In de figuren 8 en 9, verbeeldt O den stoomcilinder met ingevallen

zuiger; door het deksel van denzelven, moet men de zuigerstang in eene

pakkingbos vrijelijk beweegbaar denken, zonder doorlating van stoom of

lucht; aan den cilinder is eene kast verbonden, die overlangs door een

middenschot is verdeeld; bij S is eene opening, waardoor de stoom

toevloeit, die door de vroeger beschrevene smoorklep is gelaten; het

naast aan den cilinder gelegen halfdeel van deze kast, ontvangt alzoo

het eerst den, door de opening S toevloeijenden, stoom. Maar in dit

zelfde kastdeel sluiten twee stukken of kleine zuigers A en B, die door

middel van eene stang aan elkander zijn verbonden, en alzoo te zamen,

naar eene bepaalde maat, op en neder beweegbaar zijn, om de boven of

beneden stoomdoortogt, bij A en B te kunnen openen of sluiten, derwijze:

dat bij het geopend zijn van den boven stoomdoortogt bij A, voor toevoer

van stoom in den cilinder, de beneden stoomdoortogt bij B, daarvoor

gesloten is, en omgekeerd; de stoom die door de opening S vloeit, staat

dus in de ruimte D, tegen de kleine zuigers A en B aan, gereed om, naar

gelang den stand dier zaamverbondene zuigers, boven of onder in den

cilinder te vallen.

Het andere, door het middenschot afgescheidene deel dezer kast moet men

zich voorstellen, dat bij C, gemeenschap heeft met eenen afgezonderden

condensor, en waarin, gelijk boven gezegd is, door eene kraan,

injectiekraan genoemd, koud water stroomt, dus geschikt, om den stoom te

condenseren of te verdikken; zoo toegesteld; blijkt het uit de figuren,

dat de stoom, die naar het inwendige van den cilinder O vloeit, altijd

met de binnenvlakten der kleine zuigers A en B in aanraking is, terwijl

de condensorruimte in de kast altijd met de buitenvlakten bij N N, dier

beide zuigers, gemeenschap heeft. Deze aaneengekoppelde kleine zuigers

noemt men te zamen, stoomschuif, en om dezelve te bewegen, moet men zich

eene daaraan verbondene stang denken, die door eene pakkingbos, door den

bodem of top van de kast gaat, waarin de stoomschuif is besloten; (hier

in de figuur niet afgebeeld) vervolgens is het naar dit voorbeeld eene

hoofdvereischte, dat de stoomschuif rondom volmaakt in dat kastdeel

sluit, opdat geen stoom gedurende deszelfs beweging doordringe.

Daar de uiterste afstand van den boven tot den beneden stoomdoortogt,

bij A en B, gelijk is aan de uiterste lengte van de verklaarde

stoomschuif, en de kleine zuigers, die de sluiting te weeg brengen,

nimmer minder hoogte houden dan gezegde doortogten, zoo volgt, gelijk

ook uit de figuren op te maken is: dat de stoomvloeijing in den cilinder

nimmer door de beide stoomdoortogten te gelijk kan geschieden, maar, of

alleen boven, of alleen onder den zuiger; in fig. 8 is de stoomschuif

gesteld voor toelating van stoom onder den zuiger, en in fig. 9 voor

stoom toevloeijing op den zuiger. Even zoo kan nimmer de condensorruimte

van eene zoo toegestelde stoomschuif gelijktijdig gemeenschap hebben met

het inwendige des cilinders boven en onder den zuiger, maar wel alleen

boven of alleen onder. Het blijkt vervolgens uit de figuren duidelijk,

dat terwijl de stoom boven op den zuiger vloeit, om dien naar beneden te

drukken, de stoom vanonder den zuiger eenen uitweg naar de condensor

vindt, en omgekeerd: terwijl de stoom onder den zuiger vloeit, wordt aan

de stoomafvloeijing, van boven den zuiger naar den condensor,

gelegenheid gegeven; waaruit dan na weinig overweging te begrijpen is,

hoe de beurtelingsche toe- en afvloeijing van stoom naar en van den

zuiger, door de stoomschuif behoorlijk op en neder te bewegen, kan

geschieden; en volgens hetgeen wij later zullen zeggen, over de

bewegingswijze van de stoomschuif door de machine zelve: dat men de

meest mogelijke regelmaat in krachtsuitoefening daarmede zal kunnen

verkrijgen[3].

