Op dezelfde wijze kunnen de daadzaken, die wij in § 7 en 8,

Produced by Frank van Drogen, Peter Klumper and the Online

Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This

book was produced from scanned images of public domain

material from the Google Print project.)

VERKLARING

van het

STOOMWERKTUIG;

ZIJNDE EENE

ALGEMEEN BEVATTELIJKE

BESCHRIJVING VAN DESZELFS ONDERSCHEIDENE DEELEN,

ZAMENSTELLING EN WERKING.

OPGEHELDERD DOOR

Een Aantal Platen en de Benoodigde Tafelen.

TWEEDE DRUK.

VERBETERD EN VERMEERDERD DOOR

D. VAN DEN BOSCH,

's Rijks Hoofd-Machinist.

[Illustratie]

=AMSTERDAM,=

M. SCHOONEVELD en ZOON.

1843.

GEDRUKT BIJ BAKELS EN KRÖBER.

De Eerste Druk van dit Werkje was oorspronkelijk eene vertaling uit het

Engelsch; bij de uitgave van hetzelve hebben wij te dier tijd geene

verantwoordelijkheid op ons willen laden, met daarin eenige

welgewenschte veranderingen te brengen; doch na den geheelen uitverkoop

van die oplage, oordeelden wij het, op de bij ons ingekomene bescheidene

en gegronde aanmerkingen achtslaande, raadzaam, om bij de uitgave van

dezen tweeden druk, dit, overigens niet ongunstig door het Publiek

ontvangen werkje, ter verbetering en vermeerdering aan eenen bevoegden

deskundige op te dragen, die ons dan ook het genoegen heeft gedaan, om

behalve de verbeteringen tot bladz. 61, tot en met de laatste bladz.

138, geheel nieuwen tekst te leveren.--Wij vertrouwen hiermede, al het

mogelijke te hebben gedaan, om aan het weetgierig Publiek, een beknopt

nuttig boekje, over eene nog zoo weinig in onze taal beschrevene hoogst

belangrijke zaak te leveren.

Daar met deze uitgaaf het beginsel is in het oog gehouden, om voor

weinig geld iets nuttigs te leveren, zoo zal men ons wel verschooning

schenken, voor het weder bezigen van het meerendeel der houtsnee-figuren

van den eersten druk; geheel andere te doen vervaardigen, zoude den

prijs te veel verhoogd, en daardoor het Werkje minder verkrijgbaar voor

alle klassen gemaakt hebben; beter kwam het ons, op algemeen aanraden

voor, eene geheele machine in zij-aanzigt en doorsnede in plaat

achteraan te voeqen; door deze bijvoeging, zoo wel als door de meer

volledige bewerking en de daaruit voortspruitende meerdere

uitgebreidheid, dan de vorige druk, zal de lezer, hopen wij, zich gaarne

de geringe prijsverhooging dezer uitgave getroosten en dezelve

billijken.

De Uitgevers.

[Illustratie]

HET STOOMWERKTUIG

§ 1.

Het groot en steeds toenemend belang van het stoom-werktuig in kunsten

en handwerken verheft hetzelve tot een onderwerp, hetwelk de

opmerkzaamheid van alle standen der maatschappij ten hoogste waardig is.

De vernuftig uitgedachte en heerlijke toestel, waarmede vezels tot

draden gesponnen werden, ontvangt deszelfs beweging van het

stoom-werktuig, hetwelk insgelijks de beweging mededeelt aan de

machinerie, waarmede vervolgens de gesponnen draden of garens tot doek

geweven worden. Het stoom-werktuig is insgelijks de beweegkracht bij

ontelbare andere kunsten, die onder de belangrijkste, waarmede de mensch

bekend is, gerangschikt moeten worden. Er bestaat ook in der daad thans

naauwelijks een voorwerp door den mensch vervaardigd, tot sieraad of tot

nuttig gebruik bestemd, waarvan wij niet, in zekeren graad, het bestaan

aan dit veel vermogende werktuig verschuldigd zijn. Met behulp van

hetzelve halen wij steenkolen en ijzer-erts uit de diepste mijnen, en

brengen het hinderlijke water uit dezelve naar boven; het erts in

smeedbaar ijzer herschapen, wordt vervolgens door hetzelfde werktuig tot

staven gevormd, en alzoo, zoo wel tot het smeden van ankers, waarmede de

grootste zeekasteelen het woeden van wind en water kunnen uitstaan, als

tot het vervaardigen van de fijnste borduurnaald gebezigd. Zoo

bewonderenswaardig het stoomwerktuig is, ten aanzien van deszelfs

onderscheidene wijzen van aanwending, als van de verbazende, aan zoo

veel regelmaat verbondene, kracht door haar ontwikkeld, even zoo

opmerkelijk is hetzelve, afgescheiden van deze of andere fabrijkmatige

bewerking beschouwd; leverende de treffendste en heerlijkste

toepassingen van eenige der voornaamste natuurwetten. (De

grondbeginselen, waarop de werking van dit werktuig berust, zijn noch

talrijk, noch moeijelijk te bevatten, daar hiertoe alleen vereischt

wordt, dat men denzelven zorgvuldig, afzonderlijk en ordelijk eenige

opmerkzaamheid schenkt, ten einde gemakkelijk van de vereenigde werking

eene voldoende kennis te verkrijgen. Zoo de lezer, hoe weinig gemeenzaam

hij ook met het onderwerp wezen moge, de volgende bladzijden slechts met

aandacht leest, dan twijfelen wij geenszins, of hij zal een duidelijk en

klaar begrip krijgen van alle grondbeginselen, waarop de zamenstelling

van dit, in onze tijden zoo onmisbare werktuig, is gegrond.) Ten einde

onze lezers hiertoe in staat te stellen, zullen wij de beschrijving van

eenige weinige en eenvoudige grondbeginselen laten voorafgaan, waardoor

de wetten, waarop de werking van het werktuig rust, opgehelderd worden.

§ 2.

Wanneer metalen of vloeistoffen verwarmd worden, dan zetten zij zich

uit, of vermeerderen in omvang, dat is: worden grooter. Zoo men, bij

voorbeeld, eene staaf ijzer neemt, die koud zijnde, volmaakt in een gat

sluit of past, dan zal dezelve, verhit of gloeijend gemaakt, zoodanig

uitgezet wezen, dat het gat de staaf niet meer zal kunnen omvatten, en

niet eer, voor dat de staaf weder koud geworden is, zal dezelve in het

gat, (hetwelk hiervan onveranderlijke grootte gedacht wordt) weder

passen. Hoe geweldiger de aangewende hitte is, des te meer zal de staaf

uitzetten, tot dat de hitte zoo geweldig wordt, dat de vaste zamenhang

van het metaal ophoudt en smelt. Dat deze uitzetting of vermeerdering in

uitgebreidheid ook met de vloeistoffen plaats heeft, hiervan kan men

zich gemakkelijk overtuigen door eenen ketel geheel of volmaakt met

water gevuld boven het vuur te plaatsen: want warm wordende, zal het

vocht dadelijk daaruit vloeijen.

