verandering in de spanning van den stoom, daar het van groot belang voor
de geregelde werking van de stoommachine is, dat de veer- of spankracht
van den stoom steeds dezelfde zij. Te dezen aanzien maakt men gebruik
van eenen zeer vernuftig uitgedachten toestel, welke men eenen zich
zelven regulerenden _demper_ zou kunnen noemen, en die op de volgende
wijze is ingerigt. Aan het gedeelte van den ketel, nabij den
schoorsteen, is in den top van denzelven eene opstaande buis of pijp L
L, aan beide einden open, ingesloten. Het ondereinde van deze pijp reikt
tot in het water binnen den ketel. Daarin hangt een cilinder van gegoten
ijzer aan eenen ketting, die over schijven P P loopt, en aan welks ander
einde eene plaat D hangt. Deze plaat, _schoorsteenregister_ of _demper_
genoemd, kan zich vrijelijk in sponningen op en neder bewegen, en alzoo
de beneden opening van den schoorsteen X, waarin de rookleiding van om
den ketel uitloopt, meer of minder sluiten. Daar nu in de buis L L het
kokende water wordt opgedrongen, (overeenkomstig het verschil tusschen
de spanning van den stoom met de drukking des dampkrings,) en daar de
lengte des kettings, die over de schijven P P loopt, met het
betrekkelijk gewigt van den ingehangen cilinder en demper D, derwijze is
geregeld, dat deze cilinder altijd het oppervlak van het in de buis L L
staande water, volgt, zoo zal de demper D moeten zakken, wanneer het
water en de cilinder in de buis L L rijst, hetgeen met vergroote
stoomspanning door opdrijving van het water in de buis L L moet
gebeuren. De demper D aldus zakkende, wordt de beneden opening van den
schoorsteen verkleind, waardoor de trekking, en het daarvan afhankelijk
vermogen van het vuur, vermindert, en diensvolgens mindere
stoomontwikkeling of verhitting plaats vindende, de stoom in spanning
moet verminderen of afnemen, tot de primitief bepaalde maat, die altijd
zoodanig geregeld is, van ruim onder de spanning te zijn, welke tot het
ligten der veiligheidsklep vereischt wordt. Het tegenovergestelde van
dit alles zal plaats grijpen, wanneer de stoomspanning binnen den ketel
beneden de aangenomene maat daalt: want dan zal het water met den
cilinder in den buis L L dalen, en den demper D doen ligten; waardoor
het vuur heviger trekking ondergaat, dus feller branden zal, en de stoom
in spanning stijgt, tot zoo lang de demper D weder de bepaalde opening
voor de juiste trekking des vuurs zal hebben daargesteld.
§ 22.
De lezer zal gereedelijk opmerken, dat teneinde dezen toestel volmaakt
te doen werken, het water in den ketel steeds volkomen op dezelfde
hoogte gehouden moet worden: want daar deze vloeistof, door het
gestadige verbruik van den stoom, aan eene gedurige vermindering
onderworpen is, zoo daalt de oppervlakte aanhoudend, en dus ook het
water met den cilinder in de pijp L L, waardoor de demper D rijst, het
vuur dus steeds meer en meer aanwakkeren en de stoom eene grootere
spankracht verkrijgen zoude. Om dit te voorkomen, bezigt men eenen
anderen daarmede verbondenen toestel, waardoor de ketel voortdurend van
eene zelfde hoeveelheid water voorzien blijft, niettegenstaande het
verlies daarvan door verbruik van stoom; dit wordt voeding-toestel
genoemd en de toerigting daarvan is als volgt:
Op den top der buis L L (zie Figuur 2) bestaat eene verwijding, die
eenen waterbak aldaar daarstelt; in het midden van welken eene
doorgaande opene buis staat, waardoor de ketting van den cilinder
vrijelijk beweegt, en het inwendige der buis L L gemeenschap met de
dampkringslucht doet behouden; in den bodem van den hier aangeduiden
waterbak is eene opening (in de figuur ter vermijding van verwarring
niet afgebeeld,) die met eene klep gedekt is, en waardoor zich water in
