Wij weten dat stoom, welks spanning aan den gemiddelden druk des

dampkrings gelijk is, 212 graden Temperatuur op den Thermometer teekent;

een dampkring hooger gespannen, dat is: op twee dampkringen, dan is

deszelfs temperatuur 250.5 graden; op vier dampkringen (de gemiddelde

dampkringsdruk altijd daaronder begrepen) 293.8 graden, en op acht

dampkringen gespannen 342.5 graden; men ziet dus dat stoom, op twee

dampkringen gespannen, 38.5 graden temperatuur meer teekent, dan op een'

dampkring gespannen, op vier dampkringen 43.3 graden meer dan op twee,

en op acht dampkringen 48.7 graden meer dan op vier dampkringen.

Voor eene verdubbeling in stoomspanning teekent dus de Thermometer

slechts weinig meer dan eene zelfde vermeerdering in graden;

oppervlakkig beschouwd, zoude men dus zeggen: dat, om stoom in spanning

te verdubbelen, men slechts weinig meer warmtegraden heeft toe te

voegen, dan het verschil in graden met deszelfs halve spanning; maar ten

dezen zich herinnerende, wat in § 5 over den aard der stoomwording

gezegd is, zal het blijken dat, om stoom van dubbele spanning voort te

brengen, men veel meer warmtegraden voor eene zelfde volume stoom noodig

heeft; want de grootere hoeveelheid water, welke hooger gespannen stoom

inhoudt, kost ter overgang in stoom, veel aan de zoogenaamde verborgene

warmte; het zijn dus de inbegrepene verborgene warmtegraden

hoofdzakelijk, en niet alleen die, welke de Thermometer te meer

aanwijst, welke voor de daarstelling van gelijke volumen hooger

gespannen stoom, vereischt worden.

Het temperatuur van den stoom in stoomwerktuigen van lagendruk zoude

volgens de bepaling, uiterlijk 233.9 graden zijn; doch derzelver

spanning is in die werktuigen veelal minder, en bij gevolg,

overeenkomstig hetgeen in § 52 gezegd is, slechts nabij 224 graden.

§ 54.

In § 5 hebben wij gezegd, dat stoom, die in spanning aan den gemiddelden

druk des dampkrings gelijk is, eene plaats beslaat, of eene volume

heeft, die 1700 malen grooter is, dan die van het water, dat denzelven

heeft daargesteld, dat is: eene kubieke Ned. el zoo gespannen stoom

bevat 1/1700 gedeelte water; stoom op de dubbele spanning of van twee

dampkringen (de gemiddelde dampkring altijd daaronder begrepen) bevat,

volgens § 52 meer water, of is, anders gezegd, digter, en is bevonden

900 malen de volume water uit te maken; op vier dampkringen gespannen

478 malen, en op acht dampkringen gespannen 255 malen de volume van het

water dat denzelven heeft daargesteld. Men kan dit ook nog anders

uitdrukken. Een kubieke palm water levert 1700 kubieke palmen stoom, op

een' dampkring gespannen; 900 kubieke palmen op twee dampkringen, en 478

kubieke palmen op acht dampkringen gespannen, de gemiddelde druk des

dampkrings daaronder begrepen. In stoomwerktuigen van lagen druk is de

hoogst bepaalde stoomspanning een halve dampkring boven de gemiddelde,

zoodanige stoom is 1168 malen de volume van het water; doch bij de

veelal gebruikelijke stoomspanning in die werktuigen, volgens § 52, is

die volume nabij 1385 malen de volume, die het water bezit op de

standaardtemperatuur van 62 graden.--De volume, welke stoom van dubbele

spanning bezit, is dus omstreeks de helft; waarom dan zoodanige stoom,

overeenkomstig hetgeen ten dien aanzien hooger gezegd is, de dubbele

zwaarte heeft, dat is: eene kubieke el stoom, bij voorbeeld: op eene

dampkring gespannen, weegt omstreeks half zoo zwaar als eene kubieke el

stoom, die op twee dampkringen gespannen is.

§ 55.

