luchtpomp; in den condensor vloeit uit den cilinder de stoom, welke den
zuiger dalende of rijzende bewogen heeft, en komt daar in aanraking met
eenen stroom koud water, welke eene kraan, injectiekraan geheeten,
verschaft; door de aanraking met dat koude water verdikt zich de stoom,
en gaat des te meer tot water over, naar gelang dat water kouder is; hoe
meer stoom op die wijze vernietigd wordt, des te ijler, of minder
tegenstand biedende, de overgeblevene stoom zal zijn ten nutte van het
vermogen der machine; de hoeveelheid van dit koel- of injectiewater
wordt met behulp van gezegde kraan, door den bestuurder der machine ten
beste geregeld. Houdt hij de kraan te veel gesloten dan zal het ijdel in
den condensor onvoldoende wezen, waardoor de machine vermogen verliest;
is daarentegen die kraan te veel geopend, dan zal de ledigende
luchtpompzuiger overbodig water moeten opbrengen, terwijl de condensor
ruimte tevens verkleint, hetgeen beiden het vermogen van de machine
benadeelt; het aldus als het ware ingespoten water ontwikkelt lucht, die
door de luchtpomp, ook met het water, dat de verdikte stoom heeft
opgeleverd, moet worden uitgevoerd. In stoomwerktuigen van lagen druk
van dubbele werking, dat zijn de zoodanigen, waarin de stoom boven en
onder den zuiger drukt, en welke wij hoofdzakelijk tot onderwerp hebben
gekozen, bedraagt de hoeveelheid injectiewater, wanneer dit de
temperatuur van 62 graden bezit, gemiddeld, 29 malen het gewigt
ketelvoeding water, zoodat dit, naar dien grondslag, evenredig is aan de
hoeveelheid stoom, welke in den cilinder vloeit; zoo is in ons voorbeeld
van § 75, betrekkelijk stoom van lagen druk, met eenen stoomcilinder
welke 57 Ned. duim tot middellijn heeft, en eenen zuigerslag van 1.14
Ned. el, die 26 dubbele zuigerslagen per minuut volbrengt, alsmede met
afsluiting van stoomtoevloeijng op drie vierde gedeelte van den
zuigerslag, de vereischte hoeveelheid voeding water per uur 539 Ned.
ponden, bij gevolg het noodige injectiewater gemiddeld 539 maal 29 of
15631 Ned. ponden; daar nu zoodanige maten, blijkens § 49. passen voor
een stoomwerktuig van lagendruk van 17-7/10 nominale paardenkrachten,
zoo volgt, dat hier per nominale paardenkracht, gemiddeld eene
hoeveelheid van 883 Ned. ponden injectiewater in een uur tijds noodig
is; is het water kouder dan wordt er minder vereischt. Wanneer de
temperatuur van het injectiewater 5 graden lager dan 62 graden is, dan
zal men ongeveer 26 malen het gewigt des stooms behoeven, is de
temperatuur daarentegen 5 graden hooger, dan zal nagenoeg 33 malen dat
gewigt aan injectiewater noodig wezen.
§ 78.
Gelijk men ziet, maakt het injectiewater nog al eene belangrijke
hoeveelheid uit, terwijl gesteld moet worden, dat een stoomwerktuig van
lagen druk zonder dat niet kan werken. In stoomvaartuigen wordt dat
water zeer gemakkelijk verkregen, om rede het werktuig zeer nabij van
hetzelve is omgeven: door eene opening in het onder water gedompelde
deel van het vaartuig vloeit dat water, door eene pijp of buis, naar de
injectiekraan en alzoo in den condensor; die invloeijing wordt behalve
dat zeer bevorderd door den druk des dampkrings op het omringende
buitenwater, en ook nog door de drukkende waterhoogte, die voortvloeit
uit den lageren stand van de injectiekraan tegen den condensor onder den
waterspiegel, terwijl binnen den condensor slechts geringe spanning of
tegendruk bestaat. Zij eens voorondersteld dat bij eene goede werking
van de machine, uiterlijk 7 Ned. looden tegendruk per vierkante Ned.
duim in den condensor heerscht, en dat de injectiekraan aan den
condensor 7 palmen onder den waterspiegel ligt, dan zal (daar men
stellen moet, dat elke palm waterhoogte, volgens § 8, voor een lood druk
geldt) de tegendruk in den condensor, juist door den druk der
waterhoogte welke boven de injectiekraan bestaat, worden opgewogen.
