Omstreeks 1685 hield de Franschman Denis Papin, zich met plannen bezig,

om de kracht van den stoom nuttig aan te wenden. Het eerste denkbeeld,

om den stoom in eenen cilinder tegen eenen daarin passenden zuiger te

doen drukken, schijnt men aan hem verschuldigd te zijn, als ook de

veiligheidsklep voor stoomketels, en de eigenschap dat de stoom te

condenseren is. Papin met zijne onderzoekingen voortgaande, werkte

daarin ten laatsten nagenoeg gelijktijdig met Thomas Savery in Engeland,

die aldaar gelukkiger was, want in 1698 verkreeg Savery een patent of

octrooi, op eene door hem uitgedachte zoogenaamde vuur-machine, voor

opvoering van water geschikt.

Thomas Newcomen met John Cawley waren te _Dartmouth_ weder volgende

verbeteraars; deze gaven het stoomwerktuig of de zoogenaamde

vuur-machine eenen cilinder met zuiger, onder dien zuiger werd,

rijzende, stoom in den cilinder gelaten, en vervolgens gecondenseerd,

waardoor de zuiger met een vermogen aan den dampkringsdruk gelijk weder

daalde; dit condenseren van den sloom geschiedde aanvankelijk door

uitwendige verkoeling van den cilinder, doch later op eene eenvoudiger

wijze, dat is: door inspuiting van koud water binnen den cilinder

zelven;--dewijl Savery vroeger een octrooi voor het condenseren van

stoom door verkoeling verkregen had, zoo werd hij in 1705 met Newcomen

en Cawley, deelgenoot in een nieuw octrooi;--in den beginne moesten in

deze werktuigen, door eenen persoon, op de juiste tijdstippen de kranen

of kleppen, die voor toelating en afsluiting van stoom en ter

invloeijing van het condenserend injectie-water dienen, met de hand

worden bewogen; de overlevering wil, dat een daarmede belaste jongeling,

Humphrey Potter genaamd, die eentoonige bewerking moede, bedacht, om die

kranen in verbinding te brengen met den op en neder bewegende hefbalk of

balans, hetgeen later verbeterd werd, waardoor alzoo de machine zelve de

toelating van stoom en water regelde op eene veel betere wijze, dan met

de hand kan worden verrigt.

Zoodanige vuurmachinen of stoomwerktuigen, later nog verbeterd door

Henry Brighton en vervolgens door John Smeaton, en die men

Athmospherische noemt, zijn vervolgens veel in gebruik gekomen,

hoofdzakelijk voor het oppompen van water. De stoom, welke daarin

werkte, ging in spanning den druk des dampkrings maar weinig te boven.

In 1720 gaf de Duitscher Leupold eene eenvoudige zamenstelling aan de

hand, om den meer vermogenden stoom van hoogeren druk aan te wenden.

In 1736 verkreeg Jonathan Hulls, in Engeland, een octrooi op eene door

hem uitgevondene machine, die door stoom zou bewogen worden, om

vaartuigen uit en in havens of rivieren te voeren, tegen wind en stroom

of in kalmte; doch hij ondervond, hoewel hij daarvan eene beschrijving

in het licht gaf, weinige aanmoediging; daar hij voorstelde, om door

middel van eenen op- en nedergaanden stoomzuiger, voortstuwende

ronddraaijende vleugelwielen of raderen te bezigen, zoo deed hij zien,

hoe van heen en wedergaande beweging tot zijn oogmerk partij te trekken

was.

Omstreeks 1750 begon het Athmospherische stoomwerktuig meer en meer voor

algemeene beweegkracht gebruikt te worden, en zich verspreidende, in

plaats van de gewone water- en paarden- of rosmolens te komen, hoewel

het werken daarmede toen kostbaarder was dan het gebruik van paarden,

alleen voordeeliger op plaatsen, alwaar de brandstof weinig geld kost,

zoo als in de nabijheid van kolenmijnen; de verwisseling dezer

werktuigen voor paarden gaf aanleiding, dat men het vermogen eens

stoomwerktuigs, met zoogenaamde paardenkrachten vergeleek.

In 1757 stelde Keane Fitzgerald voor, om ter regeling van eene

rondgaande beweging, door eene heen- en wedergaande verkregen, het

vliegwiel te bezigen.

