De stoom heeft nog eene algemeene eigenschap, welke hier vermeld

moet worden, namelijk: dat hetzelfde gewigt stoom, onverschillig van

welke spanning, altijd dezelfde hoeveelheid warmte inhoudt; of anders

gezegd, (daar het gewigt van den stoom het gewigt van deszelfs

bestanddeel water is) dat een zelfde gewigt water altijd dezelfde

hoeveelheid warmte noodig heeft, om in stoom over te gaan, onverschillig

van welke spanning; bij voorbeeld: Een Ned. pond water levert 1385

kubieke palmen stoom, op de spanning, die volgens § 54 voor machinen van

lagen druk, gebruikelijk is, op den thermometer 224 graden teekenende;

de noodige warmte voor die overgang in stoom is nu gelijk aan die, welke

vereischt wordt, om evenveel water in stoom van dubbele spanning te doen

overgaan, niettegenstaande deze laatste hooger temperatuur op den

thermometer teekent. Een Ned. pond water zal alzoo leveren 735 kubieke

palmen stoom op 2 maal 129 of 258 Ned. looden (de dampkringsdruk

daaronder begrepen) gespannen, terwijl de thermometer daarin 263.8

graden zal aanwijzen; het onderscheid bestaat dus alleen hierin, dat

namelijk: gelijk gewigt hooger gespannen stoom minder uitgebreidheid

bezit, en dat in hooger gespannen stoom minder warmte verborgen is, (zie

§ 5) waardoor meer warmte wordt vrijgelaten, en de thermometer alzoo

hooger wijst. Uit dit voorbeeld ziet men tevens, overeenkomstig hetgeen

vroeger gezegd is, dat dubbel gespannen stoom een weinig meer dan de

halve volume van den eersten beslaat.

Voor eenen stoomcilinder, waarin een zuiger van 57 Ned. duimen

middellijn met 114 Ned. duimen slaglengte werkt, en welke zuiger 26

dubbele slagen in eene minuut volbrengt, zal volgens § 56 in een uur

tijds 936 kubieke ellen stoom ter geheele vulling noodig zijn; nu hebben

wij in § 63 gezien, dat wanneer die cilinder tot drie vierde van den

zuigerslag met stoom op 129 Ned. looden, dat is: 25.7 Ned. looden, boven

den gemidd. dampkringsdruk gespannen, gevuld is, deze door ontspanning

eenen gemiddelden druk tegen den zuiger zal uitoefenen van 115.9 Ned.

looden; en volgens § 65 dat de zuiger dien zelfden gemiddelden druk zal

ondergaan, wanneer men den cilinder slechts tot een vierde deel van den

zuigerslag met hooger gespannen stoom voorziet, en wel op 99.8 Ned.

looden boven den gemidd. dampkringsdruk; men heeft dan voor het eerste

geval 702 kubieke ellen stoom van lagen druk per uur noodig, en voor het

tweede geval slechts 234 kubieke ellen hooger gespannen stoom of stoom

van zoogenaamden middelbaren druk, terwijl in beide gevallen de zuiger

gelijken gemiddelden druk ondergaat. Nu is het gewigt van 702 kubieke

ellen zoo gespannen stoom van lagen druk (72-1/4 Ned. looden per kubieke

el) 507-2/10 Ned. ponden, en van 234 kubieke ellen zoo gespannen stoom

van middelbaren druk, (109-1/2 Ned. looden per kubieke el) 256-1/4 Ned.

ponden; derhalve heeft men in het laatste geval voor de daarstelling van

een zelfde druk vermogen op den zuiger, weinig meer dan het halve gewigt

water noodig, om in stoom te doen overgaan, terwijl die gelijkheid in

vermogen, alleen door de belangrijke meerdere stoomontspanning wordt te

weeg gebragt.

§ 67.

De algemeene regel welken wij in § 49 opgegeven hebben, voor het

vinden van het nominaal vermogen in paardenkrachten van een

stoomwerktuig van lagen druk, is ook geldende voor alle gevallen, dat de

stoom, ontspannende, denzelfden gemiddelden druk op den zuiger

uitoefent, als gewoonlijk in stoomwerktuigen van lagen druk plaats

vindt, onverschillig met welke spanning de stoom in den cilinder is

gevloeid; doch die regel geldt niet meer, wanneer de gemiddelde

stoomdruk op den zuiger, hetzij met of zonder ontspanning, den

gebruikelijken in stoomwerktuigen van lagen druk te veel overtreft,

gelijk met zoogenaamde middelbaren- of hoogendruk-stoomwerktuigen het

geval is.