§ 3.

Deze eigenschap heeft aanleiding gegeven tot het uitvinden en

zamenstellen van een in de kunsten en wetenschappen zeer nuttig en

tevens onmisbaar werktuig, Thermometer genaamd, hetwelk aanwijzing doet

van den warmtegraad, waarin hetzelve is geplaatst, zijnde als volgt

zamengesteld.

Aan het eene einde van eene dunne glazen pijp, waarvan het gat klein en

overal even wijd is, is een holle bol geblazen; door het andere opene

einde is vervolgens deze bol, en een klein gedeelte der aangelegene

pijp, het zij met gekleurde spiritus, of wel met kwik gevuld, dat

geschiedt naar zekere handelwijze, die wij overbodig achten hier te

verklaren, en volgens welke dan ook na de vulling, het opene einde der

pijp wordt gesloten, en het ongevuld blijvende gedeelte pijp luchtledig

gemaakt.--Men heeft alzoo eene vloeistof in glas opgesloten en voor uit

damping of verlies beveiligd; omdat nu, de uitzetting van vloeistoffen

door warmte, veel grooter is, dan die van het glas, zoo gebeurt het, dat

de vloeistof bij verschil van warmtegraad, in de pijp rijst of daalt, en

dit aanwijst op eene daarnevensstaande verdeeling of zoogenaamde schaal.

[Illustratie: Het onderste deel van een thermometer, met bij de waarde

van 32 graden de afkorting 'V.P.']

Maar om die verdeeling algemeen verstaanbaar, en voor verschillende

Thermometers onderling vergelijkbaar te doen zijn, heeft men twee vaste

punten tot grondslag gekozen. Een dezer vaste punten is de stand van den

top der vloeistof, wanneer de Thermometer in smeltend ijs is gesteld;

het andere, de hoogere stand, wanneer dezelve in zuiver water, dat in de

vrije lucht kookt, is gedompeld: den eersten of laagsten stand der

vloeistof in den Thermometer, noemt men het _vriespunt_, en den anderen

of hoogeren het _kookpunt_. Van beide punten is door proeven bewezen,

dat zij, in gelijke omstandigheden, van onveranderlijk temperatuur zijn.

De onderlinge afstand dezer vaste punten wordt verschillend verdeeld; de

hier te lande meest gebruikelijke, en welke wij in dit werkje overal

zullen volgen, is in 180 deelen verdeeld, de Thermometerschaal van

_Fahrenheit_ genoemd. Men plaatst dan den Thermometer in smeltend ijs,

en geeft een teeken of merk op de pijp of aangehechte plaat, ter hoogte

van den top der ingeslotene vloeistof, vervolgens dompelt men denzelven

in kokend water, geeft weder een merkteeken, en verdeelt de ruimte

tusschen deze teekens in 180 gelijke deelen; volgens _Fahrenheit_ telt

men voor het _vriespunt_ 32 deelen of graden, dus voor het kookpunt 212

graden, dat is: 180 graden hooger, en zie daar den Thermometer of

warmtemeter vervaardigd; in nevensstaande plaat, als met uitgebroken

middendeel of verkort, afgebeeld.

Wij moeten onze lezers hier opmerkzaam maken, dat de verdeeling der

schaal, tusschen de vaste punten, in 180 graden, eene zeer willekeurige

zaak is. In _Frankrijk_ en ook bij ons te lande, (doch minder algemeen)

verdeelt men den afstand tusschen het vries- en het kookpunt in 100

gelijke deelen, waarbij het eerste met 0 en het laatste met 100

geteekend wordt. Deze verdeeling wordt de _honderddeelige_

(_centigrade_) of dien naar Celtius genoemd, terwijl nog eene andere

wijze, waarbij de opgegeven ruimte in 80 deelen verdeeld wordt, de

Reaumursche of dien naar Deluc is. De handelwijze om de eene verdeeling

in de andere over te brengen, vindt men in onderscheidene werken

opgegeven, onder anderen in ARNOTT'S grondbeginselen der Natuurkunde,

welk werk bij de uitgevers dezes te bekomen is.

§ 4.

Door toevoeging van warmte gaat het ijs tot water over. Zoo wij in dien

toestand meerdere warmte aanvoeren, dan zet de vloeistof zich meer en

meer uit, tot dat dezelve begint te koken. In dezen staat, rijst van de

oppervlakte damp op, die dikker en als gejaagd, onder den naam van stoom

bekend is. Op 32 graden Fahrenheit, het _vriespunt_, begint het ijs te

smelten, en op 212 graden, het _kookpunt_, ontwikkelt zich de eigenlijke

stoom, terwijl de damp, welke op eenen lageren graad van warmte

opstijgt, ook den naam van wasem draagt.

§ 5.

Overal zullen wij hier voor het uitdrukken van eenige warmtemaat den met

kwik gevulden Thermometer bezigen. Dat vloeibaar metaal is voor dit

gebruik bijzonder geschikt, niet alleen om dat hetzelve eene zeer

strenge koude behoeft, om te verstijven, (39 graden onder 0 graden) en

niet eer dan belangrijk verhit kookt (660 graden); maar ook om dat het

kwik in glas opgesloten, blijkbaar evenredig uitzet (vooral tusschen het

vries en kookpunt van het water), met de hoeveelheid toenemende warmte;

dat wil zeggen: zoo eene zekere hoeveelheid warmte, het kwik in den

Thermometer, van 30 tot 40, dus 10 graden, doet stijgen, dan zal het

toevoegen van eene gelijke hoeveelheid warmte, het kwik weder 10 graden

doen klimmen, en dus tot 50 brengen; drie maal zoo veel warmte op 60,

viermaal zooveel warmte op 70 enz.