In de figuren 8 en 9, is alleen ruim de hoogste en laagste stand van de

stoomschuif, met den hoogsten en laagsten stand des stoomzuigers

afgebeeld, dus geenzins de stoomschuif-standen, die met den hoogsten en

laagsten zuigerstand overeenkomen; want bij het in beweging houden van

de stoomschuif door de machine zelve, moet bij hoogsten zuigerstand de

stoomschuif juist maar gereed staan, om stoom op den zuiger toe te

laten, terwijl de stoom van onder denzelven; reeds uitgang naar den

condensor vindt; zoo ook moet bij laagste zuigerstand de stoomschuif

aanvangen, om stoom onder den zuiger te doen vloeijen, terwijl voor

uitvloeijing van stoom, van boven den zuiger naar den condensor, reeds

gelegenheid bestaat.

De stoomschuif is derhalve, om zoo te spreken, de ziel of het hart van

de geheele machinerie, en is dus dat gedeelte van den toestel, hetwelk

aan andere deelen leven geeft.

[3] In fig. 8 is den stoomzuiger abusievelijk een weinig te lagen stand

gegeven.

§ 39.

Thans zullen wij overgaan tot de verklaring van den condensor of

stoomverdikker. Uit de bovenstaande beschrijving heeft men kunnen

opmaken, dat er in de dubbel werkende machine geen koud water in den

cilinder gebragt wordt, maar dat volgens fig. 8 en 9, eene gemeenschap

tusschen denzelven en den condensor, waarin het koude injectie-water

stroomt, wordt daargesteld.

Men moet zich voorstellen, dat de pijp C, die op onze afbeelding

hieronder (fig. 10) als afgebroken gezien wordt, gemeenschap heeft met

de opening C, in de voorgaande figuren 8 en 9, en met het in deze figuur

voorgesteld cilindervormig vat, hetwelk de eigenlijke condensor is.

Deze condensor heeft onderwaarts, door een kanaal, met eenen anderen

nevens geplaatsten cilinder gemeenschap, waarin een zuiger werkt, welke

luchtpomp genoemd wordt. Het koude injectie-water stroomt in den

condensor, door de, in de figuur afgebeelde injectiekraan, die met

opgaande stang, bij D, een' handvat houdt, om die kraan min of meer open

te zetten, of te sluiten. Condensor en luchtpomp zijn te zamen in eenen

bak bevat en met koud water omgeven, welk koude water tot voeding van

injectie voor den condensor dient.

[Illustratie: "Fig. 10."]

Het loopt in het oog, dat, zoo men het injectie-water, hetwelk tot

verdikking van den stoom gediend heeft, en insgelijks dat, hetwelk de

verdikte stoom vormt, niet wegvoerde, een en ander den condensor spoedig

vullen zoude; bovendien ontwikkelt kokend water ook eenige lucht, welke

het ledige binnen den condensor zeer benadeelt. Er is derhalve een

middel noodig geweest, om dat voortgebragte water en die lucht uit den

condensor te trekken, en hiertoe moet de zoo even gemelde luchtpomp

dienen.

Nevens den condensor is dus eene zoogenaamde luchtpomp geplaatst, die

benedenwaarts, door een kanaal of hals, met den condensor gemeenschap

heeft; in dat kanaal bestaat bij H eene klep, die zich naar de zijde der

luchtpomp opent, zoodat het water met de lucht wel uit den condensor,

maar niet daarin terug kan vloeijen. De luchtpomp-cilinder bevat eenen

daarin sluitenden beweegbaren zuiger, welke kleppen heeft, die zich

bovenwaarts openen; geen water of geene lucht, door dezen zuiger

opgebragt, kan dus terugvallen; de luchtpomp-cilinder is met een digt

sluitend deksel voorzien, waardoor de zuigerstang E, in eene pakkingbos

sluitende beweegt; en onder nabij dit deksel bestaat eene opening,

waardoor het door den luchtpomps-zuiger opgebragte water met lucht, naar

buiten in eene afzonderlijke bak uitgang vindt, mede voorzien van eene

klep, opdat niets van dat opgebragte zoude terugvloeijen.

