van het deel, dat noordelijker dan 60° N.B. gelegen is. Bovendien is
hij in Noord-Afrika, West-Azië en Oost-Indië gevonden. In geen dezer
landen is hij zeldzaam, ook over ons geheele land is hij verspreid;
men ziet hem echter bij ons veel minder algemeen rondvliegen,
dan de Dwerg-Vledermuis (p. 76), den Laatvlieger (p. 76) en de
Rosse Vledermuis (p. 77). Steeds leeft hij eenzaam, niet tot groote
gezelschappen vereenigd. De meeste exemplaren, die men hier gevangen
heeft, werden uit hunne schuilhoeken te voorschijn gebracht. Overal
leeft hij bij voorkeur op niet te grooten afstand van menschelijke
woningen: in den zomer slaapt hij even vaak onder daken van gebouwen
(vooral van kerken en torens), als in holle boomen. Op dezelfde
plaatsen houdt hij gewoonlijk ook zijn winterslaap. Het liefst vliegt
hij rond in boomgaarden en groote lanen, langs boschkanten en boven
open plaatsen in de bosschen. In de stad zoekt hij steeds vrije, met
boomen en struiken begroeide plaatsen op, en dringt daarom niet zelden
in tuinkamers door. In de bergstreken, in den Harz en de Alpen b.v.,
blijft hij beneden de hoogten, waar de boomgroei ophoudt.
De Grootoor blijft, wanneer hij van zijn vrijheid beroofd is,
langer in leven dan de meeste van hare verwanten; hij verdraagt
de gevangenschap verscheidene maanden of jaren, wanneer men hem
uitmuntend verzorgt. Om deze reden wordt hij gewoonlijk gekozen,
wanneer men aan gevangene Vleermuizen waarnemingen wil doen. Men kan
hem eenigszins temmen. _Faber_ heeft er gedurende verscheidene weken
één gehad en zijn levenswijze nagegaan. Hij was zeer vlug vooral
gedurende de avondschemering, vloog trouwens dikwijls ook over dag,
maar sliep in de uren vóór en na middernacht. In de kamer vloog hij
met het grootste gemak voortdurend rond, meestal zonder vleugelslag;
hij kon de vlieghuid ook gedurende het vliegen samentrekken en weer
uitbreiden. Als hij uitwijken moest voor het een of ander voorwerp,
beschreef hij een boog, vloog snel bij den vloer langs, en verhief
zich zonder moeite weer in de lucht. Bij de muren klauterde hij met
behulp van zijne duimen vlug op en neer. Bij het geringste gedruisch
bewoog en spitste hij de ooren, zooals Paarden doen, of kromde ze als
ramshorens, als het gedruisch aanhield of sterk werd. Als hij sliep,
sloot hij de ooren steeds af. Dikwijls draaide hij den kop om, lekte
met de tong of snuffelde met den neus. Evenals alle Vleermuizen,
werd hij veel geplaagd door ongedierte en krabde zich dikwijls de
zijden van den kop met de nagels.
De Handvleugeligen, die het geslacht _Nachtvleermuis_ (_Vespertilio_)
vormen, zijn gekenmerkt door hunne onderling niet vergroeide,
langwerpig ronde ooren, die maar weinig korter, bij sommigen (de
Langooren) zelfs iets langer zijn dan de kop; het oordeksel heeft
een toegespitsten, buitenwaarts gebogen of nagenoeg rechten top. De
vleugels zijn betrekkelijk breed en kort (Breedvleugelige Vleermuizen
p. 70). De staart is iets korter dan of hoogstens even lang als
het lichaam.
Tot dit geslacht behooren behalve de reeds genoemde
_Langooren_--bij ons vertegenwoordigd door de Vale Vleermuis--ook
de _Franjestaarten_--zoogenoemd, omdat de staartvlieghuid aan den
achterrand dicht behaard, als 't ware met franje bezet is--en de
_Watervleermuizen_--welker ooren korter zijn dan de kop en die geen
wimpers aan de staartvlieghuid hebben.