Het is eene algemeene eigenschap, dat vloeistoffen, die in eenen

ongedekten of openen ketel, in gemeenschap met de vrije lucht, verwarmd

worden, ophouden warmte aan te nemen, wanneer dezelven koken: zoo zal

men het kwik eens Thermometers, die in water (dat verwarmd wordt)

gedompeld is, bij gewonen toestand der omringende lucht, niet hooger dan

tot 212 graden zien klimmen, terwijl het water als dan zal aanvangen te

koken, en, bij doorgaande werking van het vuur onder den ketel, stoom te

leveren; de warmte, die het vuur dus vervolgens afgeeft, gaat na het

kookpunt slechts door het water, om, zich daarmede vereenigende, stoom

te vormen. Het water alzoo in dampvormigen staat overgegaan, beslaat

1700 maal zooveel ruimte, als in deszelfs vorigen of druipenden staat;

eene kubieke palm water levert dus 1700 kubieke palmen stoom in de vrije

lucht.[1] Hoeveel warmte zich met het water vereenigd heeft, om stoom

daar te stellen, wordt door den Thermometer dus niet aangewezen, en deze

zal ook, ofschoon men denzelven in den voortgebragten stoom plaatste,

geen hooger kwikstand teekenen; al deze warmte, waarvan men de maat door

den Thermometer niet kent, en die als een bestanddeel van den stoom

zelven moet beschouwd worden, draagt den naam van verborgene warmte. In

waterstoom maakt, de verborgene warmte nog al eene belangrijke

hoeveelheid uit; waarnemingen, door middelen, waarvoor hier geene plaats

ter beschrijving bestaat, hebben bewezen, dat voor het daarstellen van

zoodanigen stoom, ruim 6-1/2 maal zoo veel warmte noodig is, als

vereischt wordt, om water van een gemiddeld temperatuur tot 212 graden,

of tot het _kookpunt_, te verwarmen. Bijvoorbeeld: zij gesteld, dat men

water, dat de temperatuur van 62 graden bezit, tot het _kookpunt_, 212

graden, verwarmt, dan moeten 150 warmte graden daaraan worden

medegedeeld. Nu zal men niet eer stoom, die dezelfde temperatuur

teekent, daarvan kunnen verkrijgen, dan na mededeeling van nog 1000

graden warmte bovendien, de verborgene warmte van waterstoom uitmakende,

en die dus meer dan 6-1/2 maal 150 graden bedraagt.

[1] Alle maat- en gewigtopgaven zijn Nederlandsche.

§ 6.

Wanneer stoom tot op de temperatuur van 212 graden verkoeld wordt, gaat

dezelve van dampvormigen tot druipenden staat over, en wordt weder

water, terwijl de verborgene warmte, door het verkoelend ligchaam, of

het verkoelend vocht, dat men daartoe bezigt, wordt opgenomen. Men

begrijpt ligt, dat aangezien de verborgene warmte belangrijk is, er ook

eene evenredig groote koele oppervlakte, of hoeveelheid koelend vocht,

met den stoom in aanraking moet worden gebragt, om geheel tot water over

te gaan, dat minder dan 212 graden temperatuur zal bezitten. Men noemt

dusdanige overgang van stoom tot water, verdikking (Condensatie). De

stoom tot water verdikkende of Condenserende, zal dan ook 1700 maal

kleinere ruimte innemen, dus zullen zoo vele kubieke palmen stoom,

slechts eene kubieke palm water opleveren; een natuurlijk gevolg, en het

omgekeerde van hetgeen hooger van de stoomwording gezegd is.

§ 7.

Als nu, moeten wij onze lezers met andere beginselen bekend maken. Men

neme eene glazen pijp of buis 8-1/2 palm lang, aan eene einde goed digt

gesloten, doch aan het andere open. Deze pijp vulle men naauwkeurig met

kwik, en dompele het opene einde in eenen bak, die met dezelfde

vloeistof gevuld is. Hierbij zal men gewaar worden, dat slechts een

gedeelte kwik uit de buis in den bak zal vloeijen, zoo dat ongeveer 7

palm en 6 duim, (gemeten uit de oppervlakte van het kwik in den bak), in

de pijp zal blijven staan, en dat eene ledige ruimte boven bij den top

der pijp bestaat. Hierbij hebben wij ondersteld dat de pijp loodregt

gehouden wordt, of zoodanig, dat eene loodlijn met den stand der buis

evenwijdig is, in het wetenschappelijke zegt men: de buis staat

perpendiculair op het vlak der vloeistof. Zoo wij nu aannemen, dat,

terwijl het ondereinde steeds in het kwik gehouden wordt, de buis naar

de eene of andere zijde overhelt, dan zal men gewaar worden, dat het

kwik in dezelve meer pijplengte zal innemen, zonder dat echter de

loodregte of perpendiculaire hoogte van het kwik boven het oppervlak in

den bak, eenige verandering zal ondergaan; en zoo veel helling zal men

aan de pijp kunnen geven, dat de top der kwikkolom, aan het gesloten

boveneinde der pijp raakt. Het is geheel onverschillig welke meerdere

lengte of wijdte de pijp heeft, altijd zal men nagenoeg eene zelfde

kwikhoogte opmerken; zegge nagenoeg, om dat die hoogte van de

veranderlijke zwaarte des dampkrings afhankelijk is, gelijk later zal

opgemerkt en aangewezen worden.

§ 8.

Zoo wij in plaats van met kwik, diezelfde pijp met water hadden gevuld,

dan zoude men deze vloeistof geenzins hebben zien dalen; de reden

daarvan is gelegen, dat het water, ligter dan het kwik zijnde, met die

geringe hoogte geene drukkende zwaarte genoeg bezit. Voor water zoude

men eenen pijp behoeven die ongeveer 13-1/2 maal zoo lang was, dewijl

het kwik ook nagenoeg zoo veel malen soortelijk zwaarder is. In eene

loodregtstaande pijp, die 11-1/2 el lang is, bovenwaarts gesloten, en

met het opene ondereinde onder water gedompeld, zal dienvolgens eene

waterkolom blijven staan van ongeveer 103 palmen hoog. Indien wij nog

ligtere vloeistoffen kiezen, dan zal ook de pijp, in evenredigheid van

het soortelijk gewigt dier vloeistoffen, langer moeten zijn. De

gemiddelde hoogte der kwikkolom, 7.6 palm zijnde, is die der waterkolom

103 palmen, eene mede evenwigtige kolom raapolie 112, en eene van

spiritus of gewone alcohol 118 palmen hoog; allen in nabijkomende

getallen uitgedrukt. Wat van het ophouden dezer kolommen oorzaak is,

zullen wij trachten volgenderwijze te verklaren.

§ 9.