James Brindley werd in 1759 geoctrooijeerd, voor het verwarmen van

stoom-leverend water, door middel van een geheel met water omringd

fornuis, in eenen beslotenen houten of steenen bak.

Weinig tijds daarna ving de Engelschman James Watt zijne onderzoekingen

aan ter verbetering van stoomwerktuigen; hij verkreeg, in 1769 een

octrooi, dat zeer belangrijke zaken inhield: 1^e om den stoom in den

stoom-cilinder zoo min mogelijk van deszelfs warmte te doen verliezen;

2^e om den stoom, niet in den cilinder, maar in een afgezonderd vat,

daar buiten, te condenseren; 3^e om het aldus gecondenseerde water en de

mede ontwikkelde lucht, door middel van pomptuig uit den condensor te

trekken; 4^e om den stoom slechts voor een gedeelte in den cilinder te

laten, en verder zich daar binnen te laten ontspannen; 5^e om wanneer

direkte rondgaande beweging verlangd werd, den stoom te doen werken

tusschen gewigten, welken in eenen hollen cirkelronden ring of band,

sluitend beweegbaar zijn, en kleppen passeren, in zoodanige manier, dat

die ring of band daardoor op eene horizontale as ronddraait, het zij met

of zonder stoom condensatie; 6^e om eene machine te doen werken, door

beurtelingsche inkrimping en uitzetting van stoom; en 7^e in plaats van

water, olie, was en dergelijke vette stoffen, kwik of andere metalen in

vloeibaren staat, te bezigen voor het digt houden van zuigers en andere

deelen. Groote verbetering van het stoomwerktuig was daarvan het gevolg.

In Frankrijk deed Périer in 1775 mislukte proeven op de rivier de

_Seine_, om een vaartuig door middel van stoomkracht voort te stuwen.

James Watt vond in 1776 den zoogenaamden tubulairen condensor uit, dat

is: een' zoodanigen, waar binnen de stoom in enge, uitwendig verkoelde,

pijpen gecondenseerd wordt.

Aan James Pickard te _Birmingham_ werd in 1780 octrooi verleend, voor de

aanwending van het vliegwiel met aanverbondene kruk; dienende, om op

eene aller eenvoudigste wijze, de heen- en wedergaande beweging eens

stoomzuigers in eene regelmatige omwentelende of ronddraaijende te

veranderen; James Watt bedacht tot dat zelfde einde, welligt ter

vermijding van dit uitsluitend regt, onder anderen, de zoogenaamde

zon- en planeet raderen, waardoor het vliegwiel met dubbele snelheid door

de drijfstang wordt omgevoerd.

In 1781 en 82 werden aan James Watt nog andere octrooijen verleend,

waaronder bovenal de uitvinding uitmunt, om den stoom beurtelings ter

wederzijden van een' zelfden zuiger te doen drukken; eene uitvinding,

welke gepaard aan zijne vroegere, om den stoom buiten den cilinder te

condenseren, van het grootste nut is geworden, door het stoomwerktuig de

eigenschap te geven, om het vermogen van tweemaal zoo veel stoom in

denzelfden tijd nuttig te doen werken.

Jonathan Hornblower verwierf in 1781 een octrooi op de uitvinding, om

stoom van hoogen druk eerst in een kleinen en daarna in eenen grooten

cilinder ontspannende gecombineerd te doen werken.

In 1782 was het de _Marquis_ de Jouffroy, die eene stoomboot

zamenstelde, welke op de rivier _Saone_ nabij _Lyon_ ongeveer vijftien

maanden in werking is geweest.

Onder de geoctrooijeerde uitvindingen van James Watt was in 1784 het,

door hem uitgedachte, toestel der zoo genaamde evenwijdige of parallelle

beweging begrepen; deze en andere opvolgende uitvindingen van James Watt

in het stoomwerktuigelijke, zijn over het algemeen zeer verdienstelijk

geweest en hebben een uitmuntend gevolg gehad; zoo dat hij te regt als

een der grootste verbeteraars kan aangemerkt worden. Om de fabrijkmatige

uitvoering zijner machinen te bevorderen, vereenigde hij zich met

Boulton, welken met de daarvoor vereischte middelen eenen gewenschten

invloed en daarbij doorzigt bezat, zoodat de fabrijk van Boulton, Watt &

Comp. te _Soho_, zeer vele goede stoomwerktuigen heeft opgeleverd.

