Iedere soort heeft haar eigen jachtgebied in bosschen, boomgaarden,

lanen en straten, boven langzaam stroomend of stilstaand water enz.,

minder dikwijls in het vrije veld, om de zeer eenvoudige reden,

dat hier niets voor hen te jagen valt. In de aan Insecten rijkere,

zuidelijke landen komen zij ook _daar_ voor, vooral boven de maïs- en

rijstvelden, omdat deze steeds aan een menigte Insecten tot woonplaats

dienen, en aan de Vleermuizen dus een goeden buit leveren. Gewoonlijk

zweven zij slechts over een klein gebied van misschien 1000 schreden

middellijn. De grootere soorten hebben een uitgestrekter jachtveld,

welks afmetingen wel een half uur gaans bedragen; van de grootste, in

tropische gewesten levende Vleermuizen, de _Vliegende Honden_ (p. 72),

weet men evenwel, dat zij verscheidene mijlen ver kunnen vliegen

zonder rust te nemen; daar zij achtereenvolgens verscheidene eilanden

bezoeken, welker kusten mijlen ver van elkander verwijderd zijn.

Over dag blijven alle Vleermuizen verborgen in de meest verschillende

schuilhoeken. Hier te lande zijn holle boomen en onbewoonde gebouwen

of gedeelten van huizen (zeer zelden holen of rotsspleten) hare gewone

slaapplaatsen. In de keerkringslanden gaan vele soorten eenvoudig aan

boomtakken hangen, indien deze een dicht dak vormen. Een enkele maal

komt dit ook wel hier te lande voor. Verreweg de meeste Vleermuizen

echter verschuilen zich op meer verborgen plaatsen, eenige soorten

kiezen hiervoor holten onder de schors of in het hout van boomen,

andere de ruimten tusschen de pannen en de daaronder liggende

dakbekleeding; de meeste echter zoeken hun toevlucht in door de natuur

gevormde holen van rotsen, in gaten van muren, onder gewelven van

bouwvallige of weinig bezochte gebouwen, in diepe bronnen, mijnputten,

mijngangen en dergelijke plaatsen.

De Vleermuizen zijn gezellig, doch slechts in bepaalde

omstandigheden. Sommige soorten haten elkander en vreten elkander

op, als de gelegenheid hiervoor zich voordoet. De bloedzuigende

_Bladneuzen_ b.v. vallen de _grootoorige Vleermuizen_ gedurende den

slaap aan om hun bloed uit te zuigen, en deze wreken zich door hare

vijanden op te eten (p. 80).

De Vleermuizen voeden zich met vruchten, Insecten, soms ook

met kleine Gewervelde Dieren en met het bloed, dat zij grootere

Gewervelde Dieren afzuigen. Verreweg de meeste in Europa wonende

Handvleugeligen--n.l. die welke tot de Gladneuzige Vleermuizen (p. 70)

behooren--eten alleen Insecten, vooral Nachtvlinders, Kevers, Vliegen

en Muggen. Haar eetlust is verbazend groot, de grootste soorten kunnen

best een dozijn Meikevers op, de kleinste een handvol Vliegen, zonder

verzadigd te zijn. Hoe vlugger zij zich bewegen, des te meer voedsel

hebben zij noodig; om deze reden zijn zij voor ons buitengewoon nuttig,

en verdienen zij zooveel mogelijk gespaard te worden. Anders is het

gesteld met de Bloedzuigende Vleermuizen (p. 77), die soms veel

schade kunnen aanrichten, en met de Vruchteneters van deze orde

(p. 72), die niet zelden geheele aanplantingen van vruchtboomen,

vooral wijngaarden, vernielen.