Wanneer wij, bij voorbeeld de monding van een bierglas met eene blaas,

die eenen doorgaanden en daarin digt gebondenen gewonen pijpensteel

bevat, sluitend overspannen, en door dien pijpensteel de lucht uit het

alzoo afgeslotene bierglas voor een gedeelte zuigen, dan zal men zien,

dat de blaas naar binnen bewogen zal worden. Dit wordt te weeg gebragt

door den druk der omringende buitenlucht, gedurende het ijler worden der

lucht, die in het glas besloten is; een verschijnsel, dat dus eenvoudig

zich zelf als 't ware verklaart. Verder: zoo wij twee holle kommen

nemen, waarvan de randen volmaakt op elkander sluiten, en door een zeker

werktuig, luchtpomp genaamd, de lucht uit de binnnenholte trekken, dan

zullen wij ondervinden, dat er eene aanmerkelijke kracht vereischt

wordt, om de twee kommen van elkander te trekken. Zoo zal, wanneer de

twee holle kommen, na op elkander gevoegd te zijn, eenen hollen kogel

vormen, waarvan de grootste middellijn of diameter niet meer bedraagt

dan 1 palm, er eene kracht van omstreeks 81 ponden vereischt worden, om

de beide halve bollen van elkander los te rukken. Om de oorzaak van dit

verschijnsel te verklaren, doen wij opmerken, dat het eene waarheid is,

dat de lucht, die wij inademen, gelijk bij de proef met het bierglas

reeds bleek, werkelijk gewigt heeft; want zoo een holle kogel gewogen

wordt, terwijl dezelve nog met lucht gevuld is, en naderhand insgelijks

op de weegschaal wordt gelegd, als de lucht er is uitgehaald, dan zal de

bol in het laatste geval minder wegen, dan in het eerste. In der daad is

ook gevonden, dat eene kubieke el drooge lucht, die in digtheid den

gemiddelden druk des dampkrings evenaart, op de temperatuur van 62

graden, ruim 1 pond en 2 oncen weegt. Daar dit dan het geval is, zoo

moet aangenomen worden, dat ook ieder voorwerp, een zeker gewigt, of

eene drukking van de lucht heeft te verduren, dewijl die lucht de aarde

overal omringt, en daarom dampkringsdruk genoemd wordt.

De oorzaak derhalve, waardoor de over het glas gespannene blaas naar

binnen zet, moet daarin worden gezocht, dat de buitenlucht dezelve met

kracht drukt, terwijl in de binnenruimte geen genoegzame tegendruk, door

de uitzuiging of verijling te weeg gebragt, bestaat. Deze zelfde oorzaak

geldt insgelijks, bij het tweede aangehaalde voorbeeld. Wanneer de lucht

nog in den kogel besloten is, dan drukt zij de halve bollen met dezelfde

kracht naar buiten, als de buitenlucht dezelve tegen elkander perst, zoo

dat de eene kracht met de andere evenwigt maakt, en de halve bollen

gemakkelijk van elkander verwijderd kunnen worden. Zoodra de lucht

echter uit de binnenruimte werd verwijderd, en de halve bollen luchtdigt

op elkander sloten, bestond er in de inwendige ruimte geene kracht, om

de drukking van de buitenlucht tegenstand te bieden, welke tegenstand

derhalve door eene van buiten aangewende kracht moest worden vervangen,

zoodat men het gewigt van de buitenlucht, om zoo te spreken, moest

opligten.

§ 10.

Op dezelfde wijze kunnen de daadzaken, die wij in § 7 en 8, betrekkelijk

de buis met water, olie, spiritus en kwik hebben bijgebragt, verklaard

worden. Toen wij vooronderstelden, dat de pijp met kwik gevuld, en met

het opene einde in den bak gedompeld was, bleek het klaar, dat deze

vloeistof, uit hoofde van haar gewigt, geheel uit de buis zoude gevloeid

zijn, zoo haar geen tegenstand geboden werd; en wel tot zoo ver, dat de

oppervlakte van het kwik in den bak met die in de buis dezelfde hoogte

bereikte. Wij hebben echter doen opmerken, dat dit werkelijk het geval

niet is, maar dat het kwik tot op eene hoogte van ongeveer 7.6 palm in

de buis hangen bleef. De verklaring van dit verschijnsel is de volgende.

Daar de buis of pijp geheel en al met kwik gevuld is, zoo bevindt zich

geene de minste lucht in dezelve, het kwik zou bij het omkeeren ook

werkelijk geheel naar beneden storten, in geval het opene ondereinde der

pijp in geen' bak met kwik gedompeld stond; dewijl nu de lucht, overal

op het oppervlak van het kwik in den bak drukt, uitgezonderd voor dat

onbelemmerd klein gedeelte, dat het inwendige der pijp omvat, en waartoe

de buitenlucht niet kan naderen, zo moet het kwik noodzakelijk, op eene

zekere hoogte in den pijp blijven staan, opdat de zwaarte van die kolom,

met de luchtdrukking of dampkrings-lucht daar buiten, evenwigt make. Ten

duidelijkste kan dit ook bewezen worden door de pijp met stoom te

vullen, en dan het opene eind in den kwikbak te dompelen. Wanneer als

dan de stoom tot beneden 212 graden verkoeld is, (op welken graad

dezelve, zoo als vroeger in § 6 is aangetoond, tot water overgaat, en

als zoodanig eene 1700 maal geringere ruimte inneemt, dan in den

toestand van stoom zelven,) dan zal het zich vormende water slechts een

1700ste deel der ruimte van de pijp innemen, en dezelve tevens

luchtledig laten. Bij dezen stand van zaken zal de lucht op de

oppervlakte van het rondom gelegene kwik persen, en hetzelve noodzaken,

tot op de reeds opgegevene hoogte van 7.6 palm te stijgen, daar die

vloeistof ook natuurlijk naar dien kant uitwijkt, alwaar zij geenen

tegenstand ondervindt. In § 8 hebben wij echter doen opmerken, dat water

veel hoogeren stand in de pijp behoudt, en olie of spiritus nog hooger.

Wat zou nu de oorzaak van dit onderscheid in hoogte anders kunnen zijn,

dan het onderling verschil in soortelijk gewigt dezer vloeistoffen

zelven? Het is klaar, dat eenige vloeistof uit het ondereinde van de

buis zal vloeijen, zoo lang het gewigt van dezelve grooter is, dan de

kracht, die tegenstand biedt, of die haar in de buis tracht op te

houden. Deze kracht nu is de drukking van den dampkring op de

oppervlakte van de vloeistof in den bak, waarin het opene einde

gedompeld is. Zoo wij nu aannemen, dat de opening aan dit ondereind van

de buis juist eene vierkante duim is,[2] dan zullen wij door

naauwkeurige waarnemingen ondervinden, dat de gemiddelde druk des

dampkrings, bij eene temperatuur van 62 graden, evenwigt maakt met eene

kwik-water-olie- of spirituskolom, die met zulk een grondvlak 103.3

looden weegt; zegge gemiddelde druk, om dat de dampkring aan meer of

mindere zamenpakking onderhevig is, en behalve dat de dampkringshoogte

mede invloed heeft, zoodat gemeld gewigt van het gemiddeld oppervlak des

Oceaans geldt. Den gemiddelden druk des dampkrings dus voor een

oppervlak, dat een vierkante duim groot is, kennende, zoo is deszelfs

druk voor eenig ander oppervlak daarna te berekenen:--Thans moet nog

gezegd worden, dat de door den dampkring op gehoudene kwikkolom in eene

glazen pijp, waarvan boven gesproken werd, den algemeen bekenden

Barometer is. De Barometer is dus een werkelijke weger van den

dampkring; men weet dat de kwikhoogte in dat Instrument aan dagelijksche

verandering onderhevig is, dat is: het zwaarte verschil des dampkrings

volgt, en dat wij daardoor tot weervoorspellingen in staat geraken.