§ 68.

Stoomwerktuigen, welke op derzelver zuiger eenen meerderen druk dan den

gewonen stoom van lagen druk ontvangen, zijn niet altijd met eenen

condensor en ledigende luchtpomp voorzien; de zoogenaamde van middelbare

drukking, zijnde de zoodanigen die volgens § 18, tot eene uiterste

stoomspanning van 3-1/2 atmospheer boven den gemiddelden dampkringsdruk

werken, missen veelal condensor en luchtpomp. In dat geval wordt de

stoom welke tot voortstuwing van den zuiger gediend heeft, bij elken

slag in de opene lucht, of in den schoorsteen des ketels ter bevordering

van de trekking der vuren ontlast; zoo dat alsdan, de tegenstand aan de

andere zijde des zuigers, minstens aan eenen dampkringsdruk gelijk is,

terwijl bij dat gemis van condensor en luchtpomp de wrijving niet

behoeft overwonnen te worden, welke het in beweging houden van den

luchtpompzuiger kost, evenmin als er vermogen verloren gaat voor het

daarmede opgebragte water en lucht. Wanneer in werktuigen van

zoogenaamde middelbare drukking condensor met luchtpomp bestaat, dan is

over het algemeen genomen, de vernietiging of condensering van den

stoom, die gediend heeft, niet zoo volmaakt als in stoomwerktuigen van

lagen druk; zoodat op den daaruit ontstaanden grooteren tegenstand,

welke de stoomzuiger daardoor ondergaat, nog in het bijzonder gelet moet

worden.

Om den tegenstand, welke binnen den condensor voor den stoomzuiger

bestaat, te kennen, zijn de condensors veelal met eenen daarvoor

geschikten meter voorzien, die manometer en ook barometer geheeten

wordt, en waarop dien tegenstand dadelijk kan afgelezen worden; met

eenen gewonen thermometer kan men ook de warmte, welke binnen den

condensor heerscht, waarnemen, en daaruit den hier bedoelden tegenstand

herkennen, de onderstaande tafel daarbij raadplegende.

+------------------------+-------------------------+

| AANWIJZING VAN DEN | TEGENSTAND VOOR DEN |

| THERMOMETER BINNEN DEN | STOOMZUIGER PER VIERK. |

| CONDENSOR | NED. DUIM. |

+------------------------+-------------------------+

| 90 graden . . | 4. 7 Ned. looden. |

| 100 " . . | 6. 4 -- |

| 110 " . . | 8. 7 -- |

| 120 " . . | 11. 5 -- |

| 130 " . . | 14. 9 -- |

| 140 " . . | 19. 8 -- |

| 150 " . . | 25. 6 -- |

| 160 " . . | 32. 6 -- |

| 170 " . . | 41. 5 -- |

| 180 " . . | 52. 2 -- |

| 190 " . . | 65. 2 -- |

| 200 " . . | 81. 3 -- |

| 210 " . . | 99. 4 -- |

+------------------------+-------------------------+

Indien dan een in den condensor geplaatste thermometer, waarvan de buis

uitwendig zigtbaar is, 110 graden teekent, zoo zal de zuiger 8-7/10 Ned.

looden tegendruk per vierkanten Ned. duim ondervinden, waarmede dus de

stoomdruk aan de andere zijde vermindert.

§ 69.

Stoomwerktuigen van hoogen druk houden condensor noch luchtpomp, daarin

bedraagt dus de tegenstand van den stoomzuiger, gelijk gezegd is,

minstens eenen dampkringsdruk, dat is gemiddeld 103.3 Ned. looden per

vierkanten Ned. duim; wel heeft men bij gemis van condensor en luchtpomp

eenen zoogenaamden refringirator of verkoeler, waardoor de stoom

alvorens in de opene lucht of in den schoorsteen te ontlasten, doorgaat,

maar deze dient alleen, om van den ontvliedenden stoom nog verwarmd

water te trekken, of daarmede water te verwarmen, voordeelig voor de

voeding des ketels of voor de aanvulling van het daaruit verstoomde

water. § 70. Het herkennen van de spanning, waarmede de stoom in den

cilinder valt, geschiedt op eenen daarbij geplaatsten stoommeter; de

stoommeter wijst altijd de spanning boven den bestaanden druk des

dampkrings aan, zoodat men bij die aanwijzing, gemiddeld 103.3 Ned.