In Amerika stelde Fitch in 1787 eene stoomboot op de rivier _Delaware_

te werk, welke niet bleef voldoen; ook in dat zelfde jaar werkte Rumsey

aldaar eene stoomboot af, die, door voor ingezogen en achter uitgeperst

water, moest werken, doch die mislukte.

In 1788 en 89 deed Patrick Miller met eene stoomboot op het _Forth-_ en

_Clide_ kanaal in Schotland proeven, waaraan geen verder gevolg werd

gegeven.

Bramah en Dickinson ontvingen in 1790 octrooi op een zoogenaamd rotatief

stoomwerktuig, en in 1791 Sadler op een dergelijk, doch welke buiten

gebruik zijn gebleven, even als dit met de daartoe betrekkelijke

vroegere uitvindingen van James Watt het geval is.

Aan Edmund Cartwright te _Middlesex_ werd in 1797 onder anderen octrooi

verleend, om stoomwerktuigen, voor stoom van spiritus of alcohol bekwaam

te maken, waardoor veel brandstoffen zouden worden geëconomiseerd.

In 1798 werd in Amerika aan Livingston octrooi gegeven, om door middel

van stoomkracht, vaartuigen voort te stuwen, doch dat aanvankelijk geen

gevolg opleverde.

Mathew Murray beweerde in 1799, dat het bezigen van horizontale of

liggende stoomcilinders voordeel zoude aanbrengen.

Een octrooi van 1801 verzekerden aan Joseph Bramah het uitsluitend

gebruik van zoogenaamde vierwegkranen in stoomwerktuigen.

Ten jare 1802 voleindigde William Symington eene sleepstoomboot, die met

ijsbrekende werktuigen zoude voorzien zijn; tenzelfden tijde

vervaardigde Richard Trevethick en Alexander Vivian in Engeland een

stoomwerktuig van hooge drukking, dat beknopt, vervoerbaar en voor

stoomrijtuigen geschikt zoude zijn.

In 1803 erlangde Arthur Woolf een octrooi voor zoogenaamde tubulaire

stoomketels, dat zijn de zoodanige, waarin het vlammende gaz uit het

vuur door enge pijpen stroomt, en alzoo het water verwarmt. In dat

zelfde jaar heeft Fulton, onder aanmoediging van Livingston, op de

rivier de _Seine_ nabij _Parijs_, proeven genomen met eene door hem

zamengestelde stoomboot, waaruit de mogelijkheid, om stoomkracht op

vaartuigen nuttig toe te passen, bleek.

Omstreeks 1804 begon Olivier Evans zich in Amerika bezig te houden met

het vervaardigen van stoomwerktuigen van hoogen druk. In 1805 deden

Trevethick en Vivian in Engeland, op eenen spoorweg te _Merthyr Tydvil_,

vrij voldoende proeven met een stoomrijtuig, dat eenen liggenden

stoomcilinder bezat.

In 1807 bragt Fulton het eerste welgeslaagde stoomvaartuig te _Newyork_

in Amerika in werking, hetwelk naar zijne plannen met machinen voorzien

was, die in de Engelsche fabrijk van Boulton, Watt & Comp. vervaardigd

waren.

Blinkensop bekwam in 1811 een octrooi, om de wielen van stoomrijtuigen

en de sporen waarover dezelve rollen, met in elkander werkende tanden te

voorzien, ten einde het vermeend doorglijden te voorkomen.

In Amerika werden omstreeks 1812 op de rivier _Missisippi_ stoomboten

gezien, die werkelijk goede dienst deden; in dat jaar werd aan Chapman

een octrooi verstrekt, voor het bezigen van eenen tusschen de sporen

gelegene ketting, die om eenen trommel geslagen, ter voortbeweging van

een stoomrijtuig moest dienen.

De eerste stoomboot, welke in Engeland eenigzins voldeed, was in 1812

die van Bell en Thomson, waarvoor Wood te _Glascow_ de machine

vervaardigde; zij voer op de rivier _Clide_ in Schotland.

In 1813 werd in Engeland octrooi verstrekt, om stoomrijtuigen door

middel van stooters of voeten, in plaats van drijfwielen, op den weg

voort te stuwen.