Tusschen deze veranderingen heeft men eenen gemiddelden stand gekozen,

die de gemiddelde stand des Barometers, of de gemiddelde druk des

dampkrings, boven gebezigd, genoemd wordt. Vervolgens heeft de meer of

mindere verheffing van den kwikbak des Barometers ook invloed op

deszelfs stand, omdat de hoogte des dampkrings daarvan afhangt, van daar

de bepaling: gemiddelde stand des Barometers aan het gemiddeld oppervlak

des Oceaans; alzoo is de gemiddelde stand des Barometers aan het

gemiddeld oppervlak des Oceaans, bij eene temperatuur van 62 graden,

naauwkeurig, 7.62 palm, welke kwikhoogte als boven gezegd is, per

vierkante duim met 103.3 loden drukt.

[Illustratie: Vierkant]

[2] Wanneer wij een stuk papier nemen en hetzelve in eenen vierkanten

vorm snijden, zoodat de zijden AB, AD, CB, en CD gelijk zijn, en ieder

eenen duim lengte hebben, terwijl de hoeken regt of winkelhaaksch zijn,

dan wordt de alzoo ingeslotene ruimte, een' vierkanten of kwadraat duim

genoemd.

§ 11.

Met deze weinige kundigheden zijn wij reeds in het bezit van de

belangrijkste grondbeginselen, waarop de werking van het stoomwerktuig

berust, en waarvan wij thans het gebruik zullen verklaren. Het kan

echter niet ongepast zijn, om dezelven in het kort te herinneren, daar

zij in het vervolg menigwerf zullen te pas komen. De grondbeginselen dan

zijn: 1º. Het water zet uit, of vermeerdert in uitgebreidheid, wanneer

hetzelve verhit wordt. 2º. Wanneer het water tot op het _kookpunt_ (212

graden) verhit wordt, gaat deze vloeistof tot stoom over, en neemt in

dien staat een 1700 maal grootere ruimte in. 3º. Dat de verborgene

warmte van waterstoom 1000 graden bedraagt. 4º. Zoo de stoom tot beneden

de 212 graden wordt afgekoeld, verdikt dezelve tot water, en vermindert

1700 malen in uitgebreidheid, terwijl de verborgene warmte weder vrij

raakt. 5º. De dampkring oefent gemiddeld eene bestendige drukking uit,

die aan de oppervlakte van de aarde, welke met het gemiddeld oppervlak

des Oceaans overeenkomt, een vermogen uitoefent van 103.3 looden op

elken vierkanten duim, of die op iedere vierkante palm, met een gewigt

van 103.3 ponden drukt, welk gewigt, overeenkomstig den stand des

Barometers, aan wijziging onderworpen is.

[Illustratie: Figuur 2]

§ 12.

Onderstellen wij, dat een fornuis of vuurhaard A, zoo ingerigt is, dat

de door het vuur ontwikkelde warmte aan den ketel B wordt medegedeeld,

en het daarin vervatte water kan doen koken, en in stoom veranderen; dat

die stoom geenen anderen uitweg heeft, dan door de buis of pijp C C,

waarvan het eene uiteinde met het inwendige van den top des ketels B

gemeenschap heeft, en daaraan bevestigd is, terwijl het andere einde met

het benedengedeelte van den cilinder D mede gemeenschap heeft. Aan het

ondereinde van deze buis bevindt zich eene kraan J, op de gewone wijze

ingerigt. Door middel van deze kraan is men in staat, om de gemeenschap

tusschen den ketel B en den cilinder D af te sluiten, of daar te

stellen, zoo dat men naar goedvinden, alleen door het omdraaijen van

deze kraan, den stoom toegang naar den cilinder verschaffen kan of niet.

Aan de tegenovergestelde zijde van den cilinder D bevindt zich, nabij

den bodem, eene andere pijp K, waardoor eene gemeenschap daargesteld

wordt tusschen den cilinder en eenen bak koud water I. Deze

gemeenschapsbuis is insgelijks met eene kraan K voorzien, zoo dat men

mede naar goedvinden, de gemeenschap tusschen den koudwaterbak en den

cilinder afsluiten kan. De cilinder is van gegoten ijzer vervaardigd, en

van binnen volmaakt gelijkwijdig rond geboord. In den cilinder sluit een

uit gegoten ijzer, of uit metaal bestaande, zuiger E, die rondom met

eene uitzetbare zelfstandigheid, hennep of vlas, is ompakt, ten einde

dezelve volmaakt sluitende zij, en nogtans gemakkelijk op en neder

bewogen kan worden, zonder de minste lucht of stoom tusschen zich en den

binnenwand van den cilinder door te laten. Aan dezen zuiger is eene

stang, waaraan in deze schets, eene beweegbare ketting F F, als

verbonden, is afgebeeld, die, over eene beweegbare schijf of spoorwiel G

geslagen, aan het andere einde met een gewigt H, voor tegenwigt,

bezwaard is; en wel zoodanig, dat wanneer de zuiger geene verhindering,

dat is onder en boven gelijken tegenstand ondervindt, deze altijd, door

dit tegenwigt, naar het bovendeel des cilinders gevoerd wordt.

Een en ander op deze wijze ingerigt zijnde, zoo vooronderstel, dat het

vuur in het fornuis A worde opgestookt, en dat het water in den ketel B

aan het koken geraakt, dan zal, bijaldien de kraan J open is, de stoom,

die van de oppervlakte des waters uit den ketel stijgt, door de pijp C C

in den cilinder D dringen, zorg gedragen zijnde, dat de kraan K,

waarmede de gemeenschap met den koudwater bak I daargesteld wordt, zoo

lang gesloten blijft. Het gedeelte van den cilinder beneden den zuiger E

zal dus spoedig met stoom gevuld wezen, en zoo men, daarop de kraan J

sluit, wanneer den zuiger, door de toevloeijing der stoom om hoog

gerezen is, zal de gemeenschap tusschen den ketel en cilinder afgesloten

zijn. Thans opene men de kraan K, zoo dat daardoor eenig koud water uit

den koudwaterbak I in den cilinder vloeit, waardoor, volgens § 8, de

stoom tot beneden 212 graden zal worden bekoeld, en derhalve, zich

verdikkende, nu, in plaats van de geheele ruimte beneden den zuiger E,

slechts omstreeks het 1700ste gedeelte zal innemen, hetwelk dus met de

hoeveelheid koud water, dat uit den bak I is ingedrongen, een

betrekkelijk klein gedeelte der ruimte van den cilinder beslaan zal.