Van de Franjestaarten vindt men hier te lande één soort (_Vespertilio
nattereri_); zij is echter zeldzaam; ook in vele andere gedeelten
van haar verbreidingsgebied (Middel-Europa en Zweden) is zij
niet veelvuldig. Zij vliegt, volgens _Van Bemmelen_, des avonds
laat, tamelijk laag en langzaam over wegen en bosschen en groote
boomgaarden. Met inbegrip van den 4.4 cM. langen staart is het lichaam
9 cM. lang; het dier heeft 24.3 cM. vlucht.
De inheemsche Watervleermuizen zijn de _Meervleermuis_ (_Vespertilio
dasycneme_) en de _Behaarde Watervleermuis_ (_V. mystacinus_), terwijl
in 't zuiden van Limburg (en misschien ook in andere deelen van ons
land) _Daubenton's Watervleermuis_ (_V. daubentoni_) aangetroffen
wordt. Alle vliegen kort na zonsondergang, tamelijk snel, niet ver
boven de oppervlakte van het water. De eerste is de kleinste (totale
lengte 8, vlucht 21 1/2 cM.), de tweede de grootste (totale lengte 11,
vlucht 30 cM.) De eerste en laatste zoeken bijna uitsluitend boven
't water hun voedsel; de Behaarde Vleermuis echter (die wegens haar
langere beharing zoo heet) zoekt het nu en dan ook wel boven weiden
en wegen. Hare gewone verblijfplaatsen zijn niet zelden een kwartier
van haar jachtgebied verwijderd. Daarom maken zij ook wel van boomen
aan den waterkant gebruik als tijdelijke rustplaats; men ziet ze hier
naast elkander aan de achterpooten hangen.
Veel vaker dan de vier laatstgenoemde soorten ontmoet men, althans in
sommige gedeelten van ons land, de _Vale Vledermuis_ (_Vespertilio
murinus_). Deze bewoont geheel Middel-Europa, te beginnen bij
Engeland, Denemarken en het midden van Rusland, voorts het zuiden
van ons werelddeel, het noorden van Afrika en het grootste deel van
Azië tot aan den Himalaja. Zij schijnt in ons land meer bepaaldelijk
tot de grensprovinciën beperkt zijn. Zij is de grootste, inheemsche
Vleermuis; daar zij een lengte van 12 à 13 cM. bereikt (waarbij 5.3
cM. voor den staart) en 37 cM. vlucht heeft. Haar bovenzijde is vaal
en licht roetbruin met een roestroodachtig waas, de onderzijde vuil
witachtig; de betrekkelijk dunne, vliezige en doorschijnende ooren,
alsmede de vlieghuid, zijn licht grijsachtig bruin; de jonge dieren
zijn meer aschgrauw van kleur.
De Vale Vleermuis jaagt van het begin van Maart tot het einde
van October; zij komt eerst 's avonds laat te voorschijn en is
gemakkelijk te herkennen aan haar logge, fladderende wijze van
vliegen; meestal vliegt zij laag en rechtuit, en verandert niet,
evenals hare verwanten, telkens zigzagswijs van richting. Zij komt
ook in het gebergte voor. Over dag rust zij gaarne onder daken van
oude gebouwen. In groote gebouwen, vooral kerktorens, vindt men
deze dieren niet zelden in menigte naast elkander hangen, zoo dicht
opeengedrongen, dat zij als 't ware één kluit vormen. Door hare
bijtlust en twistgierigheid verdrijven zij in den regel de kleinere
Vleermuizen (met uitzondering van de bloedzuigende soorten) uit hare
schuilplaatsen. Deze hebben alle reden om de Vale Vleermuis te mijden;
daar dit dier, zooals _Koch_ aan gevangene exemplaren opmerkte,
hare kleinere stamverwanten doodbijt en gedeeltelijk verslindt.
