De Aï-aï, die eenige jaren lang te Londen heeft geleefd, heb ik leeren

kennen; ongelukkig was de duur van mijn verblijf aldaar zoo kort, dat

ik slechts één avond aan dit dier kon wijden. Deze tijd was echter

voldoende om mij te doen inzien, dat de beschrijving van _Sonnerat_

niet alleen aanvulling, maar ook verbetering eischt. Ik zal daarom hier

van de uitkomsten van mijn vluchtig onderzoek, vermeerderd met hetgeen

ik van de oppassers van het dier vernam, een kort overzicht geven.

Het vertoont letterlijk met geen enkel Zoogdier een eenigszins

belangrijke overeenstemming. In sommige opzichten herinnert het aan

de Galago's; geen dierkundige zal hierin echter een motief vinden om

het met deze dieren tot één familie te vereenigen. De dikke, breede

kop, die wegens de groote ooren nog breeder schijnt, de kleine,

eenigszins uitpuilende, starende, beweginglooze, maar vurige oogen,

die een veel kleiner pupil hebben dan de oogen van den Nachtaap,

de mond, die werkelijk eenigszins gelijkt op een papegaaien-snavel,

de aanzienlijke grootte van het lichaam en de lange staart, die,

evenals het geheele lichaam, met dun gezaaide, maar lange, stijve,

bijna borstelachtige bovenharen bezet is, en de zoo merkwaardige

handen eindelijk, waarvan de middelvinger er uitziet, alsof hij

uitgedroogd is: al deze kenmerken te zamen genomen verschaffen het

dier zulk een eigenaardig voorkomen, dat men onwillekeurig zich het

hoofd breekt met vruchtelooze pogingen om een schepsel te vinden,

dat aan dit dier verwant is.

Voor den deskundige, die dit dier levend voor zich ziet, kan er geen

twijfel aan bestaan, dat hij hier een echten nachtwandelaar voor zich

heeft. De _Aï-aï_ is lichtschuwer dan eenig mij bekend Zoogdier. Een

Nachtaap kan nog wakker gemaakt worden, waggelt rond, kijkt verwonderd

naar de hem onbekende wereld vol zonneschijn en warmte, luistert met

belangstelling naar het gonzen van een Insect, lekt en poetst zich: de

Aï-aï daarentegen schijnt overdag, als men hem met veel moeite wakker

geschud heeft, volkomen bewusteloos te zijn. Als een automaat keert

hij weer terug in zijn donker hoekje, rolt zich hier ineen, en bedekt

met den dikken staart, dien hij zich als een hoepel om den kop slaat,

zijn aangezicht. Bij iedere beweging, elke handeling geeft hij de

bewijzen van een onvergelijkelijke traagheid en langzaamheid. Eerst

als de ware, donkere nacht ingevallen is, lang na de schemering,

herkrijgt hij zijn opgewektheid en komt uit zijn "donkere kamer"

te voorschijn, schijnbaar nog steeds vervuld van den angst, dat de

een of andere lichtstraal hem zou kunnen treffen. Het schijnsel van

een kaars, dat andere nachtdieren niet de minste bekommering baart,

doet hem snel terugvluchten.

Als de waarnemingen van _Sonnerat_ juist geweest zijn, heeft hij met

een bijzonder goedaardigen Aï-aï te doen gehad. Die, welke ik zag,

was niets minder dan zachtmoedig, integendeel, zeer prikkelbaar

en ongezellig. Als men hem naderde, blies hij als een Kat; als men

hem de hand voorhield, schoot hij, dezelfde geluiden voortbrengend,

woedend en zeer snel er op los, en trachtte de hand met zijne beide

voorpooten te pakken.

Het eenige voedsel, dat men dit dier geeft, is versche melk,

waarmede men de gekookte en fijn gewreven dooier van een ei vermengd

heeft. Een kleine schotel vol hiervan is voldoende voor één dag. Bij

het eten maakt de Aï-aï van zijne beide handen gebruik: hiermede

werpt hij zich de vloeibare spijs in den mond. Vleeschkost heeft hij

tot dusver hardnekkig versmaad; of men getracht heeft, hem ook aan

andere voedingsmiddelen te gewennen, weet ik niet.

