. Het is
ook wáár, dat velen uwer schikkelyke Borstjes al vry onaartige
Heertjes zyn; en waarom zouden wy, voor wy dat moeten doen, lastige
Druilöoren tot ons gezelschap kiezen? Onthoudt dit lesje, en doe er
altoos naar; dan zyt gy myn beste Willem, hoor.
Myne achting voor u is op uw goed en eerlyk karakter gegront; en myne
vriendschap hebt gy, om duizend goede hoedanigheden, die ik in u, als
Zoon en Broeder, heb opgemerkt. Hou u daar mede te vreden; want ik
verzeker u, dat er niets anders voor u te halen is. Vergeet my, en
poog u de liefde waardig te maken van eene veel betere Vrouw voor u,
dan ik ooit zyn kan. Zoo gy haar by my, om getuigenis van u te vragen,
zendt, dan zal ik haar reden geven, om over u voldaan te zyn. Gy zult
my zeer verpligten, indien gy u de smarte uitwint die gy mooglyk zoudt
gevoelen, als gy afscheid van my naamt. Ik ben
Uwe ware Vriendin,
S.B.
Noot:
[1] Verafgoden.
EEN EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed is erg ziek!
Zij waakt en verzorgt haar, is zeer onder den indruk, hoogst ernstig
gestemd.
TWEE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Willem Willis schrijft Sara: hij berust,
maar hoopt! Saartje's vroegere dienstbode uit het ouderlijk huis,
Pieternella Degelijk, heeft hij gesproken en die had de schrikkelijkste
dingen van haar gehoord! Hij heeft haar gerustgesteld. Nu gaat hij naar
Duitschland; haar portret neemt hij mee. Vaarwel!
DRIE EN VEERTIGSTE BRIEF.--Anna Willis stuurt goeie berichten en dank
voor Sara's zorgen. Willem zal een legaat krijgen van tante!--Zij is
op bezoek geweest bij tante's buurman en dat beschrijft ze: alles is
daar oudhollandsch degelijk en gul. Ze heeft daar kennis gemaakt met
Wijsneus, een pedant, en er ontmoet proponent Smit, een vroegeren
kennis: die bevalt haar!
VIER EN VEERTIGSTE BRIEF.--Sara aan Anna: Wed. Spilgoed wordt beter.
Deze vertelt haar droevig leven--een roman op zichzelf. Sara is hoogst
ernstig gestemd en leert inzien, dat met liefde en huwelijk niet valt
te spotten!
VIJF EN VEERTIGSTE BRIEF.
MEJUFFROUW SARA BURGERHART AAN MEJUFFROUW ANNA WILLIS.
_Waarde Vriendin!_
Voor 't eerst ben ik na het toeval myner geëerde Juffrouw Buigzaam
uitgeweest: Niet op eene Klossen-party, niet met een Wysneus en een
aanstaanden Dominé, maar met myn kostelyken Vriend, (zei Jan van Gyzen
tegen zyn Bok,) den Heer Jacob Brunier, verzelt van deszelfs Zuster
Aletta Brunier; en dat wel in de Fransche Comedie. Daar hebt gy immers
niets tegen? Ik kon u wel wys maken, dat ik er ging om myn Fransch te
onderhouên, doch dan jokte ik u wat voor. Neen, ik ging er met geen
ander oogmerk, dan om eens een Fransche Comedie te zien spelen. Wel
Naatje, ik raad u sterk aan om, voor gy van staat verandert, er ook
eens te gaan. En zo dit, gelyk myne Tante zegt, de Tente des Satans
is, dan moet ik u maar zeggen, dat hy als _un homme de Goût_, en
_comme il faut_ gelogeert is! Ik zag _les Femmes Sçavantes_ spelen,
een stuk van den groten Molière: myn genoegen was groot: alles dagt my
was natuur. Het karakter van Crisale smaakt my; maar dat _Excusez moi,
Monsieur, je n'entend pas du Grec_; hoe bekent ik daarmede ben, had al
het aantreklyke der nieuwigheid, toen het wierdt uitgesproken door
eene schone jonge Actrice, wier talenten men toejuichte. Ik was niet
weinig misnoegt over het gedrag van ettelyke Heren en Dames in drie of
vier Loges. Het spel zelf trok hun aandagt niet; dat is hunne zaak;
maar, andere fatsoenlyke Lieden te beletten om te voldoen aan het
oogmerk, waarom die naar zo eene plaats gaan, vind ik ten uitersten
onbeleeft. Zo ziet gy, kind, dat alles onvolmaakt is, of, zo als de
Heer Blankaart zegt: _alle regtertjes hebben er slinkertjes_. Zulke
onfatsoenlykheden, denk ik, kunnen niet belet worden. Wie doet den
Paus in den Ban? Cootje zegt my,--(ik noem myn auteur, om des te meer
klem aan zyne woorden en aanhalingen te geven,) dat lachen, praten,
badineeren, onder het spelen van de zielroerendste Treurspelen, thans
_du Ton_ is; en dat menig Champignon en Champignone de Fortune[1] daar
mede ontegenzeggelyk bewyzen, dat zy lieden van Rang zyn, en ten
minsten reeds deeze zes laatste jaren geweest zyn. Zeg je zo! was myn
antwoord; evenwel, al wierd ik altoos maar voor een Koopmans dochter
gehouden, ik meen deeze Certificatie van myn fatsoen niet mede te
nemen, om dat ik myne lieve Ouders niet in verdenking wil brengen, of
zy my ook wel hebben opgevoed.