de buis L L kan storten. Die klep is aan eenen hefboom _g t_ E
verbonden, welke in t op eene steun draait of op en neder bewegen kan;
van het uiteinde E dezes hefbooms, hangt eene dunne roede af, die door
den top des ketels B B gaande, eenen zoogenaamden drijver F draagt,
welken veelal van steen vervaardigd, voor een gedeelte in het water
gedompeld is; aan het tegenovergestelde einde _g_ van den hefboom is een
tegenwigt gehangen, de betrekkelijke zwaarte van drijver en tegenwigt is
voor eene bepaalde gedeeltelijke indompeling van den drijver geregeld,
waarbij de klep van den waterbak op den top der buis L L, door den
hefboom _g t_ E gesloten gehouden wordt. Wanneer dan het water in den
ketel vermindering ondergaat, zal noodwendig ook de drijver F moeten
dalen, en den hefboom bij F naar beneden trekken, waardoor de klep in
den waterbak zal geopend worden en water in de buis L L doen storten,
dat zoo lang zal aanhouden, tot dat het water in den ketel weder op de
noodige hoogte zal zijn geklommen, om door den drijver F de klep weder
te doen sluiten. Het water, dat alzoo tot aanvulling dient, wordt in den
bak op den top der buis L L, aangevoerd, door middel van eene kleine
pomp, die door de machine bewogen wordt. De plaats in den top des
ketels, bij _e_ waardoor de dunne drijverroede gaat, is met eene
geslotene bos voorzien, waarin de dunne roede, in hennep of vlas gepakt,
genoegzaam vrij op en neder kan bewegen, zonder stoom door te laten;
zoodanige bos wordt pakkingbos genoemd, terwijl de buis L L veelal den
naam van voedingbuis draagt, en het daarin dienende water voeding water
genoemd wordt.
Wat nu de hoogte betreft welke dusdanige voedingbuis L L behoort te
hebben, zij opgemerkt, dat het water daarin zoo veel zal moeten kunnen
opklimmen als noodig is, om de meerdere stoomspanning in den ketel boven
die des dampkrings, te kunnen tegen drukken, met nog eenige hoogte meer
tot speelruimte van den inhangenden cilinder.--Uit hetgeen wij in § 9 en
§ 11 gezegd hebben, kan men opmaken, dat wanneer de meerdere spanning
van den stoom binnen den ketel, per vierkante ned. duim, 10 ned. looden
boven die des dampkrings bedraagt, het water (hier rivierwater en kokend
heet) ruim eene ned. el in den buis L L zal opklimmen, hetgeen voor eene
vermeerdering van stoomspanning met 10 ned. looden, weder ruim eene ned.
el meer zal zijn, wel te verstaan, gemeten uit het oppervlak van het
water binnen den ketel; de meerdere stoomspanning boven den druk des
dampkrings gegeven zijnde, kan men daaruit gevolgelijk de hoogte
bepalen, tot welke het water in de buis L L klimt.
§ 23.
Niettegenstaande de eenvoudigheid van den hier beschreven toestel, en de
zekerheid van de grondbeginselen, waarop een en ander rust, zoo gebeurt
het nogtans, dat een of ander daarvan in het ongerede geraakt, waarom de
bestuurder van het werktuig nog andere middelen dient te bezitten, om
zich van den waterstand binnen den ketel te overtuigen: eene zaak die
van het uiterste belang is, om dat daarvan het behoud van den ketel
afhangt, en zelfs het uit een springen van denzelven ten gevolge kan
hebben. Immers zoo keteldeelen, die met den vuurstroom in aanraking
zijn, van water ontbloot geraken, dan kunnen die _over-heet_ of
gloeijend worden, in dien zachten staat geenen genoegzamen tegenstand
aan de binnen den ketel heerschende spanning bieden, en van een
scheuren; ten andere kan toevallige aanslag van water op gloeijende
plaatdeelen plotseling eene zoo groote hoeveelheid stoom voortbrengen,
dat die door de veiligheidsklep of kleppen met geene genoegzame snelheid
zich kan ontlasten, waardoor dus de ketel, met groot geweld, en gevaar,
voor de bij zijnde personen, kan uit een springen.