Deze ruimte zal dan nagenoeg volkomen ledig zijn, en zeer weinig

tegendruk zal tegen het ondervlak des zuigers bestaan. De volle

dampkring echter drukt op de bovenvlakte van den zuiger, en oefent een

vermogen uit, om dien naar beneden te drijven, alzoo hij nu aan de

onderzijde bijna geenen tegenstand ondervindt. Hierdoor zal derhalve de

zuiger dalen, den ketting F F met zich medevoeren, en dus het gewigt H

doen rijzen. Zoo men vervolgens door de kraan, die in den bodem van den

cilinder geplaatst, en in de afbeelding slechts met flaauwe trekken

aangewezen is, het water laat afloopen, dan zal, na sluiting van alle

drie de kranen, de zuiger zich aan het benedeneinde van den cilinder

bevinden, en door de drukking van den dampkring in dien stand gehouden

worden. Men opene vervolgens de kraan J, waardoor op nieuw den stoom

toegang in het benedengedeelte van den cilinder verschaft wordt, welke

stoom, wanneer die gelijke kracht met de drukking van den dampkring

uitoefent, den zuiger met hetzelfde vermogen zal opdrijven, als dezelve

door den eersten wordt nedergedrukt, zoodat de drukking op het boven- en

benedenvlak aan elkander gelijk is, en toelaat, dat de zuiger even zoo

gemakkelijk naar boven als naar beneden bewogen kan worden, even alsof

er geen stoom of dampkring bestond. Daar nogtans het gewigt H, het

vermogen heeft, om den ketting F, die aan den zuiger vast is, naar

beneden te trekken, zoo zal die zuiger eene meerdere neiging hebben om

te stijgen, hetwelk ook werkelijk het geval zal zijn, zoodat hij wederom

de stelling aanneemt, die in de afbeelding is voorgesteld. Hierop sluite

men wederom de kraan J en opene de koudwaterkraan K, waardoor de stoom

andermaal verdikt zal worden, geene drukking beneden den zuiger zal

plaats hebben, en deze dus wederom door de drukking van den dampkring

naar beneden of naar den bodem van den cilinder bewogen zal worden. Door

deze bewerking kan men de beweging des zuigers zoo menigmaal herhalen

als men verlangt, en aan denzelven eene op- en neergaande beweging in

den cilinder mededeelen.

Met betrekking tot dusdanigen toestel moeten wij alleen doen opmerken,

dat het water, hetwelk ter verdikking van den stoom gebezigd, zoowel als

dat, hetwelk door den overgang van stoom tot water geboren wordt,

gestadig moet worden afgetapt, door den kraan in den bodem des

cilinders; dewijl bij gebreke van dien, dit gezamenlijke water,

eindelijk den ganschen cilinder zoude vullen, en dus de beweging van den

zuiger onmogelijk maken. Bovendien is aanvankelijk onder den zuiger

eenige lucht in den cilinder aanwezig welke men door deze bodemkraan,

vóór het indringen van den stoom uitgang moet geven, dat is alleen, vóór

het eerste in beweging stellen des zuigers. Behalve dat, ontwikkelt zich

uit het koelwater ook nog eenige lucht, die mede telkens, bij het

ontlasten van dit water, uit den cilinder uitgedreven wordt.

Deze eenvoudige toestel is nu in der daad een stoomwerktuig, en de lezer

zal wel doen, om met aandacht de beschrijving na te gaan, die wij van

denzelven gegeven hebben; want door het goed begrijpen van de

grondbeginselen der werking, zullen de volgende beschrijvingen des te

gemakkelijker verstaan worden.

§ 13.

Bij eenige opmerkzaamheid zal men gewaar worden, dat het nut door het

eenvoudig op- en neêrgaan van het gewigt H, van wege de overeenkomende

beweging van den zuiger, zeer beperkt is. Doch men kan het eene einde

van ketting F, in plaats van met een gewigt H, met den stang van eenen

waterpomp-zuiger verbinden, ter opbrenging van water, in welke

gesteldheid die stang een toereikend gewigt zal moeten hebben, niet

alleen om den stoomzuiger tot aan het boven einde des cilinders te

trekken, maar ook, om den waterpomp-zuiger tevens naar beneden te

drijven, wanneer door het openen der sluitkraan J aan den stoom onder

den zuiger, toegang verschaft wordt.

Nu gaan wij over om in de volgende § het stoomwerktuig te beschrijven,

dat NEWCOMEN het eerst bezigde, om water uit mijnen op te brengen, en

welk toestel eenen geruimen tijd daarvoor is gebruikt geworden, op

hetzelfde grondbeginsel rustende, hetwelk wij in de voorgaande

afbeelding hebben voorgesteld.

[Illustratie: Stoomwerktuig van NEWCOMEN]

§ 15.

Onder en om eenen sterken, deels bemetselden ketel _b_, bevindt zich

eene stookplaats of haard _f_. De hals _p_ van den ketel, met eene kraan

_u_ voorzien, is vereenigd met den zuiver gelijkwijdig uitgeboorden

cilinder, waarin zich een zuiger _w_, volmaakt digt sluitend, op en

neder kan bewegen. Aan dezen zuiger bevindt zich eene stang _x_, waarvan

het boveneinde vastgemaakt is aan een' ketting, die zich over een

cirkelvormig gebogen stuk hout _z_ voegt, en daaraan bovenwaarts is

vastgehecht. Dit gebogen stuk hout vormt het eene uiteinde van eenen

hefbalk of balans _z a b_, die op eene spil of as _a_ beweegbaar is, en

aan het einde _b_, even zoo gevormd is in cirkelboog, als bij _z_.

Het boogstuk _b_ des hefbalks is ook met eenen daaraan bevestigden

ketting _d_ voorzien, welks ondereinde vastgemaakt is, aan eene

zuigerstang _ee_ van eene pomp in den put of de wel _f_ geplaatst,

waarmede het water uit de diepte kan worden opgebragt bij _r_; _gg_ is

het tegenwigt met de zuigerstang _ee_ verbonden en dat met het

nederdrukken des waterpompzuigers, tevens den zuiger _w_ in den

stoomcilinder ophoudt.