Aan deze in 't jaar 1863 geschreven opmerkingen wil ik _Pollen_'s later

(1868) openbaar gemaakte mededeelingen toevoegen, vooral omdat zij onze

kennis van het leven van den Aï-aï in de vrije natuur aanvullen. "Dit

in wetenschappelijk opzicht zoo belangrijk dier," zegt de genoemde

onderzoeker, "bewoont bij voorkeur de bamboesbosschen van het groote

eiland. Het voedt zich met het merg van bamboes en van suikerriet,

maar ook met Kevers en hunne larven. Zoowel om het binnenste gedeelte

van den riethalm te verkrijgen als om Insecten te vangen, knaagt

het met zijne krachtige snijtanden in den stengel een opening en

steekt hierin zijn dunnen middelvinger, waarmede hij zich van het

merg of van het Insect meester maakt. Zoo slaperig het over dag is,

zoo vlug beweegt het zich gedurende den nacht. Het slapen vangt aan

bij 't opgaan der zon; het dier verbergt daarbij den kop tusschen de

pooten en omgeeft hem bovendien met den langen staart; bij 't begin

van den nacht ontwaakt het uit zijn slaapdronken toestand, klimt bij

de boomen op en neer, en springt met de behendigheid van de Maki's

van tak tot tak; intusschen onderzoekt het zorgvuldig alle openingen,

reten en gaten van de oude boomen, om Insecten buit te maken; door

het eerste schijnsel van 't morgenrood wordt onze insectenjager naar

't binnenste van 't woud teruggedreven. Gedurende den nacht verneemt

men dikwijls zijn krachtig geknor."

Derde Orde.

De Vleermuizen (_Chiroptera_).

Nog voordat op een mooien zomeravond de zon onder de kim gezonken

is, vangen de leden van een der merkwaardigste orden van de

Zoogdierenklasse hun eigenaardigen arbeid aan. Uit alle spleten, holen

en gaten ontwijkt de sombere, nachtelijke schaar der Vledermuizen,

die zich gedurende den dag schuw teruggetrokken had, alsof zij zich

in het licht der zon niet durfde vertoonen, en maakt zich gereed

voor hare nachtelijke zwerftochten. Hoe meer de schemering valt,

des te grooter wordt het aantal dezer donkere gezellen, totdat met

het begin van den nacht _alle_ wakker geworden zijn en in de lucht

haar bedrijf uitoefenen. Ons vaderland ligt evenwel aan de grens van

het verbreidingsgebied der Vledermuizen; het herbergt alleen kleine,

tengere en zwakke soorten. In het Zuiden is het anders gesteld.

Hoe meer men den warmen aardgordel nadert, des te grooter wordt

het aantal Vleermuizen, en met het aantal individuën neemt ook de

verscheidenheid van vormen toe. Het Zuiden is het vaderland van de

meeste dieren dezer orde. Reeds in Italië, Griekenland en Spanje is

haar aantal in 't oogloopend groot. Als daar de avond nadert, komen zij

niet bij honderden, maar bij duizenden uit hare schuilhoeken opdagen,

zoodat de lucht er van wemelt. Uit ieder huis, uit elke ruïne, uit

iedere rotsspleet fladderen zij naar buiten, alsof een groot leger

zijn uittocht gaat houden; reeds gedurende de schemering is letterlijk

de geheele gezichtskring door haar ingenomen. De veelvuldigheid der

Vleermuizen in warme landen is werkelijk verrassend. Zij leveren

een uiterst aantrekkelijk en onderhoudend schouwspel op voor hem,

die vóór de poorten van een groote stad in het Oosten den avond

doorbrengt. De zwermen, die daar door den avond gewekt worden,

verduisteren de lucht in den letterlijken zin van 't woord. Zeer

spoedig wordt het onmogelijk, haar aantal te schatten, want allerwege

ziet men massa's van donkere gedaanten door de lucht zwermen. Overal

is leven en beweging; tusschen de boomen van de tuinen, bosschen

en wouden snorren zij door: over de velden fladderen zij, deels

laag bij den grond langs, deels op aanzienlijke hoogte; door de

straten der stad, over de binnenplaatsen en zelfs door de kamers der

woningen beweegt zich het vliegende leger. Honderden komen, honderden

verdwijnen. Voortdurend omringt ons een fladderende schare.

