Door de opvolgende beurtelingsche toe- en afvloeijingen van den stoom

naar en van den stoomzuiger, ontvangt deze laatste de vermogende op- en

nedergaande beweging, welke aan de bovengelegene balans medegedeeld, de

kruk van het vliegwiel omvoert. Het vliegwiel is van gegoten ijzer en in

deszelfs buiten omtrek of velling belangrijk zwaar, waardoor, gelijk

gezegd is, aan het geheele werktuig eenen gelijkmatigen gang in beweging

gegeven wordt. Het valt in het oog, dat er een stilstand moet plaats

hebben telken reize, als de zuiger den top of den bodem van den cilinder

genaderd is, dat is bij deszelfs keerpunten, zoodat daardoor de balans

met de daaraan verbondene kruk en het vliegwiel, en in het algemeen alle

deelen van het werktuig een ondeelbaar oogenblik stil staan; de kruk

nogtans, met eenparige snelheid doorgaande, brengt te weeg: dat bij de

keerpunten des stoomzuigers, geene schokking plaats vindt. De doorgaande

beweging van deze kruk wordt door het voortvliedend vermogen van het

vliegwiel te weeg gebragt, en het is klaar, dat, zonder dit, de beweging

van het gansche werktuig zoude ophouden, zoodat het vliegwiel hierin te

gemoet komt. Wanneer namelijk een ligchaam eens in beweging is, dan

heeft het in zich zelf geen vermogen, om die beweging te staken, of om

tot den staat van rust over te gaan, en hetzelve zoude onafgebroken met

denzelfden graad van beweging aanhouden, indien niet een of andere

tegenstand van buiten, die beweging tegenhield. Deze stelling zal voor

vele onzer lezers vreemd schijnen, daar wij geen ligchaam in beweging

zetten, hetwelk niet na korteren of langeren tijd tot den staat van rust

komt. Wanneer wij namelijk eenen kogel met eene zekere kracht over een

vlakte voortwerpen, dan is het ons allen bekend, dat het ligchaam, na

welligt eenige honderd ellen te zijn voortgerold, eindelijk tot rust

komt. Zoo wij intusschen dien kogel, over eene gelijke oppervlakte b. v.

over glad ijs werpen, dan zullen wij zien, dat de kogel tot op eenen

grooteren afstand zal voortrollen, dan wel over eene oneffene

oppervlakte, eer dezelve in rust komt. De oorzaak van dit verschil in

den doorgeloopenen afstand bij de twee gevallen bestaat alleen daarin,

dat de kogel in het eerste geval op den ruwen grond meer hinderpalen

ondervond, dan wel op het gladde ijs, en zoo men in staat ware, om alle

oneffenheden van den kogel en het ijs uit den weg te ruimen, dan zou dit

voorwerp nog oneindig grooteren afstand afleggen,--ja, zoo de omringende

lucht mede geenen tegenstand in den weg stelde, of zoo de mogelijkheid

bestond, om dezen tegenstand geheel te vernietigen, dan zou de geringste

kracht reeds toereikende zijn, om den kogel eene voortdurende beweging

mede te deelen. Dit vermogen der ligchamen, om in den staat van rust, of

in die van beweging te volharden, noemt men traagheidkracht, _inertie_.

§ 44.

