uit twee nevens elkander gelegene _vuurhaarden_ of _vuurplaatsen_,
waarvan hier slechts eene B', zigtbaar is, en uit twee daarmede
afzonderlijk gemeenschap hebbende _rookleidingen_, waarvan gedeelten bij
BB te zien zijn; in de _vuurplaatsen_ wordt de brandstof verbrand,
waarvan de overblijvende sintels en asch in de ruimte C door de
_roosters_ nedervallen; door de _rookleidingen_ BB stroomt het vlammende
gaz of de verhitte rook van de vuren naar den _schoorsteen_ D, waar van
hier het onderdeel slechts staat afgebeeld, en met eenen beschermenden
_mantel_ omgeven ter beveiliging van het scheepsdek tegen brand; dit
onderdeel van den _schoorsteen_ is met deszelfs _mantel_ op den _ketel_
bevestigd, terwijl het bovendeel boven dezen _mantel_ op eenen omgaanden
rand van het onderdeel staat, doch geheel onverbonden, ten einde dat
bovendeel overboord zoude kunnen vallen zonder dat de vuurstroom uit de
_rookleiding_, eenige schade aan het dek te weeg brengt; een weinig
boven den _mantel_ is de _schoorsteen_ met eene draaibaren _wartelklep_
AB voorzien, even als in eene gewonen kagchelpijp, waarmede men den
zoogenaamden trek, welken de _schoorsteen_ daarstelt, kan wijzigen of
geheel beletten.
Het geheele _fornuis_ is binnen den _ketel_ rondom met water omgeven;
men herkent de vereischte hoogte van dat water, door aanwijzing van
eenen _vlotter_ of _drijver_ E, welke tot dat einde op eene as beweegt,
die buiten den _ketel_ doorsteekt; de herkenning van de waterhoogte
geschiedt ook nog door middel van de _peilkranen aa_; ook is er nog eene
_glazen buis_ buiten tegen den _ketel_ geplaatst, die met het inbesloten
water gemeenschap heeft, doch die ter voorkoming van verwarring in de
afbeeldingen op eene zoo kleine schaal niet is afgeteekend. Ook is hier
om dezelfde reden de afbeelding achtergelaten, van eene dier vele
toerigtingen, waardoor een _watergebrek_, onafhankelijk van de
bijzondere oplettendheid van den bestuurder of van den vuurstoker,
kennelijk gemaakt wordt. Dit wordt aangewezen of door uitstrooming van
stoom of heet water, _op_ of _vóór_ het oogenblik, dat watergebrek
binnen den _ketel_ bestaat, of door eenig geruisch makend, of sterk in
het oog vallend middel, ter bijzondere waarschuwing; welke toerigting in
aard of wijze gekozen wordt, overeenkomstig de daarvoor bestaande
plaatsgelegenheid.
F is eene op de _stoomkap_ des ketels geplaatste kast, waarin zich twee
_veiligheidskleppen_ bevinden; eene dier _kleppen_ is met derzelver
onderaan gehangene _belading_ G slechts hier te zien, deze
_veiligheidsklepkast_ heeft bovenop, eene opening met _ontlastpijp_ II
(hier even als het bovendeel des schoorsteens als afgebroken
voorgesteld), waardoor de overvloedige stoom, bij opening van eene of
beide _veiligheidskleppen_ ontvliedt; I, I, I is een hefboomtoestel,
waarmede eene der _veiligheidskleppen_, door den bestuurder van de
machine, naar willekeur kan geopend worden, door slechts aan de
schroevende _handkruk b_ te draaijen; de andere _veiligheidsklep_, die
een weinig meer beladen is, kan niet met de hand geligt worden, is zelfs
tot dat einde afgesloten, om alleen uit zich zelve te ligten, wanneer er
overvloed of te hoog gespannen stoom bestaat, of ingeval door eenig
gebrek stoomontlasting door de eerste verhinderd wordt; _c_ is eene
dunne pijp, waardoor het water, dat zich in de _veiligheidsklepkast_
vergaderen mogt, afloopt buiten boord; _d_ is een _stoommeter_ met eenen
kleinen, op kwik drijvenden, _stijl_ voorzien, welke de mate der
_stoomspanning_, die binnen den _ketel_ heerscht, op eene
nevensgeplaatste _schaal_ aanwijst.