Een der vertrouwdste middelen, is het gebruik van peilkranen, zoo als
zij in de figuur op § 19. bij W en S afgebeeld staan. De pijp van de
kraan W reikt tot een weinig beneden de gemiddelde waterlijn in den
ketel; doch de andere, van de kraan S, reikt tot even boven de
oppervlakte des waters. Ten einde zich nu te verzekeren, of het water op
de vereischte hoogte staat, behoeft de bestuurder slechts deze kranen te
openen. Wanneer dan het water door de kraan W dringt en de stoom door de
kraan S blaast, zoo is dit een teeken, dat het water in den ketel op
goede hoogte staat. Stroomt echter de stoom uit beiden, dan is dit een
teeken, dat er te min, en zoo het water uit beide kranen dringt, dat er
te veel water in den ketel is.
Ook zijn zoogenaamde waterpeil buizen, met glazen pijpen voorzien, van
goede dienst, zoo die goed ingerigt zijn; want in die glazen pijpen ziet
men dadelijk de hoogte van het water zooals het binnen den ketel staat;
overigens zijn er nog andere middelen bekend, om eene bepaalde
vermindering van het water in den ketel op te merken, meer of min
onafhankelijk van de waakzaamheid des bestuurders, doch het is overbodig
die hier te beschrijven.
§ 24.
Voor ketels, die in stoomvaartuigen of voor stoomwagens, (zoogenaamde
locomotieven), dienen, geschiedt somwijlen de watervoeding insgelijks
door eenen regelenden drijver; doch over het algemeen worden die ketels,
naar aanwijzing van eenen vrijen of onverbondenen drijver, of volgens de
aanduiding van peilkranen of waterpeilbuizen, door den bestuurder van de
machine, die zulks opmerkt, naar gelang der behoeften, met water gevoed,
door middel van eene of meer kleine perspompen, welke voor dien tijd
door de machine in beweging gehouden, en na genoegzame werking weder
afgeslagen worden.
§ 25.
Daar zich in eenen stoomketel spoedig bezinksel vormt, en zich daar
binnen aanzet, zoo is het noodzakelijk, denzelven van tijd tot tijd
schoon te maken. Te dien einde bestaat er in het bovengedeelte van den
ketel, eene groote opening of ingang M, mangat genoemd, welke weder goed
gesloten kan worden; terwijl behalve dat, elke ketel nog nabij den bodem
eene spui-opening of spuikraan bezit, voor hetzelfde doel bestemd, doch
in de figuur niet afgebeeld.
§ 26.
Wanneer in eenen ketel de spanning van den stoom, minder wordt dan de
bestaande drukking des dampkrings bedraagt, hetgeen door verkoeling van
denzelven of soms door eene onoplettende behandeling der machine kan
geschieden, dan zoude het kunnen gebeuren, dat de ketel den druk der
buitenlucht niet wederstond en alzoo ingedrukt werd. Om dit te
voorkomen, bestaat in den top eene opening, die met eene klep, luchtklep
genaamd, gesloten wordt. Die luchtklep wordt gewoonlijk in het deksel
van het mangat geplaatst, en zal dus noodwendig, daar zij zich altijd
binnenwaarts opent, de buitenlucht in den ketel toelaten, zoodra de
stoomspanning daar binnen, minder wordt dan de dampkringsdruk; en den
ketel alzoo voor indrukken bewaren.
§ 27.
Eene ketelinrigting, zoo als op fig. 2. afgebeeld staat, wordt voor
stoomwerktuigen van zoogenaamden lagen druk gebezigd, en hoewel hier het
vuur slechts onder en om den ketel werkt, zoo heeft men soortgelijke
ketels, waar tevens de vuurstroom door eene buis binnen door denzelven
gaat. In stoomvaartuigen houden de ketels voor lage drukking de
vuurplaatsen en rookleidingen geheel met water omgeven, zoodat het vuur
binnen den ketel brandt, en de rook, mede daar binnen, naar den
schoorsteen opstijgt; ketels van middelbare of hooge drukking zijn
meestal op die wijze ingerigt, en houden in velen een groot getal
kanalen of buizen, waardoor het vlammende gaz ter verwarming stroomt;
ketels van stoomwagens of zoogenaamde locomotieven houden tot dat einde
een groot getal enge pijpen.