§ 40.

Dit, met behulp van fig. 10, begrepen zijnde, is het duidelijk, dat,

bijaldien de luchtpompzuiger door de machine, gelijkmatig op en neder

bewogen wordt, het water met de ontwikkelde lucht uit den condensor zal

worden getrokken en weggeleid; maar omdat het aldus uit den condensor

getrokken water meer warmte bezit, dan het omringende in den alles

omvattenden bak, scheidt men dit water af, en laat hetzelve volgens de

figuur in eenen afzonderlijken bak stroomen, ten einde dat verwarmde

water te bezigen, voor de aanvulling van het verstoomde water in den

stoomketel, ter bezuiniging van brandstoffen. De bak, waarin zich het

verwarmde uit den condensor getrokkene water stort, draagt den naam van

warm- of heetwaterbak.

De groote koudwaterbak AA, welke condensor luchtpomp en heetwaterbak

bevat, wordt aanhoudend van water voorzien, door eene pomp, die door de

machine bewogen wordt; terwijl eene overlooppijp bestaat, om het

overvloedige water te lozen; die pomp is in deze figuur niet afgebeeld,

en ook niet de kleinere pomp, welke, uit den afgescheidenen

heetwaterbak, de voeding aan den stoomketel bezorgt; eindelijk dient nog

gezegd te worden, dat de heetwaterbak mede eene overlooppijp bezit, om

het warme water, dat voor ketelvoeding overbodig is, te lozen.

§ 41.

Al de pompstangen, waarover wij gesproken hebben, zoowel als de

zuigerstang des stoomcilinders, bewegen op en neder, wij zullen thans

verklaren op welke wijze zulks zamenhangt. Eene ijzeren balans A B fig.

1, rust en beweegt zich op eene as C boven op de kolom D, aan welke eene

goede en stevige fondatie gegeven is. Deze balans, is met de minste

verspilling van ijzer, den sterksten vorm gegeven, en daaraan zijn de

stangen gekoppeld van stoom-zuiger en andere pompen, zoodat het rijzen

en dalen van de stoom-zuigerstang, eene overeenkomstige rijzing en

daling van alle andere zuigerstangen bewerkt.

Onderstellen wij, dat de stoom-zuigerstang aan het balanseinde A

verbonden is, dan is het klaar, dat telkens, als die zuigerstang op- en

nedergaat, het uiteinde A, van de balans eenen cirkelboog zal

beschrijven, waarvan C het middelpunt is. De top van de zuigerstang zal

in dat geval in geene regte maar in eene kromme lijn moeten volgen, en

dus van de eene naar de andere zijde overgaan, hetwelk zoude

veroorzaken, dat die stang daar, waar zij door de pakkingbos van het

cilinderdeksels loopt, heen en weder daarin drukte of klemde en eene

verderfelijke slijting daarstelde. Hetzelfde zou het geval zijn met de

stang van den luchtpompzuiger; en de voeringen der pakkingbossen zouden

dus daardoor zeer veel uitslijten. Ten einde dit gebrek te verhelpen of

te voorkomen, heeft men gebruik gemaakt van eenen zeer vernuftig

uitgedachten toestel, die de _parallelle_ of _evenwijdige beweging_

genoemd wordt, en waardoor aan den stoomzuiger en aan andere

pompstangen, op zeer weinig na, eene regtopgaande beweging, zonder

hinderlijke afwijking naar de eene of andere zijde, wordt medegedeeld.

In dit werkje kunnen wij slechts de volgende, voor ieder bevattelijk

algemeene verklaring, van gezegde evenwijdige beweging geven.

Met het uiteinde A, van de balans A B, fig. 1, zijn een paar stroppen A

G verbonden, zoo ook op de middellijn tusschen A en C een ander paar

stroppen, E F, van gelijke lengte als de eerste. Deze stroppen zijn

benedenwaarts door een paar roeden F M aan elkander verbonden, welke

roeden weder gelijk in lengte zijn aan den afstand van A tot E op de

balans; een ander paar roeden, welke in lengte gelijk zijn aan de roeden

F M, is vervolgens, aan het eene einde bij F en aan het andere einde bij

H, mede beweegbaar vereenigd, en wel bij H, met de vaste stelling,

waarin de gansche machine is besloten.