In ruwe schatting volgt de digtheid of het gewigt van hooger gespannen

stoom, omstreeks dezelfde verhouding, als de hoeveelheid der daarin

opgehoopte warmte; zoodat hooger gespannen stoom ongeveer eene

gelijkmatige hoeveelheid meerdere warmtegraden met zich verbindt; daar

het nu klaar is, dat de met eenige hoeveelheid brandstoffen ontwikkelde

warmte, evenredig is aan derzelver hoeveelheid, (want 4 ponden

steenkolen zullen tweemaal zooveel warmte ontwikkelen als 2 ponden) zoo

volgt: dat men voor het daarstellen van hooger gespannen stoom, ook

omstreeks eene in gelijke verhouding staande vermeerdering van

brandstoffen noodig zoude hebben; in de praktijk of in het werkdadige is

zulks echter niet zoo, en men heeft bijvoorbeeld: voor eene kubieke el

dubbel gespannen stoom meer dan het dubbel der brandstoffen noodig, want

onder andere: hooger gespannen stoom heeter zijnde, zoo is deszelfs

afkoeling of verlies van warmte door de zijden van den ketel of van de

vaten, welke die stoom bevatten of ontvangen, belangrijker; welk

warmteverlies dus door meerder verbruik van brandstoffen moet worden

aangevuld; de voortbrenging van hooger gespannen stoom is dus

kostbaarder; hoe men die kostbaarheid, door zekere wijze van

stoomaanwending in stoomwerktuigen deels te gemoet komt, zal later

worden verklaard.

§ 56.

In de vier laatste paragraphen is getracht, in het kort goede

denkbeelden te leveren wegens den regten aard van den stoom op

verschillende spanningen, gegrond op hetgeen in den aanvang van dit

werkje in beginselen opgegeven staat; het is nu van belang te weten, wat

de stoomwerkkracht aan brandstoffen, het element dier beweegkracht,

kost.

De hoeveelheid brandstoffen, die voor het in beweging houden van een

stoomwerktuig noodig is, hangt geheel af van de spanning en de

hoeveelheid stoom, welke men daarin verbruikt. Het is klaar, dat de

stoomcilinder van een werktuig boven deszelfs zuiger, zooveel stoom zal

kunnen bevatten als de ruimte bedraagt, die tusschen den zuiger bij

laagsten stand en het cilinderdeksel bestaat, of onder den zuiger bij

hoogsten stand, even zooveel als de ruimte tusschen den zuiger en den

cilinderbodem uitmaakt, zijnde de ruimte boven en onder den zuiger

nagenoeg aan elkander gelijk, dewijl alleen de zuigerstang aan eene

zuigerzijde daarvan een klein gedeelte inneemt; de uitgebreidheid van

zoodanige cilindervormige ruimte voor den ontvang van stoom, valt

gemakkelijk te berekenen, want men behoeft slechts het oppervlak des

zuigers te vermenigvuldigen met de lengte van deszelfs slag. In § 47 is

geleerd, hoe het oppervlak van eenen ronden zuiger in vierkante duimen

gevonden wordt, en hetzelfde daarin behandelde voorbeeld volgende, dan

heeft men voor eenen zuiger van 57 duimen middellijn 2551-3/4 vierkante

duimen oppervlakte, hetgeen vermenigvuldigd met de gegevene slaglengte

van 114 duimen, 290900 kubieke duimen voor de ruimte boven of onder den

zuiger oplevert; men heeft dus voor eenen dalenden en rijzenden

zuigerslag, of voor eenen omgang van het vliegwiel, tweemaal die ruimte,

dat is 581800 kubieke duimen, welke met stoom uit den ketel gevuld kan

worden. Gelijk gezegd is, neemt de zuigerstang eenige ruimte in, doch

sluit ook de zuiger bij hoogsten en laagsten zuigerstand, niet juist

tegen het cilinderdeksel en den bodem, maar laat eenige ruimte over,

terwijl nog de boven en beneden stoomdoortogten met stoom te vullen

ruimten bieden, zoodat de vullende volume stoom, over het geheel

genomen, eigenlijk een weinig meer is, daarom zullen wij dezelve hier in

een rond getal, voor eenen omgang van het vliegwiel, op 600000 kubieke

duimen stellen, gelijk aan 600 kubieke palmen of aan 6/10 kubieke el.