Om nu de werking van het vliegwiel te verklaren, moet men op het

volgende bijzonder acht geven. Wanneer namelijk twee ligchamen in

beweging zijn, van hetwelk het gewigt van het eene A, gelijk is aan dat

van het andere B, terwijl beiden eene snelheid van eenen voet wegs in de

minuut hebben, dan zal er even veel kracht vereischt worden om het eene

als om het andere tegen te houden. Zoo echter het gewigt van het eene

ligchaam A twee ponden is, en het andere B slechts een pond weegt,

terwijl de snelheid van beide dezelfde is, dan zal men de dubbele

kracht, die men aan het ligchaam B besteedt, noodig hebben, om het

ligchaam A tegen te houden. Indien het ligchaam A driemalen het gewigt

hadde van het ligchaam B, dan zou er bij het stoppen van het eerste eene

drievoudige kracht vereischt worden,--en zoo naar evenredigheid. Wanneer

nogtans de gewigten van beide dezelfde bleven, doch de snelheid van A

het dubbele werd van die van B, dan zou er eene dubbele kracht vereischt

worden, om A, dan wel om B tegen te houden; en zoo A driemalen de

snelheid van B had, dan zou de kracht, om A te stoppen, ook driemalen

zoo groot moeten zijn. De werktuigelijke uitwerking, of het zoogenaamd

moment van het in beweging zijnde ligchaam, hangt derhalve af van het

gewigt en van de snelheid: zoodat een ligchaam A, van het dubbele gewigt

als een ander B, en met de tweevoudige snelheid voortgaande, eene

viervoudige uitwerking of momentum (hoeveelheid van beweging) uitoefent;

of, met andere woorden, eene vierdubbele kracht vereischt, om

tegengehouden te worden, dan wel tot het ophouden van B noodig is.

Daar nu het vliegwiel een aanmerkelijk gewigt heeft, en door de kruk

wordt in beweging gezet, zoo zal er eene zeer vermogende kracht

vereischt worden om deszelfs beweging tegen te houden of te stoppen. De

onregelmatige drukking, welke de kruk van het vliegwiel ter omvoering

mogt ondergaan, wordt overwonnen door de inertie van het vliegwiel,

zoodat de ongelijkheden der beweging door de gelijkmatigheid in gang van

het vliegwiel worden verholpen, alzoo bij de keerpunten van den

stoomzuiger het vliegwiel evenwel deszelfs gelijkmatige beweging volgt

en gevolglijk de kruk van deszelfs as, boven en beneden doet doorgaan.

Wel wordt er eene aanmerkelijke krachtuitoefening van den zuiger

vereischt, om het vliegwiel eerst in gang te zetten; doch eenmaal in

beweging zijnde, is er ook slechts eene geringe kracht noodig, om die

ronddraaijende beweging te onderhouden; het vliegwiel kan men beschouwen

als een' ontvanger van ongelijkmatige beurtelings werkende kracht, doch

ook als een' gelijkmatigen verspreider van dezelve.

Wij hebben gezegd, dat, bijaldien het vliegwiel eenmaal aan den gang

gebragt is, er verder zeer weinige kracht vereischt wordt, om die

beweging te onderhouden; dit zoo in het oog loopende voordeel bij het

gebruik van een vliegwiel, heeft velen in den waan gebragt, dat dit

middel als eene bron van kracht te beschouwen is; doch zulks is geheel

en al onjuist. In het vliegwiel wordt, om zoo te spreken, de hoeveelheid

van beweging van eenig deel, slechts opgegaard, om aan een ander

gedeelte eenparig af te geven, waardoor de onregelmatigheden of

stootingen in het werktuig worden voorkomen. Het vliegwiel moet derhalve

slechts als eenen regulateur van kracht beschouwd worden, en is dus,

even als alle andere werktuigelijke toestellen, alleen een middel, om de

kracht regelmatig te onderhouden, en geenszins, om die te vergrooten.

§ 45.

Op de as van het vliegwiel is eene ronde schijf uit middelpuntig

geplaatst, dat is: het middelpunt van deze schijf komt met het

middelpunt van deze as niet overeen, maar wijkt in zekere mate naar de

eene zijde af, zoodat het middelpunt der schijf bij het rondwentelen van

het rad eenen cirkel beschrijft. Deze schijf wordt kolderschijf of

excentriek genoemd en bezit op den buitenkant eene omgaande groef,

waarom eenen ring beweegbaar is gevoegd, zoodat wanneer deze

kolderschijf, met de vliegwiel-as omgevoerd wordende, met dezen ring,

waaraan weder een raam verbonden is, aan dat raam eene heen en

wedergaande beweging mededeelt. Dit raam is verbonden met eenen

hefboomtoestel en daarmede met de stoomschuif, zoodat de heen en weder

beweging van de kolderschijf ook de stoomschuif op en neder doet

bewegen, naar eene bepaalde maat, ter opening en sluiting van de

stoomdoortogten des stoomcilinders; in fig. 1 is dit raam, dat zich van

de vliegwiel-as tot aan den voet van de stoomschuifkast uitstrekt,

afgebeeld.