De _Avondvleermuizen_ (_Vesperugo_) hebben, evenals de
Nachtvleermuizen, vrije, van elkander gescheiden ooren; deze
zijn steeds korter dan de kop, en hebben den vorm van een ruit of
trapezium met afgeronde hoeken; het oordeksel is met den afgeronden
top binnenwaarts gebogen. De vleugels zijn smal en betrekkelijk lang
(Smalvleugelige Vleermuizen, p. 70). Het spoorbeen, dat gelijk reeds
gezegd werd (p. 68), den achterrand van de staartvlieghuid steunt,
is voorzien met een (bij het vorige geslacht ontbrekend) vliezig
uitwasje, dat zijwaarts en buitenwaarts gericht is. Ook zijn de ooren
en de vlieghuid hier donkerder (zwartachtig bruin) en dikker dan bij
de Nachtvleermuizen, waar zij een lichtgrijsachtig bruine kleur hebben.
De Avondvleermuizen zijn de vlugste en krachtigste dieren van
de geheele groep; zij vliegen hoog en snel en maken allerlei
wendingen, komen 's avonds het vroegst uit hare schuilhoeken te
voorschijn, eenige soms reeds vóór zonsondergang en schuwen regen
noch storm; vele soorten zijn betrekkelijk goed bestand tegen een
lage temperatuur. Wat deze eigenschappen betreft, merkt men echter
allerlei overgangen tot het vorige geslacht op. De talrijke soorten
worden, voornamelijk naar het aantal kiezen en naar den vorm van het
oordeksel, in vijf groepen verdeeld, waarvan er hier te lande drie,
ieder door één soort, vertegenwoordigd zijn: de _Laatvliegers_, de
_Dwergvleermuizen_ en de _Boschvleermuizen_. De beide andere groepen
leven in bergachtige streken.
De _Laatvlieger_ (_Vesperugo serotinus_) verdient zijn naam, niet
alleen omdat hij 's avonds eerst laat, wanneer het reeds donker is,
zijn slaapplaats verlaat, maar ook omdat hij in de lente, eerst wanneer
het warme weder aanhoudt, zijn winterverblijf verlaat. Door een enkelen
warmen dag wordt hij niet zoo licht gewekt, als de Dwergvleermuis;
wanneer hij vroeg in 't voorjaar uitvliegt, zal hij toch op den
eerstvolgenden kouden dag naar zijn winterkwartier terugkeeren, om
misschien eerst twee maanden later weer te verschijnen; daar hij in
tegenstelling met andere soorten van zijn geslacht voor koude zeer
gevoelig is. Met de Dwergvleermuis is hij de gemeenste, met de Vale en
de Rosse Vleermuis de grootste, inheemsche soort. Met inbegrip van den
5 1/2 cM. langen staart bedraagt zijn lichaamslengte 12 cM.; hij heeft
35 cM. vlucht. Van de Rosse Vleermuis verschilt hij o.a. door de iets
langere ooren en de veel langere en smallere oordeksels. De vlieghuid
is breeder, van onderen langs den arm niet behaard; de vacht is aan
de bovenzijde roetbruin, van onderen lichter. Hij vliegt laag en niet
snel over wegen, in de tuinen en boven de met boomen beplante straten
en grachten der steden. Hij verschuilt zich over dag en gedurende den
winter in holle boomen, ook op zolders en in oude torens. Men vindt
hem in geheel Middel-Europa.
De _Dwerg-Vledermuis_ (_Vesperugo pipistrellus_) is de kleinste
en algemeenste soort van ons land. Haar lichaamslengte bedraagt
slechts 7 cM., waarvan afgaat voor den staart 3.3 cM.; zij heeft
18 cM. vlucht. Hare ooren zijn een weinig korter dan de kop, de
oordeksels zijn aan het einde afgerond en bereiken de helft van de
lengte der ooren, die van 4 dwarsplooien zijn voorzien. De kleur van
de vacht wisselt af van donkerbruin tot geelachtig roestbruin, aan de
onderdeelen is zij lichter en zweemt zij steeds naar geelachtig bruin.