Waaruit dan volgt, dat het injectiewater onder den invloed van den
geheelen druk des dampkrings (103.3 looden per vierkante duim) in den
condensor zal stroomen.
Bij de op het land geplaatste machinen is in vele gevallen de
watervoorraad, waarvan men dat voor de injectie moet trekken, verder
verwijderd, en kan dus zoo dadelijk niet in den condensor stroomen, of
daarin als het ware opgezogen worden; waarom men dan eene koud waterpomp
noodig heeft, welke het vereischte injectiewater bij de injectiekraan
voert. Over het algemeen wordt alsdan door die pomp eene ruim voldoende
hoeveelheid water in eenen bak gestort, welke den condensor met de
luchtpomp te zamen bevat, gelijk in § 39 met figuur 10 aangetoond is,
terwijl het overvloedige door de overlooppijp zich ontlast.
In bergachtige landstreken alwaar het dus noodige water veelal hoog moet
worden opgevoerd, kost de koud waterpomp, door de machine in werking
gebragt, een niet gering vermogen, en doet bij gevolg, het effectief
vermogen der machine belangrijk te kort; waarom men in die gevallen
dikwijls de voorkeur geeft, aan machinen van zoogenaamde middelbare of
hooge drukking, die zonder injectie-water kunnen werken; ter zijde
gesteld die gevallen, waarin de aanvoer van het altijd onontbeerlijke
water voor de voeding des ketels op zich zelven reeds zeer moeijelijk
is.
§ 79.
Men kan den uit den stoomcilinder in den condensor vloeijenden stoom ook
nog verdikken of in water doen overgaan, door denzelven in aanraking te
brengen met verkoelde oppervlakten; maar daar die oppervlakten weder
door koud water koel gehouden moeten worden, zoo heeft men daarvoor meer
water noodig, dan door dadelijke aanraking van het koude water met den
stoom zelven, en wanneer het daarvoor dienende water van eene afgelegene
plaats moet getrokken worden, dan gaat hier weder een gedeelte nuttig
vermogen te meer aan verloren; maar dusdanige wijze van condenseren
levert te dien aanzien minder bezwaar op bij stoomvaartuigen, dewijl de
koelende vloeistof daar rondom aanwezig is, en weinig vermogen ter aan-
en afvoer behoeft te kosten; de stoom op die wijze condenserende,
geschiedt met oogmerk, om het daarvan herkomstige water afgescheiden te
houden, ten einde alleen daarmede den ketel te voeden.
Daar gecondenseerde stoom zuiver water moet zijn, zoo zoude men
oppervlakkig denken, dat de voeding eens ketels met dat water de
voorkeur verdient boven de gewone wijze, waarbij het stoomwater met het
injectiewater vermengd daartoe moet dienen; want het injectiewater is
veelal niet zuiver te verkrijgen, en in vele gevallen wordt daarvoor
zeewater gebezigd, hetwelk na uitdamping vreemde stoffen of zouten
achterlaat, die zich binnen den ketel vasthechten, of daarin
nederploffen, en een aanzetsel of zoogenaamd sediment vormen, dat de
snelle verwarming door het vuur, zeer verhindert, en dat zelfs voor de
ketelplaten, die direkt met het vuur in aanraking zijn, kan verderfelijk
wezen: uitwerkingen, welke niet zouden plaats hebben, in geval men den
ketel aanvankelijk met zuiver water vulde, en vervolgens daarmede
aanhoudend bleef voeden. Tot heden echter heeft de ketelvoeding met het
water, dat condenserende stoom in stoomwerktuigen oplevert, nog geene
geheel voldoende uitkomsten geschonken, en zulks, omdat het alzoo van
den stoom herkomstige water ook de olie- of vetdeelen met zich voert,
die in de machine ter verzachting der wrijving hebben gediend, welke
zich dan binnen den ketel sterk vasthechten, en langs dien weg ook de
overgang der hitte van het vuur door de ketelplaten zeer hinderen;
behalve dat worden de verkoelende oppervlakten binnen den condensor mede
met die vuile vetstof bezet, ten nadeele der noodige snelle verkoeling.