De Vleermuizen of _Handvleugelingen_ zijn onmiddellijk kenbaar aan

uitwendig zichtbare eigenaardigheden van den lichaamsbouw. Zij hebben

over 't algemeen een ineengedrongen gestalte, een korten hals en een

dikken, langwerpigen kop met groote mondspleet. Hoewel de beide tepels

bij de Vleermuizen aan de borst geplaatst zijn en deze dieren ook in

andere opzichten nog het meest met de Apen overeenstemmen, bestaat er

echter een in 't oogloopend verschil tusschen de beide diergroepen. De

handen zijn n.l. bij de Vleermuizen vliegwerktuigen geworden, en om

deze reden reusachtig vergroot, daarentegen is de stam van 't lichaam

zoo klein mogelijk. Dit maakt, dat zij grooter schijnen, dan zij zijn;

in werkelijkheid behooren zij tot de kleinste der Zoogdieren. Ook het

inwendige van haar lichaam vertoont vele eigenaardige kenmerken. Haar

geraamte is licht, maar stevig gebouwd, hoewel de beenderen geen met

lucht gevulde holten bevatten, zooals die der Vogels. Kenschetsend

voor de Vleermuizen is het maaksel der voorste ledematen. De boven-

en de benedenarm en de middelhand met de vingers zijn buitengewoon

lang; vooral geldt dit voor de drie buitenste of achterste vingers,

die den bovenarm in lengte overtreffen. Hierdoor worden de op

baleinen van een parapluie gelijkende vingers tot het uitspannen van

de hen vereenigde vlieghuid zeer geschikt, maar tevens voor andere

dienstverrichtingen onbruikbaar. Alleen de duim, die aan de vorming

van den voor 't vliegen dienenden waaier geen deel neemt, gelijkt

nog eenigszins op de vingers der overige Zoogdieren: als gewoonlijk

is hij tweeledig en kort; hij is met een scherpen klauw voorzien, die

bij het klimmen en zich vasthouden de geheele hand vervangen moet. Het

dijbeen is veel korter en zwakker dan het opperarmbeen; alle beenderen

van de als pooten ontwikkelde achterste ledematen zijn trouwens in

't oogloopend zwakker dan die van de voorste. Deze pooten wijken niet

veel van den algemeenen regel af; ook hier heeft de voet vijf teenen,

en is iedere teen met een klauw voorzien. Toch heeft ook de voet iets

eigenaardigs: van den hiel gaat n.l. een slechts bij de Vleermuizen

voorkomend been--het _spoorbeen_--uit; het dient voor het spannen van

de vlieghuid tusschen de pooten en den staart. Door den bouw van haar

geraamte herinneren de Vleermuizen niet zoo zeer aan de Vogels, als aan

de voorwereldlijke Vliegende Hagedissen. Van de spieren verdienen de

buitengewoon krachtige borstspieren een afzonderlijke vermelding, en

bovendien een bij de overige Zoogdieren in 't geheel niet voorkomende

spier, die, aan den schedel ontspringend, met zijn andere uiteinde

aan de hand verbonden is, en de vlieghuid helpt spannen. Het gebit

gelijkt op dat van Insecteneters; het bevat alle drie soorten van

tanden in reeksen, die geen tusschenruimten overlaten; het aantal

en de vorm der tanden zijn echter bij de verschillende soorten van

Vleermuizen zeer ongelijk.