De Dwerg-Vledermuis bewoont bijna geheel Europa en het grootste
deel van Noord- en Middel-Azië; haar verbreidingsgebied reikt van
Skandinavië, Engeland en Spanje tot Japan. In Rusland en Skandinavië
vindt men haar, volgens _Blasius_, nog op 60° N.B. In bergstreken
begeeft zij zich tot aan de bovenste grens van de woud-zone, in de
Alpen tot op ongeveer 2000 M. hoogte.
Over dag slaapt zij in zeer verschillende schuilhoeken: onder daken,
in de spleten van muren en balken, onder gewelven, in gaten en onder
de schors van oude boomen, zelfs hangend aan de takken van dicht
bebladerde boomen, achter klimopranken, kortom in iedere plaats,
die haar een toevlucht kan verschaffen. In den winter zoekt zij deze
zelfde plaatsen op; zij is hierin niet kieschkeurig, daar zij beter
dan hare verwanten tegen ongunstig weder bestand is. Later dan alle
andere inheemsche Vleermuizen vangt zij haar winterslaap aan, en
vroeger dan deze vliegt zij weder uit; zeer dikwijls verlaat zij haar
slaapplaats reeds in den winter bij invallend dooiweder, en vliegt
dan in beschutte ruimten of in de vrije natuur jagend rond. In alle
tijden van het jaar gezellig, vindt men deze dieren in den winter
soms bij honderden en duizenden in dezelfde ruimte en dan tot groote
klompen vereenigd; ook komen zij wel bij andere soorten voor, zelfs
bij zulke, die grooter en sterker zijn dan zij.
Dadelijk na zonsondergang vliegt zij uit en keert eerst met
zonsopgang in haar schuilplaats terug. Zij vliegt zeer behendig en
op verschillende hoogten. Laag vliegt zij over kleine plassen, in de
stad ongeveer ter hoogte van de tweede verdieping, buiten boven open
plaatsen, vooral gedurende heldere avonden, op een hoogte van 15 à
20 M. In de straten fladdert zij liefst bij de huizen op en neer;
op het land doorzoekt zij de hoeken der gebouwen, de openstaande
stallen en zolders, niet zelden dringt zij door de openstaande ramen
in helder verlichte kamers door. Daarentegen vermijdt zij boomlooze,
vrij plaatsen, of vliegt slechts in 't voorbijgaan hierover heen.
De _Rosse Vleermuis_ (_Vesperugo noctula_), wegens hare gewoonten ook
wel _Vroegvlieger_ genoemd, heeft een lichaamslengte van 11 en een
vlucht van 37 cM., een roodachtig bruine pels met zwartbruine ooren
en vlieghuid. Van alle inheemsche Vleermuizen is zij de krachtigste;
zij vliegt het hoogst en doet dit zeer behendig en vlug bij wijze van
de Zwaluwen; zij laat zich 's avonds vroeger zien dan eenige andere
inheemsche soort, dikwijls, vooral in den herfst, reeds eenige uren
vóór zonsondergang. Haar eigenlijk jachtgebied zijn de bosschen,
waar zij ter hoogte van de kruinen der hoogste boomen of nog hooger
vliegt. Niet zelden wordt zij daar vervolgd door Roofvogels, aan welker
aanslagen zij echter door hare snelle wendingen in den regel weet te
ontkomen. Zelfs de vlugge Boomvalk (_Falco subbuteo_), die toch ook
Zwaluwen vangt, maakt niet zelden tevergeefs jacht op onze vleermuis.
Het geslacht _Dwarsoor_ (_Synotus_) vormt in sommige opzichten
een overgang tusschen de Gladneuzen en de Bladneuzen; tusschen
neusgaten en oogen komen opzwellingen voor, die zich boven den daar
tusschen liggenden rug van den neus verheffen. Hierdoor en door hare
dwars over het voorhoofd heen reikende, van onderen aaneengegroeide
ooren hebben deze Vleermuizen een bijna even vreemd voorkomen als de
Bladneuzen. Zijne vleugels onderscheiden zich door smalheid en lengte;
de staart is nog een weinig langer dan het overige lichaam.
