De Vampier bewoont het noorden van Brazilië en Guyana, hij komt

zoowel in de oerwouden als in de huizen voor. "Men kan zich," zegt

_Bates_, "niets leelijkers voorstellen dan de uitdrukking van het

gelaat van dit dier, als men het van voren beschouwt. De groote,

leerachtige, ver zijwaarts gerichte ooren, het op een speer gelijkend,

rechtopstaand neusaanhangsel, de fonkelende en schitterende, zwarte

oogen, dit alles vormt een geheel, dat aan een kabouter uit de

fabelleer doet denken. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen,

dat de phantasie van het volk aan een dier met een zoo terugstootend

uiterlijk demonische verrichtingen heeft toegedicht. Toch is de Vampier

een der onschadelijkste Vleermuizen, zooals aan alle bewoners van

de oevers van den Amazonenstroom wel bekend is."--Alle berichten van

geloofwaardige natuuronderzoekers uit vroegeren en lateren tijd stemmen

hierin overeen, dat deze zoo erg slecht befaamde Vleermuis wel tot de

Bladneuzen behoort, maar, in plaats van bloed te zuigen, des nachts

ijverig jacht maakt op Insecten en af en toe ook vruchten eet. "Bij

helder maanlicht," zegt _Waterton_, "kon ik zien, dat de Vampier

naar een met rijpe vruchten overladen boom vloog en van deze vruchten

at. Eens zag ik 's nachts, toen de maan helder scheen, verscheidene

Vampiers rondom de kruinen van de sawarri-noteboomen fladderen, en

merkte op, dat er nu en dan een bloem in 't water viel. Bij toeval

gebeurde dit stellig niet, want alle bloemen, die ik onderzocht,

waren gaaf en ongeschonden. Ik maakte hieruit op, dat zij door de

Vampiers geplukt werden, hetzij om het vruchtbeginsel op te eten of

om de Insecten te vangen, die zoo dikwijls in bloemen voorkomen."

In Europa zijn de Bladneuzen vertegenwoordigd door de groep der

_Hoefijzerneuzen_. Het neusaanhangsel, dat het geheele gelaat, van het

puntje van den snuit tot aan het voorhoofd, bedekt, is zeer zeker het

merkwaardigste deel van het geheele dier (zie p. 79), gelijk het oor

dit is van de vroeger beschrevene Gladneuzen (pp. 69, 74, 77). De

vlieghuid is breed en betrekkelijk kort; zij vliegen daarom niet

zeer behendig; ook zijn zij, evenals de Breedvleugelige Gladneuzen

(p. 74), minder goed tegen de koude bestand. Als zij slapen gaan,

wikkelen zij zich in hun vlieghuid als in een mantel, zoodat alleen

het aangezicht onbedekt blijft. De staartvlieghuid wordt dan naar de

rugzijde, en niet, zooals bij de andere Vleermuizen, naar de buikzijde

omgeslagen. Het oordeksel ontbreekt. Bij nagenoeg alle soorten is de

vacht licht van kleur.

Van deze groep zijn vier Europeesche soorten bekend, van welke er

twee ook in ons land, en wel in het zuiden van Limburg, gevonden

worden. De zeldzaamste van deze twee is de _Kleine Hoefijzerneus_

(_Rhinolophus hippocrepis_) Hij is 6 cM. lang (waarbij 2 1/2 cM. voor

den staart) en heeft 22 cM. vlucht. De vacht is grijsachtig wit, aan

de bovenzijde een weinig donkerder dan van onderen. In Middel-Europa

komt hij bijna overal voor; ook in Zuid-Europa is hij algemeen. Aan

heuvelachtige gewesten en bergstreken geeft hij de voorkeur boven

lage landen. In de gebergten stijgt hij op tot boven de met bosch

begroeide zone. Bewoonde gebouwen schijnt hij te vermijden. Overal waar

rotsholen, oude mijngangen of ruïnes met onderaardsche gewelven zijn,

treft men hem veelvuldig aan. Zij rusten daar, tot groote gezelschappen

vereenigd, vrij hangend aan het gewelf, zoodat zij door de bezoekers

vaak niet opgemerkt worden.