looden moet tellen, om de totale spanning, welke binnen den ketel

bestaat, te kennen. Hoeveel de stoom vervolgens in den cilinder

ontspant, kan ontdekt worden, door aan de stoomschuif de vereischte

beweging in verband met die des zuigers te geven, en daarbij op te

merken, op welk gedeelte van den zuigerslag de stoomafsluiting plaats

vindt, of de ontspanning aanvangt[6].

[6] In hetzelfde werkje dat in de noot op bladz. 65 aangehaald is, staat

eenen regel opgegeven, volgens welken men door berekening het gedeelte

zuigerslag kan vinden, waarop de stoom door de stoomschuif wordt

afgesloten, en de stoomontspanning begint.

§ 71.

De spanning van den stoom, zoo als die in den cilinder valt, deszelfs

ontspanmaat, en den tegenstand welken de zuiger aan de andere zijde

ondervindt, kennende, zoo kan men met gegevene middellijn van

stoomzuiger en lengte van deszelfs slag, het nominaal vermogen in

paardenkrachten vinden van stoomwerktuigen van zoogenaamden middelbaren

en hoogen druk, naar de volgende regelen:

=REGEL=

VOOR STOOMWERKTUIGEN VAN ZOOGENAAMDE MIDDELBARE DRUKKING, WELKE

CONDENSOR EN LUCHTPOMP BEZITTEN.

Tel eerst bij de stoomspanning in Ned. looden per vierkanten Ned. duim,

welke de stoommeter aanwijst, 103.3 Ned. looden, trek van de som den

tegendruk binnen den condensor, door manometer of thermometer

aangewezen, af, vermenigvuldig de rest met den overeenkomstigen factoor

voor stoomontspanning (wanneer die plaats vindt) volgens de tafel van §

62, noem dit produkt _zuigerdruk_; vermenigvuldig, vervolgens het getal

Ned. duimen, waaraan de middellijn van den stoomzuiger gelijk is, met

zich zelf en het produkt met het getal Ned. ellen, hetwelk de zuiger in

eene minuut doorloopt, overeenkomstig deszelfs slaglengte uit de tafel

van § 49 op te maken; het laatste produkt met den eerstgevondenen

_zuigerdruk_ vermenigvuldigende, en dit eindprodukt door 1.263000

deelende, zal het komende quotient het gevraagde getal nominale

paardenkrachten opleveren.

VOORBEELDEN.

Eerste Geval.

MET STOOMONTSPANNING BINNEN DEN CILINDER.

Zij de aanwijzing van den stoommeter 206.6 N. looden.

De tegendruk in den condensor 50.0 "

Aanvang van de stoomontspanning, 3/8 van den zuigerslag.

Middellijn van den zuiger 57 Ned. duimen.

Zuigerslaglengte 1.14 Ned. el.

bij 206.6 aanwijzing van den stoommeter

tel 103.3

---------

309.9

af 50.0 tegendruk in den condensor

-------

rest 259.9

maal 0.743 voor factoor stoomontspanning (§ 62)

------

geeft 193.1 Ned. looden _zuigerdruk_

=========

nu is de middellijn van den zuiger 57

maal 57

--------

geeft 3249

maal zuigersnelheid per minuut, 60 (§ 49)

--------

geeft 194940

maal 193.1 voor _zuigerdr._

--------

geeft 37642914

gedeeld door 1263000

--------

is het Quotient 29.8

dat is: het nominaal vermogen zal aan ruim 29-3/4 paardenkrachten gelijk

zijn.

Tweede Geval

ZONDER STOOMONTSPANNING BINNEN DEN CILINDER.

Zij de aanwijzing van den stoommeter 200.6 N. looden.

De tegendruk in den condensor 80.0 "

Middellijn van den zuiger 57 Ned. duimen.

Zuigerslaglengte 1.14 Ned. ellen.

bij 206.6 aanwijzing van den stoommeter.

tel 103.3

----------

309.9

af 80.0 tegendruk in den condensor

----------

rest 229.9 Ned. looden _zuigerdruk_.