De inheemsche _Dwarsoor_ (_Synotus barbastellus_), ook wel
_Mopsvleermuis_ genoemd, omdat de uitdrukking van zijn gelaat
aan die van een Mopshond doet denken, is 9 cM. lang, waarbij 5
cM. staartlengte; zijn vlucht bedraagt 26 cM. De bovenzijde van
het lichaam heeft een donkere, zwartbruine kleur, de onderzijde is
iets lichter, grijsbruin; de dik-vliezige vlieghuid en ooren zijn
zwartbruin.
In de meeste landen van Midden- en Zuid-Europa werd dit diertje
gevonden; in den regel noemt men het hier, evenals in Nederland,
zeldzaam, wat echter, volgens _Altum_, voor Munsterland en andere
gedeelten van Duitschland onjuist is. Ook in de Alpen, den Harz en
andere gebergten komt het, volgens _Blasius_, zelfs op de hoogst
gelegene bewoonde plaatsen niet zelden voor.
In den zomer vliegt de Dwarsoor uit, wanneer de schemering nauwelijks
begonnen is, bij goed weder, zoowel als bij storm en regen; meestal
vliegt hij dan aan boschkanten en in boomgaarden, zeldzamer tusschen
de huizen der dorpen rond en maakt voornamelijk jacht op kleine
Vlinders. Hij vliegt snel en hoog en maakt met gemak allerlei bochten
en plotselinge zwenkingen.
De leden van de laatste groep der Handvleugeligen heeten _Bladneuzen_
of _Bloedzuigende Vleermuizen_ (_Istiophora_). Alle hiertoe behoorende
soorten onderscheiden zich van de overige leden der orde door vliezige
uitwassen aan den neus, welker vorm zeer verschillend is.
De Bladneuzen zijn over alle werelddeelen verbreid; in grooten getale
treft men ze echter alleen in de tropische gewesten en in de warmste
landen van den gematigden aardgordel aan, waar men ook de meeste en
grootste soorten vindt. Slechts vier tot één geslacht behoorende,
voor 't meerendeel kleine soorten zijn in de warme landen van Europa
inheemsch, waarvan er twee ook in Middel-Europa (tot in Engeland)
gevonden worden (in ons vaderland alleen in Limburg). De meeste
verschuilen zich over dag in rotsholen, in oude, vervallen gebouwen,
in donkere gewelven of aan het houtwerk van daken. Andere soorten
houden zich in de donkerste gedeelten van groote wouden op en slapen
in holle boomen of tusschen de breede bladeren van palmen en andere
grootbladerige planten.
Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten, vooral Avond- en
Nachtvlinders, Kevers, Haften, Muggen; de meeste Bladneuzen zijn echter
tevens bloedzuigers, die Vogels en Zoogdieren, zelfs menschen gedurende
den slaap bloed ontnemen. Ofschoon vele onderzoekers aan deze zaak hun
aandacht gewijd hebben, zweeft er toch nog steeds een eigenaardige
nevel, iets wat juist bij de Vampier-sage behoort, over deze
opmerkelijke verrichting van de bedoelde Vleermuizen. Waarschijnlijk
zijn alle Bladneuzen bloedzuigers; zij zijn dit echter alleen in
bepaalde omstandigheden; hierdoor komt het, dat er zooveel verschil
bestaat tusschen de berichten, waarin melding gemaakt wordt van hun
handelwijze, die trouwens niet gemakkelijk kan worden nagegaan. Het
zal het beste zijn, hier enige mededeelingen van reizigers over het
bloedzuigen van de Bladneuzen te laten volgen. Hierbij moet er op
bedacht zijn, dat de meeste reizigers geen voldoende redenen hadden
om deze in 't duister verrichte daden aan een bepaalde soort toe te
schrijven. Hunne mededeelingen hierover zijn in vele opzichten met
elkander in tegenspraak, en onder alle, die mij bekend zijn, is er
geen enkele, die een door onomstootelijke bewijsgronden gestaafde
beschuldiging tegen een bepaalde soort van uitheemsche Bladneuzen
bevat.