Stephenson te _Kellingworth_ voleinde in 1814 een stoomrijtuig met twee

in den stoomketel besloten verticaal staande stoomcilinders, waarvan de

drijfwielen effene vellingen of buiten omtrekken hadden, die zich

daarmede op effene sporen voortbewogen.

Het octrooi van 1816 aan John Neville te _Londen_, behelsde onder

andere: de aanwending van zoogenaamde occilerende stoomcilinders, dat

is: cilinders, welke op eene as beweegbaar zijn, en waarvan de stang des

daarin werkenden stoomzuigers, aan de kruk van eene omdraaijende

hoofd-as gekoppeld is. In dat zelfde jaar bekwam Muntz een octrooi voor

het verbeterd verbranden der rook ter economisering van brandstof;

William Brunton in 1819 voor draaijend roosterwerk in de vuurplaatsen

van stoomketels, waarover zich de brandstof gelijkmatig verspreidde, en

Josiah Parkes in 1820 voor bijzondere toelating van lucht in

vuurplaatsen van stoomketels ter betere verbranding van den rook en ter

bezuiniging van brandstoffen. In 1822 verkreeg Jakob Perkins octrooi, om

stoom van zeer hoogen druk op eene bijzondere wijze voort te brengen.

In 1825 ontving Timothy Burstal octrooi, en in 1826 gezamentlijk met

John Hill, voor stoomrijtuigen op spoor- en gewone wegen toepasselijk;

die machinen waren voorzien met twee regtop staande stoomcilinders.

De verbeteringen van het stoomwerktuig maakte gestadig vorderingen en

bij gevolg ook de locomotieven zoo wel te water als te land op spoor- en

gewone wegen. In 1829 werden in Engeland op den _Manchester_ spoorweg,

welke in dat jaar geopend werd, vergelijkende proeven genomen met

stoomrijtuigen van de toen als meest ervaren geachte werktuigkundigen en

fabrijkeurs als van Robert Stephenson, Braithwaite en Ericson,

Hackworth, Burstal en Brandreth; van die allen was dat van Stephenson

het meest voldoende, wien dan ook de uitgeloofde premie werd toegewezen.

Dit werktuig bezat twee stoomcilinders, die ter wederzijden van den

ketel in liggende rigting gesteld waren; later plaatste Stephenson de

stoomcilinders geschikter onder den ketel, waar zij beter besloten en

meer tegen afkoeling beschermd waren; de ketel was een zoogenaamde

tubulaire. Voor gewone wegen, die met geene sporen voorzien zijn, hebben

de stoomrijtuigen ook allengs verbetering bekomen, doch zijn den anderen

in dat opzigt altijd ten achteren gebleven, dewijl voor gewone wegen

zich zeer veel moeijelijkheden opdoen. In Engeland hebben, onder

anderen, Gurney en Hancock, in verschillende manieren meer of min

voldoende proeven daarvan geleverd.

Aan den Engelschman Thomas Howard werd in 1835 octrooi verleend, voor

het voortbrengen van waterstoom op verhitte kwik.

§ 86.

Alzoo bevat de voorgaande § eene opvolging van de meest belangrijke

uitvindingen en verbeteringen het stoomwerktuig betreffende, waarop

weder andere zijn gegrond geworden, of zich zullen vestigen. Men heeft

daarbij kunnen opmerken, dat de vordering in het stoomwerktuigelijke

aanvankelijk langzaam, doch later met versnelde schreden is

vooruitgegaan, en tegenwoordig blijft men onvermoeid bezig, daaraan de

hand te houden. Maar het moet ook gezegd worden, dat de verbeteringen

hoe langer hoe meer van de juistheid in werkdadige uitvoering, dat is

van nette vervaardiging, afhankelijk geraken, waarin men allengs

vordert. In verschillende landen wedijvert men thans met elkander, in

verbetering, zoo ten aanzien van inrigting als uitvoering, waarvan de

drukpers ons gestadig de bewijzen levert. In ons land is de uitvoering

almede tot eene groote hoogte geklommen, zoo dat men zich in geenen

deele meer tot vreemden behoeft te wenden, om eene zoo volmaakt

mogelijke uitvoering te verkrijgen; ook kunnen wij, wat de betrekkelijke

prijzen aangaat, onder de begunstiging van het Gouvernement, met

buitenlandsche fabrijken wedijveren, iets dat, om reden wij het grootste

gedeelte grondstoffen van elders moeten trekken, zonderling moge

voorkomen, doch niettemin waar is.