KK _spuibuis_ met _kraan_, welke door het scheepsvlak gaat, en alzoo met
het buitenwater gemeenschap heeft, dient om uit den _ketel_ naar
verkiezing water te loozen gedurende of na deszelfs werking, of om den
ledigen _ketel_ van water te voorzien; de _spuibuis_ bezit nog eene
andere _kraan e_, waardoor men water door middel van eene nader aan te
wijzene _handperspomp_ in den _ketel_ brengen, of denzelven daardoor
ontledigen kan.
L _mangatdeksel_, dat eene opening in de _stoomkap_ des ketels dekt,
genoegzaam groot ter doorlating van eenen persoon; dit _deksel_ is met
eene _luchtklep f_ voorzien; _g_ is een _slikgatdeksel_, te openen voor
de reiniging des _ketels_.
M _voedingkraan_, waardoor de _ketel_ deszelfs _voeding_ met _warm
water_ door de _machine_ geniet; deze _kraan_ is naar gelang der
behoefte aan _voedingwater_, met de hand te openen of te sluiten.
N is eene kast, welke eene _klep_ bevat, die door draaijing van het
_handwiel h_ geheel of gedeeltelijk opengezet, of gesloten kan worden,
hierin vloeit de stoom uit den _ketel_, en bij geopende _klep_ uit den
_ketel_ naar de _machinen_ door de aanverbondene _leibuizen_ O.
PP _stoomcilinder_ met daarin digt sluitenden _zuiger kk_, waarvan de
_stang_ door eene _pakkingbos i_ van het _stoomcilinderdeksel_ opgaat;
de stoom vloeit in dezen _cilinder_ boven of onder den _zuiger_ uit de
_stoomschuifkast l l_ naar gelang van den stand der daarbinnen
beweegbare _stoomschuif l l_, door den boven of onder _stoomdoortogt i'
i'_. De _stoomschuifkast l l_ wordt met stoom uit den _ketel_ voorzien
langs de _smoorklep m_, welke naar willekeur meer of min opengezet kan
worden door middel van het bovengelegen handvat; de toegang van den
stoom naar de _smoorklep_ vindt plaats door den _hollen band n n_ welke
den _stoomcilinder_ omgeeft, en waarmede de _stoomleibuis_ O is
vereenigd.
_Bodem_ en _deksel_ van den _stoomcilinder_ bezitten naar eisch beladene
_waterkleppen n' n'_, waardoor toevallig in den _cilinder_ geslagen
water zich zelf ontlast.
Boven kleine openingen in het _cilinderdeksel_ zijn kleine _kommen_, met
_kranen p p_ voorzien, geplaatst, waardoor men naar welgevallen, olie of
vet tot den _zuiger_ kan doen vloeijen.
De opgaande _stoomzuigerstang_ is aan derzelver top met een _dwarsjuk_
vereenigd, de armeinden van dit _juk_ zijn ter wederzijden van den
_stoomcilinder_ beweegbaar verbonden, met _zijroeden q_, die
benedenwaarts, even zoo met de armen van een paar _balansen_ QQ zijn
gekoppeld; de _stoomzuiger k k_ door den druk des stooms zich op- of
neder bewegende, geeft dus, door tusschenkomst van deze _zijroeden q_,
gelijke beweging aan de _balansen_ QQ.
Voor de rigtige leiding van den top der _stoomzuigerstang_ heeft men de
_zijroeden q_ beweegbaar verbonden met het zoogenaamde toestel der
_evenwijdige_ of _parallele beweging_, bestaande uit de _straalroeden_
22 en de _koppelroede_ 44, die de _straalroeden_ aan kleine beweegbare
_krukken_ 33 en de _balans_ verbindt.