De balans A B beweegbaar zijnde, zoo wordt men bij het nagaan dezer

koppeling van stroppen en roeden gewaar, dat er twee vaste aspunten zijn

C en H, zijnde C het aspunt, waarom de punten A en E der balans bewegen

en H het aspunt waarom het punt F beweegt. Dit vooraf goed opgemerkt

hebbende, onderstelle men, dat de stoomzuiger in top staat, waarbij de

balans den stand heeft, die op de afbeelding wordt voorgesteld. Wanneer

de zuiger nu naar beneden gaat, dan beschrijft het punt F, om het vaste

aspunt H, eenen boog, die betrekkelijk het punt H naar buiten (of naar

de linkerhand) uitwijkt; terwijl het punt E, om het vaste aspunt C,

eenen boog naar den tegenovergestelden kant (de regterhand) beschrijft.

Daar nu het paar stroppen E F deze twee punten, die eenen cirkelboog

beschrijven, met elkander verbindt, zoo zal het eene einde E regts van

de loodlijn bewegen, terwijl het andere F even zoo veel links van

dezelve bewogen wordt, deze stroppen zullen dus, gedurende de op- en

neder beweging van den balansarm A C, eene afwisselende hellende

beweging aannemen.

Door de volgende figuur, die eene voorstelling in zoogenaamde werklijnen

van de parallelle beweging geeft, met aandacht na te gaan, zal het

leiden van stoom- en luchtpompzuigerstangen in eene regte lijn verder

verduidelijkt worden.

[Illustratie: De parallelle beweging]

Zij C het vaste aspunt van de op- en neder bewegende balans, en C A de

rigting van dezelve bij hoogsten zuigerstand; E F is het paar stroppen,

waaraan bij Y de luchtpompzuigerstang, en A G het paar stroppen van

gelijke lengte, waaraan bij G de stang van den stoomzuiger verbonden is,

F G in de parallel koppelroede aan de lengte A E gelijk, en welke de zoo

evengenoemde stroppen bij F en G verbindt. Nu is het koppelpunt F

beweegbaar verbonden met de parallel straalroede F H, welke om het vaste

punt H kan draaijen; deze straalroede is in lengte gelijk aan de

parallel koppelroede. Dat men zich nu verbeelde, dat de balansarm C A

benedenwaarts beweegt, dan zal het punt E van denzelven, in e komende,

eenen boog beschreven hebben, die hier naar de regterhand uitwijkt, en

het punt F der straalroede F H zal mede eenen boog beschrijven, doch

welke naar de linkerhand uitwijkt; daar nu in dit voorbeeld het punt E

op de halve lengte van den balansarm genomen is, en daarom C E gelijk

aan de lengte der straalroede F H is, zoo zullen de uitwijkingen der

bogen, hoewel in tegenovergestelden zin, even groot zijn; er moet dus op

het paar stroppen E F een punt bestaan, dat weinig afwijking van de

loodlijn _ll_ ondergaat, dit punt is in Y en wel op het midden van die

stroppen; het is daaraan, dat men de luchtpompzuigerstang verbindt, om

op zeer weinig na, in eene regte lijn op en neder te bewegen, zegge op

zeer weinig na, omdat daarbij een gering verschil bestaat, doch hetwelk

in de praktijk geen' invloed heeft. De stoomzuigerstang, die hier op den

dubbelen afstand van het aspunt C met de balans gekoppeld is, beschrijft

met dat balanseinde eenen boog, welks afwijking het dubbel van de

voorgaande bogen is, daarom wordt deze stang in G verbonden, op het

uiteinde van het paar stroppen A G, die met het uiteinde F van het paar

stroppen E F vereenigd zijn, door middel van de parallel koppelroede F

G; alzoo zal de stoomzuigerstang mede zeer nabij in eene evenwijdige

loodlijn _ss_ op en neder bewegen. De rigting van de balans bij laagsten

zuigerstand is door de gestipte lijn C a aangewezen, alsmede de

overeenkomstige standen van luchtpomp en stoomzuiger parallel stroppen e

f en a g, de parallel koppelroede f g en de parallel straalroede f H,

terwijl ij het koppelpunt voor de luchtpompzuigerstang en g dat des

stoomzuigers is; overigens is _l l_ de lijn, welke de

luchtpompzuigerstang en s s die, welke de stoomzuigerstang bewegende

volgt.

