zoowel in de oerwouden als in de huizen voor. "Men kan zich," zegt
_Bates_, "niets leelijkers voorstellen dan de uitdrukking van het
gelaat van dit dier, als men het van voren beschouwt. De groote,
leerachtige, ver zijwaarts gerichte ooren, het op een speer gelijkend,
rechtopstaand neusaanhangsel, de fonkelende en schitterende, zwarte
oogen, dit alles vormt een geheel, dat aan een kabouter uit de
fabelleer doet denken. Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen,
dat de phantasie van het volk aan een dier met een zoo terugstootend
uiterlijk demonische verrichtingen heeft toegedicht. Toch is de Vampier
een der onschadelijkste Vleermuizen, zooals aan alle bewoners van
de oevers van den Amazonenstroom wel bekend is."--Alle berichten van
geloofwaardige natuuronderzoekers uit vroegeren en lateren tijd stemmen
hierin overeen, dat deze zoo erg slecht befaamde Vleermuis wel tot de
Bladneuzen behoort, maar, in plaats van bloed te zuigen, des nachts
ijverig jacht maakt op Insecten en af en toe ook vruchten eet. "Bij
helder maanlicht," zegt _Waterton_, "kon ik zien, dat de Vampier
naar een met rijpe vruchten overladen boom vloog en van deze vruchten
at. Eens zag ik 's nachts, toen de maan helder scheen, verscheidene
Vampiers rondom de kruinen van de sawarri-noteboomen fladderen, en
merkte op, dat er nu en dan een bloem in 't water viel. Bij toeval
gebeurde dit stellig niet, want alle bloemen, die ik onderzocht,
waren gaaf en ongeschonden. Ik maakte hieruit op, dat zij door de
Vampiers geplukt werden, hetzij om het vruchtbeginsel op te eten of
om de Insecten te vangen, die zoo dikwijls in bloemen voorkomen."
In Europa zijn de Bladneuzen vertegenwoordigd door de groep der
_Hoefijzerneuzen_. Het neusaanhangsel, dat het geheele gelaat, van het
puntje van den snuit tot aan het voorhoofd, bedekt, is zeer zeker het
merkwaardigste deel van het geheele dier (zie p. 79), gelijk het oor
dit is van de vroeger beschrevene Gladneuzen (pp. 69, 74, 77). De
vlieghuid is breed en betrekkelijk kort; zij vliegen daarom niet
zeer behendig; ook zijn zij, evenals de Breedvleugelige Gladneuzen
(p. 74), minder goed tegen de koude bestand. Als zij slapen gaan,
wikkelen zij zich in hun vlieghuid als in een mantel, zoodat alleen
het aangezicht onbedekt blijft. De staartvlieghuid wordt dan naar de
rugzijde, en niet, zooals bij de andere Vleermuizen, naar de buikzijde
omgeslagen. Het oordeksel ontbreekt. Bij nagenoeg alle soorten is de
vacht licht van kleur.
Van deze groep zijn vier Europeesche soorten bekend, van welke er
twee ook in ons land, en wel in het zuiden van Limburg, gevonden
worden. De zeldzaamste van deze twee is de _Kleine Hoefijzerneus_
(_Rhinolophus hippocrepis_) Hij is 6 cM. lang (waarbij 2 1/2 cM. voor
den staart) en heeft 22 cM. vlucht. De vacht is grijsachtig wit, aan
de bovenzijde een weinig donkerder dan van onderen. In Middel-Europa
komt hij bijna overal voor; ook in Zuid-Europa is hij algemeen. Aan
heuvelachtige gewesten en bergstreken geeft hij de voorkeur boven
lage landen. In de gebergten stijgt hij op tot boven de met bosch
begroeide zone. Bewoonde gebouwen schijnt hij te vermijden. Overal waar
rotsholen, oude mijngangen of ruïnes met onderaardsche gewelven zijn,
treft men hem veelvuldig aan. Zij rusten daar, tot groote gezelschappen
vereenigd, vrij hangend aan het gewelf, zoodat zij door de bezoekers
vaak niet opgemerkt worden.