Elk paar _balansen_ QQ is bij het einde der tegenovergestelde armen
onderling vereenigd door een ander _juk r_, uit welks midden eene
_drijfstang_ R opgaat, waarvan het boveneinde beweegbaar verbonden is
met de _pen_ van de _hoofdaskruk_ SS' derwijze, dat de _hoofdas_ S',
daardoor kan worden omgevoerd; de _kruk_ TT der _wielas_ wordt door de
omwentelende eerste _kruk_ SS' voortgedreven, door tusschenvoeging van
een _koppellid_ U, zoodat de buiten boord daaraan verbondene
_roeiwielen_ of _schepraden_, daarmede omdraaijen.
De _hoofdas_ S' is door eene _excentriek-schijf_ VV omvat; om deze
_schijf_ is een _ring_ beweegbaar en aan de _excentriek-roede_ W
verbonden, welke _roede_ aan het andere einde in eene keep den _arm t_
vat, die op eene beweegbare as bevestigd is; de _hoofdas_ S' de
_excentriek-schijf_ VV mede voerende, zal alzoo door tusschenkomst van
de _excentriek-roede_ W, den _arm t_ heen en weder bewegen met de
daaraan bevestigde as.
Deze laatste as bezit ter wederzijde van de _stoomschuifkast_ eenen arm
_u_, met daaraan beweegbaar verbondene opgaande ligte _zijroeden_,
welker toppen even zoo zijn verbonden met een klein _dwarsjuk_ op den
top _u'_ van de stang der _stoomschuif_, welke stang door eene
_pakkingbos_ van het _deksel_ der _stoomschuifkast ll_ uitkomt; op die
wijze wordt dan de _stoomschuif_ door middel van de _excentriek-schijf_
VV mede op en neder bewogen; _v'v'_ is het _tegenwigt_ der
_stoomschuif_. De hoogste en laagste standen van de _stoomschuif_ hebben
niet gelijktijdig plaats met de hoogste en laagste standen van den
_stoomzuiger_, opdat de stoomtoelating dan eerst plaats vinde, wanneer
de _stoomzuiger_ deszelfs hoogsten of laagsten stand bereikt heeft;
hiertoe is aan de _excentriek-schijf_ VV op de _hoofdas_ S' eene
daarvoor passende rigting gegeven, zoodat de hoogste en laagste standen
van de _stoomschuif_ plaats vinden, nadat de _stoomzuiger_ circa een
vierde deel van deszelfs slag is gedaald of gerezen. De stand van de
_excentriek-schijf_ voor vooruitwerking van de _roeiwielen_ of
_schepraden_ niet dezelfde zijnde, als voor achteruitwerking van
dezelve, zoo is voor het aannemen van die twee verschillende standen van
de _excentriek-schijf_, de noodige _wisselruimte_ op de _hoofd-as_
gelaten.
Om de beweging van de _stoomschuif_, en bijgevolg van de _machine_ te
doen ophouden, bestaat bij de _keep_ der _excentriek-roede_ W eene
_klink w_, waarmede de bestuurder met de hand de _excentriek-roede_ van
den _arm t_ ontkoppelt, en daardoor het op- en neder bewegen van de
_stoomschuif_ doet staken, zoodat de _stoomzuiger k k_ de beurtelingsche
toelating van stoom mist en gevolgelijk zal stilstaan.
Met den _arm t_ is een lange _hefboom_ of _handel x x_ vereenigd, welke
dient, om bij ontkoppeling van den _arm t_ van de _excentriek-roede_ W,
aan de _stoomschuif_ zoodanigen stand met de hand te geven, als geschikt
is, om de _stoomzuiger k k_ te doen rijzen of dalen, naar gelang men,
tot voor- of achteruit werken, de _roeiwielen,_ of _schepraden_ in
beweging verkiest te stellen. Dit aanvankelijk in beweging stellen van
de _machine_ naar behooren door de hand van den bestuurder plaats
vindende, zoo bezorgt deze, door verzetting van de _klink w_, de weder
zamenkoppeling van de _excentriek-roede_ W met den _arm t_, waardoor het
vervolg der beweging in den aangevangen zin uit zich zelf, zal worden
onderhouden.