§ 87.

Wij zullen dit werkje besluiten met de opgaven der verhouding van eenige

_Engelsche_ maten met de _Nederlandsche_ en omgekeerd; niet alleen, om

dat die vreemde maat, buiten Engeland ook in vele fabrijken gebezigd

wordt, maar ook, om de vergelijking van betrekkelijke afmetingen te

kunnen doen, bij uitvoeringen en opgaven dier, in het

stoomwerktuigelijke zeer bedrijvige, natie.

Vervolgens hebben wij twee tafelen toegevoegd, waarin men met eenen

oogopslag kan zien, welke maat de middellijn van een stationair

stoomwerktuig van lage drukking behoort te hebben, hetwelk met eenen

zuigerslag, aan het dubbel van den zuiger-middellijn gelijk, een bepaald

vermogen in nominale paardenkrachten zal opleveren, en omgekeerd; zijnde

een zuigerslag, die aan het tweevoud van de zuiger-middellijn gelijk is,

de verkiesselijkste; een stoomzuiger zal grooter middellijn moeten

bezitten, om hetzelfde getal nominale paardenkrachten op te leveren,

wanneer deszelfs slag kleiner is dan in de tafelen wordt voorondersteld;

en tegenovergesteld, zal de zuiger kleiner middellijn moeten hebben,

ingeval de slag meer bedraagt dan volgens de tafelen.

+--------------------------------------------------------------+

| _Engelsche Maten._ | _Nederlandsche_ |

| | _Maten._ |

|--------------------------------------+-----------------------|

|1/8 Duim is nagenoeg gelijk aan| 3.17 Strepen. |

|1 " " " | 2.54 Duimen. |

|1 Voet " " | 3.05 Palmen. |

|1 Statuut Mijl " " |1609.3 Ellen. |

|1 Vierkante Duim " " | 6.45 Vierk. Duimen. |

|1 " Voet " " | 9.29 " Palmen. |

|1 Kubiek Duim " " |16.386 Kub. Duimen. |

|1 " Voet " " |28.315 " Palmen. |

|1 Avoir du Pois (pond) " " |45.36 Looden. |

|1 Trooisch Pond " " |37.32 " |

|1 Gallon " " | 4.54 Kannen. |

|1 Chaldron " " |13.09 Mud. of Vat. |

|1 Buchel " " | 0.36 " " |

+--------------------------------------------------------------+

+--------------------------------------------------------------+

| _Nederlandsche Maten._ | _Engelsche_ |

| | _Maten._ |

|---------------------------------+----------------------------|

|1 Duim is nagenoeg gelijk aan| 0.39 Duimen. |

|1 Palm " " | 3.94 " |

|1 El " " | 3.28 Voeten. |

|1 Mijl " " |3280.9 " |

|1 Vierkante Duim " " | 0.16 Vierk. Duimen. |

|1 " Palm " " |15.50 " " |

|1 " El " " |10.76 " Voeten. |

|1 Kubiek Duim " " | 0.061 Kub. Duimen. |

|1 " Palm " " |61.027 " " |

|1 " El " " |35.317 " Voeten. |

|1 Pond " " | 2.205 A. d. Pois (pond) |

|1 " " " | 2.679 trooische " |

|1 Kan of Kop " " | 0.22 Gallon. |

|1 Mud of Vat " " | 0.076 Chaldron. |

|1 " " " " " | 2.75 Buchels. |

+--------------------------------------------------------------+

Eene Geographische mijl van 60 in eenen gemiddelden graad, eene

Engelsche zeemijl, is gelijk aan 6076 Engelsche voeten of aan 1852

Nederlandsche ellen;

Eene Geographische mijl van 20 in eenen gemiddelden graad, of een

Hollandsch uur gaans, is gelijk aan 18227 Engelsche voeten of aan 5555.6

Nederlandsche ellen.

Eene Geographische mijl van 15 in eenen gemiddelden graad, dat is eene

Duitsche mijl of eene Hollandsche zeemijl, is gelijk aan 24303 Engelsche

voeten of aan 7407-1/2 Nederlandsche ellen.

BIJVOEGSEL.