§ 28.
De stoom, die zich in den ketel vormt, vloeit door de buis I (fig. 2)
naar den cilinder van het werktuig. Voordat hij echter dit gedeelte van
den toestel bereikt, wordt de toevoer daarvan geregeld, opdat eene
bepaalde hoeveelheid in eenen bepaalden tijd toestroome. Daar van den
regelmatigen en gelijken toevoer van stoom, de gelijkmatige werking van
het werktuig moet afhangen, zoo heeft men het ook noodig geoordeeld, dit
door het werktuig zelf te doen regelen, en hieraan de voorkeur gegeven
boven het onzekere opzigt van den bestuurder. De toestel, door middel
van welken men dit doel bereikt, is even merkwaardig, om deszelfs
eenvoudigheid, als door de zekerheid, waarmede dezelve werkt, en draagt
den naam van _regulateur_. De werking van denzelven hangt af van de
eigenschappen der middelpunts-krachten, welke wel een ingewikkeld
onderwerp uitmaken, doch door de volgende verklaring der grondbeginselen
vertrouwen wij, dat onze lezers de werking van den _regulateur_ ten
volle zullen begrijpen.
§ 29.
Het is algemeen bekend, dat bij het met de hand rondslingeren van eenen
steen, die aan eene lijn vast is (een' zoogenaamden slinger), de kracht
waarmede de steen wegvliegt, zoo veel te grooter is, naar gelang de
snelheid van omzwaai vermeerdert; en werkelijk kan men ook deze snelheid
zoodanig doen toenemen, dat een zeer sterk touw niet in staat zal zijn,
den steen vast te houden, maar dezelve bij het breken van het touw, zal
worden voortgeworpen. In dit geval is het gemakkelijk op te merken, dat
er twee krachten werkzaam zijn; eene van dezelve drijft den steen, om
zich van de hand des slingeraars te verwijderen, terwijl de andere, die
in de sterkte van het touw bestaat, den steen naar de hand trekt. De
neiging nu, die een zoo rondgezwaaid ligchaam dringt, om weg te vliegen,
wordt de _middelpuntvliedende kracht_ genoemd, terwijl het vermogen,
waardoor hetzelve naar het middelpunt trekt, de _middelpuntzoekende
kracht_ genoemd wordt. Bij het handelen over deze krachten duidt men
beide aan onder den naam van _middelpunts-krachten_
(_centraal-krachten_). De toestel waardoor de toevoer van den stoom
geregeld wordt, de zoogenaamde regulateur, rust geheel en al op dit
grondbeginsel; en ofschoon het onmogelijk zoude zijn, om in een werk als
het onderhavige, hetwelk alleen bestemd is voor hen, die zich niet in de
wiskundige wetenschappen hebben geoefend, eene volledige verklaring van
deze krachten te geven, zoo vermeenen wij nogtans genoeg gezegd te
hebben, om onze lezers een algemeen denkbeeld te verschaffen van de
grondbeginselen, waarvan de werking van den toestel afhangt.
§ 30.
[Illustratie: Een regulateur]
Door eenvoudige middelen, die naderhand zich zullen verklaren, drijft
het stoomwerktuig een rad A (zie de volgende Figuur) met eene opstaande
spil B B rond. Naar gelang dat de beweging van het werktuig sneller is,
zoo veel te sneller ook zal het rad A met de spil B B ronddraaijen. Aan
het boveneinde E van de opstaande spil bevinden zich twee scharnieren,
tegenover elkander geplaatst, die de nedergaande stangen D en D alzoo
bewegelijk gekoppeld houden en aan wier ondereinden zware kogels C C
vast zijn. De scharnieren, bij E, geven aan de stangen D D de
bekwaamheid, om zich van de spil B B te kunnen verwijderen. Nagenoeg op
de helft der stangen D D zijn twee andere stangen D G en D G bewegelijk
verbonden, welker ondereinden scharniers-gewijze vereenigd zijn, met
eenen ring of koker G G, die over de opstaande spil B B op en neer kan
glijden. Het binnengedeelte van dezen ring is zeer glad, hetwelk
insgelijks het geval is met de spil, zoodat de eerste, met zeer weinig
tegenstand of schuring, over de laatste kan heen glijden. Gezegde ring
of koker bezit buitenwaarts eene zuiver en glad bewerkte groef; in deze
groef past met genoegzame vrijheid, eene vork van het uiteinde der
hefboom H, derwijze, dat de ring in de vork gemakkelijk draait, terwijl
de vork niet boven nog benedenwaards van den ring kan geraken, maar in
de groef bepaald blijft. De hefboom H heeft vervolgens een vast
steunpunt, dat buiten de figuur gelegen is. Aan de opstaande spil B B is
eindelijk eene boogvormige gleuf F F vereenigd, waartusschen de vier
bovengenoemde stangen gemakkelijk kunnen heen en weder gaan, en welke
dient, om derzelver beweging, die wij zullen gaan verklaren, in een
zelfde vlak te houden.