=========

nu is de middellijn van den zuiger 57

maal 57

-------

geeft 3249

maal zuigersnelheid per minuut, 60 (§ 49)

-------

geeft 194940

maal 229.9 voor _zuigerdr._

-------

geeft 44816706

gedeeld door 1263000

-------

is het quotient 35.5

======

dat is: het nominaal vermogen zal aan 35-1/2 paardenkrachten gelijk zijn.

§ 72.

=REGEL=

VOOR STOOMWERKTUIGEN VAN ZOOGENAAMDE MIDDELBARE DRUKKING, WELKE

CONDENSOR NOCH LUCHTPOMP BEZITTEN.

Vermenigvuldig eerst het getal Ned. looden stoomspanning per vierkanten

Ned. duim, hetwelk de stoommeter aanwijst, met den overeenkomstigen

factoor voor stoomontspanning, (wanneer die plaats vindt), volgens de

tafel van § 62; noem dit produkt _zuigerdruk_; vermenigvuldig, ten

andere, het getal Ned. duimen, waaraan de middellijn van den stoomzuiger

gelijk is, met zich zelf en het produkt met het getal Ned. ellen,

hetwelk de zuiger in eene minuut doorloopt, overeenkomstig deszelfs

slaglengte uit de tafel van § 49 op te maken; dit laatste produkt met

den eerstgevondenen _zuigerdruk_ vermenigvuldigende, en het eindprodukt

door 1237000 deelende, dan zal het aldus bekomen quotient het gevraagde

getal nominale paardenkrachten opleveren.

VOORBEELDEN.

_Eerste Geval._

MET STOOMONTSPANNING BINNEN DEN CILINDER.

Zij de aanwijzing van den stoommeter 300.9 N. looden.

Aanvang van de stoomontspanning 3/8 van den zuigerslag.

Middellijn van den zuiger 57 Ned. duimen.

Zuigerslaglengte 1.14 Ned. ellen.

309.9 stoommeter aanwijzing

maal 0.743 voor factoor stoomontspanning (§ 62)

------

geeft 230.3 Ned. looden _zuigerdruk_

nu is de middellijn van den zuiger 57

maal 57

----

geeft 3249

maal zuigersnelheid per minuut 60 (§ 49)

------

geeft 194940

maal 230.3 voor _zuigerdruk_.

------

geeft 44894682

gedeeld door 1237000

--------

geeft tot quotient 36.3

========

dat is: het nominaal vermogen zal aan ruim 36-1/4 paardenkrachten gelijk

zijn.

_Tweede Geval._

ZONDER STOOMONTSPANNING BINNEN DEN CILINDER.

Zij de aanwijzing van den stoommeter 309.9 N. looden.

Middellijn van den zuiger 57 Ned. duimen.

Zuigerslaglengte 1.14 Ned. el.

309.9 stoommeter aanwijzing is _zuigerdruk_.

=====

nu is de middellijn van den zuiger 57

maal 57

-------

geeft 3249

maal zuigersnelheid per minuut 60 (§ 49)

-------

geeft 194940

maal 309.9 voor _zuigerdr._

-------

geeft 60455906

gedeeld door 1237000

-------

geeft tot quotient 48.9

dat is: het nominaal vermogen zal aan bijna 49 paardenkrachten gelijk

zijn.

§ 73.

In stoomwerktuigen van hoogen druk wordt volgens § 18 stoom

gebezigd, welks spanning meer dan 3-1/2 dampkringsdruk bedraagt; hooger

dan tot 8 dampkringen, gaat die spanning in deze soort van werktuigen

zelden: het is dus tusschen 3-1/2 en 8 dampkringsdrukkingen, boven den

gemiddelden, dat de volgende regel geldt, gelijk gezegd is voor

werktuigen, die condensor noch luchtpomp bezitten, en soms slechts met

eenen refringirator tot het verkrijgen van verwarmd voedingwater voor

den ketel voorzien.

=REGEL=

VOOR STOOMWERKTUIGEN VAN HOOGEN DRUK.