Eene zoogenaamde Paardenkracht is gelijk aan 33000 Engelsche A. d. P.

(ponden), in den tijd van 1 minuut, 1 voet hoog opgebragt;

overeenkomende met 4562-1/2 Nederlandsche ponden, in den zelfden tijd, 1

Nederlandsch el hoog opgevoerd, (zie § 46).

De gemiddelde hoogte van den kwikkolom in den Barometer, bedraagt 30

Engelsche duimen, overeenkomende met 76.2 Nederlandsche duimen, (zie §

10).

* * * * *

Het gebruik der beide volgende tafelen is eenvoudig, bij voorbeeld:

welke middellijn behoort een stoomzuiger te hebben, voor eene machine

van 100 nominale paardenkrachten? Hiertoe bezigt men de eerste tafel,

waarin tegen over dat getal der eerste kolom, in de tweede kolom 122.2

Ned. duimen voor de gevraagde zuigermiddellijn gevonden wordt, in de

derde kolom is daar nevens, het dubbel, of de slaglengte 2.44 ned. ellen

gesteld, en in de vierde kolom het aantal dubbele zuigerslagen, 15.1, in

eene minuut.

Ten andere willende weten, hoeveel nominale paardenkrachten overeenkomen

met de middellijn van eenen stoomzuiger van 120 ned. duimen? zoo vindt

men in de tweede tafel in de vierde kolom tegenover dit getal duimen, 96

N. paardenkrachten; de dubbele slaglengte, 2.40 ned. el., wordt in de

tweede, en het aantal dubbele zuigerslagen per minuut, 15.3, in de derde

kolom daar nevens gevonden.