De merkwaardigste eigenschap van deze dieren is ongetwijfeld de

vreemdsoortige uitbreiding van de huid, die niet alleen de gedaante van

het geheele lichaam, maar ook de uitdrukking van het gelaat bepaalt,

en aanleiding geeft tot het werkelijk monsterachtig voorkomen van

vele Vleermuis-aangezichten. De met een breede mondspleet voorziene

snuit draagt ook wel iets bij tot de zeer eigenaardige physionomie

van deze dieren; het zijn echter de huidwoekeringen aan de ooren

en aan den neus, die aan het gelaat zijn eigenaardig voorkomen en

(volgens het oordeel van de meeste menschen althans) zijn leelijkheid

verschaffen. "Geen enkele diergroep," zegt _Blasius_, "kan op zulk een

ontwikkeling van het huidsysteem bogen, als zich in den vorm van de

ooren, van den neus en van de vlieghuid der Vleermuizen openbaart. De

ooren, die bij alle soorten merkwaardig groot zijn, bereiken bij

eenige nagenoeg de lengte van het lichaam; in enkele gevallen breiden

zij zich ook in de breedte uit, totdat zij op de kruin elkander raken

en hier aaneengroeien. Bij sommige soorten is ook de huid rondom de

neusgaten en van den rug van den neus tot vreemdsoortige aanhangsels

uitgegroeid. Hierdoor ontstaan aangezichtsvormen zoo zonderling,

als bij geen andere dieren voorkomen. Deze eigenaardigheden, die

in nauw verband staan met de wijze van beweging en de levenswijze,

brengen een in 't oog loopend verschil teweeg tusschen de Orde der

Handvleugeligen en de overige Zoogdieren-orden."

Door haar samenstelling is de vlieghuid uitnemend geschikt voor haar

hoofdverrichting. Zij bevat een zeer rekbare en veerkrachtige huidlaag;

de lagen, die aan hare oppervlakte gelegen zijn, worden zacht gehouden

door inwrijving met een olieachtig vocht, afkomstig uit klieren,

die zich aan het aangezicht bevinden. Zeer merkwaardig is ook de bouw

van de haren der Vleermuizen. De microscoop leert, dat zij zich van

de haren der andere dieren onderscheiden door het opgericht zijn van

de gewoonlijk aanliggende schubben, die het zoogenaamde opperhuidje

van het haar vormen. Hierdoor ontstaan op het haar schroefvormige

windingen, waardoor het als 't ware in leden verdeeld is. _Altum_

telde aan een haar van den rug van de Dwerg-Vledermuis 926 zulke

leden. Dat een uit zulke haren samengestelde vacht uitstekend in

staat is om het dier tegen afkoeling te beschutten, en het daardoor

beter geschikt maakt om 's nacht rond te vliegen, ligt voor de hand.

Sommige zintuigen zijn bij de Vleermuizen uitstekend, andere veel

minder goed ontwikkeld. Het minst volkomen is waarschijnlijk de

smaakzin; dat hij echter niet ontbreekt, zou men reeds dadelijk kunnen

afleiden uit het maaksel van de tong, de zachtheid van den lippen

en de buitengewoon talrijke zenuwen in deze lichaamsdeelen. Het

bestaan van den smaakzin is trouwens proefondervindelijk gebleken

uit waarnemingen bij Vleermuizen, die in den winterslaap verkeerden

en dus half bewusteloos waren. Giet men zulk een dier een druppel

water in den met geweld geopenden bek, dan slikken zij dezen door

zonder bezwaar te maken. Brandewijn, inkt of dergelijke wansmakelijke

vloeistoffen worden daarentegen standvastig uitgespuwd.