Nu fig. 1 weder beschouwende dan ziet men, dat de tegenovergestelde

balansarm B C, eene verbindingroede B W houdt, waarvan het ondereinde

met eene kruk is vereenigd, die op de as van een groot vliegwiel

bevestigd is; door het op- en nedergaan van dezen balansarm zal de

verbindingroede B W die kruk en bijgevolg het vliegwiel kunnen omvoeren;

welke beweging, door de belangrijke zwaarte, welke aan het vliegwiel

gegeven is, zeer gelijkmatig zal zijn; terwijl bij de keerpunten, dat is

bij de top- en bodemstanden van den stoomzuiger, eene zachte overgang

van beweging hierdoor plaats vindt.

Thans vermeenen wij de voornaamste deelen, van het stoomwerktuig

aangewezen te hebben, zoodat wij tot het meer bijzondere kunnen

overgaan. Ten einde dit doel beter te bereiken, zullen wij, om duidelijk

te zijn, een en ander van het reeds verklaarde in het kort herhalen,

opdat datgene, wat tot dus verre is bijgebragt, beter in het geheugen

blijve, en de vereenigde werking vervolgens door onze lezers goed

verstaan worde.

§ 42.

De stoom ontwikkelt zich, in den ketel, die te dien einde met de

onderscheidene toestellen ter regeling voorzien is. De

schoorsteenregister of demper om het vuur te regelen, bestaat uit eene

plaat, die in eene sponning schuift, waardoor de opening, door welke de

heete lucht en de rook zich door den schoorsteen ontlasten, meer of

minder gesloten wordt, en bij gevolg de trekking van het vuur

vermeerdert of vermindert. Deze demper geeft mindere opening door het

rijzen, en meerdere opening voor rookdoortogt, door het dalen van eenen

drijver op het ketelwater, hetwelk in eene opstaande buis, door de

spanning des stooms opgedrukt wordt, zoodaniger wijze, dat wanneer de

stoom in spanning toeneemt, de drijver in de buis rijst en den demper

daalt, waardoor dan de schoorsteenopening kleiner wordt;

tegenovergesteld zal bij vermindering van stoomspanning de drijver

dalen, en bij gevolg de demper rijzen, of de opening zich vergrooten. De

stoomspanning binnen den ketel onveranderd blijvende, zal ook de

schoorsteenopening door den demper geene verandering ondergaan, en bij

gevolg het vuur met gelijk vermogen branden, maar wanneer de

stoomspanning vermindert, dan zal, door het grooter worden der opening

door den demper, het vuur door de vermeerderde trekking meer

aanwakkeren, en den stoom weder in spanning doen rijzen.

Vervolgens heeft men het voedingstoestel, waardoor het water, dat uit

den ketel verstoomt, weder wordt aangevuld. Zoo als vroeger beschreven

is, werkt deze toestel ook door middel van een drijver, die met eene

klep in verband staat. Wanneer deze drijver tot op een zeker punt daalt,

dan opent zich de klep, waardoor water in den ketel vloeit, tot dat de

vereischt wordende hoeveelheid aanwezig is, waardoor de drijver tevens

rijst, zoo doende de klep weder sluit, en de toevloeijing van water doet

ophouden.

Ook is de ketel voorzien van een of twee veiligheidkleppen, welke zich

openen, zoo ras de spankracht van den stoom te sterk wordt, ten einde de

stoom in de opene lucht te ontlasten, opdat de ketel niet meer lijdt dan

noodig is. In den top des ketels bestaat nog eene kleine klep, luchtklep

genaamd, die zich in tegenovergestelden zin van de veiligheidskleppen

opent, dat is naar binnen; en die dient, om, wanneer door verkoeling als

anderzins eene mindere spanning dan de druk des dampkrings in den ketel

ontstaat, lucht in dezelve toe te laten, daar een plotselinge uitwendige

druk op den ketel schade daaraan zoude kunnen toebrengen.

Ten dienste van vuurstoker of bestuurder van het werktuig, bestaan nog

twee peilkranen, geschikt voor dadelijk onderzoek naar den waterstand

binnen den ketel, ingeval men twijfelen mogt, dat het zich zelf

regulerende voedingtoestel niet behoorlijk werkte.