Niettegenstaande deze en nog een half douzyn ongevalligheden, moet ik
u maar zeggen, kind, dat ik verzot ben op den Schouwburg; dat ik niet
kan begrypen, wat of men toch kan inbrengen tegen eene uitspanning,
die, wel ingericht, zo veel goeds kan uitwerken. Nu, dat mogen de
Geleerden afhaspelen, ik ga er heen, en dat wel zonder dat myn hart my
iets verwyt. Juffrouw Rien du Tout was zeer uit haar humeur, om dat wy
haar niet hadden meê genomen. 't Is myn schuld; ik vreesde, dat die
Beuzelagtige Woelgeest ons maar zou gehindert hebben: als wy weer gaan
zal ik haar zien in een Loge te plakken; daar zal zy zich beter
diverteeren dan by ons, die eenvoudig komen om te horen, te zien, te
wenen, of te lachen. Apropos, weet gy wel, dat het thans voor zeer
ongemaniert gehouden wordt, te schreijen by eene _Alsire_, en te
lachen by den _Français à Londres_? Zie, dit alles à Gouverno, het kon
u te pas komen. Ik moet u nog al meer fraais verhalen.
Onlangs was ik met myn trouwen schildknaap op een Publiek Concert: Coo
hadt gehoort, dat er eene der eerste Zangeressen voor 't eerst zingen,
en dat Cavalini[2] het Clavier zoude tracteeren. Maar moest men geen
geduld hebben zo taai als een leren lap, (wil ik spreken,) om niet
toornigjes te worden, op de manier van doen van eenigen der Grote
Lieden? Dáâr snapten drie vier Dames zo luit, dat ik duidelyk hoorde,
hoe het discours ging over het Puce-Lint van een Coëffure. Ginds
stonden een paar Heertjes als een paar malle Jongens,--(zoude ik
zeggen, zo ik niet verstaan had, dat zy aanstaande Vaderen des
Vaderlands waren,) arm in arm, de heerlykste Muziek na te lollen, ons
en passant, eenige Cabriolen op de koop toe verëerende: en dat, terwyl
myn gehele ziel wegsmolt door het heerlykste Vocaal en Instrumentaal
Muziek, dat ik immer hoorde. Hoe is 't mooglyk zo ongevoelig te zyn!
ik spreek niet eens van het onvoegsame: men doet veel om du Ton te
zyn! En die zelfde Babbelaarstertjes affecteerden zich, toen de een
en ander vroeg, of zy zich den avond beklaagden, dat zy geënchanteert
waren. Ende nu nog een kort woord tot u, myne Aandagtige! 't Is waar
de overgang is wat grillig; zoo spreek ik van Comedien en Concerten,
en zo koom ik tot myne deftige Vriendinne. Nu, gy weet hoe ik ben;
los, bedroeft los.
"Wel, zou Tante zeggen, wel kyk eens aan Nicht, daar moest de Tante
van je Vriendin juist te Rotterdam wonen, daar moest zy ziek worden;
daar moest Juffrouw Willis met haar Dochter by haar komen; daar moest
een Buurman wezen, die een klein soupeetje gaf, en daar moest juist de
Proponent Smit in de Stad zyn, om er dien avond by te wezen; Wat is
dat groot!" dus verre Tante.
En wat zegt Nicht? Wel Nicht is zeer in haar schik met die tyding, en
Nicht hoopt nog binnen 't jaar hare Vriendin in het eerwaardig
karakter van Dominees Vrouw gelukkig te zien. Heden, Naatje, dat moest
je doen: me dunkt, dat gy met niemand een juk kunt aantrekken dat u zo
wel voegen zal, dan met eenen Eerwaardigen. ô My! wat zal ik dan
dikwyls by u komen, al woonde gy aan 't einde van de Waereld of zelf
op Marken Buiten! want ik ben overtuigt, dat de man, dien gy verkiest,
waardig is dat men om hem de hele Toverlantaarn der Waereld goejen dag
zegt.