X X is de _condensor_ waarin de stoom uit den _stoomcilinder_ vloeit, om
tot water verdikt te worden, door aldaar in aanraking te komen met koud
water, dat door het pijptoestel o' o' en de _injectiekraan y_ vloeit; de
toevloeijing van het _injectiewater_ wordt geregeld door den bestuurder,
want daartoe houdt de _injectiekraan_ eene _handkruk z_.
Y _luchtpomp_ met insluitenden _zuiger_, die _opslaande kleppen_ 1, 1
bezit; de _luchtpompzuigerstang_ is even als de _stoomzuigerstang_ met
een _dwarsjuk_ verbonden, waarvan _zijroeden_ 2 nedergaan, die met de
_balansen_ QQ gekoppeld zijn; zoodat wanneer de _stoomzuiger_ rijst de
_luchtpompzuiger_ daalt en omgekeerd. De _luchtpompzuiger_ trekt
opgaande het van den stoom en der _injectie_ herkomstige water, met de
tevens uit het water ontwikkelde lucht uit den _condensor_ XX door de
_condensorklep_ 4, en voert dit op deszelfs _kleppen_ 1,1 in den _warm-_
of _heet waterbak_ Z door de _klep_ 5 van dien _bak_.
Van het in den _warm-_ of _heet waterbak_ opgevoerde water, wordt door
de opening 6 het noodige getrokken, om den _ketel_ voor het verstoomde
water weder aan te vullen of te _voeden_, eene _perspomp_, waarvan de
_zuiger_ of _dompelaar_ door het _luchtpompjuk_ op en neder bewogen
wordt (in de afbeeldingen niet zigtbaar, wordende door de _luchtpomp_
bedekt) dient tot dat einde; want _pijpen_ 7,7 zijn daarmede vereenigd,
waardoor dat warme water in de gemeenschappelijke pijp 8,8 naar den
_ketel_, door de openstaande _voedingkraan_ M gevoerd wordt; 23 zijn
_leistangen_, die door de _armen_ van het _luchtpompzuigerjuk_ omvat
worden, en voor de rigtige leiding daarvan dienen; aan eene dier
_stangen_ is de _dompelaar_ van de _voedingpomp_ verbonden, en kan alzoo
met het _juk_ op en neder bewegen.
De _heet waterbak_ Z bezit eene verhooging of _kolom y_ ter voorkoming
van wateroverstorting, en tegen deze kolom is eene beladene _stortklep_
9 aangebragt, waardoor het _voedingwater_ weder in den _warm waterbak_
terug valt, ingeval de _voedingkraan_ M aan den ketel mogt gesloten
wezen middelerwijl de _voedingpomp_ werkt; de _voedingpompzuigers_ of
_dompelaars_, kunnen door de hand van den bestuurder in of buiten
werking gesteld worden, naar gelang de behoefte aan _ketelvoeding_. Het
in den _warm-_ of _heet waterbak_ te veel overblijvende water, ontlast
zich buiten boord, door de opening der _vloeipijp y_, welke opening bij
stilstand van de _machine_ door eene _klep_ gesloten kan worden, met aan
de schroevende _handkruk_ 10 te draaijen.
12 _handperspomp_, waarmede de _ketel_, onafhankelijk van de werking der
_machine_, met koudwater kan gevuld of gevoed worden, door eene (hier
slechts gedeeltelijk afgebeelde) pijp _r t_, die met de _kraan e_ der
_spuibuis_ K gemeenschap heeft, of ook kan door deze _pomp_ de _ketel_,
wanneer het noodig mogt zijn, geledigd worden.