Genoemd raam, kolder of excentriek raam, ook wel roede geheeten, kan op

eene eenvoudige wijze van de stoomschuif ontkoppeld worden, bloot door

afligten van eene pen, hetwelk door den bestuurder van het werktuig

gedaan wordt, wanneer de beweging van de machine moet ophouden; want het

is klaar, dat wanneer de stoomschuif stilstaat, en er alzoo geene

beurtelingsche toegang van den stoom naar den stoomzuiger meer plaats

vindt, alsdan de beweging van het geheele werktuig noodzakelijk ophoudt.

Zoo lang dus het kolderraam met den hefboomtoestel, dat de stoomschuif

in beweging brengt, gekoppeld blijft, zal de beweging van het werktuig

aanhouden, geheel in zich zelf, zonder dat men noodig heeft daaraan de

behulpzame hand te leenen, het onderhouden van het vuur zal alleen

noodig zijn; het werktuig regelt dus zich zelf in beweging, met hetgeen

lager nog gezegd zal worden.

De balans ontleent dus deszelfs beweging van den stoomzuiger, met zich

voerende eenen aangekoppelden luchtpompzuiger, voor de geheele

uitwerking van het vermogen des stooms noodzakelijk; de andere arm van

deze balans, drijft eene as met vliegwiel rond, hetwelk eigenlijk als

het uitvoerend deel, ter toepassing op een of ander te verrigten werk,

moet beschouwd worden; ook wordt nog aan die zijde eenig pompwerk

daardoor in beweging gebragt, dat voor de aanvoering van het injectie of

koelwater voor den condensor moet dienen, zoowel als tot het ontbrekende

voedingwater des ketels. Ten aanzien van het injectie of koelwater moet

gezegd worden, dat de condensor I E met de nevensgestelde luchtpomp, te

zamen in eenen en denzelfden digten bak zijn vervat, welke door de

koudwaterpomp J met water gevuld wordt gehouden, en dat dit zelfde water

voor injectie binnen den condensor I E dient, tot welk einde eene kraan

door den bestuurder naar vereischte wordt geopend; eene kleine pomp, in

deze figuur, om verwarring te vermijden, niet afgebeeld, dient, om uit

den warmwaterbak I in de voeding van den ketel te voorzien.

§ 46.

Dat wij nu overgaan, om naar de grootte der hoofddeelen het vermogen van

het werktuig te bepalen, en de hoeveelheid brandstoffen, welke voor de

vereischte hoeveelheid stoom noodig is, mitsgaders: hoeveel water men

voor den verbruikten stoom weder in den ketel moet aanvullen, en wat aan

koelwater voor de condensatie moet worden geleverd.

Men is gewoon, het vermogen van een stoomwerktuig uit te drukken in

paardenkrachten, dat is: in het vermogen van een zeker getal paarden,

welke voorondersteld in den rosmolen te werken, hetzelfde werk zouden

doen, dat met het werktuig verrigt wordt: maalt men bij voorbeeld 100

mudden graan met het werktuig in een uur tijds, dan zal het vermogen van

hetzelve gelijk zijn aan het getal paarden, welke in den rosmolen die

zelfde hoeveelheid graan in gelijke tijd vermalen; dat is, gelijk aan

zooveel paardenkrachten. Maar dewijl de paarden allen niet even krachtig

zijn, heeft men eenen gemiddelden term daarvoor moeten aannemen, welke

volgens de ondervinding met het gemiddeld vermogen van een paard

overeenkomt. De groote verbeteraar der stoomwerktuigen de Engelsman J.

Watt, heeft gesteld, dat een paard van middelbare sterkte 4562-1/3 ned.

ponden, eene ned. el hoog kan opvoeren in den tijd van 1 minuut; of

hetgeen hetzelfde is, het dubbeld van dit gewigt, een halve ned. el hoog

in denzelfden tijd, of ook, zoo men wil, de helft van dit gewigt of

2781-1/6 ned. ponden, twee ellen hoog in eene minuut.

Wat ons derhalve te doen staat, om het vermogen van een stoomwerktuig in

paardenkrachten te bepalen, bestaat daarin, dat wij onderzoeken, hoeveel

ponden door het werktuig in den tijd van eene minuut een el hoog kunnen

worden opgeligt. Hiertoe zal van den kant onzer lezers slechts eene

geringe oplettendheid, bij het nagaan van het volgende, vereischt

worden.