Wanneer nu 26 vliegwielomwentelingen in eene minuut geschieden, dan

zullen er 26 maal 6/10 kubiek el, of 15-6/10 kubieke ellen stoom, van de

vereischte spanning, gedurende dien tijd noodig zijn, dat is in het uur

936 kubieke Ned. ellen.

In sommige gevallen, wanneer meer op het verkrijgen van een groot

vermogen, dan wel op de bezuiniging van brandstoffen gelet wordt, vult

men de cilindervormige ruimte boven en onder den zuiger zoo geheel met

stoom overeenkomstig de gedane berekening. Verreweg in de meeste

gevallen echter, en juist omdat Economie in brandstoffen eene hoofdzaak

is, laat men zooveel stoom niet in den cilinder vloeijen, maar sluit de

stoomvloeijing, op een zeker gedeelte van den zuigerslag, door middel

van de daarvoor doelmatig gevormde stoomschuif af; de hoeveelheid

ingelatene en aldus afgeslotene stoom, breidt zich alsdan in de

toenemende ruimte, welke de bewegende zuiger verder oplevert, uit; langs

dien weg verkrijgt men met eene bepaalde hoeveelheid brandstof een

betrekkelijk grooter vermogen; dusdanige uitbreiding van afgesloten'

stoom in eene steeds vergrootende ruimte, wordt stoomontspanning

genoemd. In stoomwerktuigen van lagen druk wordt veelal de

stoomtoevloeijing afgesloten, wanneer de zuiger omstreeks drie vierde

gedeelte van deszelfs slag heeft afgelegd, het overige vierde deel van

den zuigerslag wordt vervolgens met den zich ontspannenden stoom

volbragt; in eene volgende paragraaf zal reden gegeven worden, waarom

zoodanige handelwijze Economie oplevert. Met ons voorbeeld uit § 47

zoude dus het stoomwerktuig van lagen druk met eenen stoomcilinder van

die gegevene grootte, en gemelde stoom-ontspanmaat, in plaats van 936

slechts 702 kubieke Ned. ellen stoom per uur behoeven.

§ 57.

De tot heden voor stoomwerktuigen gebezigde brandstoffen zijn

steenkolen; men weet, dat die brandstof van zeer onderscheidene

kwaliteit is, zoodat de eene soort meer en de andere soort minder warmte

ontwikkelt. Onderscheidene andere brandstoffen bestaan er, waaronder

hout weder uitmunt. Om over de strikte en betrekkelijke hoeveelheid

warmte te handelen, welke verschillende soorten van steenkolen en andere

brandstoffen opleveren, ontbreekt hier ruimte, waarom het voldoende zal

wezen op te geven, wat in de gewone omstandigheden de meest

gebruikelijke brandstof, steenkolen namelijk, aangaat; de volgende tafel

geeft niet dat doel de gemiddelde consumptie per uur op, van goede

steenkolen, voor goed ingerigte stoomwerktuigen van lagen druk, die met

stoomontspanning werken, en zulks naar gelang derzelver nominaal

vermogen in paardenkrachten.

|NOMINALE |CONSUMPTIE ||NOMINALE |CONSUMPTIE |

|PAARDENKRACHT.|PER UUR. ||PAARDENKRACHT.|PER UUR. |

|--------------|------------||--------------|------------|

| |Ned. Ponden.|| |Ned. Ponden.|

| 5 | 21 ||110 |358 |

|10 | 37 ||120 |389 |

|20 | 70 ||130 |420 |

|30 |102 ||140 |451 |

|40 |135 ||150 |482 |

|50 |167 ||160 |513 |

|60 |199 ||170 |543 |

|70 |231 ||180 |574 |

|80 |263 ||190 |604 |

|90 |295 ||200 |634 |

|100 |326 ||250 |784 |

§ 58.