Het oog is klein in verhouding tot den lichaamsomvang, maar bezit

een pupil, die zich sterk verwijden kan. Sommige soorten hebben

buitengewoon kleine oogen; deze zijn, zooals _Carl Koch_ doet opmerken

bij eenige zoo zeer verborgen te midden van de dichte beharing van

het aangezicht, dat zij onmogelijk als gezichtsorganen dienst kunnen

doen. En nu jagen juist deze kleinoogige dieren over dag, en hebben

de 's nachts vliegende Vleermuizen daarentegen grootere en meer

vrij liggende oogen. Maar ook bij deze kan het oog buiten werking

gesteld worden, zonder dat dit haar merkbaar hindert. Hieruit blijkt,

dat het gezichtszintuig bij het doen van waarnemingen krachtdadig

ondersteund wordt door de zintuigen van den reuk, het gehoor en

het tastgevoel. Om Vleermuizen tijdelijk blind te maken, plakte men

haar eenvoudig een stukje Engelsche pleister over de oogen. Ondanks

haar blindheid vlogen zulke dieren nog even behendig door de kamer,

als toen zij zien konden. Allerlei hindernissen, b.v. draden, die

in verschillende richtingen door het vertrek waren gespannen, wisten

zij zeer goed te ontwijken. Hiermede staat in verband het eigenaardig

verschil, dat men opmerkt tusschen Vleermuizen en Vogels of Insecten,

wanneer beide zich voor 't eerst vrij in een vertrek bevinden,

waarvan de ramen gesloten zijn. De Vogels en Insecten zullen tegen de

ruiten vliegen en zich hierdoor soms ernstig bezeeren; de Vleermuizen

daarentegen zullen van de aanwezigheid van de ook voor hen onzichtbare

ruiten onderricht worden, doordat deze de lucht terugkaatsen, die

door de vlieghuid sterk in beweging wordt gebracht. Vermoedelijk is

de vlieghuid het voornaamste orgaan voor den tastzin.--Veel beter

ontwikkeld dan het gezicht zijn de reuk en het gehoor. De neus is

bij alle Vleermuizen een zeer volkomen orgaan. De groote neusgaten

kunnen door hiervoor bestemde spieren verwijd, vernauwd en zelfs

geheel gesloten worden. Verscheidene soorten bezitten bovendien

groote, bladvormige aanhangsels aan den neus, die zeer zeker

gedeeltelijk ten doel hebben om de scherpte van het reukzintuig te

vermeerderen.--De oorschelp, die op soortgelijke wijze als de neus,

een hoogeren graad van volkomenheid heeft verkregen, is zoo groot, dat

zij zich dikwijls tot in de nabijheid van den mondhoek uitstrekt: zij

vertoont eigenaardige uitwassen, plooien en insnijdingen, en kan door

een zeer samengesteld spierstelsel, zoowel geheel als gedeeltelijk,

uiterst gemakkelijk bewogen worden. Een groote, beweegbare klep,

het oordeksel, welker vorm bij verschillende soorten zeer ongelijk

kan zijn, heeft ten doel de gehooropening af te sluiten, wanneer

een geluid te sterk is om door de Vleermuis verdragen te worden,

haar met een onaangename gewaarwording bedreigt. Ook bevordert dit

aanhangsel het opvangen van zeer zwakke geluiden. Het is n.l. gebleken,

dat Vleermuizen voorbijvliegende Insecten reeds op tamelijk grooten

afstand _hooren_ kunnen, en dat zij zich bij haar beweging in de lucht

voornamelijk door het gehoor laten leiden. Daarom worden zij door het

afknippen van stukken van de oorschelp en van het oordeksel buiten

staat gesteld om bij 't vliegen een goede richting te behouden. Op

deze wijze verminkt, stooten zij zich overal aan.

De geestvermogens van de Vleermuizen zijn volstrekt niet zoo

gering, als vaak op grond van de geringe ontwikkeling hunner groote

hersenen en van het gering aantal windingen hierop wordt beweerd; zij

logenstraffen de uitdrukking van het gelaat, dat armoede van geest

te kennen geeft. Alle Vleermuizen onderscheiden zich door een vrij

goed ontwikkeld herinneringsvermogen, eenige geven zelfs bewijzen

van verstandelijk overleg.