Het voedsel van de Hoefijzerneuzen bestaat hoofdzakelijk uit Insecten,
die een niet zeer hard uitwendig geraamte hebben, vooral kleine
Nachtvlinders, Vliegen enz. Zij zijn echter ook echte bloedzuigers,
zooals duidelijk blijkt uit waarnemingen, die door _Kolenati_
gedaan zijn. Deze onderzoeker vond 's winters in een kalksteengrot
in Moravië 45 stuks slapende Vleermuizen, grootendeels Grootooren
(p. 74) en Kleine Hoefijzerneuzen; hij nam ze mede naar Brünn
en liet ze alle te zamen vrij rondvliegen in een groote kamer,
waarin zijn verzameling naturaliën was geborgen; daar zochten zij
zich een rustplaats. Toen onze natuuronderzoeker eenige dagen later
de Vleermuizen aan een zijner vrienden wilde toonen, vond hij tot
zijn niet geringe verwondering zes Hoefijzerneuzen op de klauwen en
vlieghuidspitsen na opgevreten, terwijl van een ander dezer dieren
de kop op de vreeselijkste wijze verminkt was. De talrijke sporen van
bloed, de bloedige snuit en de gezwollen buik van de Grootooren alsook
de vele drekhoopjes deden de verdenking vallen op de nog voltallige
Gladneuzen; het onderzoek van de maag van een dezer dieren, dat gedood
werd, bevestigde de juistheid van dit vermoeden. Daarentegen bemerkte
men op de vlieghuid van de Grootooren dicht bij het lichaam versche
wonden met sponsachtig gezwollen randen; ook hadden deze dieren zich
tot een kluit vereenigd, bij wijze van dakpannen over elkander heen;
de Hoefijzerneuzen daarentegen sliepen altijd ieder afzonderlijk en
hadden de verborgenste schuilhoeken als slaapplaatsen gekozen. De
gevolgtrekkingen die hieruit afgeleid werden, luiden als volgt: De
beide elkander vijandig gezinde Vleermuis-soorten hadden gedurende
den nacht strijd gevoerd. Toen de Grootooren hun nachtslaapje hielden,
waren de Hoefijzerneuzen op hen afgekomen, hadden hen gewond en haar
bloed gezogen; voor deze schanddaad waren zij echter gestraft door
de Grootooren, die gedurende hun tweeden fladdertijd de onruststokers
eenvoudig opgevreten hadden!
Een duivenliefhebber verhaalde aan _Kolenati_, dat de Duiven dikwijls
gedurende den nacht kleine wonden kregen, waarvan hij de oorzaak
niet kende; onze onderzoeker schrijft ze (vermoedelijk te recht)
aan de beten van den Hoefijzerneus toe.
In Europa leven dus echte Vampiers; het moet echter gezegd worden,
dat deze in den regel hun bloeddorst weten te beheerschen, en dat
zij in geen geval ons aanleiding kunnen geven tot vrees of afschuw.
Veelvuldiger dan de Kleine komt in ons land, n.l. in Limburg, de
_Groote Hoefijzerneus_ (_Rhinolophus ferrum-equinum_) voor. Deze
is 9 cM. lang (hiervan komen op den staart 3 1/2 cM.) en heeft 33
cM. vlucht. Hij bewoont het grootste deel van Middel- en Zuid-Europa,
ook vond men haar in Azië in den Libanon. In de gebergten komt hij des
zomers voor tot op een hoogte van 2000 M. _Kolenati_ meent, dat ook
hij bloed zuigt. Des nachts fladderen deze dieren rond in bergkloven
(vermoedelijk om Reeën en Gemzen uit te zuigen) en omzwerven de
rustplaatsen der Eekhoorntjes. Hoewel hun Vampieraard nog niet
duidelijk is gebleken, bestaan er toch redenen om hen te verdenken.
Ook in de overige groepen van de Bladneuzen komen eenige merkwaardige
diervormen voor.
Zoo bevat de groep der _Pronkneuzen_ (_Megaderma_) een soort, die niet
alleen bloed zuigt, maar, naar gezegd wordt, ook kleine Kikvorschen
eet. De tot deze groep behoorende Vleermuizen zijn gekenmerkt door
een uit drie afdeelingen samengesteld neusaanhangsel (p. 79), door
groote, boven het voorhoofd met elkander vergroeide ooren en een
lang oordeksel. Bij den _Lierneus_ (_Megaderma lyra_) bereikt de
huidwoekering aan den neus, die men met een lier vergeleken heeft,
haar hoogste ontwikkeling.
Een vierde groep bevat de _Klapneuzen_ (_Rhinopoma_). Bij hen is
slechts één afdeeling van het neusaanhangsel aanwezig, n.l. een
lancetvormig, overeindstaand blad. De ooren, die eveneens op
het voorhoofd vergroeid zijn, hebben een middelmatige lengte, de
staart is echter voor Vledermuizen buitengewoon lang. Tot deze groep
behoort o.a. de _Egyptische Klapneus_ (_Rhinopoma microphyllum_), een
klein dier, waaraan de zeer lange en dunne staart ontegenzeggelijk
het merkwaardigste verschijnsel is. Hij bestaat uit 11 wervels, en
strekt zich tot ver voorbij de staartvlieghuid uit. In buitengewoon
groot aantal komen deze dieren in Egypte voor, hoofdzakelijk in oude
gedenkteekenen, b.v. in de gangen der Pyramiden doch ook wel in holen,
die door de natuur gevormd zijn.