Bovenstaande consumptie steenkolen per uur is gezegd de gemiddelde te

zijn, en geldt in het bijzonder de tegenwoordig meest bestaande

stationnaire stoomwerktuigen van lagen druk, namelijk de zoodanige,

welke, werkende, niet van plaats veranderen; van die soort bestaan er

enkele, die minder aan brandstoffen kosten, doch over het algemeen kan

men, de in de tafel opgegevene hoeveelheden aannemen; daarentegen is

meestal die consumptie grooter met Locomotive stoomwerktuigen van lagen

druk, dat zijn, de zoodanige, welke, werkende, met derzelver omvatting

van plaats veranderen, gelijk met stoomvaartuigen het geval is; want

daarin geeft men aan de stoomketels de kleinst mogelijke uitgebreidheid,

omdat de ruimte binnen een vaartuig zeer beperkt is; en hoewel men

daarin gewoon is, alles aan te wenden, wat tot de goede werking der

vuren en de doelmatige leiding van het vlammende gaz met de heete rook,

dienstig kan zijn voor de verhitting van het water, dat den stoom

voortbrengt, zoo gaat nogtans veel warmte met een gedeelte onverteerde

brandstoffen door den schoorsteen verloren; hierbij komt nog, dat deze

werktuigen minder voor de verkoelende werking der buitenlucht zijn te

beschermen.

In stoomvaartuigen bezigt men stoomwerktuigen van lagen druk, zelden

minder dan van 16 nominale paardenkrachten; de consumptie steenkolen is

dan nabij 5 ponden voor elke paardenkracht gedurende een uur werkens;

van grooter nominaal vermogen komt met tot nabij 4 en 3-1/2 ponden per

paardenkracht in een uur; zoodat voor een werktuig van 16

paardenkrachten 80 ponden en voor een van 100 paardenkrachten circa 350

ponden steenkolen per uur zouden noodig wezen; altijd in de

vooronderstelling, dat men goede steenkolen gebruikt en dat ketels en

werktuigen van eene goede constructie zijn.--In werktuigen van hooge

drukking is de consumptie steenkolen, volgens § 55, grooter, dan in die

van Lage drukking, doch men komt daarin veel te gemoet door den stoom in

de stoomcilinders met veel ontspanning te laten werken, waarover lager

zal gehandeld worden.

§ 59.

Voor brandstof bezigt men ook nog uitgebrande steenkolen, coke of cooks

geheeten; deze leveren eene grootere echter meer plaatselijke hitte op,

doch zijn in vergelijking der kosten, minder voordeelig; voor

Locomotiven, stoomwerktuigen op wielen, dat is voor stoomrijtuigen, is

deze brandstof bijzonder goed geschikt, voornamelijk omdat men daar in

een klein bestek veel warmte moet ontwikkelen, en omdat zoodanig vuur

voor de daarmede in aanraking zijnde keteldeelen minder schadelijk is;

deze locomotiven of stoomrijtuigen werken over het algemeen met stoom

van hooge drukking en met weinig stoomontspanning, zoodat ook van die

zijde de Economie weinig wordt begunstigd. De Pleegwagen, die van geene

groote uitgebreidheid is, en welke het stoomrijtuig onmiddelijk volgt,

bevat behalve eenen voorraad zuiver water voor de voeding des ketels, de

coke, en moet van tijd tot tijd met eenen nieuwen voorraad dezer

brandstof voorzien worden, voor het volbrengen van uitgestrekte togten.

§ 60.

Voor en aleer tot de verklaring over te gaan van het voordeel, dat in de

ontspanning van den stoom gelegen is, is het noodig zich te herinneren,

wat in § 54 over de uitgebreidheid van verschillend gespannen stoom

aangeteekend staat: zoo heeft stoom, op acht dampkringen gespannen, eene

uitgebreidheid van 255, op vier dampkringen 478, op twee dampkringen 900

en op eenen dampkring 1700 malen die van het water; hieruit moet, gelijk

gezegd is, besloten worden, dat stoom, welker spanning de helft van

andere bedraagt, ongeveer de dubbele uitgebreidheid bezit; want

bijvoorbeeld: 478 de volume zijnde van stoom op vier dampkringen

gespannen, zoo is tweemaal die volume of 956 slechts weinig meer dan

900, de volume van den stoom op twee dampkringen gespannen. Daar nu

stoom van halve spanning weinig meer dan de halve zwaarte bezit, of

weinig meer dan de halve hoeveelheid water inhoudt, met andere woorden

gezegd, nagenoeg de halve digtheid heeft; zoo komt men tot het besluit:

dat bijaldien eene ruimte, bijvoorbeeld: eene kubieke el groot, met

stoom van zekere spanning volkomen gevuld is, en deze ruimte verdubbeld,

dus twee kubieke ellen wordt, zonder dat meer stoom wordt ingelaten, de

aldus in dubbele ruimte uitgebreide stoom, weinig minder dan de halve

spanning, welke dezelve eerst bezat, zal bezitten; zooveel zal dus die

stoom ontspannen zijn.

Om stoom naar die maat te doen ontspannen, moet echter gezorgd worden,

dat dezelve in de vergroote ruimte geene verkoeling ondergaat, of in

temperatuur daalt beneden de juiste temperatuur, die met de uitbreiding

in de vergroote ruimte overeenkomt; zoo zulks plaats vond, zoude men een

gedeelte van dien stoom condenseren, en in water doen overgaan,

gevolgelijk den stoom nog meer in spanning doen verminderen, gedurende,

dat deszelfs ontspanning plaats vond.

§ 61.

Ten einde op eene eenvoudige wijze aan te toonen, welk voordeel in de

stoomontspanning gelegen is, zullen wij van de eenvoudige lijnen der

nevensstaande figuur ons bedienen.

[Illustratie: Een schematische voorstelling van een cilinder met

zuiger.]

Laat A B C D eenen cilinder verbeelden waarin de zuiger door de lijn E F

aangetoond wordt. Wanneer wij dien zuiger van deksel tot bodem doen

dalen, bijvoorbeeld met stoom van 6 ponden spanning, dan zal men eene

volume zoo gespannen stoom noodig hebben, die aan den inhoud van den

cilinder gelijk is; wanneer wij echter, dien zuiger met stoom, welke

slechts op een vierde of op 1-1/2 pond gespannen is, even zoo doen

bewegen, dan zal men eene gelijke hoeveelheid stoom, hoewel minder hoog

gespannen, behoeven; in het tweede geval zal gevolgelijk het vermogen

van den zuiger vier malen kleiner zijn dan in het eerste, en zal de

stoom ook circa vier malen minder digtheid bezitten, of een vierde deel

van den stoom op 6 ponden gespannen, zal nagenoeg voldoende wezen, om

evenzoo den cilinder te vullen met stoom op 1-1/2 pond gespannen.

Zij nu gedacht, dat men stoom, die op 6 ponden gespannen is, slechts

voor een vierde deel van den zuigerslag in den cilinder laat vloeijen,

dat is: wanneer de zuiger tot bij 1 gedaald is, de toevloeijing

afgesloten wordt, dan zal, wanneer onder den zuiger geen tegenstand maar

een voldoend ijdel heerscht, dezelve door den ingelaten' en afgesloten'

stoom, nedergedrukt worden door ontspanning van den stoom, dat is door

eenen stoomdruk die gestadig afneemt naar gelang de ruimte boven den

zuiger grooter wordt, derwijze, dat de stoom, wanneer de zuiger bij 2

gekomen zal zijn, slechts de halve spanning van drie ponden bezit, bij 3

zal die spanning weder minder en wel een derde of 2 ponden wezen, en bij

4 zal de stoom niet meer dan een vierde of 1-1/2 pond spanning behouden

hebben. Zoo men nu de stoomspanning bij den zuigerplaatsen 1, 2, 3 en 4

bij elkander telt, dat is 6, 3, 2 en 1-1/2, verkrijgt men tot som

12-1/2, welke door 4 gedeeld, eene nabijkomende gemiddelde spanning van

3-1/8 pond oplevert, waarmede men denken kan, dat de zuiger van deksel

tot bodem is naar beneden gedrukt; met eenen rijzenden zuigerslag kan

dit even zoo plaats vinden en behoeft geene verklaring.