Een en ander is dan oorzaak, dat soortgelijk condenseren voor
ketelvoeding geenszins algemeen gevolgd wordt, en hoewel verschillende
inrigtingen tot dat einde bestaan, men zich liever voor het
tegenwoordige, nog bij de gewone manier houdt, zorg dragende, dat de
ketel niet alleen op geschikte tijden van het gewone minder vastgehechte
aanzetsel wordt gezuiverd, maar ook, dat men gedurende de werking
(voornamelijk wanneer zeewater voor injectiewater wordt gebezigd) eenig
water uit den ketel, door eene spuikraan in deszelfs bodem, doet
wegvloeijen, opdat zich zoo min mogelijk sediment vasthechte, en nimmer
sediment nederploffe. Het ketelwater door zoodanige spuikraan
noodzakelijk verminderende, moet dan natuurlijk, door middel der
voedingpomp met versch water, (zoo veel mogelijk verwarmd) buitengewoon
worden aangevuld; voor die buitengewone spuijing en evenmatige
aanvulling heeft men ook eenige werktuigelijke middelen bedacht, die
meer of min voldoen, doch die hier geene plaats ter beschrijving kunnen
vinden.
§ 80.
Met stoomrijtuigen ontvliedt de gediend hebbende stoom door den
schoorsteen in de opene lucht, zoo dat men daarvan geen water trekt, om
voor de voeding des ketels te dienen. De eens met zuiver water gevulde
ketel wordt met zuiver water gevoed, waarvan de mede gevoerd wordende
pleegwagen eenen genoegzamen voorraad bevat, en die, naargelang de
uitgestrektheid der togten, van tijd tot tijd daarvan wordt voorzien.
Voor die soort van ketels, die van geene groote uitgebreidheid zijn, is
het van het grootste belang te allen tijden zuiver water te bezigen,
omdat hetzelve daar in enge plaatsen en om digt aaneengelegene buizen of
pijpen verwarmd wordt, waardoor men geene reiniging, van aanzetsel of
sediment, dat op den ketel nadeelig werkt en de snelle stoomontwikkeling
zoo zeer verhindert, behoorlijk kan bewerkstelligen. Daar en boven kookt
onzuiver water zeer ligt op en over, hetgeen ook, voor deze soort van
werktuigen, in het bijzonder nadeelige gevolgen kan hebben; en schoon
men zuiver water voor de voeding dezer ketels bezigt, moet op die
waterspuwing of zoogenaamde pruiming, niet te min de bijzondere aandacht
van den bestuurder gevestigd blijven, omdat zulks niettegenstaande vele
voorzorgen dikwijls gebeurt.
§ 81.
Water, dat zout opgelost houdt, zoo als zeewater, eischt eenige meerdere
warmte dan zuiver water, om aan het koken te geraken; hooger hebben wij
de temperatuur opgegeven (zie §§ 51 en 53) welke water, in stoom
veranderd, bij gemiddelden stand des barometers teekent; deze
temperatuur geldt voor zuiver water, ook in de stoomwerktuigelijke
praktijk voor rivier- en gewoon wel- of bronwater; gewoon zeewater heeft
om te koken 1-1/5 graad hooger temperatuur noodig, en bevat één
drieendertigste van deszelfs gewigt aan zout; kokende, verstoomt daarvan
het zuivere water, terwijl het zout in het overige kokende zeewater
achter blijft, en dus allengs zouter wordt, tot dat eindelijk al het
zuivere water in stoom is overgegaan, en één drieëndertigste van het
gebezigde gewigt zeewater, aan zout in den ketel overblijft; hoe meer
dit water van dat zout bevat, des te hooger deszelfs kooktemperatuur zal
zijn, derwijze, dat voor elk drieendertigste deel vermeerdering in zout,
het kooktemperatuur 1-1/5 graad zal stijgen; kan ongeveer 12
drieendertigste deelen van dat zout opgelost houden, waaruit volgt: dat
wanneer van het zeewater 21 drieëndertigste deelen, of 7/11 deelen
verstoomd zijn, zich zout zal beginnen te vormen.
Hier uit blijkt, dat bij aldien men zeewater voor de vulling en voeding
van eenen stoomketel gebruikt, men een weinig meer brandstof zal
behoeven, en des te meer, hoe meer zoutdeelen dat water bevat; ook dat
men ter bezuiniging van brandstof, zorg moet dragen, om door middel van
tijdige spuijing en weder aanvulling met versch water dat zoute te
verslappen. Daarenboven moet men in het belang van den duur des ketels
en ter voorkoming van nog grootere consumptie brandstoffen, het nimmer
zoo verre laten komen, dat zich zout door overmaat afscheide of sediment
nederploffe, eene nederploffing, welke reeds voor dat het verzadigend
gewigt van 4/11 zout in het kokende water bestaat, zal plaats grijpen,
dewijl het zeezout uit verschillende, op elkander werkende,
bestanddeelen is zamengesteld.