§ 47.

Telkens als de stoomzuiger eenen slag op- of neer doet, wordt dezelve

gedrukt met een vermogen, dat met de spanning van den toegevloeiden

stoom aan eene zijde des zuigers gelijk is, min den tegenstand, welken

de zuiger aan de andere zijde door het onvolmaakt ijdel in den condensor

ondervindt; de stoom, welke in stoomcilinders van lagen druk gewoonlijk

werkt, gaat den gemiddelden druk des dampkrings omstreeks een vierde

deel te boven; dat is bedraagt ongeveer 129 Ned. looden op eenen

vierkanten Ned. duim; doch door het nimmer volmaakt ijdel binnen den

condensor, heerscht aan de tegenzijde des stoomzuigers nagenoeg een

tegendruk van 9 Ned. looden per vierkante Ned. duim, welke dus van de

stoomspanning moet worden afgetrokken, waardoor elke vierkante duim van

den stoomzuiger ter beweging voortgedrukt wordt met 120 looden per

vierkante duim. Het geheele oppervlak des zuigers zal dus gedrukt worden

met zoo veel maal 120 looden, als dat oppervlak vierkante duimen bevat.

Het vinden van het getal vierkante duimen, welke het oppervlak van eenen

ronden zuiger van eene gegevene middellijn bevat, geschiedt naar den

volgenden regel: vermenigvuldig het getal duimen, waaraan de middellijn

van den zuiger gelijk is, met zich zelf, en het produkt weder met

0.7854, dan zal het laatste produkt het gevraagde getal vierkante duimen

zijn, waaraan het oppervlak des zuigers gelijk is.

Bij voorbeeld: laat de middellijn des zuigers 57 duimen wezen, dan geeft

57 maal 57; voor produkt 3249 dat, weder 0.7854 malen genomen, 2551-3/4

vierkante duimen voor het oppervlak des zuigers oplevert, zoo veel maal

120 looden zal dus de totale druk zijn, waardoor de stoomzuiger bewogen

wordt, dat is 2551-3/4 maal 120 geeft 306210 Looden of ruim 3062 Ned.

ponden.

Maar nu is de vraag: met welke snelheid zal zoodanige zuiger, die door

3062 ponden gedrukt wordt, zich bewegen, ten einde derzelver vermogen

daarnaar te kunnen berekenen; hierover moet gezegd worden, dat hoe

langer de slag des zuigers is, hoe meer snelheid dezelve zal kunnen

aannemen, altijd in de veronderstelling, dat genoegzame hoeveelheid

stoom door den ketel geleverd wordt; aan stoomzuigers van bovengemelde

middellijn wordt, voor landmachinen, veelal het dubbel der middellijn

tot lengte van slag gegeven, dus hier 114 duimen, die, zoo wel dalende

als rijzende, door den zuiger worden afgelegd; de voegzaamste snelheid

voor zoodanige slaglengte is gelijk aan het afloopen van 60 ellen in

eene minuut, waarvoor deze zuiger ruim 26 dalingen en even zoo vele

rijzingen moet volbrengen; of omdat eene daling en eene rijzing, met

eene omgang van het vliegwiel overeenkomt, ruim 26 vliegwielomgangen.

Wanneer dan werkelijk deze zuiger 60 ellen wegs in eene minuut afloopt,

dan komt het vermogen van den stoomzuiger overeen met 3062 ponden 60

ellen hoog opgebragt in eene minuut, of met 183720 Ponden 1 el hoog in

denzelfden tijd. Daar nu eene paardenkracht aan 4562-1/3 ponden, 1 el in

een minuut opgevoerd, gelijk is, zoo volgt dat het vermogen van dezen

zuiger in paardenkracht gevonden wordt, wanneer men 183720 door 4562-1/3

deelt, hetgeen tot quotiënt nagenoeg 40 paardenkrachten oplevert.

§ 48.