Door vergelijking van dit laatste geval met het voorgaande, waarin wij

den zuiger, van deksel tot bodem doorgaande met stoom van 1-1/2 pond

spanning deden dalen, en waarvoor de noodige hoeveelheid stoom ook

weinig verschilt met een vierde deel van den inhoud des cilinders met

stoom van 6 ponden spanning, wordt het voordeel der stoomontspanning

duidelijk: met ontspanning ondergaat de zuiger natuurlijkerwijze den

afklimmenden druk van 6 tot 1-1/2 pond, terwijl zonder ontspanning met

1-1/2 pond doorgaanden stoomdruk, de druk tegen den zuiger nimmer

grooter is, maar altijd dezelfde blijft; vandaar dat met ontspanning, de

gemiddelden druk meer dan de helft van den primitieve, dat is: 3-1/8

pond bedraagt.

§ 62.

Het voordeelige der stoom-ontspanning zoude bij het berekenen, nog meer

uitgekomen zijn, indien wij de ruimte, waarin de stoom opvolgende

ontspant in kleinere onderdeelen hadden verdeeld; want onze gemiddelde

druk is gevonden, naar de stoomspanning, die met de zuigerplaatsen 2, 3

en 4 overeenkomt, hoewel de stoomspanning tusschen 1 en 2 hooger dan op

2, tusschen 2 en 3 hooger dan op 3 en tusschen 3 en 4 hooger dan op 4

is; eigenlijk neemt de stoom vloeijend in spanning van plaats 1 tot

plaats 4 af; hetgeen dan oorzaak is, dat de gevondene gemiddelde

stoomspanning in ons gekozen voorbeeld nog kleiner schijnt dan zij is;

met meer nauwkeurigheid is de gemiddelde stoomspanning voor den geheelen

zuigerslag, met behulp van het volgende tafeltje te vinden, dat voor

achtste deelen van den stoomzuigerslag geldt.

+----------------+----------------+

| ACHTSTE DEELEN | |

| ZUIGERSLAG- | FACTOREN |

| LENGTE. | |

+----------------+----------------+

| 1 | 0.385 |

| 2 | 0.597 |

| 3 | 0.743 |

| 4 | 0.847 |

| 5 | 0.919 |

| 6 | 0.966 |

| 7 | 0.992 |

| 8 | 1.000 |

+----------------+----------------+

Het gebruik van deze tafel is eenvoudig; want tegenover het getal

achtste deelen van den zuigerslag, gedurende welke de stoomtoevloeijing

naar den zuiger aanhoudt, staat de Factoor of het getal, waarmede de

spanning van den toegevloeiden stoom moet vermenigvuldigd worden, om de

gemiddelde stoomspanning te verkrijgen, waarmede gerekend kan worden,

dat de geheele zuigerslag is volbragt. Zoo is in ons voorbeeld het

gedeelte zuigerslag, gedurende welke de stoomtoevloeijing duurt, 1/4, of

2 achtsten, hier tegenover staat nu in de tafel de factoor 0.597,

waarmede de spanning van den ingevloeiden stoom, 6 ponden,

vermenigvuldigd zijnde 3.582 geeft; de gemiddelde stoomspanning voor den

geheelen zuigerslag is dus bijna 3-6/10 pond, gevolglijk meer dan wij

boven vonden.

§ 63.

Voor stoomwerktuigen van lage drukking laat men, gelijk gezegd is,

de stoom in vele gevallen tot omstreeks drie vierde van den zuigerslag

in den cilinder vloeijen; in § 47 is gezegd, dat men in die werktuigen

gewoonlijk met stoom werkt, die op 129 Ned. looden per vierkanten Ned.