§ 31.
Onderstellen wij, dat het rad A door de machine wordt in beweging gezet,
dan zal de spil B B, daarmede ronddraaijen, en bij die beweging de
staven D D, met de daaraan vast zijnde kogels C C, medevoeren. In dit
geval zal men de geheele werking van den slinger hebben, door de
scharnieren bij E voor de hand van den slingeraar te houden, en de
stangen D D voor het touw, zoodat de kogels C C zullen trachten te
ontvlieden en eene dergelijke stelling aannemen, als in de afbeelding is
voorgesteld. Hoe sneller nu de beweging van de spil B B is, des te
verder zullen de kogels zich van elkander verwijderen, ja de beweging
van de spil B B zoude dermate snel kunnen zijn, dat het ontvliedend
vermogen der kogels C C sterk genoeg werd, om de slangen D D bijna in
horizontale rigting te houden, en zelfs te doen breken in geval deze
laatsten geene genoegzame sterkte bezaten. Zoo integendeel de
ronddraaijende beweging vertraagt, dan zullen de kogels meer en meer tot
de spil naderen, en bij het in rust zijn van den toestel tegen de spil
nederhangen.
§ 32.
Het meer of minder verwijderen der kogels van de spil B B brengt, door
de tusschengekoppelde kleinere stangen D G, eene op en neder beweging
van den ring G G te weeg, en dus ook van de daarin gevatte vork op het
einde des hefbooms H; wanneer dus door versnelling van beweging de
kogels C C van elkander gaan, dan zal dat hefboom-einde met den ring G G
moeten rijzen, en tegenover gesteld, dalen, wanneer door vertraging van
beweging, die kogels tot elkander naderen.
§ 33.
In de bovenstaande afbeelding is slechts een kort gedeelte van den
hefboom H afgebeeld, ten einde de afteekening; niet te groot te maken;
doch men moet dezelve verbonden denken met eene klep, die zich in de
pijp I van de fig. in § 19 bevindt. Deze pijp of buis wordt de
stoomlei-buis genoemd, en de hier bedoelde klep draagt den naam van
smoorklep. De wijze van verbinding van dezen hefboom met de smoorklep is
zoodanig, dat bij rijzing of daling van den hefboom, de smoorklep meer
of minder sluit, en daar die sluiting nagenoeg op dezelfde manier werkt,
als een zoogenaamde wartel in eene gewone kagchelpijp, zoo kan de
smoorklep, in zekere stelling gedraaid zijnde, den toevoer van stoom uit
den ketel geheel beletten, of meer of mindere vrijheid voor
doorstrooming laten.
§ 34.