Een opmerkelijk feit, dat door _Heuglin_ werd opgemerkt, is,

dat de Afrikaansche Vleermuizen om voedsel te verkrijgen de kudden

volgen. "In de Bogos-landen", zegt deze onderzoeker, "wordt zeer veel

vee gefokt, en de kudden blijven, als afgelegen landstreken betere

weiden en meer drinkwater opleveren, soms maanden lang verwijderd

van de woningen der eigenaars. Bij onze aankomst in Keren waren

alle runderkudden met de myriaden van Vliegen, die hen overal heen

vergezellen in de laagvlakten van den Barka; zeer zelden zagen wij

destijds Vleermuizen. Tegen het einde van den regentijd kwamen in een

tijdsverloop van ongeveer een maand alle kudden van de hier wonende

Bogos in de onmiddellijke nabijheid van de plaats terug; tegelijkertijd

verschenen de insectenetende Schemering- en Nacht-Vleermuizen in

waarlijk ongeloofelijk aantal; toen de laatste kudde vertrokken was,

waren ook zij spoorloos verdwenen. In den nacht van 30 September tot

1 October hadden wij ons kamp opgeslagen op een hoogvlakte, die 3 uur

gaans ten zuiden van Keren gelegen is, in de nabijheid van omtuiningen,

die voor het bergen van rundvee bestemd waren. Daar de kudden zich

in andere gedeelten van het gebergte bevonden, zagen wij slechts

1 of 2 Vleermuizen op deze voor haar zoo uiterst gunstig gelegen

plaats. Den daarop volgenden dag keerden de kudden naar de genoemde

plaats terug, en reeds denzelfden avond had het aantal Vleermuizen

een in 't oogloopende vermeerdering ondergaan".

Ik acht het in 't geheel niet onwaarschijnlijk meer, dat het trekken,

hoewel dit op beperktere wijze geschiedt dan bij de Vogels, bij de

Vleermuizen veel meer voorkomt, dan gewoonlijk wordt aangenomen.

Voor alle Vleermuizen is warmte een noodzakelijke levensvoorwaarde,

niet alleen, omdat door haar de Insecten herleven, maar ook, omdat de

bedoelde insecteneters zelf van koude een afkeer hebben. Het veelvuldig

voorkomen van Handvleugeligen op lagere breedtegraden hangt voorzeker

samen met den grooteren rijkdom aan Insecten van deze gewesten, maar

bovendien schijnt de hier heerschende warmte de ontwikkeling van de

Vleermuizen in hooge mate te bevorderen. De meeste soorten worden

door ruw weder, regen of wind, in hare schuilhoeken teruggehouden;

andere vliegen wel is waar op koele avonden, maar doen dit slechts

gedurende korten tijd, en keeren zoo schielijk mogelijk weer naar hare

slaapplaatsen terug. Een andere reden hiervoor is trouwens te vinden

in het feit, dat op onstuimige avonden de Insecten verborgen blijven

en het rondvliegen der Vleermuizen dus min of meer nutteloos zou zijn,

terwijl bovendien de wind haar het vliegen zeer bemoeilijkt; alleen de

smalvleugelige soorten n.l. (p. 76) kunnen, zooals reeds werd opgemerkt

(p. 70), aan eenigszins krachtige luchtstroomingen weerstand bieden.