De lezer zal echter dadelijk opmerken, dat die 40 paardenkrachten niet

geheel door het werktuig zullen kunnen worden uitgevoerd, want de zuiger

ondergaat in den cilinder wrijving, die overwonnen moet worden, dit kost

een gedeelte kracht. Even zoo als het met den zuiger gesteld is, zoo

kosten ook alle andere bewegende deelen van het werktuig kracht, om

derzelver wrijving te overwinnen; als de wrijving des luchtpompzuigers,

der zuigerstangen in de pakkingbossen, der parallelle beweging, der

koudwater- en voedingpompen, balans en vliegwiel-assen met krukpen, en

dit alles nog, behalve het gewigt van het water, dat de

lucht-koudwater- en voedingpompen moeten opbrengen, enz. Hieraan nu gaat

een aanmerkelijk gedeelte van het primitieve gevondene vermogen des

stoomzuigers verloren, zoo zelfs, dat dit verlies op ongeveer 3/5 deelen

van het eerst gevondene vermogen des zuigers geschat moet worden; de

overblijvende 2/5 deelen van dat vermogen, zullen alzoo de eigenlijke

nuttige uitwerking van dit stoomwerktuig zijn.

§ 49.

Het is niet mogelijk, met juistheid op te geven, welk gedeelte van het

primitieve vermogen aan de onderscheidene wrijvingen enz., in eenig

stoomwerktuig verloren gaat; door navorsching en berekening kan men wel

tot een nabijkomend getal komen, doch tot uiteenzetting hiervan is het

bestek van dit schrijven te beperkt. In het algemeen maakt men van eene

zoo berekende grootheid, voor krachttoekenning aan een stoomwerktuig

geen gebruik, maar bezigt eenvoudige regelen, waardoor men het aantal

zoogenaamde nominale paardenkrachten vindt, welke het werktuig voor

eenig te verrigten werk oplevert; die regelen geven wel is waar geen

strenge of juiste uitkomst, maar voldoen zeer wel in de praktijk; de

meestgebruikelijke regel is de volgende:

Men vermenigvuldigt het getal ned. duimen, waaraan de middellijn des

stoomzuigers gelijk is met zich zelf, het komende product met het getal

ned. ellen, hetwelk de stoomzuiger in eene minuut tijds doorloopt, en

deelt dit laatste product door 11016; dan zal het quotient het gevraagde

getal nominale paardenkrachten wezen, welke het werktuig zal kunnen

uitoefenen; elke paardenkracht gelijk aan een vermogen als in § 46 staat

uitgedrukt. Boven is gezegd, dat de gevoegelijke snelheid van eenen

stoomzuiger tevens afhankelijk is van de lengte van deszelfs slag; in

het onderstaande tafeltje staan die snelheden tegenover de

zuigerslaglengten opgeteekend[4].

+----------------------+-------------------------------+

| ZUIGERSLAGLENGTEN. | SNELHEDEN VAN DEN |

| | ZUIGER. |

|----------------------+-------------------------------|

| N. Palmen. | N. Ellen per minuut. |

| 4 | 49.8 |

| 6 | 52.7 |

| 8 | 55.5 |

| 10 | 58.2 |

| 12 | 60.7 |

| 14 | 62.3 |

| 16 | 65.5 |

| 18 | 67.6 |

| 20 | 69.7 |

+----------------------+-------------------------------+

Zij nu tot voorbeeld ter berekening genomen dezelfde zuigermaat en

slaglengte, welke wij in § 47 bezigden.--De middellijn des zuigers is 57

duim, dus 57 maal 57 geeft 3249, dit weder vermenigvuldigd met 60, omdat

de zuigerslaglengte 11.4 Palmen bedraagt, levert voor produkt 194940 op,

hetwelk gedeeld door 11016, tot quotient 17-7/10 geeft, dat is: een

stoomwerktuig van lagen druk met eenen cilinder voorzien, waarin

zoodanige zuiger werkt, wordt een vermogen van 17-7/10 nominale

paardenkrachten toegeschreven.

[4] Naauwkeurige en uitgebreide tafelen dezer gevoegelijke snelheid

vindt men in het werkje, getiteld: _Nominaal vermogen van

Lagendruk-stoomwerktuigen, gespecificeerd door D. van den Bosch_; te

Amsterdam bij _Gebroeders Diederichs_, 1839.

§ 50.