duim gespannen is, en dat die spanning vermindert tot op 120 looden van

wege den tegendruk, welke in den condensor heerscht. Zoodanige met 120

looden drukkende, en op drie vierde gedeelte van den zuigerslag

afgesloten wordende stoom, geeft volgens de tafel, met Factoor 0.966

vermenigvuldigd, eene gemiddelde stoomspanning van 115-9/10 Ned. looden

per vierkanten Ned. duim. Men ziet dus op welke wijze men met behulp van

deze tafel, den gemiddelden stoomdruk door ontspanning veroorzaakt, op

den zuiger kan vinden, om alzoo over het effectief vermogen van het

werktuig, in verband met de daarvoor noodige hoeveelheid stoom beter te

kunnen oordeelen; terwijl de § 49 opgegeven regel alleen voor het vinden

van het nominaal vermogen strekt, dat is: van het nabij komend aantal

werkende paarden van gemiddelde sterkte, waarvoor dan ook die algemeene

regel voldoende is. Maar voor stoomwerktuigen van zoogenaamde middelbare

en hooge drukking, is een zoo algemeene regel ter berekening van

derzelver nominaal vermogen, niet toe te passen; eensdeels omdat de

spanning van den invloeijenden stoom daarin zeer onderscheiden is, en

anderdeels omdat de stoomontspanning in deze werktuigen ook veel

onderling verschilt, zoodat men voor dergelijke berekening, in het

bijzonder, op de eigenlijke spanning van den toegevloeiden stoom en op

deszelfs ontspanmaat in den cilinder moet letten, zoo als wij later

zullen opgeven.

§ 64.

Het doen ontspannen van den stoom in den cilinder levert wel

bezuiniging van brandstoffen op, maar de cilinders moeten daarvoor ook

grooter genomen worden, welke vermeerdering in zwaarte en uitgebreidheid

echter door de verkregene bezuiniging van brandstoffen rijkelijk wordt

vergoed; vooral in stoomvaartuigen, waar het in het bijzonder op het

geringste verbruik brandstoffen aankomt, dewijl de ruimte ter berging

daarin zeer beperkt is. Voor stoomrijtuigen wordt hierop minder gelet,

dewijl men daar in een klein bestek veel kracht moet ontwikkelen, dus

met kleine cilinders het grootste vermogen zoekt te verkrijgen ten koste

van eenige meerdere brandstof, welke men zich liever getroost, van

voorraadplaatsen van tijd tot tijd op te nemen[5]. In het algemeen zij

gezegd: dat men door aanwending van met ontspanning werkenden stoom, uit

de brandstoffen, het element der kracht, meer nut trekt, dat is: het te

verrigten werk, of de af te leggen weg, zal betrekkelijk minder uitgaven

aan brandstoffen kosten.

[5] De Belgische werktuigkundige _de Ridder_ schijnt

ontspanning van stoom in stoomrijtuigen meer te willen toepassen.

§ 65.

Uit hetgeen over de stoomontspanning gezegd is, laat zich de

mogelijkheid begrijpen, hoe men door het doen vloeijen van eene kleine

hoeveelheid hooger gespannen stoom in eenen cilinder, en dien daarin te

doen ontspannen, tegen den daarin bewegenden zuiger, denzelfden

gemiddelden druk kan daarstellen, gelijk gewoonlijk in stoomwerktuigen

van lagen druk plaats vindt. Laat bij voorbeeld: slechts tot een vierde

deel van den zuigerslag, stoom in den cilinder toegelaten zijn, welks

spanning 99.8 Ned. lood boven den gemiddelden druk des dampkrings, dus

in het geheel 203.1 Ned. lood. bedraagt, en laat die spanning van wege

den Condensor, met 9 Ned. looden verminderd, bij gevolg, 194.1 Ned.

looden per vierk. Ned. duim worden, dan zal volgens de tafel, in § 62

gegeven, 0.597 maal 194.1 gelijk zijn aan 115.9 Ned. looden gemiddelden

stoomdruk voor den ganschen zuigerslag: dezelfde gemiddelde stoomdruk,

die in § 63 gevonden is, wanneer met stoom gewerkt wordt, die slechts

met eene spanning van 129 Ned. looden in den cilinder vloeit, doch

waarvan de ontspanning niet eer begint, dan op drie vierde van den

zuigerslag.

§ 66.

Verklaring van het stoomwerktuig zijnde eene algemeen bevattelijke beschrijving van deszelfs onderscheidene deelen, zamenstelling en werking. · 第 5 / 9 段