Vermenigvuldig eerst het getal Ned. looden stoomspanning per vierkante

Ned. duim, hetwelk de stoommeter aanwijst, met den overeenkomstigen

factoor voor stoomontspanning, (wanneer die plaats vindt), volgens de

tafel van § 62, noem dit produkt _zuigerdruk_; vermenigvuldig vervolgens

het getal Ned. duimen, waaraan de middellijn van den stoomzuiger gelijk

is, met zich zelf, en het produkt met het getal Ned. ellen, hetwelk de

zuiger in eene minuut doorloopt, overeenkomstig deszelfs slaglengte, uit

de tafel van § 49 op te maken, dit laatste produkt met den

eerstgevondenen _zuigerdruk_ vermenigvuldigende, en het eindprodukt door

1210000 deelende, zal het komende quotiënt het gevraagde getal nominale

paardenkrachten opleveren:

VOORBEELDEN.

Eerste Geval.

MET STOOMONTSPANNING BINNEN DEN CILINDER.

Zij de aanwijzing van den stoommeter 516.5 N. looden.

Aanvang van de stoomontspanning 3/8 van den zuigerslag.

Middellijn van den zuiger 57 Ned. duim.

Zuigerslaglengte 1.14 Ned. el.

516.5 stoommeter aanwijzing is _zuigerdruk_

maal 0.743 voor Factoor stoomontspanning (§ 62)

------

geeft 383.8 Ned. looden _zuigerdruk_.

nu is de middellijn van den zuiger 57

maal 57

------

3249

maal zuigersnelheid per minuut 60 (§ 49)

------

geeft 194940

maal: 383.8 voor _zuigerdruk_.

------

geeft 74817972

gedeeld door 1210000

--------

geeft tot quotient 61.8

dat is: het nominaal vermogen zal aan ruim 61-3/4 paardenkrachten gelijk

zijn.

Tweede Geval.

ZONDER STOOMONTSPANNING BINNEN DEN CILINDER.

Zij de aanwijzing van den stoommeter 516.5 Ned. looden.

Middellijn van den zuiger 57 Ned. duimen.

Zuigerslaglengte 1.14 Ned. El.

516.5 stoommeter aanwijzing, is _zuigerdruk_,

-----

nu is de middellijn van den zuiger 57

maal 57

------

3249

maal zuigersnelheid per minuut 60 (§ 49)

------

geeft 194940

maal 516.5 voor _zuigerdr._

--------

geeft 100686510

gedeeld door 1210000

--------

geeft tot quotient 83.2

=========

dat is: het nominaal vermogen zal aan bijna 83-1/4 paardenkrachten

gelijk zijn.

§ 74.

De bovenstaande uitgewerkte voorbeelden in getallen, zijn opzettelijk

voor eene zelfde zuigermaat en slaglengte gekozen, alleen om daardoor

een goed vergelijkend overzigt te verschaffen. De lezer zal, ter

bevordering van het goede begrip, weldoen, met andere gegevens gelijke

berekeningen te bewerken, en bijaldien zulke gegevens genomen worden,

naar bestaande Machinen, dan zal het daarmede gevonden nominaal

vermogen, des te minder van het effectief, door de machine uitgewerkt,

vermogen verschillen, hoe nader de werkelijke snelheid, in verband met

de slaglengte van den zuiger, bij die der tafel van § 49 komt. Het

nabijkomend effectief vermogen van eenige machine dus willende kennen,

dan zal men de werkelijke of waargenomene snelheid van den zuiger in de

berekening moeten bezigen, in plaats van die der tafel, wanneer deze

daarmede niet overeenkomt; echter blijft in het algemeen de machine den

krachtnaam voeren, welke een berekend nominaal vermogen met de

zuigersnelheid volgens de tafel, onaangezien de waargenomene snelheid,

oplevert, op dat dit zoo berekend nominaal vermogen dienen zoude, voor

de vergelijking der vermogens van verschillende stoommachinen onderling,

wanneer voor dezelfde gevallen denzelfden opgegeven' regel gevolgd

wordt.

§ 75.

De vereischte hoeveelheid stoom, waarmede de cilinder van eenig

stoomwerktuig in eenen bepaalden tijd moet voorzien worden, is voor de

laatste voorbeelden in getallen, evenzoo te berekenen, als in § 56 en 57

geschied is; de hoeveelheid stoom met deszelfs spanning kennende, is

deszelfs gewigt, of dat van het inbegrepen water, in de volgende tafel

te vinden.