Deze smoorklep is dan van een arm of kruk voorzien, en met den hefboom H
in verbinding gebragt, zoodaniger wijze, dat, wanneer deze hefboom H
geligt, de klep meer of minder gesloten wordt, naar gelang van de
hoogte, waarop de hefboom H gerezen is. Door ondervinding en in verband
met den aard van het werk, dat de machine verrigten moet, regelt men den
stand der smoorklep, dat is: de stoom toevloeijing door de stoomleibuis
naar den stoomcilinder voor eene doelmatige snelheid van beweging. Wordt
die snelheid door eene of andere oorzaak grooter, dan zullen de kogels
van den regulateur zich van elkander verwijderen en den ring G G met den
hefboom H ligten, waardoor dan de smoorklep de toevloeijing van den
stoom door de stoomleibuis zal belemmeren; naderen daarentegen die
kogels elkander, dan zal ring en hefboom dalen, terwijl de smoorklep
vrijer doortogt aan den stoom door de stoomleibuis geven zal; daar nu
natuurlijkerwijze, meerdere of mindere toelating van stoom in den
cilinder eene meer of mindere snelheid aan den daarin bewegenden zuiger
moet geven, zoo volgt dat zoodanige regulateur met de smoorklep
verbonden, een zeer goed zamenstel oplevert, tot het doen behouden van
eene gelijkmatige snelheid des stoomzuigers.
§ 35.
De wijze, waarop de snelheid van den stoomzuiger geregeld wordt,
beschreven hebbende, zoo zullen wij overgaan tot de beschouwing van de
wijze, waarop de stoom op de juiste oogenblikken in den cilinder wordt
toegelaten. Bij het vroeger beschrevene werktuig werd de stoom op de
juiste oogenblikken ingelaten, door eenen persoon, die op regelmatige
tusschentijden eene kraan omdraaide; doch alsdan hangt, zoo als wij
reeds aanmerkten, alles van de oplettendheid van dien persoon af, en de
geringste nalatigheid van dezen moet onvermijdelijk eenen onregelmatigen
gang van het werktuig te weeg brengen. Hier echter, zoowel als bij alle
andere onderdeelen, heeft het vernuft middelen gevonden, om deze
bewerking door het werktuig zelf ten uitvoer te laten brengen, zonder de
hulp van eenen oppasser, die toch nimmer, zelfs bij de grootste
bekwaamheid en oplettendheid, die bewerking zoo regelmatig verrigten
kan. Vóór dat wij echter tot de beschrijving van dit gedeelte van het
Werktuig overgaan, zal het noodig zijn, om de bijzondere wijze van
condenseren of verdikken van den stoom op te geven.
§ 36.
Bij het werktuig, hetwelk in eene vroegere afdeeling beschreven is,
hebben wij gezien, dat, ten einde den stoom te verdikken, een straal
koud water in den cilinder geleid werd, waarvan de uitwerking was, dat
de stoom bekoelde en er een luchtledig ontstond. Bij eene geringe
opmerkzaamheid wordt men nogtans gewaar, dat door het op deze wijze
inbrengen van koud water in den cilinder zelven, de wanden daarvan, die
door den stoom verhit waren, zich moeten afkoelen, zoodat de op nieuw
ingevoerde stoom den cilinder wederom moet verhitten, vóór dat hij de
vereischt wordende veerkracht verkrijgen kan. Telken reize dus, als de
zuiger opgaat, moet op die wijze een gedeelte stoom verloren gaan, om
den cilinder te verhitten, waarvan het gevolg is, dat eene aanmerkelijke
hoeveelheid brandstof in den vuurhaard onnut verspild wordt. Hoe
eenvoudig het ook moge schijnen, zoo is het niettemin eene der
gewigtigste uitvindingen van lateren tijd, namelijk: dat het niet
noodzakelijk is om den stoom door middel van koud water in den cilinder
zelven te condenseren, maar dat dit doel insgelijks bereikt kan worden,
door eene gemeenschap daar te stellen tusschen den stoom-cilinder en
eene aangelegene beslotene ruimte, waarbinnen eene inspuiting van koud
water, en dus condensatie van den stoom buiten den cilinder, plaats
vindt; die beslotene ruimte is de eigenlijke condensor of verdikker, om
dat zich daarin de stoom tot water verdikt; de stoom-cilinder op die
wijze met geen koud water in aanraking komende, verkoelt daardoor dus
niet, terwijl de condensor alleen die verkoeling ondergaat, welke dan
ook in het geheel zoo koud mogelijk dient te blijven. Zoodra de stoom
den cilinder tot hoogsten zuigerstand, geheel gevuld heeft, wordt aan
denzelven eene opening verschaft, om naar het inwendige van den
condensor te stroomen, alwaar die stoom, met het koude injectie water in
aanraking komende, tot water verdikt, en in den condensor aldus een zoo
gezegd luchtledig doet ontstaan, waarin de inwendige ruimte des
stoom-cilinders deelt; bij gevolg den druk onder den stoomzuiger
nagenoeg vernietigt, even als of het koude water in die cilinderruimte
zelve vloeide. Deze ontdekking of uitvinding is met het gelukkigste
gevolg op het stoomwerktuig toegepast, en zal nog nader worden
verklaard.