De as _a_, is met de balans (welke benaming wij bij voorkeur zullen

blijven bezigen) hecht vereenigd, en draagt in holle metalen kussens

boven op eenen stevigen tusschenmuur van het gebouw; zoo dat de rigting

der beweging van de balans aan geene verandering onderhevig is. Tegen

den tusschenmuur is een bak _l_ gevoegd, waarin zich koud water bevindt,

dat door eene pijp _nn_ tot onder den zuiger _w_ in den stoomcilinder

kan komen, wanneer de kraan _o_ dezer pijp geopend is; terwijl door eene

andere pijp _qq_, het in den stoomcilinder gestroomde water, met hetgeen

de verdikte of gecondenseerde stoom oplevert, ontlast; deze laatste pijp

bevat bovendien eene benedenwaards openende klep, (in de figuur niet

afgebeeld) die belet, dat het ontlaste water weder in het luchtledige

des stoomcilinders opstijge; ook moet men zich nabij den cilinderbodem,

eene kleine naar buiten openslaande klep, snuifklep genaamd, denken,

(mede in de figuur niet zigtbaar) waardoor de lucht, die zich uit het in

den cilinder gestroomde water ontwikkelt, bij elken nederslag van den

stoomzuiger, ontsnapt.--_m m_ is eene pijp waardoor de koudwaterbak

gevuld gehouden wordt, en _h_ wijst de belading aan, van eene op den

ketel _b_ geplaatste veiligheidsklep, over welke inrigtingen ter regter

plaatse zal gehandeld worden.

§ 16.

Na uitleg van deze figuur, zal nu die der werking niet moeijelijk zijn.

De ketel _b_ wordt met eene toereikende hoeveelheid water gevuld, en het

vuur in het fornuis _f_ opgestookt. Wanneer dan het water kookt en stoom

ontwikkelt, wordt de kraan _u_ des ketels geopend, waardoor de stoom in

den cilinder dringt, terwijl men tevens, den zoo even gedachten

snuifklep open houdt, zoo lang tot dat de lucht, welke zich nu bij den

aanvang onder den zuiger _w_ in den cilinder bevindt, daardoor is

ontsnapt. Gedurende deze toevloeijing van stoom uit den ketel, zal als

nu door behulp van het tegengewigt _gg_, de zuiger _w_, in den cilinder

opstijgen, terwijl de zuigerstang _ee_ van de waterpomp in den put _f_

nedergedrukt wordt. De zuiger _w_ deszelfs hoogsten stand bereikt

hebbende, zoo sluit men den toegang van den stoom met de kraan _u_ af,

opent daarna de kraan _o_ van de pijp _nn_, waardoor dan dadelijk koud

water uit den bak _l_ in de cilinderruimte zal stroomen, hetwelk den

daarzijnden stoom tot water verdikt of condenseert en die ruimte

luchtledig maakt.

Den tegenstand onder den zuiger _w_ aldus zoogezegd verniettegende, zoo

zal dezelve door den druk of het gewigt des dampkrings dalen, welks

druk, overeenkomstig hetgeen wij hooger gezegd hebben, nabij zoo veel

malen 103.3 ned. ponden zal bedragen, als het oppervlak van den zuiger

_w_, vierkante ned. palmen bevat.

De zuiger _w_ met zulk een drukvermogen dalende, is nu in staat, met het

tegenovergesteld balanseinde _b_, den pompzuiger in den put, met het

daarop staande water, omhoog te heffen, om hetzelve bij _r_ te

ontlasten.

Wanneer de zuiger _w_, in deze manier weder nabij den cilinderbodem

genaderd is, moet de kraan _o_ (waaraan de eigenaardige naam van

inspuit- of injectiekraan gegeven wordt) gesloten, en vervolgens de kraan

_u_ des ketels open gezet worden; als dan zal, met de weder toevloeijing

van stoom onder den zuiger _w_, het in den cilinder gestroomde water,

met hetgeen de gecondenseerde stoom gedurende de daling des zuiger heeft

opgeleverd, door de pijp _qq_ wegvallen, terwijl de ontwikkelde lucht

uit dat water, door de boven gedachte snuifklep (waaraan weinig zwaarte

gegeven is) als van zelve zal ontsnappen. Met het open zijn der

ketelkraan _u_, zal de rijzing van den stoomzuiger en de daling van den

waterpompzuiger weder aanvangen, om onder de aangewezene behandeling der

kranen, eene op- en nedergaande beweging der zuigers te onderhouden,

waardoor het water uit den put _f_ wordt opgebragt.

Op zoodanige wijze is die eenvoudige stoommachine zamengesteld; doch wij

zullen zien, dat daaraan nog veel ontbreekt, om aan eene geregelde en

vertrouwde werking te voldoen. Onder anderen wordt hierbij steeds iemand

vereischt, die de kranen op de juiste tijden opent en sluit, en waarvan

de goede en regelmatige gang geheel afhangt. Insgelijks zal er nog

iemand noodig zijn om den koudwaterbak gevuld, of toereikend met water

voorzien te houden, terwijl tevens een derde moet zorg dragen, dat naar

gelang het water in den ketel verkookt, dit met ander wordt aangevuld.

§ 17.

Sedert de uitvinding van het stoomwerktuig hebben de werktuigkundige

onderscheidene middelen bedacht, om boven gezegde bewerkingen, door het

werktuig zelf, te doen verrigten, en alzoo zich zelf in gang te houden.

Het zou te ver buiten ons bestek leiden, om al de uitvindingen te

verklaren, die voor dat doel gemaakt zijn, zoowel als van anderen te

gewagen, die strekken, om de machine onafhankelijk te maken van

toevalligheden of uitwerkselen, die het gevolg van verzuim, of

onbedrevenheid van de zijde des gebruikers kunnen zijn.

Het voornemen is alleen, om onze lezers bekend te maken, met de

inrigting van het stoomwerktuig in het algemeen, waarna wij het aan hen

zelven zullen overlaten, om de geschiedenis na te gaan, van die

verschillende inrigtingen, die men van tijd tot tijd heeft voorgeslagen

en in het werk gesteld, en waarmede verschillende tijdschriften, die

over de werktuigkunde handelen, nog dagelijks gevuld zijn.

§ 18.

Voordat wij echter verder gaan, moeten wij eene zeer gewigtige

eigenschap van den stoom, waarvan wij nog geene melding gemaakt hebben,

doen opmerken. De door ons tot dus verre beschouwde stoom is die, welke

ontstaat bij eene temperatuur van omstreeks 212 graden, en is in

uitzettend vermogen of spanning gelijk aan den gemiddelden druk des

dampkrings: want zoo wij zoodanigen stoom, in eene beslotene ruimte doen

vloeijen, waarvan de wanden zeer ligt breekbaar zijn, bijv: eenen glazen

bol, dan zal de buitenlucht niet in staat zijn, om die wanden in te

drukken, noch de daarin besloten stoom, die uit te zetten, omdat de

drukking der lucht buiten, gelijk staat, of evenwigt maakt, met de

spanning van den stoom binnen. Wanneer de ketel, waarin de stoom zich

vormt, gesloten wordt gehouden, en het daaronder bestaande vuur blijft

werken, dan zal het water en de stoom eene hoogere temperatuur dan 212

graden aannemen. Met eene steeds toenemende temperatuur, zal de stoom in

eenen geheel geslotenen ketel, eene zoodanige kracht verkrijgen, in

staat, om den ketel, hoe sterk ook, met geweld te doen bersten.