+-------------------------------------------+

|SPANNING VAN DEN STOOM|GEWIGT WATER IN EENE|

| PER VIERKANTEN NED. | KUBIEKE EL STOOM, |

| DUIM BOVEN DEN | OF |

| GEMIDDELDEN DRUK | GEWIGT VAN EENE |

| DES DAMPKRINGS. | KUBIEKE EL STOOM. |

|----------------------+--------------------|

| NED. LOODEN. | NED. PONDEN. |

| 0 | 0.588 |

| 10 | 0.641 |

| 20 | 0.692 |

| 30 | 0.744 |

| 40 | 0.795 |

| 50 | 0.846 |

| 60 | 0.896 |

| 70 | 0.946 |

| 80 | 0.996 |

| 90 | 1.046 |

| 100 | 1.095 |

| 200 | 1.579 |

| 300 | 2.048 |

| 400 | 2.506 |

| 500 | 2.954 |

| 600 | 3.395 |

| 700 | 3.830 |

| 800 | 4.259 |

| 900 | 4.683 |

+-------------------------------------------+

Voor eenen stoomcilinder die 57 Ned. duimen tot Middellijn heeft, en

waarin de zuiger gedurende eene minuut 26 malen daalt, en even zoo veel

malen rijst met eene slaglengte van 1.14 Ned. el, waarbij de

stoomtoevloeijing op drie vierde gedeelte van den zuigerslag wordt

afgesloten, zal men volgens § 56 in een uur tijds 702 kubieke ellen

stoom behoeven; zoo nu die stoom de gewoon gebruikelijke, die van lagen

druk is, die een vierde dampkring of 25.7 Ned. looden boven den

gemiddelden dampskringsdruk gespannen is, dan vindt men met behulp dezer

tafel, dat eene kubieke el aldus gespannen stoom, nagenoeg 72-1/4 Ned.

looden water bevat, bijgevolg houden 702 kubieke ellen van dezen stoom

van lagen druk 507 Ned. ponden water in, en wegen dus zoo zwaar. Zulk

een aantal ponden water is alzoo in een uur tijds noodig voor den stoom,

waarmede de cilinder gevuld moet worden.

Uit den stoomketel verstoomt dus in een uur tijds ten minsten 507 Ned.

ponden water, dat gevolgelijk weder aangevuld moet worden; maar dewijl

in een stoom werktuig langs kleppen, schuiven en pakkingen altijd eenige

lekkaadje van stoom of tot water verdikten stoom bestaat, zoo moet

bovendien nog in dat verlies worden voorzien. In de beschrevene soort

van machinen, is dit verlies op 1/15 gedeelte van het gewigt water, dat

voor stoom in den cilinder noodig is, te begrooten, zoo dat men in dit

geval 507 en 32 of 539 Ned. ponden water, gedurende een uur werkens in

den ketel zal moeten persen, om denzelven gelijkelijk met water voorzien

te houden, en waartoe een of meer pompen, voedingpompen genaamd, dienen,

welke, gelijk vroeger gezegd is, door de machine zelve worden bewogen.

Wanneer stoom van hoogere drukking gebezigd wordt, dan bedraagt gemeld

verlies aan lekkaadje meer, en dit kan in stoomwerktuigen van hoogen

druk tot 1/10 deel van het gewigt des verbruikten stooms aan water

bedragen. Wanneer men bij voorbeeld, in een uur 250 kubieke Ned. ellen

stoom, op 400 Ned. looden per vierkante Ned. duim boven den dampkring

gespannen, voor eenen cilinder noodig heeft, en welke aldus gespannen

stoom volgens de tafel 2.506 Ned. ponden per kubieke Ned. el, dus in het

geheel 626-1/2 Ned. ponden weegt, dan zal men 626-1/2 en 62-1/2 of 689

Ned. ponden voedingwater, gedurende een uur in den ketel moeten persen.