De Spanjaard _Azaba_, die de Bloedzuigende Vleermuizen "Mordedor"
noemt, hetwelk "Bijters" beteekent, bericht o.a. het volgende: "Soms
bijten zij in den kam en de lellen van slapende Hoenderen om hen het
bloed uit te zuigen; gewoonlijk sterven de Hoenderen hieraan, vooral
als de wonden ontstoken geraken, wat bijna altijd geschiedt. Met
hetzelfde doel bijten zij de Paarden, muildieren en koeien--altijd
in de zijden, de schoften en den hals, waar zij zich gemakkelijk
vasthouden kunnen. Hetzelfde doen zij met de menschen, zooals ik
getuigen kan, daar ik zelf viermaal in de teenen werd gebeten, terwijl
ik onder den vrijen hemel of onder een afdak sliep. De wonde, die zij
mij toebrachten, zonder dat ik het voelde, was rond of langwerpig rond
en had een middellijn van 2 1/2 mM., maar zulk een geringe diepte, dat
zij nauwelijks door de geheele huid heendrong. Zij was kenbaar aan de
gezwollen randen. Volgens mijn schatting bedroeg de hoeveelheid bloed,
die na den beet uit de wonde vloeide, ongeveer 2 1/2 ons" (70 gram);
"bij Paarden en andere dieren kan deze hoeveelheid omstreeks 3 ons"
(85 gram) "bedragen; ik geloof, dat zij hun, wegens hun dikker vel,
grootere en diepere wonden toebrengen."
_Rengger_ voegt aan deze mededeelingen van _Azaba_ het volgende toe:
"Ik heb wel honderdmaal de wonden van muilezels, Paarden en Runderen
onderzocht, zonder tot zekerheid te geraken over de wijze, waarop zij
toegebracht werden. De bijna trechtervormige wonde heeft gewoonlijk 6
mM. middellijn (soms iets meer) en, al naar het getroffen lichaamsdeel,
een diepte van 2 à 5 mM. Zij gaat nimmer door de huid heen tot op de
spieren. Men bemerkt er geen indruksels van tanden aan, zooals bij
bijtwonden, daarentegen zijn de randen van de wonde altijd zeer los
en opgezwollen. Ik kan daarom niet gelooven, dat de Bloedzuigende
Vleermuizen onmiddellijk door een beet deze wonden bij de trekdieren
veroorzaken; bovendien zou ieder slapend dier hierdoor ontwaken en zijn
vijand verjagen. Veeleer vermoed ik, dat zij eerst door met de lippen
te zuigen de huid ongevoelig maken, zooals dit bij het koppenzetten
geschiedt, en daarna, als de huid gezwollen is, er met de tanden een
kleine opening in prikken. Het komt mij waarschijnlijk voor, dat zij
vervolgens door deze opening hun rekbare, eveneens voor 't zuigen
dienende tong langzamerhand door borende bewegingen in de huid doen
doordringen, waardoor de trechtervormige uitholling ontstaat. Dat
het de Vleermuizen niet mogelijk is om te gelijkertijd te zuigen en
de vleugels te bewegen, is mij na het onderzoek van de inrichting der
vleugels duidelijk geworden. Ik zag, dat de Vleermuizen altijd op de
Paarden gingen _zitten_, waarbij zij noodzakelijkerwijs de vlieghuid
moeten opvouwen. Ook kiezen zij, om zich beter te kunnen vasthouden,
steeds de behaarde of vlakke lichaamsdeelen van de dieren uit, en
maken de wonde daarom bij de Paarden aan den hals, op de schoften
en aan den wortel van den staart, bij de muilezels aan den hals
en aan de schoften, bij de Runderen op de schouderbladen en aan
de halskwabben. Op zich zelf biedt deze wonde geen gevaar aan;
daar echter soms 4, 5, 6 of nog meer Vleermuizen in één zelfden
nacht aan één zelfde lastdier zuigen, en dit niet zelden gedurende
verscheidene, opeenvolgende nachten geschiedt, worden de dieren door
het bloedverlies zeer verzwakt, en dit des te meer, daar behalve het
bloed, dat de Vleermuis opzuigt, altijd nog 2 à 3 onsen" (60 à 90 gram)
"uit iedere wonde wegvloeien."