Zoo verhaalt _Kolenati_, dat een Vleermuis, die in een lindenlaan op de

jacht was, het wijfje van een Vlinder niet aanroerde, omdat het vele

mannetjes tot zich lokte, die het roofdier nu achtereenvolgens kon

ophappen. Als men om Vleermuizen te vangen een Vlinder aan den haak

slaat, die aan een paardehaar bevestigd is, zal men zich tevergeefs

moeite geven. Zij komen naderbij, onderzoeken het zwevende Insect,

bemerken echter spoedig het haar dreigende gevaar, en laten het

lokaas onaangeroerd, zelfs als zij slechts weinig voedsel kunnen

vinden. Dat de Vleermuizen bij goede behandeling zeer tam en aan haar

meester gehecht kunnen worden, is door vele geleerden en vrienden

der natuur opgemerkt. Enkele onderzoekers slaagden er spoedig in,

deze dieren te leeren haar voedsel uit de hand van haar meester te

nemen of uit glazen te halen; zoodra zij begrepen hadden, waar het om

te doen was, deden zij dit telkens. Mijn broeder had een Grootoorige

Vleermuis zoover getemd, dat zij hem door alle vertrekken volgde,

en, als hij haar een Vlieg voorhield, oogenblikkelijk op zijn hand

ging zitten om de aangeboden prooi op te eten. De groote soorten van

Vleermuizen gedragen zich werkelijk aardig gedurende de gevangenschap;

zij worden zeer tam en geven vele bewijzen van verstand.

"Met den vorm van de vlieghuid," zegt _Blasius_, "hangen de

geschiktheid tot vliegen en de verschillende eigenaardigheden van

de vliegbeweging ten nauwste samen. Hij die verschillende soorten

van Vleermuizen in de vrije natuur heeft waargenomen, zal moeten

erkennen, dat er een in 't oog loopende evenredigheid bestaat tusschen

deze verschillen van vorm aan de eene zijde en de snelheid en de

behendigheid van de vliegbeweging aan den anderen kant. De grootste

behendigheid en snelheid bij 't vliegen heeft onder de inheemsche

soorten zonder twijfel de Vroegvliegende Vleermuis (p. 77). Men

ziet haar soms reeds vóór zonsondergang torenhoog in rassche,

koene wendingen met de Zwaluwen wedijveren; juist deze soort heeft

naar verhouding de slankste en langste vliegwerktuigen, maar dan

driemaal zoolang als breed. Alle soorten, die soortgelijk gevormde

vliegwerktuigen hebben als de zooeven genoemde, vliegen snel en hoog,

maken de menigvuldigste wendingen, en doen dit dikwijls plotseling;

zij zijn zoo zeker in hare bewegingen, dat men ze zelfs bij storm en

onweder buiten ziet. De vleugel beschrijft gedurende het vliegen in

den regel een kleinen scherpen hoek; alleen bij plotselinge wendingen

is de slagwijdte grooter; zoo kan de vlucht sterk gevarieerd worden;

zij geschiedt snel, hoewel de beweging van de vleugels licht is,

geringe inspanning vereischt.

"Het minst ontwikkeld is het vliegvermogen bij de soorten, die tot de

geslachten _Vespertilio_ (p. 75) en _Rhinolophus_ (p. 80) behooren. Met

de andere vergeleken, hebben zij de breedste en kortste vleugels,

meestal ternauwernood twee en een half maal zoo lang als breed. De

vleugel beschrijft bij deze soorten een grooten, meestal stompen

hoek. De vlucht is fladderend, langzaam en onzeker. Gewoonlijk vliegen

zij laag, eenige zelfs op een afstand van slechts weinige duimen van

den bodem of van den waterspiegel. In rechtlijnige richting volgen zij

straten en lanen, zonder snelle krommingen en zijwaartsche bewegingen

in haar baan te maken.

"Het is niet moeilijk, uit de hoogte waarop de Vleermuizen vliegen,

de wijze waarop zij dit doen en de grootte van het dier, af te leiden,

tot welke soort zij behooren. Men kan zich niet vergissen, als men

uit den bouw van den vleugel een besluit trekt ten aanzien van het

vliegvermogen."