Stoom op de temperatuur van 212 graden, maakt evenwigt met den

dampkringsdruk, die in gemiddelde omstandigheden, met 103.3 ned. looden

per vierkante ned. duim overeenkomt; men zegt om die rede: stoom op 212

graden, heeft het vermogen van eenen dampkring of atmospheer; maar

aangezien in alle tot heden gebruikelijke stoomwerktuigen, altijd stoom

gebezigd wordt, die boven den dampkringsdruk is gespannen, zoo is men

gewoon, alleen het verschil te noemen, of de meerdere spanning van den

stoom boven den druk des dampkrings; alzoo zegt men: stoom op 234 graden

temperatuur is op een' halven atmospheer gespannen, dat is: die boven

den gemiddelden druk des dampkrings met 51.7 ned. looden belading per

vierkante ned. duim evenwigt maakt, latende dus de 103.3 ned. looden

voor eenen dampkring onvermeld; gelijkerwijze is stoom op 250-1/2 gr.

aan een' atmospheer, (103.3 ned. looden per vierkante ned. duim)--stoom

op 264 gr. aan een' en een' halven atmospheer (155 ned. looden per

vierkante ned. duim)--stoom op 275 gr. aan twee atmospheren. (206.6 ned.

looden per vierkante ned. duim)--stoom op 285 gr. aan twee en een' halve

atmospheer (258.2 ned. looden per vierkante ned. duim)--stoom op 294 gr.

aan drie atmospheren (309.9 ned. looden per vierkante ned. duim)--stoom

op 302 gr, aan drie en een' halven atmospheer (361.5 ned. looden per

vierkante ned. duim)--stoom 309 gr. aan vier atmospheren. (413.2 ned.

looden per vierkante ned. duim) en stoom op 321-1/2 graden temperatuur

aan de drukking van vijf atmospheren (516,5 ned. looden per vierkante

ned. duim) gelijk; terwijl volgens het tot nu hier te lande geldende

koninklijk besluit: gespannen stoom beneden eenen halven atmospheer:

stoom van lage drukking, daar boven tot drie en eenen halven atmospheer,

stoom van middelbare drukking, en hooger gespannen, stoom van hooge

drukking genoemd wordt; wel te verstaan, boven den gemiddelden

dampkringsdruk.

§ 19.

Laat ons nu overgaan tot de beschrijving der zamenstelling van eenen

_stoomketel_, en tevens daarbij in acht nemen den toestel, waardoor de

toevoer van stoom als andersints wordt geregeld. Deze ketel bestaat

gewoonlijk uit ijzeren, of somtijds ook uit koperen platen, die op het

hechtst en volkomen luchtdigt aaneengeklonken zijn, en waarvan de vorm,

voor stoom welke een' halven atmospheer niet te bovengaat, overeenkomt,

met eene langwerpig vierkante kast met rond gewelfden top. De bodem en

zijwanden zijn een weinig binnenwaarts gekromd, doch het bovengedeelte

is cirkelvormig gebogen. De volgende plaat is eene afbeelding daarvan,

waarbij voorondersteld wordt: dat dezelve overlangs middendoor is

gesneden. A is de stookplaats of vuurhaard, waarin op ijzeren

roosterstaven het vuur brandt, boven eene aschkolk, die tevens tot

doorstrooming van versche lucht dient. Het vuur beslaat, in lengte, hier

meer dan het derde gedeelte van de geheele lengte des ketels, en moet

van tijd tot tijd, wanneer men steenkolen tot brandstof bezigt, van

slakken of sintels gezuiverd worden, terwijl de asch door de roosters

naar beneden in de kolk valt. De ontvlamde rook strijkt over de brug

_b_, die uit vuurvaste steenen bestaat langs den ketelbodem, en klimt in

de rookleiding N N, die rondom den ganschen ketel in het metselwerk is

gemenageerd; stijgt van daar in den schoorsteen X ter ontlasting in de

opene lucht; alles derwijze ingerigt, opdat de hitte van den deels

vlammenden rook de grootst mogelijke oppervlakte van den ketel raakt,

ten einde aan het daarin vervatte water de meeste warmte mede te deelen.

[Illustratie: Dwarsdoorsnede van een stoomketel]

Zoo als in de afbeelding gezien wordt, is de ketel over de helft met

water gevuld, en de rookleiding daaromheen niet boven de oppervlakte des

waters verheven. Door de werking van het vuur tegen den bodem, en van

den verhitten rook of het gaz op de zijwanden, wordt nu stoom in den

ketel ontwikkeld, die vervolgens door den buis I in den cilinder kan

vloeijen.

§ 20.

Het is een noodzakelijk vereischte, dat de stoom de benodigde

krachtspanning niet te boven ga, daarmen anders stoom of vuur verspilt

of wel den ketel in gevaar brengt. Om dit voor te komen, maakt men

gebruik van eene _veiligheidsklep_, bij V _f w_ aangeduid, en waarvan

men de werking gemakkelijk zal kunnen begrijpen. In het hoogste gedeelte

van den top des ketels is namelijk eene cirkelronde opening, met metalen

rand voorzien, gemaakt, welke door eene volmaakt digt sluitende metalen

plaat, klep genoemd, gedekt wordt. Op het midden dezer klep bestaat eene

opstaande stang, die vrijelijk met eenen liggenden hefboom _f w_

gemeenschap heeft. Deze hefboom, die beweegbaar is, drukt op de

opstaande stang der klep, door middel van bij _w_, aangehangen gewigt,

en houdt aldus deze klep op derzelver rand digt gesloten. Men noemt dit

gewigt de belading van de veiligheidsklep, welke vergroot wordt, naar

gelang het gewigt _w_, naar het uiteinde van den hefboom wordt

verplaatst. Na een weinig overweging zal men dus bevatten, dat niet

alleen het gewigt dezer klep, maar ook derzelver belading, door de

stoomspanning binnen den ketel, moet overwonnen worden, om dezelve te

doen ligten, en dat de stoom daarvoor altijd meer vermogen moet hebben,

dan met den enkelen druk des dampkrings overeen komt; want de dampkring

drukt, behalve de aangebragte belading, ook op de klep. Het gewigt kan

overigens, het zij door verplaatsing, of door verandering met eenig

ander, gewijzigd worden, naar gelang het behouden van eene zekere

stoomspanning, in verband met de sterkte des ketels, zulks eischt;

zoodat dusdanige toestel met regt den naam van veiligheidsklep draagt,

wanneer te hoog gespannen stoom zich daardoor ontlast.

§ 21.

Verklaring van het stoomwerktuig zijnde eene algemeen bevattelijke beschrijving van deszelfs onderscheidene deelen, zamenstelling en werking. · 第 1 / 9 段