Behalve _Azara_ zijn trouwens ook nog andere reizigers door
Bloedzuigende Vleermuizen gebeten en gelaten, o.a. _Bates_, die 11
jaren lang in Brazilië heeft doorgebracht. Gedurende zijn verblijf
in Caripe bewoonde hij een kamer, die sedert maanden ongebruikt
was gebleven en op verscheidene plaatsen open was. "In den eersten
nacht," verhaalt hij, "sliep ik vast en bemerkte niets ongewoons,
in den tweeden echter werd ik omstreeks middernacht gewekt door het
gedruisch van een talrijke, in mijn kamer heen en weer vliegende
zwerm Vleermuizen. Zij hadden mijn lamp uitgedoofd; toen ik deze
weer aangestoken had, bemerkte ik, dat het in mijne kamer krioelde
van Vleermuizen, en dat de geheele ruimte letterlijk zwart was door
de menigte, die onophoudelijk om mij heen zwermde. Nadat ik eenige
minuten lang met een stok tegen hen te keer was gegaan, verdwenen zij
tusschen de dakpannen; nauwelijks echter was ik in mijn bed terug,
of zij verschenen opnieuw en doofden nogmaals het licht uit. Ik
bekommerde mij niet meer om hen en sliep door. In den volgenden
nacht kwamen verscheidene van deze dieren in mijn hangmat; ik greep
er eenige van, die op mij rondkropen, en wierp ze tegen den muur van
het vertrek. Bij 't aanbreken van den dag vond ik aan mijn heup een
wonde, die mij ongetwijfeld door een Vleermuis was toegebracht. Nu
werd het mij dan toch te erg; ik ging daarom met de negers aan 't
werk om de dieren te verdrijven; ik schoot er een vrij groot aantal
van, die aan de balken hingen, liet de negers van buiten op het dak
klimmen en door hen verscheidene honderden Vleermuizen, ouden zoowel
als jongen, om 't leven brengen."
_Hensel_ en _Kappler_ hebben in lateren tijd soortgelijke ervaringen
opgedaan, waaruit ook nog blijkt, dat vele soorten van Bladneuzen bloed
zuigen, dat menschen over 't geheel genomen zelden door hen gebeten
worden, en dat naar gelang van plaats en tijd de Vleermuizenplaag
een zeer verschillenden omvang heeft.
De Bladneuzen worden in een viertal groepen verdeeld (Vampiers,
Hoefijzerneuzen, Pronkneuzen en Klapneuzen), die o.a. van elkander
verschillen door de neusaanhangsels. Deze zijn bij de Hoefijzerneuzen
zeer volledig ontwikkeld (fig. p. 80). Zijn bestaan hier uit drie
afdeelingen; het deel dat de neusgaten omgeeft, en zich daaronder
en daarnaast over de spits van den snuit uitbreidt, heet, naar zijn
vorm, _hoefijzer_; daartusschen ligt het _zadel_, een overlangsche
kam op den rug van den neus; dit eindigt in een vrij, uitstekend,
lancetvormig blad (het _lancet_), dat aan weerszijden van zijn plaats
van aanhechting drie door huidplooien begrensde kuiltjes vertoont.
De _Vampier_ (_Phyllostoma spectrum_), de grootste van alle
Zuid-Amerikaansche Bladneuzen, verdient een afzonderlijke vermelding
wegens den kwaden reuk, waarin hij ten onrechte staat. Hij is ruim 16
cM. lang en heeft 70 cM. vlucht. De dikke en lange kop heeft een sterk
vooruitstekenden snuit en lange ooren met oordeksel. In verhouding
tot de grootte van het dier zijn de neusaanhangsels klein; van de
twee hier aanwezige afdeelingen valt het "lancet" het meest in 't
oog. De zachtharige pels is aan de rugzijde donker kastanjebruin, aan
de buikzijde geelachtig bruin; de vlieghuid en de overige onbehaarde
lichaamsdeelen zijn bruin.