Als het koud wordt, vervallen alle Vleermuizen, die niet trekken, in

een meer of minder vasten winterslaap. Iedere soort kiest hiervoor

een schuilhoek, die zooveel mogelijk beschut is tegen den invloed

van het weder: holen, keldergewelven, warme daken, daksparren in

de nabijheid van schoorsteenen en dergelijke. Hier vindt men ze,

aan de achterpooten hangend en dicht opeengedrongen, dikwijls

bij honderdtallen verzameld. Soms vindt men vertegenwoordigers van

verschillende soorten op deze wijze vereenigd; natuurlijk alleen zulke,

die elkander vriendschappelijk gezind zijn. Hoogst zelden komen hierbij

ook individuën voor, behoorende tot soorten, die gewoonlijk elkander

vijandig zijn. Naarmate de temperatuur van de omgevende lucht daalt,

vermindert ook de bloedwarmte, niet zelden neemt zij af tot 5, ja

zelfs, naar men zegt, tot 1 1/4 graad Celsius, terwijl zij gewoonlijk

31° C. bedraagt. In deze omstandigheden verkeeren de Vleermuizen in

een toestand van verstijving. Als de koude zoo fel wordt, dat het toch

reeds zeer weinig verwarmde bloed hieraan geen weerstand kan bieden,

ontwaken de Vleermuizen en beginnen zich te bewegen. Niet zelden

gebeurt het echter, dat zij doodvriezen; vooral komt dit voor bij

gevangen dieren, die men aan een strenge koude blootstelt. Zoo lang

de koude duurt, blijven de dieren rustig hangen; op warme winterdagen

echter beginnen zij zich te bewegen; sommige soorten vliegen wel eens

midden in den winter bij dooiweder uit, hoewel de bodem dan nog met

sneeuw bedekt is.

De wijfjes van alle Handvleugeligen dragen hare jongen gedurende het

vliegen met zich mede, zelfs dan nog, als de kleine dieren zelf reeds

aardig fladderen kunnen en van tijd tot tijd de borst van de moeder

verlaten. Voorbeelden van 't laatstgenoemde feit heb ik waargenomen

bij Vleermuizen, die ik in de oerwouden van Afrika aan de boomen vond

hangen.--Als de jongen 5 à 6 weken oud zijn, hebben zij hun vollen

wasdom bereikt.

Wegens hun vreemdsoortige en nachtelijke levenswijze werden de

Handvleugeligen sinds overouden tijd met bijgeloovigen afschuw

beschouwd; om dezelfde redenen hebben deze dieren, die geen mensch

eenig kwaad doen, ook nu nog veel te lijden van de vooroordeelen en

den afkeer van het groote publiek. De tallooze fabelen, die van de

Vleermuizen verteld worden, en waarvan sommige, zooals het "spek-eten"

en het "vliegen in iemands hoofdhaar", ook thans nog door velen

geloofd worden, zullen wij niet nader bespreken. Wij willen echter

op de nadrukkelijkste wijze herhalen, dat de Vleermuizen ten zeerste

aanspraak hebben op de bescherming van den mensch; zij verdienen

gespaard te worden wegens haar hoogst nuttige werkzaamheid. Alle

inheemsche Vleermuizen zijn zonder voorbehoud als zeer nuttige dieren

te beschouwen op grond van haar kolossale vraatzucht, waardoor zij ons

krachtdadig helpen bij het verdelgen van de zoo talrijke schadelijke

Insecten. De weinig talrijke soorten van Vruchtenetende Vleermuizen

zijn niet inheemsch, en de schadelijkheid van de enkele hier te lande

voorkomende Bloedzuigende soorten is veel geringer, dan men vroeger

meende. De geheele orde moet dus als een voor ons zeer nuttige schakel

in de reeks der levende wezens beschouwd worden.

Het aantal tot dusver bekende, voorwereldlijke Vleermuizen is zeer

gering. In het barnsteen heeft men haren van Vledermuizen en in

verscheidene steengroeven versteende overblijfselen van beenderen

van Handvleugeligen gevonden. Vooral de holen van Lagoa Santa in

de Braziliaansche provincie Minas Geraes zijn zeer talrijk aan

dergelijke fossielen. Het aantal goed gekarakteriseerde, levende

soorten bedraagt ongeveer 300, waarvan er ongeveer 35 in Europa

thuis behooren. De rangschikking en bepaling van deze dieren levert

zelfs aan den deskundige vaak groote moeielijkheden op, omdat zij een

buitengewoon groote verscheidenheid van vormen vertoonen, in weerwil

van de groote overeenstemming, die er in sommige zeer belangrijke

opzichten tusschen hen bestaat.

Deze orde wordt in drie groepen verdeeld, waarvan de eerste--die der

_Vruchtenetende Vleermuizen_--slechts één familie bevat, n.l. die

der _Vliegende Honden_ (_Pteropina_).