+-----------------------------------------------------------+

| Z U I G E R. |

| |

+-----------------------------------------------------------+

| NOMINALE MIDDELLIJN. SLAGLENGTE. DUBB. SLAGEN |

|PAARDENKRACHTEN. PER MINUUT. |

| _Nederl. duimen._ _Ned. ellen._ |

|-----------------------------------------------------------|

| 1 15.1 0.35 80.5 |

| 2 21.0 0.42 59.6 |

| 4 29.0 0.58 45.2 |

| 6 34.9 0.70 38.7 |

| 8 39.9 0.80 34.7 |

| 10 44.1 0.88 32.2 |

|-----------------------------------------------------------|

| 12 47.9 0.96 30.0 |

| 14 51.3 1.03 28.4 |

| 16 54.5 1.09 27.2 |

| 18 57.4 1.15 26.2 |

| 20 60.2 1.20 25.3 |

| 25 66.5 1.33 23.3 |

|-----------------------------------------------------------|

| 30 72.1 1.44 22.1 |

| 35 77.2 1.54 21.0 |

| 40 81.8 1.64 20.1 |

| 45 86.1 1.72 19.4 |

| 50 90.2 1.80 18.8 |

| 55 94.1 1.88 18.2 |

|-----------------------------------------------------------|

| 60 97.7 1.95 17.7 |

| 65 101.1 2.02 17.3 |

| 70 104.5 2.09 16.9 |

| 75 107.7 2.15 16.6 |

| 80 110.8 2.21 16.2 |

| 85 113.8 2.27 15.9 |

|-----------------------------------------------------------|

| 90 116.7 2.33 15.6 |

| 95 119.5 2.39 15.3 |

| 100 122.2 2.44 15.1 |

| 110 127.4 2.55 14.7 |

| 120 132.3 2.65 14.3 |

| 130 137.1 2.74 13.9 |

|-----------------------------------------------------------|

| 140 141.6 2.83 13.6 |

| 150 145.9 2.92 13.3 |

| 160 150.2 3.00 13.0 |

| 170 154.3 3.09 12.8 |

| 180 158.2 3.16 12.5 |

| 190 162.1 3.24 12.3 |

|-----------------------------------------------------------|

| 200 165.9 3.32 12.1 |

| 210 169.5 3.39 11.9 |

| 220 173.0 3.46 11.7 |

| 230 176.5 3.53 11.5 |

| 240 179.9 3.60 11.3 |

| 250 183.3 3.67 11.2 |

+-----------------------------------------------------------+

+-----------------------------------------------------------+

| Z U I G E R. |

| |

+-----------------------------------------------------------+

| MIDDELLIJN. SLAGLENGTE. DUBB. SLAGEN NOMINALE |

| PER MINUUT. PAARDENKRACHTEN |

| _Ned. duimen._ _Ned. ellen._ |

+-----------------------------------------------------------+

| 15 0.30 80.5 1.0 |

| 20 0.40 62.3 1.8 |

| 25 0.50 51.3 2.9 |

| 30 0.60 44.0 4.3 |

| 35 0.70 38.7 6.0 |

|-----------------------------------------------------------|

| 40 0.80 34.7 8.1 |

| 45 0.90 31.6 10.5 |

| 50 1.00 29.1 13.2 |

| 55 1.10 27.0 16.3 |

| 60 1.20 25.3 19.8 |

|-----------------------------------------------------------|

| 65 1.30 23.8 23.8 |

| 70 1.40 22.6 28.1 |

| 75 1.50 21.4 32.8 |

| 80 1.60 20.5 38.0 |

| 85 1.70 19.6 43.6 |

|-----------------------------------------------------------|

| 90 1.80 18.8 49.7 |

| 95 1.90 18.1 56.3 |

| 100 2.00 17.4 63.3 |

| 105 2.10 16.8 70.7 |

| 110 2.20 16.3 78.7 |

|-----------------------------------------------------------|

| 115 2.30 15.8 87.1 |

| 120 2.40 15.3 96.0 |

| 125 2.50 14.9 105.4 |

| 130 2.60 14.4 115.2 |

| 135 2.70 14.1 125.6 |

|-----------------------------------------------------------|

| 140 2.80 13.7 136.4 |

| 145 2.90 13.3 147.7 |

| 150 3.00 13.0 159.5 |

| 155 3.10 12.7 171.8 |

| 160 3.20 12.4 184.6 |

|-----------------------------------------------------------|

| 165 3.30 12.1 197.8 |

| 170 3.40 11.9 211.5 |

| 175 3.50 11.6 225.6 |

| 180 3.60 11.3 240.3 |

| 185 3.70 11.1 255.3 |

+-----------------------------------------------------------+

VERKLARING DER AFBEELDINGEN,

VOORSTELLENDE EENE STOOMMACHINE VAN LAGE DRUKKING MET DAARBIJ

BEHOORENDEN STOOMKETEL VOOR EEN VAARTUIG, NAAR DE LAATSTE MEEST

VERTROUWDE ZAMENSTELLING.

Een stoomvaartuig bevat gewoonlijk twee gelijke _machinen_ welken te

zamen eene _hoofd-_ of _wiel-as_ in beweging brengen, waaraan de

_roei-wielen_ of _schepraden_ zijn verbonden, die ter weder zijde van

het vaartuig op eenige diepte in het water treden, en rond wentelende,

alzoo den drijvende bodem voortstuwen. Elke machine drijft de _hoofd-_

of _wiel-as_ om door middel van eene _kruk_; de beide _krukken_ zijn in

regthoekige rigting tot elkander op de _hoofd-as_ gesteld, zoodat

dezelve nimmer gelijktijdig in hoogsten of laagsten stand staan, maar

een vierde van eenen omwenteling daarin met elkander verschillen. Beide

_machinen_ worden met stoom voorzien, het zij door eenen enkelvoudigen

of door een zamenstel van meer dan eenen _ketel_. In de onderwerpelijke

afbeeldingen is het een enkelvoudige _ketel_ voor stoomlevering aan twee

gelijke _machinen_; eene dergelijke en nevens elkander geplaatste

_machine_ wordt hier alleen voorgesteld, waarvan de verklaring geheel op

de andere toepasselijk is.

Figuur 1. verbeeldt het zij aanzigt van den enkelvoudigen _stoomketel_

en van eene _machine_. Figuur 2. is de doorsnede overlangs van dien

_ketel_ en van die zelfde _machine_; de _roei-wielen_ of _schepraden_

zijn alleen met gestippelde lijnen in Fig. 1 aangeduid, hetgeen

voldoende duidelijk is, en geene verdere uitleg behoeft, de bijgestelde

letters en nommers dienen in beide Figuren voor de volgende

aanwijzingen:

Verklaring van het stoomwerktuig zijnde eene algemeen bevattelijke beschrijving van deszelfs onderscheidene deelen, zamenstelling en werking. · 第 8 / 9 段