De stoom stroomt door de stoomleibuis I (zie de fig. van § 19) in den

cilinder; deze buis moet men met de monding A in fig. 1 vereenigd

denken, in welke ronde monding de smoorklep, in bijna gesloten stand,

tevens aangewezen staat; de smoorklep, waardoor de toevoer van den stoom

naar den cilinder in eenen bepaalden tijd geregeld wordt, ziet men

insgelijks bij A aangetoond. Deze klep bestaat uit eene schijf, die op

eene spil, welke door het midden van de monding heenloopt, door middel

van eene kruk beweegbaar is, en open of digt gedraaid kan worden, of wel

gedeeltelijk gesloten, om de doorvloeijing van den stoom meer of min te

verhinderen.

De kruk van de smoorklep moet men denken verbonden te zijn met den in §

30 beschrevenen regulateur; die verbindingswijze is in de onderhavige

figuur voorbedachtelijk weggelaten, ten einde verwarring te voorkomen.

De kogels tot de opstaande spil des regulateurs naderende, zal de

smoorklep vrijen doortogt aan den stoom geven, doch wanneer de kogels

zich daarvan verwijderen, dan zal de smoorklep zoodanig gedraaid staan,

dat de doortogt van den stoom verhindering ondervindt; de onderlinge

afstand der kogels afhankelijk zijnde van de snelheid der beweging, zoo

wordt door de verbinding met de smoorklep, de snelheid geregeld door

eene evenredige toelating van stoom naar den stoomzuiger. Het koniek

(kegelvormig) tandrad waarmede de opstaande spil van den regulateur aan

het ondereinde voorzien is, grijpt in een ander gelijksoortig tandrad,

op welks as eene ronde schijf is bevestigd, waarover eene riem, band of

pees is geslagen, die insgelijks eene andere schijf gespannen omvat,

waarmede de as van het vliegwiel is voorzien; zoodanige band is daarvoor

bij derzelver einde aan elkander vereenigd, even als met de pees van

eene gewone draaibank plaats vindt. De vliegwielas omwentelende, geeft

door dat middel tevens eene omdraaijende beweging aan de spil des

regulateurs; zoodat de meerdere of mindere snelheid, welke het vliegwiel

aanneemt, door den regulateur gevolgd wordt.

Hoe sneller bij gevolg het vliegwiel rondwentelt des te sneller draait

ook de regulateur rond, waarbij de kogels zich weer van de spil

verwijderen, en hierdoor eene overeenkomstige verandering in den stand

van de smoorklep, bij A fig. 1 aangewezen, veroorzaakt; zoodat iedere

verandering in snelheid van het vliegwiel de stelling van den smoorklep

daarna wijzigt. De lezer zal hierbij gemakkelijk kunnen opmerken hoe

eene versnelling in de beweging van het werktuig' boven den vereischt

wordenden gang, weder afneemt, daar de smoorklep dan naar gelang sluit,

en de hoeveelheid stoom in den cilinder doet verminderen, waardoor de

snelheid van het werktuig vertraagt; de kogels door vertraging van

beweging nader bij de spil vallende, zal de smoorklep meer geopend en

meer stoom ingelaten worden, hetwelk eenen versnelden gang ten gevolge

heeft.

De stoom, langs de smoorklep gevloeid, valt in de stoomschuifkast. Onze

afbeelding op fig. 1 is op eene te kleine schaal, om de zamenstelling

van alle deelen behoorlijk te kunnen aantoonen; doch door het nagaan van

de afzonderlijke beschrijving, boven gegeven, zal men het een en ander

volledig kunnen begrijpen. In deze afbeelding wordt de stang, waaraan de

zaamgestelde stoomschuif bevestigd is, door B aangewezen; deze stang is,

op en neer beweegbaar, door eene stoom- en luchtdigte pakkingbos in het

bovendeel der stoomschuifkast geplaatst, waardoor de stoomschuif de

stoomdoortogten naar den cilinder beurtelings opent en sluit.

§ 43.

Verklaring van het stoomwerktuig zijnde eene algemeen bevattelijke beschrijving van deszelfs onderscheidene deelen, zamenstelling en werking. · 第 3 / 9 段