Wij hebben overal bij het berekenen van den druk van stoom en ook van

den dampkring eenen vierkanten Ned. duim tot eenheid gebruikt, maar men

kan ook den druk op eenen cirkelronden Ned. duim daarvoor bezigen,

hetwelk eenig gemak in de berekeningen voor het oppervlak van ronde

zuigers met zich brengt.--Een vierkant, dat eenen duim tot zijde heeft,

grooter oppervlak bezittende, dan een cirkel van eenen duim middellijn,

zoo is noodwendig de druk op eenen ronden of cirkelvormigen duim kleiner

dan op eenen vierkanten duim; om dan den druk op eenen vierkanten duim

tot den druk op eenen ronden duim te herleiden, moet men den eersten

vermenigvuldigen met 0.785; bij voorbeeld: de gemiddelde dampkringsdruk

op eenen vierkanten ned. duim bedraagt 103.3 lood, dit met 0.785

vermenigvuldigende, zoo bekomt men 81.1 lood voor den gemidd.

dampkringsdruk op eenen cirkelvormigen Ned. duim. Op deze wijze den druk

op een cirkelvormig oppervlak van één duim middellijn gevonden hebbende,

is het gemakkelijk den geheelen druk op grootere oppervlakten, die

cirkelrond zijn te bepalen: men vermenigvuldige slechts het aantal

duimen van de middellijn eerst met zich zelf en dan met dien gevondenen

herleiden druk op eenen cirkelvormigen duim. Hoewel wij in dit geheele

werkje ons bij dezelfde oppervlakte eenheid, het vierkant op den duim

namelijk, zullen houden, is het echter niet overbodig het gebruik van

den cirkelvormigen duim tot dat zelfde einde te kennen, om reden er soms

opgaven gedaan worden, welke op die eenheid gebaseerd zijn. Overigens

komt voor het spoedig vergelijken van ronde oppervlakten, het rekenen

met cirkelvormige duimen, bijzonder te pas.

§ 51.

In het begin van dit werkje hebben wij gezegd, dat water, onder de

gemiddelde drukking van den dampkring aan het koken gebragt zijnde,

stoom ontwikkelt op de temperatuur van 212 graden volgens Fahrenheits

Thermometer, en dat de dus gevormde stoom eene spanning of veerkracht

bezit, die gelijk staat met de drukking van eenen dampkring of

atmospheer, dat is: eenen druk uitoefent van 103.3 Ned. looden op eene

oppervlakte, die een vierkante Ned. duim groot is; daar nu het koken van

water in eenen openen ketel en in de vrije lucht, eigenlijk niets anders

is dan het ligten van den dampkring door den daaruit opstijgenden stoom,

en de dampkring, blijkens de aanwijzing van den Barometer, eene

verschillende zwaarte kan hebben, zoo volgt: dat het water des te

gemakkelijker zal koken, hoe ligter de dampkring is. De ondervinding

heeft zulks ook bewezen, want bij een' lagen stand van het kwik in den

Barometer, dat is: bij eenen ligten dampkring, kookt het water beneden

212 graden; maar staat het kwik in den Barometer hoog, en is dus de

dampkring zwaar, dan worden er meerdere warmtegraden voor het koken van

het water vereischt. Op hooge bergen, alwaar de kwikkolom in den

Barometer, door verminderde dampkringshoogte aanmerkelijk lager staat,

kookt het water op veel lager temperatuur, dan op plaatsen aan het

oppervlak der aarde of aan het gemiddeld oppervlak des Oceaans gelegen;

zelfs kunnen de dagelijksche veranderingen in den druk des dampkrings op

eene zelfde plaats het kooktemperatuur van water, circa 2 graden hooger

of lager doen zijn; de druk op de kokende vloeistof dezelfde blijvende,

zal het kooktemperatuur niet veranderen.

Maar wat gebeurt er, wanneer de ketel, welke het water bevat, gesloten

wordt?

In eenen gesloten' ketel moet de uit het water opstijgende stoom zich

daar binnen zamendringen, en bij gevolg eenen meerderen druk op het

water uitoefenen, zoodat het water meer verhit zal moeten worden, om

volgenden stoom te leveren; doch tegelijk neemt de spanning van den

stoom binnen den ketel, door de opvolgende zamendringing weder toe,

hetwelk, daar het druk vermogen bij de aanhoudende verhitting aanwast,

te weeg brengt: dat het water in eenen geslotenen' ketel nimmer aan het

koken raakt, ofschoon het vuur daaronder onophoudelijk blijft werken;

hierbij moet natuurlijkerwijze voorondersteld worden, dat de ketel sterk

genoeg is, om dien veel vermogenden zamengedrongen' stoom wederstand te

bieden, dat is: dat hij niet kan bersten.