Geene te grootte oplettendheid kan men in dit opzigt aan zee-stoomketels
wijden, om welke reden dan ook onderscheidene middelen zijn bedacht,
welke de graad van zoutheid van het ketelwater te kennen geven, doch
waarvan geene verklaring in dit voorgenomen beknopte werkje kan gegeven
worden: meermalen is het gebeurd, dat door onoplettendheid ten dezen,
goede en kostbare stoomketels onbruikbaar werden.
§ 82.
In de voorgaande §, de verzadiging van water door zout voorkomende, zoo
is het mede voegzaam te verklaren, wat men door verzadigden stoom in een
werktuig verstaat. Door verzadigden stoom verstaat men zoodanigen, welke
overeenkomstig deszelfs temperatuur de grootste hoeveelheid water bevat.
Om dit duidelijker te maken, stelle men zich eene beslotene ruimte voor,
die eene kubieke el groot is, welke stoom bevat in spanning aan den
gemiddelden druk des dampkrings gelijk, op de hem eigene temperatuur van
212 graden, zoodanigen stoom noemt men verzadigd; maar wanneer men die
afgeslotene volume stoom eenige graden verwarmt, dan zal die zelfde
kubieke el stoom niet meer verzadigd wezen, want in die zelfde ruimte
zoude nog meer water, door die vermeerdering van warmte in stoom kunnen
overgaan; gezegde volume stoom vergroot dan, bij gebrek aan water,
alleen in spanning, even gelijk de gewone dampkringslucht, binnen eene
beslotene ruimte, in veerkracht of spanning door gelijke verwarming
zoude winnen, volgens eenen zelfden regel van uitzetting.
Door naauwkeurige proeven heeft men bevonden, dat de dampkringslucht met
elke graad vermeerdering in temperatuur, tusschen 32 en 212 graden, zich
weinig meer dan 2/1000 van derzelver eerste volume uitzet, welke regel
voor stoom, met geen water in aanraking, dezelfde is. Dit vergelijkende
met hetgeen hooger op gegeven staat, wegens de temperatuur van den stoom
(altijd in gemeenschap met water gedacht) en deszelfs overeenkomstige
spanning, zoo zal men ontwaren, dat de uitzetting van lucht door warmte
(dat is van drooge lucht) vrij wat verschil hierin oplevert; zoo dat
stoom, welke in gemeenschap met water, in temperatuur rijst, in spanning
of veerkracht veel meer aanwint, dan wanneer die rijzing in temperatuur
buiten gemeenschap met water plaats vindt; zoodanige oververwarmde of
met water oververzadigde stoom, zoude in een stoomwerktuig meer nadeelig
dan nuttig zijn.
§ 83.
Daar het doel met dit werkje is, om de hoofdzakelijke gronden en daarop
steunende inrigtingen van het stoomwerktuig, op eene duidelijke en korte
wijze te verklaren, zoo hebben wij, met behoud van het goede
dienaangaande eener vorige uitgave, ons vooral ook moeten beperken bij
de verklaring van het gewone stationaire stoomwerktuig van lagen druk.
Vele andere wijze van toerigting, schikking en vorm van deelen bestaan
er daarom, welke wij niet speciaal hebben kunnen behandelen. Wanneer men
uit de vele soorten van stoommachinen eene kiezen moest, om tot leidraad
ter verklaring van anderen te dienen, dan zoude inderdaad geene betere
keuze dan deze kunnen geschieden, zijnde het beste voor uiteenzetting en
opheldering van beginselen geschikt. Om nogtans eene eigenaardige
inrigting van het stoomwerktuig met de daarvoor meest vertrouwde
zamenstelling ter oefening van begrip te geven, zoo is aan het einde
dezer bladzijden eene afbeelding van een stoomwerktuig met ketel van
lage drukking gevoegd, waarmede sommige stoomvaartuigen voorzien zijn,
met de noodige aanwijzing ter verklaring. De geheele bevatting daarvan
zal niet moeijelijk vallen voor hem, welke de boven behandelde gronden
wel heeft verstaan.