Alle tot deze groep behoorende Handvleugeligen zijn zonder uitzondering

bewoners van de warme gewesten der Oude Wereld, vooral van Zuid-Azië en

zijne eilanden, Middel- en Zuid-Afrika, Australië en Oceanië. Wegens

hun grootte zijn zij sinds overouden tijd voor gevaarlijke monsters

uitgekreten. Deze onschadelijke en vreedzame dieren werden als

afschuwelijke Harpijen en vreeselijke Vampiers beschreven; men

vereenzelvigde hen met de griezelige spookgestalten, die, volgens

de ouden, menschen gedurende den slaap bezoeken om hun het bloed uit

te zuigen.

De Vliegende Honden of Vliegende Vossen komen in vele opzichten

met onze Vleermuizen, overeen, maar hebben een veel aanzienlijker

grootte en een minder vreemdsoortigen kop, aan welks vorm zij hun

naam te danken hebben. Door de vlieghuid en dus ook door den bouw

van de voorste en van de achterste ledematen gelijken zij op de

andere Vleermuizen. Behalve de duim heeft echter ook de wijsvinger

een klauw. De bij andere Vleermuizen zoo lange staart is bij hen

een onbeduidend, uitwendig niet waarneembaar stompje; in verband

hiermede is ook de staartvlieghuid ingekrompen tot een tamelijk smallen

huidzoom langs het onderbeen, het bovenbeen en het achterste gedeelte

van den romp. De neus heeft geen bladvormige aanhangsels en het oor

geen oordeksel. Deze eigenaardigheden zijn voldoende om de Vliegende

Honden van alle overige Vleermuizen te onderscheiden.

Zij bewonen bij voorkeur donkere bosschen; over dag rusten zij, en

bedekken, bij reeksen aan de takken hangend, in ontelbare menigte de

boomen: terwijl zij zich met de achterpooten vasthouden, zijn de romp

en de kop door de vlieghuid omhuld. Ook verschuilen zij zich wel in

holle boomen: soms vindt men verscheidene honderden individuën in

één boom bijeen. In donkere, ongerepte wouden vliegen zij ook wel

over dag rond; in den regel echter beginnen zij, evenals de overige

Handvleugeligen, in de schemering eerst recht te leven. Hun scherp

gezicht en fijn ontwikkelde reuk stellen hen in staat de boomen te

vinden, die sappige, rijpe vruchten dragen; een voor een vliegen

zij naar die boomen, waarop zij zich weldra weer tot groote troepen

vereenigen om ze in korten tijd geheel kaal te vreten. Ook in de

wijnbergen komen zij niet zelden in grooten getale en richten er groote

schade aan; zij nemen alleen de rijpste en zoetste vruchten; de overige

laten zij achter voor andere vruchteneters. De vruchten worden door hen

veel eer uitgezogen, dan opgegeten; het vezelig gedeelte van de vrucht

wordt uitgespuwd. Daar zij aan de zoetste en geurigste vruchten de

voorkeur geven, maken bananen, vijgen en druiven hun liefste voedsel

uit. In den boomgaard waar zij eens zijn neergestreken, laten zij

niet veel over; zij eten den geheelen nacht door, en maken daarbij

een gedruisch, dat op grooten afstand hoorbaar is. Door schoten en

dergelijke verschrikkingsmiddelen laten zij zich niet verdrijven;

zij die op deze wijze opgejaagd zijn, vliegen hoogstens van den eenen

boom naar een anderen, en zetten daar hun maal voort.

Soms ondernemen zij verre tochten, en vliegen van het eene eiland

naar het andere, al zijn deze door breede zeearmen gescheiden.

Zij schreeuwen veel, ook wanneer zij rustig aan de boomen hangen;

zij maken dan een eigenaardig knarsend en krijschend geluid, ook

blazen zij soms als Ganzen.