Over 't algemeen zijn de Handvleugeligen niet in staat om geruimen

tijd achtereen te vliegen; altijd door moeten zij bij 't vliegen

hunne armen bewegen; de Vogel kan _zweven_, de Vleermuis alleen

_fladderen_. Toch bezit zij door dit fladderen of met gedruisch vliegen

boven de overige Zoogdieren een merkwaardig voorrecht. De krachtige

ontwikkeling van het voorste gedeelte van den romp met zijne dikke

borstspieren, het lichte en dunne achterlijf, de tot drievoudige

lichaamslengte uitgegroeide voorste ledematen met hunne reusachtige

vingers, de veerkrachtige vlieghuid, die vooral tusschen de vingers en

den voorarm uitgespannen is, bevorderen deze wijze van beweging. Tot

zweven is de Vleermuis niet in staat, omdat geen harer beenderen

luchthoudend is, omdat haar lichaamsholte de groote luchtzakken mist,

die bij de Vogels voorkomen, en vooral, omdat het fladderende dier

geen slagpennen bezit. Haar vliegen vereischt een aanhoudend slaan

op de lucht, nooit kan zij, als de Vogel, gedurende geruimen tijd

door de lucht glijden of schieten zonder de vleugels te bewegen.

Om gemakkelijker haar vlieghuid te kunnen uitbreiden en omhoog te

fladderen, haken alle Handvleugeligen, als zij gaan rusten, zich met

de klauwen van de achterste ledematen aan een hoog geplaatst voorwerp

vast en laten haar geheele lichaam naar beneden hangen.

Van den bodem kunnen zij zich niet zeer gemakkelijk verheffen; zij

weten zich echter ook hier te redden, door in de eerste plaats de armen

en de vlieghuid uit te breiden en het lichaam op de achterste ledematen

een weinig opterichten, daarna éénmaal of meermalen omhoog te springen,

om eindelijk fladderend weg te vliegen. Nadat hun dit gelukt is, komen

zij tamelijk snel vooruit. Hoe vermoeiend deze wijze van voortbeweging

is, blijkt het best hieruit, dat de Vleermuis, dikwijls reeds na zeer

kort gevlogen te hebben, aan boomtakken, vooruitstekende gedeelten

van muren en dergelijke voorwerpen gaat hangen, en eerst na eenigen

tijd gerust te hebben de reis voortzet. Geen Vleermuis zou in staat

zijn om zoo lang achtereen zonder tusschenpoozing te vliegen, als vele

Vogels, b.v. de Muurzwaluwen, doen. Daarom kunnen de Handvleugeligen

bij het naderen van den winter niet zulke verre reizen ondernemen

als de trekvogels.

De handen dienen der Vleermuis trouwens niet uitsluitend voor het

fladderen, maar ook voor het loopen op den grond. Niet bij alle soorten

is de gang zoo onbeholpen, als men na het bovenstaande zou verwachten;

toch brengen zij het nooit verder dan tot een erbarmelijk gehompel. Zij

trekken daartoe de achterpooten naar voren onder den romp en lichten

intusschen het achterlijf op, waardoor het geheele lichaam een stoot

naar voren ontvangt; de handwortel en vooral de klauw van den duim

doen hierbij geen anderen dienst, dan dat zij het voorste gedeelte van

't lichaam ondersteunen. Toch kunnen eenige soorten bijna zoo snel

vooruit komen als een Rat.

Alle Vleermuizen slapen over dag en gaan 's nachts om voedsel uit. De

meeste komen eerst bij 't begin van de avondschemering uit hunne

schuilhoeken te voorschijn, en keeren reeds lang vóór zonsondergang er

in terug; enkele soorten echter vertoonen zich veel vroeger, sommige

reeds des namiddags tusschen 3 en 5 uur, en zwermen in weerwil van

den heldersten zonneschijn vroolijk rond.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 02: De Halfapen; Hoofdstuk 03: De Vleermuizen · 第 2 / 5 段