Het voedsel van de Hoefijzerneuzen bestaat hoofdzakelijk uit Insecten,

die een niet zeer hard uitwendig geraamte hebben, vooral kleine

Nachtvlinders, Vliegen enz. Zij zijn echter ook echte bloedzuigers,

zooals duidelijk blijkt uit waarnemingen, die door _Kolenati_

gedaan zijn. Deze onderzoeker vond 's winters in een kalksteengrot

in Moravië 45 stuks slapende Vleermuizen, grootendeels Grootooren

(p. 74) en Kleine Hoefijzerneuzen; hij nam ze mede naar Brünn

en liet ze alle te zamen vrij rondvliegen in een groote kamer,

waarin zijn verzameling naturaliën was geborgen; daar zochten zij

zich een rustplaats. Toen onze natuuronderzoeker eenige dagen later

de Vleermuizen aan een zijner vrienden wilde toonen, vond hij tot

zijn niet geringe verwondering zes Hoefijzerneuzen op de klauwen en

vlieghuidspitsen na opgevreten, terwijl van een ander dezer dieren

de kop op de vreeselijkste wijze verminkt was. De talrijke sporen van

bloed, de bloedige snuit en de gezwollen buik van de Grootooren alsook

de vele drekhoopjes deden de verdenking vallen op de nog voltallige

Gladneuzen; het onderzoek van de maag van een dezer dieren, dat gedood

werd, bevestigde de juistheid van dit vermoeden. Daarentegen bemerkte

men op de vlieghuid van de Grootooren dicht bij het lichaam versche

wonden met sponsachtig gezwollen randen; ook hadden deze dieren zich

tot een kluit vereenigd, bij wijze van dakpannen over elkander heen;

de Hoefijzerneuzen daarentegen sliepen altijd ieder afzonderlijk en

hadden de verborgenste schuilhoeken als slaapplaatsen gekozen. De

gevolgtrekkingen die hieruit afgeleid werden, luiden als volgt: De

beide elkander vijandig gezinde Vleermuis-soorten hadden gedurende

den nacht strijd gevoerd. Toen de Grootooren hun nachtslaapje hielden,

waren de Hoefijzerneuzen op hen afgekomen, hadden hen gewond en haar

bloed gezogen; voor deze schanddaad waren zij echter gestraft door

de Grootooren, die gedurende hun tweeden fladdertijd de onruststokers

eenvoudig opgevreten hadden!

Een duivenliefhebber verhaalde aan _Kolenati_, dat de Duiven dikwijls

gedurende den nacht kleine wonden kregen, waarvan hij de oorzaak

niet kende; onze onderzoeker schrijft ze (vermoedelijk te recht)

aan de beten van den Hoefijzerneus toe.

In Europa leven dus echte Vampiers; het moet echter gezegd worden,

dat deze in den regel hun bloeddorst weten te beheerschen, en dat

zij in geen geval ons aanleiding kunnen geven tot vrees of afschuw.

Veelvuldiger dan de Kleine komt in ons land, n.l. in Limburg, de

_Groote Hoefijzerneus_ (_Rhinolophus ferrum-equinum_) voor. Deze

is 9 cM. lang (hiervan komen op den staart 3 1/2 cM.) en heeft 33

cM. vlucht. Hij bewoont het grootste deel van Middel- en Zuid-Europa,

ook vond men haar in Azië in den Libanon. In de gebergten komt hij des

zomers voor tot op een hoogte van 2000 M. _Kolenati_ meent, dat ook

hij bloed zuigt. Des nachts fladderen deze dieren rond in bergkloven

(vermoedelijk om Reeën en Gemzen uit te zuigen) en omzwerven de

rustplaatsen der Eekhoorntjes. Hoewel hun Vampieraard nog niet

duidelijk is gebleken, bestaan er toch redenen om hen te verdenken.

Ook in de overige groepen van de Bladneuzen komen eenige merkwaardige

diervormen voor.

Zoo bevat de groep der _Pronkneuzen_ (_Megaderma_) een soort, die niet

alleen bloed zuigt, maar, naar gezegd wordt, ook kleine Kikvorschen

eet. De tot deze groep behoorende Vleermuizen zijn gekenmerkt door

een uit drie afdeelingen samengesteld neusaanhangsel (p. 79), door

groote, boven het voorhoofd met elkander vergroeide ooren en een

lang oordeksel. Bij den _Lierneus_ (_Megaderma lyra_) bereikt de

huidwoekering aan den neus, die men met een lier vergeleken heeft,

haar hoogste ontwikkeling.

Een vierde groep bevat de _Klapneuzen_ (_Rhinopoma_). Bij hen is

slechts één afdeeling van het neusaanhangsel aanwezig, n.l. een

lancetvormig, overeindstaand blad. De ooren, die eveneens op

het voorhoofd vergroeid zijn, hebben een middelmatige lengte, de

staart is echter voor Vledermuizen buitengewoon lang. Tot deze groep

behoort o.a. de _Egyptische Klapneus_ (_Rhinopoma microphyllum_), een

klein dier, waaraan de zeer lange en dunne staart ontegenzeggelijk

het merkwaardigste verschijnsel is. Hij bestaat uit 11 wervels, en

strekt zich tot ver voorbij de staartvlieghuid uit. In buitengewoon

groot aantal komen deze dieren in Egypte voor, hoofdzakelijk in oude

gedenkteekenen, b.v. in de gangen der Pyramiden doch ook wel in holen,

die door de natuur gevormd zijn.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 02: De Halfapen; Hoofdstuk 03: De Vleermuizen · 第 5 / 5 段