Het wijfje brengt éénmaal per jaar 1 of 2 jongen ter wereld, die zich

aan de tepels vasthouden, om door de moeder, die hun zeer veel liefde

toont, meegedragen te worden.

In de gevangenschap worden zij mettertijd tam, gewennen zich aan de

personen, die hen verzorgen en betoonen hun zelfs een zekere maten

van gehechtheid.

Het nut, dat deze dieren aanbrengen, kan niet opwegen tegen de door hen

teweeg gebrachte schade, die echter in hun vruchtenrijk vaderland niet

veel gewicht in de schaal legt. Hunne nuttige eigenschappen beteekenen

trouwens ook niet veel, daar zij zich bepalen tot de eetbaarheid van

hun vleesch, dat, naar _Haacke_ zegt, wat den smaak betreft, op dat

van Konijnen of Hoenderen gelijkt, en tot de bruikbaarheid van hun vel.

De grootste van alle bekende soorten, de _Kalong_ of _Vliegende Hond_

(_Pteropus edulis_, p. 73), heeft bij een lichaamslengte van 40 cM. een

vlucht van ongeveer 1.5 M. De kleur van den rug is donker zwart, die

van den buik roestkleurig zwart; de hals en de kop zijn roestkleurig

geelrood, de vlieghuid is bruinachtig zwart.

De Kalong is inheemsch op de Oost-Indische eilanden, vooral op Java,

Sumatra, Banda en Timor; hij leeft hetzij in groote wouden, òf in de

vruchtboomboschjes die alle dorpen van Java omgeven; hier kiest hij

bij voorkeur de horizontale takken als rustplaats uit; deze zijn soms

zoo dicht met Kalongs bedekt, dat men den tak zelf nauwelijks meer

zien kon. Op enkele boomen vindt men er honderden en duizenden, die

hier zoolang zij met vrede gelaten worden, hun dagslaap houden, doch

bij troepen in de lucht rondzweven, zoodra men hun rust stoort. Tegen

den avond zet zich de geheele massa in beweging en ieder hunner vliegt

op eenigen afstand achter zijn voorganger aan.

Over _Sumatra_ schrijvend, zegt _Rosenberg_: "De Kalong is een

der veelvuldigst voorkomende dieren, zoowel aan de kust als in het

binnenland. Hij leeft gezellig, dikwijls groote troepen vormend,

en verlaat met zonsondergang zijn rustplaats om zich naar zijn

voederingsplaats te begeven, die soms ver weg in het woud gelegen

is. Zoo trok gedurende mijn verblijf te Loemoet iederen avond een

vlucht Kalongs vrij hoog over de kleine vesting heen, in de richting

van zuidwest naar noordoost, om voor zonsopgang in tegenovergestelde

richting terug te keeren naar het eiland Masallar, waar hun rustplaats

was. Eens, toen ik een schot loste op een wijfje, dat bij uitzondering

vrij laag vloog, viel een aan de tepels hangend jong uit de lucht

naar beneden, doch voordat het den bodem bereikte, had de moeder,

die het kleintje bliksemsnel gevolgd was, het met de tanden gegrepen;

zij steeg met het geredde jong weer omhoog en vloog verder."