§ 37.
Men heeft nog eene andere allerbelangrijkste verbetering aan het
stoomwerktuig toegebragt, waardoor het vermogen nagenoeg verdubbeld
wordt. Deze verbetering, die in het volgende bestaat, is insgelijks ten
hoogste eenvoudig. In de beschrijving van de fig. bij § 15 is gezien:
dat alleen onder den zuiger stoom wordt ingelaten, welke, nadat de
zuiger deszelfs topstand heeft bereikt, wordt gecondenseerd en aldus in
die cilinderruimte een zeer weinig tegenstandbiedend ledig daarstelt,
waardoor de zuiger, met het volle gewigt des dampkrings daarboven, kan
worden nedergedrukt; de zuiger oefent dus slechts kracht uit gedurende
den dalenden slag, en alleen van wege den druk des dampkrings of
atmospheers, waarom dan eene dergelijke den naam van atmospherieke
machine draagt. Maar aangezien de stoom even als de dampkring kan
drukken, zoo heeft men bedacht den stoom-cilinder bovenwaarts, door
middel van een goed gesloten deksel, van den dampkring af te sluiten, en
in plaats van den dampkring, stoom op den zuiger te doen vloeijen, om
dien neder te drukken; in het cilinderdeksel heeft men dan alleen eene
opening gelaten waardoor de zuigerstang op en neder kan bewegen, zonder
stoom of lucht door te laten, dat is: door eene zoogenaamde pakkingbos,
waarin om de zuigerstang hennip of vlas ligt gepakt. Zoo ingerigt,
onderstelle men, dat de zuiger aan den bodem van den cilinder is, en dat
gedurende den vorigen nedergang, de stoom in de bovenruimte onder het
cilinderdeksel is ingelaten, en de ruimte boven den zuiger geheel gevuld
heeft. Zoo men in dezen staat den stoom boven den zuiger verdikt of tot
water herleidt, dan zal die ruimte nagenoeg luchtledig worden, terwijl
bij het inlaten van stoom onder den zuiger, dezelve naar om hoog zal
worden gedrukt, daar er nu geen tegenstand door de drukking van den
dampkring boven den zuiger aanwezig is. De zuiger den top van den
cilinder alzoo bereikt hebbende, verdikt men den stoom onder denzelven,
waardoor aldaar een ledig ontstaat: maar om den zuiger nu weder te doen
dalen, moet, aan den top des cilinders, stoom op den zuiger worden
toegelaten, om in plaats van den dampkring den zuiger naar den
cilinderbodem te drukken. Men ziet dus, dat men door zoodanige inrigting
het vermogen van het werktuig verdubbelt, daar men van den stoom gebruik
maakt, zoowel om den zuiger op te heffen, als om denzelven te doen
dalen.
Thans zullen wij den gang van den stoom in het werktuig nader in
oogenschouw nemen, en meer in het bijzonder nagaan, op welke wijze
dezelve werkt, nadat deze vloeistof de smoorklep verlaten heeft.
§ 38.
Daar er onderscheidene inrigtingen bestaan, waardoor de regelmatige
toelating van den stoom boven en onder den zuiger, en derzelver
afvloeijing naar den condensor, wordt bewerkt, zoo bevatten de beide
volgende figuren slechts algemeene schetsen daarvan, slechts geschikt
voor de hier bedoelde betrekkelijke verklaring.
[Illustratie: Figuren 8 en 9. Figuur 8 stelt een stoomcilinder met
zuiger in lage stand voor; Figuur 9 stelt een stoomcilinder met zuiger
in de hoge stand voor.]