In het voorbijgaan kan hier dus worden opgemerkt, dat het gebruik van

stoom van lagen druk economischer is dan van hoogen druk, dat is met

andere woorden: Men zal met dezelfde brandstoffen, die men tot

voortbrenging van stoom van lagen druk behoeft, betrekkelijk grooter

vermogen ontwikkelen, dan wanneer men tot dat einde die brandstoffen

voor stoom van hoogen druk bezigde, uit hoofde van het vermelde verschil

in het verlies van stoom. Daar behalve verlies, nog andere toevallige

oorzaken kunnen bestaan, welke dat vergrooten, en men gedurende

stilstand van de machine, soms stoom in de opene lucht moet laten

ontvlieden, zoo neemt men de voorzorg, om de voedingpompen voor een

weinig meer opbrengst van water in te rigten, waarvoor dan die pompen,

zoo er te veel water in den ketel wordt gebragt, van de machine zijn te

ontkoppelen, om eenigen tijd buiten werking te blijven; of soms heeft

men aan die pompen toestellen verbonden, waardoor het overvloedige water

afloopt, zoodat dezelve alsdan met de machine kunnen blijven doorwerken;

in § 22 is een dergelijke toestel verklaard. Overigens wordt het

voedingwater zoo veel mogelijk verwarmd in den ketel gebragt, en daarom

uit den heetwaterbak (§ 40) of de refrigerator (§ 69) getrokken.

§ 76.

Uit dit laatst behandelde kan men afleiden, dat een stoomwerktuig van

lagen druk voor elke nominale paardenkracht, per uur gemiddeld, bijna 31

Ned. ponden water behoeft ter overbrenging in stoom; want het voorbeeld

voor aanwending van stoom van lagen druk der laatste paragraaf, geldt,

overeenkomstig § 49, eene machine van 17-7/10 nominale paardenkrachten;

waarom dan 17-7/10 maal 31 of 548.7 Ned. ponden, weinig meer bedraagt

dan 539 Ned. ponden van datzelfde voorbeeld. In machinen, waarin de

stoom hooggespannen werkt, is voor elke nominale paardenkracht, uit

hoofde van grooter stoomverlies, meer water noodig, en kan alzoo voor

die krachtéénheid tot 37-1/2 Ned. ponden in een uur tijds noodig wezen,

waarnaar dan de voedingpompen zullen moeten zijn ingerigt. Daar nu de

machine de voedingpompen moet in beweging houden, zoo is

natuurlijkerwijze, het daaraan te besteden vermogen des te grooter, naar

gelang de overeenkomstige watervoeding per nominale paardenkracht, meer

bedraagt; hetgeen weder, de nuttige uitwerking der machinen van hoogen

druk een weinig benadeelt, dat is: minder economisch ten aanzien van het

verbruik van brandstoffen doet zijn.

De totale consumptie brandstoffen, welke een stoomwerktuig van een

bepaald vermogen tot onderhoud van werking eischt, hangt echter niet

enkel af van de hoeveelheid in stoom over te brengen water, gedurende

eenen bepaalden tijd: immers tot hiertoe hebben wij slechts in het oog

gehad, hetgeen noodig is aan stoom met inbegrip van lekkaadje tot in den

cilinder der machine; de deelen echter, welke den stoom tot aan die

plaatsen leiden, moeten mede verwarmd blijven, of de invloed der

afkoeling tegenstaan; ten andere ondergaat in hoofdzaak, de stoomketel

zelf veel warmteverlies, hetgeen binnen denzelven noodzakelijk moet

worden aangevuld, opdat de vereischte temperatuur, overeenkomstig de

binnen bestaande spanning onderhouden worde. Wanneer men dus op grond

van naauwkeurige gegevens, door berekening gevonden had, wat aan

brandstoffen noodig zoude zijn, voor het leveren van de vereischte

hoeveelheid stoom, tot in den cilinder, dan zoude men in het werkdadige

bevinden, dat eene dus berekende hoeveelheid brandstof met het werkelijk

verbruik daarvan niet overeenkwam; het is daarom dat de tafel van § 58

de totale consumptie steenkoolen bevat, welke de ondervinding als

gemiddeld per nominale paardenkracht voor stationaire stoomwerktuigen

van lagen druk heeft doen kennen, terwijl voor andere soorten van

stoomwerktuigen, alsmede voor die van zoogenaamde middelbare en hooge

drukking, het daartoe betrekkelijke in § 59 is gezegd.

§ 77.

Verklaring van het stoomwerktuig zijnde eene algemeen bevattelijke beschrijving van deszelfs onderscheidene deelen, zamenstelling en werking. · 第 6 / 9 段