Met de beschouwing van die figuren, zich de verklaring der gronden
herinnerende, zal men na weinige overweging de overtuiging bekomen, dat
de schikking der hoofddeelen van een stoomwerktuig voor vele verandering
vatbaar is; zoo kan bijvoorbeeld de dienst, welke eene enkele boven de
machine gelegene balans doet, verrigt worden door twee balansen, welke
benedenwaarts ter wederzijden van de machine liggen, gelijk uit deze
afbeelding van eene stoombootmachine te zien is; ook behoeft de
condensor met de luchtpomp niet altijd in eenen gevulden waterbak
gesteld te zijn, terwijl het injectiewater door eene pijp in den
condensor kan worden gebragt; vervolgens zal men ook inzien, dat het
geen vereischte is, om door tusschenkomst van balansen de kruk van eene
hoofdas te doen omwentelen, maar dat de stoomzuiger, zonder dien, met
zulk eene kruk op eene boven of onder gelegene hoofdas te verbinden is;
zelfs kan men liggende of hellende stoomcilinders, in diervoege met de
hoofdaskruk verbonden, aanwenden; of ook op sterke assen heen en weder
slingerende stoomcilinders, waar van de zuigerstang-einden de rondgaande
beweging der hoofdaskrukken direkt volgen; men is ook niet gehouden, om
eenen enkelen stoomcilinder te gebruiken: de aanwending van twee of meer
cilinders kan soms geschikt voorkomen; onder anderen heeft men
stoomwerktuigen met twee stoomcilinders van verschillende grootte,
voorzien van stoomketels voor zoogenaamden middelbaren of hoogen
stoomdruk, waaruit hoog gespannen stoom eerstelijk in den kleinen
cilinder vloeit en daarin zonder ontspanning werkt, vervolgens daaruit
in eenen grooten cilinder stroomt, en in dezen laatsten ontspannende,
beide zuigers gelijktijdig doet op- en neder bewegen.
Onder de vele soorten van stoomwerktuigen treft men wel eens zoogenaamde
rotative machinen aan, waarin de rondgaande beweging dadelijk, dat is
zonder tusschenkomst van eenen heen en weder gaanden stoomzuiger plaats
vindt. Deze bestaan uit eenen hollen ronden ring of uit eene soort van
ronden trommel, waarbinnen een vleugel doorgaande rondgevoerd wordt (bij
wijze van digt sluitenden zuiger) door den druk van meer of minder
gespannen stoom; deze machinen zijn zeer eenvoudig en beslaan weinig
ruimte, doch tot heden hebben dezelve nog niet kunnen voldoen, de
oorzaak daarvan is niet gelegen in onjuiste grondbeginselen, maar alleen
in het moeijelijke, dat voor als nog als onverwinbaar te beschouwen is,
om daaraan eene goede duurzaamheid, of bestendig goede werking te geven.
Onder de deelen van een stoomwerktuig, welke voor onderscheidene
wijzingen vatbaar zijn, behoort in het bijzonder de zoogenaamde
stoomschuif, die de geheele beweging van het werktuig regelt, gelijk wij
in § 38 hebben aangetoond. Dat regelend deel bestaat vrij algemeen uit
eene enkele lange schuif, die de beide stoomdoortogten dekken kan, in
werktuigen van lagen druk doorgaande hol en open, om doortogt van den op
den zuiger gediend hebbenden stoom naar den condensor te geven, waarvan
de afbeelding van de stoombootmachine een voorbeeld levert; in die
zelfde soort van werktuigen treft men ook wel stoomschuiven aan, die in
twee deelen gescheiden zijn, waarbij dan den gediend hebbenden stoom,
van wederzijden des zuigers, langs de uiterste einden der dus
zamengestelde stoomschuif, eenen bijzonderen weg naar den condensor
gegeven wordt; dusdanige aaneengekoppelde stoomschuifdeelen zijn dan, of
afgekorte digte lange stoomschuiven, of hebben den vorm van zuigers;
voor dat zelfde einde gebruikt men ook doosvormige schuiven, welke door
den druk des stooms aansluiten, en geene aandringende pakking behoeven,
in sommige stoomwerktuigen worden kranen of valkleppen ter regeling van
de toelating des stooms in den cilinder gebezigd; in werktuigen, die met
hooger gespannen stoom werken, gebruikt men tot datzelfde einde, en bij
voorkeur, lange of korte schuiven, welke geene pakking behoeven, dat is,
die zich zelven door den druk van den stoom aansluiten. Ter vermijding
van pakking in hennep of vlas bezigt men ook uit- en inveerende metalen
of ijzeren ringen, welke wijze van sluiting ook meermalen voor
stoomzuigers gebruikt wordt. Daar de vorm en regeling van beweging der
stoomschuif een uiterst belangrijk onderwerp is, zoo hebben vele
deskundigen aanhoudend daarin naar verbetering getracht.