Hun voedsel bestaat uit zeer verschillende soorten van vruchten, vooral

uit allerlei soorten van vijgen en uit mango's; om deze te verkrijgen

overvallen zij soms in groote menigte de boomgaarden op Java en richten

daar dikwijls aanzienlijke schade aan. Zij zijn echter volstrekt

niet met plantaardig voedsel alleen tevreden, maar maken ook jacht op

verschillende Insecten en zelfs op kleine Gewervelde Dieren. Zoo heeft

_Shortt_ ze eenige jaren geleden tot zijn verrassing als vischdieven

leeren kennen. "Toen ik," zeide hij, "mij te Konlieveram ophield,

werd mijn aandacht getrokken door een vijver, die haar ontstaan te

danken had aan een regenbui, welke korten tijd geleden gevallen was,

en waarin het letterlijk wemelde van kleine vischjes, die in het water

speelden en boven den waterspiegel opsprongen. Dit verschijnsel--het

plotseling verschijnen van Visschen in van tijd tot tijd uitdrogende

en daarna zich weder met water vullende regenvijvers--was voor mij

niets nieuws; ik werd echter opmerkzaam, toen ik een aantal groote,

eenigszins plomp vliegende "vogels" zag, die over het water scheerden,

nu en dan met hunne pooten een Visch grepen en zich vervolgens met hun

buit naar eenige nabij gelegene tamarindeboomen begaven, waar zij de

Visschen verslonden. Bij nader inzien bleek het mij, dat de gewaande

"vogels" Kalongs waren."

Hier en daar worden de Kalongs vervolgd, niet zoozeer wegens de door

hen aangerichte schade, als wel om ze in de keuken te gebruiken. De

Maleier bezigt, om jacht op hen te maken, in den regel een blaaspijp,

en mikt op de vlieghuid, het gevoeligste deel van hun lichaam; hierdoor

bedwelmd kunnen zij gemakkelijk gevangen worden. De Europeaan gebruikt

voor dit doel met meer succes het geweer. De gevangene Kalong berust

schielijk in het verlies van zijn vrijheid, wordt merkwaardig tam en

kan ook gemakkelijk in 't leven gehouden worden. Hoe kieschkeurig

hij ook zijn moge in de vrije natuur, waar hij alleen de sappigste

vruchten opeet, bescheiden is hij in de gevangenschap; daar hij iedere

vrucht eet, die men hem aanbiedt; bijzonder graag eet hij dan vleesch.

Ongelukkig kan men de gevangene Kalongs ook bij de beste verzorging

niet zeer lang in 't leven houden. Men kan hun vergoeden,

al wat zij missen, behalve de voor hun welzijn zoo noodige

vliegbeweging. Dientengevolge ontstaan na verloop van tijd op

verschillende gedeelten van hun vlieghuid verzweringen, waaraan zij

ten slotte sterven.

Tot het geslacht der _Nachthonden_ (_Cynonycteris_) behoort de

_Egyptische Vliegende Hond_ (_C. aegyptiacus_), die over geheel Egypte

en Nubië verbreid is, in de nabijheid van sycomorenbosschen geregeld

voorkomt, en ook reeds in de Delta volstrekt niet zeldzaam is. In

enkele natuurhistorische werken wordt vermeld, dat hij over dag een

schuilplaats zoekt in de gewelven der Pyramiden. Dit is beslist onwaar:

hij slaapt, evenals zijne stamgenooten, op boomen.

Mijne gevangenen stierven na korten tijd; andere onderzoekers hebben

dit dier dikwijls lang in 't leven gehouden en het zeer tam en

gemeenzaam gemaakt. _Zelebor_ bracht een paartje van deze soort naar

Schönbrunn en had beide zoo aan zich gewend, dat zij oogenblikkelijk

kwamen aanvliegen, als hij hun een dadel voorhield. Ook door vreemden

lieten zij zich liefkoozen en het vel krauwen.

Oude volwassene Vliegende Honden van deze soort bereiken een

lichaamslengte van omstreeks 16 cM. en een vlucht van 90 à 95 cM.

Een tweede groep van de Orde der Handvleugeligen is die der

_Gladneuzen_ (_Gymnorhina_).