13 _scheepslenspomp_. waarvan de _zuiger_ door eenen der armen van de
_balansen_ QQ op en neder bewogen wordt; deze _pomp_ voert het zich in
het vaartuig bevindende water op en over boord, en haalt dit uit het
voor- of uit het achterschip door pijpen, hier niet geheel afgebeeld;
zij kan door de hand van den bestuurder in of buiten werking gesteld
worden, 14 is de _doorblaaskraan_ door eene kleine _handkruk_ 15 te
openen; geopend zijnde stroomt de stoom uit de _stoomschuifkast l l_
door dezelve in den _condensor_ XX en in de _luchtpomp_ Y, drijft uit
beiden door de _snuifklep_ 16 (en soms door de klep van den _warm
waterbak_ 5) het daar in zijnde water en de aanwezige lucht: eene
uitdrijving, die bij het eerst in beweging brengen der _machine_ altijd
moet geschieden.
Op den _condensor_ XX is een _manometer_ of _barometer_ 17 geplaatst;
het zich daar in bevindende kwik toont aan in hoe verre de spanning
binnen den _condensor_ is verminderd. Tegen den _hollen band n n_ van
den _stoomcilinder_ bestaat, een _stoommeter_ 18, om de spanning van den
stoom daar binnen gade te slaan, deze _stoommeter_ is even als die aan
de _stoomkap_ des _ketels_; nog bestaat onder aan den _hollen band_ eene
_aftapkraan_ 19, waardoor men het daar binnen vergaderde water kan doen
afloopen.
Eindelijk ziet men dat de _hoofdas_ S' niet alleen in _stoelen_ op eene
_stelling_ wordt gedragen, maar dat ook _stoomcilinder_, _condensor_ met
aanverbondene _luchtpomp_ en _warm waterbak_, onderling, en met die
_stelling_ zijn verbonden; de grondslag van dat geheele verband is in de
eerste plaats de _fondatie_ op het _scheepsvlak_, door middel van goed
verzekerde _fondatiebouten_ 20, en ten tweede de _hoofd- en
wielas-balken_ 21, die met de _stelling_ goed vereenigd zijn. Deze
_balken_ breiden zich ter wederzijden buiten het vaartuig uit, en
vereenigen zich aldaar, als uit een ligchaam bestaande, op welke buiten
uitbreiding zich _stoelen_ bevinden, waarop de _roeiwielen_ of
_schepraden_ dragen.
Aldus de zakelijke deelen van dit gansche stoomwerktuigelijke toestel
aangetoond hebbende, zal het niet ongepast zijn, eene korte aanwijzing
te laten volgen, hoedanig de _machinen_ in beweging en tot stilstand
gebragt worden.
In den _stoomketel_ genoegzame ontwikkeling van stoom bestaande,
(herkenbaar aan de stoomontvlieding door de _ontlastpijp_ II der _kast
van de veiligheidsklep_ F, waarvan de spanning op den stoommeter _d_
aangewezen wordt) en zich door middel der _pijlkranen a a_, _drijver_ E
of _waterpeilbuis_ verzekerd hebbende dat de ketel met eene voldoende
hoeveelheid water gevuld is, zoo begint men met de _stoomcilinders_ en
_stoomschuifkasten_ te verwarmen; het geen geschiedt door het openen van
de klep in de kast N met het _handwiel h_; de stoom zal als dan uit den
_ketel_ door de _stoomleibuizen_ O in de _holle banden n n_ der
_stoomcilinders_ vloeijen, en van daar langs de openstaande
_smoorkleppen m_, in de _stoomschuifkasten l l_; verwarming opmerkende,
zoo beweegt men door middel van de _hefboomen_ of _handels x_ de
_stoomschuiven_ eenige malen op en neder (waarvoor de klinken _w_,
natuurlijker wijze zoodanig moeten zijn gesteld, dat geene koppeling van
de _armen t_ met de _excentriek roeden_ W bestaat); door die behandeling
van de _stoomschuiven_ zal mede stoom in de _cilinders_ vloeijen,
terwijl men zich te gelijkertijd van de goede beweegbaarheid der
_stoomschuiven_ verzekert; ook zal men de _aftapkranen_ 19 openen, om
het water van om de _stoomcilinders_ te doen afloopen; deze bewerking
noemt men: de _machinen verwarmen_.