Doch geven wij den ketel in den top eene opening, die met eene klep

gedekt is, dan zal de stoom daardoor kunnen ontvlieden, wanneer dezelve

genoeg vermogen bezit, om de zwaarte van die klep te ligten. Daar nu op

deze klep natuurlijkerwijze de dampkring mede drukt, zoo overwint in dit

geval de ontvliedende stoom niet alleen het gewigt der klep, maar ook

dat des dampkrings: bij het gemiddeld gewigt van den dampkring zal men

dus het gewigt van de klep moeten tellen, om te weten, met welke

spanning de stoom van onder de opgeligte klep ontvliedt.

Zij gesteld, dat de klep 10 pond weegt, en eene opening dekt, welke 10

vierkante duimen doortogt geeft, dan zal die klep op elken vierkanten

duim dier opening, met 1 pond drukken, of zooveel tegenstand bieden; de

gemiddelde druk des dampkrings per vierkante duim 1.033 pond zijnde, zal

de stoom eenen druk moeten uitoefenen van iets meer dan 2.033 ponden per

vierkante duim, om de klep te ligten, of om door de daarmede gedekte

opening, te kunnen ontvlieden; want de klep drukt per vierkante duim met

1 pond en de gemiddelde dampkring met 1.033 pond, hetgeen te zamen 2.033

pond uitmaakt; de klep zwaarder of meer beladen zijnde, zal gevolglijk

ook hooger gespannen sloom eischen, om opgeligt te worden.

Van de zwaarte van zoodanige klep, boven reeds onder den naam van

veiligheidsklep bekend, hangt dus de spanning van den in den ketel

voortgebragten stoom af; de zwaarte van die klep moet dus geregeld zijn

naar de vereischte stoomspanning, die voor de machine benoodigd is. In

stoomwerktuigen van lagen druk gaat die zwaarte, welke men belading der

veiligheidsklep noemt, geen 51.7 Ned. looden per vierkante Ned. duim der

gedekte openingen te boven, zoodat de totale stoomspanning (met in

begrip van den gemiddelden druk des dampkrings à 103.3 lood) uiterlijk

155 lood op eenen vierkanten duim bedraagt.

§ 52.

Hoe hooger de stoom gespannen is, des te meer met warmtestof verbonden

water daarin vervat is, bij gevolg is hooger gespannen stoom zwaarder;

eene kubieke Ned. el stoom, welke in spanning aan den gemiddelden druk

des dampkrings gelijk is, weegt 59 Ned. looden; een dampkring hooger

gespannen of op twee dampkringen, dan weegt eene kubieke el 111 looden;

op vier dampkringen gespannen (de gemiddelde dampkringsdruk altijd

daaronder begrepen) 209 looden, en op acht dampkringen gespannen 392

looden. Men ziet hier uit, dat stoom van dubbele spanning nabij de

dubbele zwaarte bezit, en daar de warmtestof op zichzelve geene te

bemerkene zwaarte heeft, zoo is het gewigt van stoom ook het gewigt van

het daarin begrepen water, zoodat eene kubieke Ned. el stoom, in

spanning aan den gemiddelden druk des dampkrings gelijk, niet meer dan

59 Ned. looden weegt, omdat daarin 59 looden water zijn

begrepen.--Volgens bepaling is in stoomwerktuigen van lagen druk de

uiterste spanning van den stoom, een halve dampkring boven den

gemiddelden dampkringsdruk, eene kubieke Ned. el zoodanige stoom weegt

85 Ned. looden; veelal echter bezigt men in die werktuigen eene

stoomspanning, welke den gemiddelden dampkringsdruk slechts een vierde

deel overschreidt, en die per kubieke Ned. el 72-1/4 Ned. looden weegt,

of zooveel gewigt aan water inhoudt.

§ 53.

Verklaring van het stoomwerktuig zijnde eene algemeen bevattelijke beschrijving van deszelfs onderscheidene deelen, zamenstelling en werking. · 第 4 / 9 段