De noodzakelijke regtlijnige leiding des stoomzuigers, is ook door
andere middelen, als door het veel te wijzigen toestel der zoogenaamde
evenwijdige of parallelle beweging (gelijk in § 41 uiteengezet is) te
verkrijgen; zoo ziet men die leiding ook wel uitgevoerd door eenvoudig
den top der stoomzuigerstang in een, ter wederzijden gelegen, regtlijnig
raamwerk te doen rollen of schuiven, waardoor aan den eisch dier leiding
juist voldaan wordt.
Groote verschillen van zamenstelling en inrigting vindt men in
stoomketels, alles met oogmerk, om met weinige brandstoffen veel stoom
te leveren, want de kosten aan brandstof, is eigenlijk de prijs van het
vermogen, dat het werktuig uitoefent. Een goede ketel behoort bovendien
zoo duurzaam mogelijk te zijn, op dat dezelve niet na een kort
tijdsverloop onbruikbaar gerake: gezamentlijke redenen, waarom men
onophoudelijk nog naar verbeterde constructie van stoomketels zoekt.
§ 84.
Om den Lezer met de historie van de opkomst en den voortgang in
verbetering van het stoomwerktuig kort en zakelijk bekend te maken, zal
de vermelding van de meest belangrijke uitvindingen en verbeteringen,
naar volgorde van tijd gerangschikt, het best geschikt wezen.
De kennis der stoomkracht dagteekent van zeer vroegen tijd, want van
zekeren Hero, die ongeveer 120 jaren voor de christelijke jaartelling
leefde, vindt men reeds zamenstellen beschreven, die daarvan tot bewijs
strekken. Dan het schijnt, dat in die vroege tijden het vermogen van den
stoom minder, of in het geheel niet, tot nuttige einden is gebezigd
geworden, maar veeleer om de hoofdleiders van het bijgeloof behulpzaam
te zijn, in het onderworpen houden van het ligt geloovige volk, door
voorgewende wonderen daarmede te verrigten. Eene reeks van eeuwen zijn
vervolgens verloopen, waarvan men berigten betreffende toepassing van
stoomkracht mist, maar uit welks gemis met geene zekerheid besloten kan
worden, of de beoefening en de aanwending der stoomkracht gedurende dat
tijdsverloop niet gevorderd is, hoewel het als zeker moet gehouden
worden, dat de ouden daarvan meer wisten, dan ons tot heden van hen is
bekend geraakt.
Van niet vroeger dan 1543 weet men, uit spaansche archieven, dat in dat
jaar Blasco de Garray in de haven van _Barcelona_ proeven met een
vaartuig heeft genomen, om hetzelve zonder zeilen of riemen door het
water te bewegen; van het daartoe gebezigde middel staat alleen vermeld,
dat het vaartuig eenen grooten ketel met kokend water bevatte, en
uitwendig met beweegbare raderen was voorzien; dit kan dus welligt het
eerste stoomvaartuig geweest zijn, doch waarvan men verder niet veel
bijzonders weet.
Het was den Italiaanschen Ingenieur Giovanni Branca, die in 1629 eene
afbeelding met beschrijving leverde, hoe snel uitstroomende stoom een
wiel, met vleugels voorzien, kan doen omdraaijen en kracht uitoefenen,
om er een of ander werk mede te verrigten; vóór hem had Cardan ook
daarvan gewag gemaakt, en de Caus, hoe men water door stoom kan
opvoeren.
In 1663 gaf Edward Somerset, _Marquis van Worcester_, een werk in het
licht, hetwelk een honderdtal korte en zeer oppervlakkige beschrijvingen
van even zoo vele uitvindingen bevat, en waaronder eene voorkomt, waarin
hij zegt uitgevonden te hebben, om op eene wonderlijke en
allerkrachtdadigste wijze, water door vuur op te voeren, en wel met
geslotene sterke vaten, die beurtelings, door het vuur, van water
geledigd worden: de _Marquis_ moet op die gronden ook een werktuig
hebben doen oprigten, dat inderdaad verwondering baarde.