Genoegzame verwarming plaats vindende, dan stelt men met de hand de
_stoomschuiven_ in _middenstand_, dat is zoodanig dat dezelve de boven
en onder _stoomdoortogten_ der _cilinders_ sluiten; als nu opent men met
de _handkrukken_ 15, de _doorblaaskranen_ 14, en houdt die zoo lang
geopend, tot dat men door de _snuifkleppen_ 16, niets anders dan stoom
ziet uitstroomen, zijnde dit het teken, dat al het water met de
aanwezige lucht is uitgedreven; deze bewerking wordt _doorblazen_
genoemd. Zoo men dan de _stoomschuiven_ met de hand in zoodanigen stand
zet, dat toelating van stoom, op of onder de _stoomzuigers_ plaats
heeft, overeenkomstig den zin van omwenteling, welke men aan de
_hoofd- of wielaskrukken_ wil geven, dan zullen de _machinen_ dadelijk
aanvangen te bewegen; doch daar de _armen t_ van de _excentriek-roeden_
W zijn ontkoppeld, zoo bewegen de _stoomschuiven_ niet mede, daarom
verzet men de _stoomschuiven_ nogmaals met de hand, om ééne omwenteling
van de _hoofdas_ S te veroorzaken, waarna men de _klinken w_ derwijze
verzet, dat zamenkoppeling van armen _t_ en _excentriek-roeden_ W plaats
vindt; vervolgens opent men met de _handkrukken z_ langzaam de
_injectiekranen y_, tot zoo verre als met de toenemende snelheid der
_machinen_ overeenkomt, die als dan zullen doorwerken; men noemt deze
bewerking: de _machinen aanzetten_, (het laat zich begrijpen, dat ter
ontlasting van het overvloedige water, dat de _luchtpompzuigers_ in den
_warmwaterbakken_ Z opvoeren, de kleppen der _vloeipijpen y_ door middel
der _handkrukken_ 10 moeten opengezet worden).
De _machine_ alzoo tot volle kracht werkende, kan in vermogen of
snelheid verminderd worden, door vermindering van stoomtoevoer naar de
_stoomzuigers_ en daaraan gepaarde vermindering van _injectie_ water,
waarvoor men dan de _injectiekranen y_ en de _smoorkleppen m_ zoo veel
zal sluiten, als voor de verlangde vermindering in snelheid voegzaam is.
Om de _machine_ te doen stil staan, sluit men eerstelijk de
_injectiekranen y_, en doet vervolgens, door middel der _klinken w_, de
_excentriek-roeden_ W van de _armen t_ ontkoppelen; want als dan zal de
beweging der _stoomschuiven_ en bij gevolg de beurtelingsche
toevloeijing van stoom naar de _stoomzuigers_ ophouden.
Bij het tot stilstand brengen van de machine, moet men de
_stoomschuiven_ met de hand weder in _middelstand_ zetten, ingeval het
ophouden derzelver beweging niet op _middelstand_ heeft plaats gevonden.
Zoo de machine, lang moet stilstaan, opent men langzaam de handelbare
_veiligheidsklep_ met de _handkruk b_, doch wanneer het dadelijk in
beweging brengen vereischt wordt (het zij in denzelfden of in
omgekeerden zin), is zulks niet noodig, ook niet het zoogenaamde
_doorblazen_, noch het openen der _aftapkranen_ 19.
_Deze afbeeldingen zijn op steen gebragt naar eene teekening van 's
Rijks Hoofdmachinist, waarin alzoo zijne beproefde wijze van inrigting
voorgesteld staat._
[Illustratie]
End of Project Gutenberg's Verklaring van het stoomwerktuig, by Anonymous