Bij hen is de neus glad, d.w.z. zonder bladvormig aanhangsel;

het oordeksel is in meer of minder ontwikkelden toestand steeds

aanwezig. Tusschen de beide bovenkaakshelften blijft aan de voorzijde

een ruimte over, veroorzaakt door het onderling niet vereenigd zijn der

tusschenkaaksbeenderen, die daarentegen wel op de gewone wijze met de

bovenkaaksbeenderen een geheel vormen. Bij eenige groepen zijn de ooren

op de kruin met elkander vergroeid, bij andere blijven zij gescheiden;

bij sommige openen de neusgaten zich boven op de spits van den snuit,

bij andere aan de voorzijde onder de spits van den snuit; de altijd

lange staart steekt bij sommige een eind voorbij de vlieghuid uit,

bij andere is dit niet of nagenoeg niet het geval enz.--Deze groep

is over de geheele wereld verbreid, de koude aardgordels alleen

uitgesloten. Zij omvat een buitengewoon groot aantal soorten; nagenoeg

alle inheemsche behooren er toe. Nog talrijker komen de Gladneuzen

in de zuidelijkere gewesten voor. De meeste vereenigingen zich tot

groote gezelschappen, vooral tegen den tijd waarin de winterslaap zal

aanvangen. Men vindt niet zelden honderden, ja zelfs duizenden van deze

dieren in één gebouw bijeen. Vele soorten leven met andere soorten

in de grootste eendracht; waarschijnlijk zijn er maar zeer weinige

eenzaam levende dieren in deze groep. Alle zijn min of meer gevoelig

voor ongunstige weersgesteldheid en zoeken in den herfst reeds vroeg

hunne winterverblijven op, waaruit zij om dezelfde reden in de lente

eerst laat te voorschijn komen. Slechts weinige soorten verlaten hun

slaapplaats reeds, voordat de schemering invalt; de meeste vliegen

alleen gedurende de schemering en de eerste uren van den nacht; des

middernachts gaan zij rusten, om eenigen tijd vóór den morgen opnieuw

uit te vliegen, en kort vóór of na het opgaan der zon den dagslaap te

beginnen. In 't vliegen zijn zij goed ervaren; door de zonderlinge

wendingen die zij maken, is het den Roofvogels bijna onmogelijk,

ze gedurende het vliegen te vangen. Als zij gaan rusten, nemen zij

de reeds vroeger (p. 72) aangeduide houding aan. Hun beweging op den

bodem is zeer onbeholpen; zij klimmen echter behendig en vlug. Hun

voedsel bestaat uitsluitend uit Insecten, n.l. allerlei soorten van

Nachtvlinders, Nachtmuggen, Nachtlibellen, Eendagsvliegen, Watermotten,

Nachtkevers enz., voor 't meerendeel dus uit dieren, die voor ons zeer

schadelijk zijn. Hun stem bestaat uit een sterk, fluitend gekwetter.

Een van de meest bekende inheemsche Gladneuzen is de _Gewone Grootoor_

(_Plecotus auritus_), die, evenals zijne weinig talrijke verwanten,

zich van alle overige Vleermuizen zoo zeer onderscheidt door de

aanzienlijke lengte der ooren, dat hij met deze niet verward kan

worden. Bovendien raken de ooren elkander op het voorhoofd en zijn daar

van onderen aaneengegroeid. Hij is een van de grootste Europeesche

Handvleugeligen; zijn lichaamslengte bedraagt 8.4 cM., waarvan 4

cM. op den staart komen, de vluchtwijdte is 24 cM. Zijn oor is 3.3

cM. lang, vertoont veel meer dwarsplooien dan bij eenige andere soort

(meer dan 20), en is met de spits een weinig naar achteren gekromd;

aan zijn binnenrand bevindt zich een vliezig, tongvormig oordeksel, dat

1,4 cM. lang is. De onderdeelen van het oor zijn zeer beweeglijk. De

beharing is aan de bovenzijde grijsachtig bruin, aan de onderzijde iets

lichter. In het eerste levensjaar zijn de jongen donkerder van kleur

dan de ouden. Het aangezicht is tot aan den achterrand der neusgaten

en om de oogen met lange haren begroeid; witachtige baardharen hangen

over den rand van de bovenlip naar beneden.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 02: De Halfapen; Hoofdstuk 03: De Vleermuizen · 第 3 / 5 段