Over dag ligt of, juister gezegd, hangt de Slanke Lori aan e

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

Tweede Orde.

De Halfapen (_Prosimii_).

De meeste natuuronderzoekers van vroegeren tijd beschouwden de dieren,

welker bouw en levenswijze ons nu zal bezighouden, als echte Apen,

en plaatsten ze daarom in dezelfde orde (die der Vierhandigen);

thans echter worden de Halfapen volkomen gescheiden van de eigenlijke

Apen en in een afzonderlijke orde vereenigd. Bij nader inzien is

het n.l. gebleken, dat de overeenkomst van de Halfapen met de Apen

gering is. Hun lichaamsbouw is anders; hun gebit verschilt bijna in

alle opzichten van dat der Apen. De naam Vierhandigen, die thans niet

meer als naam van een orde geldt, komt aan de Halfapen eerder toe

dan aan de Apen, daar bij deze het onderscheid tusschen hand en voet

het duidelijkst zichtbaar is. Men moge de Halfapen beschouwen als een

schakel, die de Apen met de Buideldieren verbindt, als nakomelingen van

onbekende, met de Buidelratten verwante dieren,--Apen zijn zij niet.

Het ontwerpen van een algemeen beeld van de Halfapen is niet

gemakkelijk. Grootte, lichaamsbouw, ledematen, gebit, geraamte

verschillen bij hen zeer. De grootte wisselt af tusschen die van een

flinke Kat en die van een Relmuis. Bij de meeste soorten is het lichaam

slank, bij eenige zelfs buitengewoon schraal; bij genen herinnert de

kop door de lengte van den snuit eenigszins aan dien van een Hond of

Vos, bij dezen heeft hij iets eigenaardigs dat alleen bij nachtdieren

aangetroffen wordt, b.v. bij Relmuizen, Vliegende Eekhoorns, Nachtapen

of Uilen. Meestal bestaat er een merkbaar, dikwijls een aanzienlijk

verschil in lengte tusschen de achterste en de voorste ledematen, en

wel zoo, dat deze steeds de kortste zijn. Bij één afdeeling onzer orde

is de voetwortel betrekkelijk kort, bij een andere daarentegen tamelijk

lang. De lengte van den staart verschilt zeer; bij vele is hij langer

dan het overige lichaam; bij andere is hij tot een uitwendig niet of

bijna niet zichtbaar stompje ontaard; bij deze is hij ruig behaard,

bij gene voor een deel althans bijna kaal. Aan de groote nachtoogen

en aan de steeds goed ontwikkelde ooren, met soms haarlooze, soms

behaarde oorschelp, als ook aan de zachte, dichte, wollige, slechts

bij uitzondering stijvere beharing kunnen de Halfapen gemakkelijk

als schemering- of nachtdieren herkend worden. Het gebit biedt, wat

de rangschikking, den vorm en het aantal der tanden betreft, grooter

afwisseling aan dan bij de Apen. De schedel onderscheidt zich door de

sterke afronding van het achterhoofd, door den smallen, korten snuit

en de groote oogholten, die van voren zeer dicht bij elkander liggen

en een hoogen oogkasrand hebben, doch niet volledig begrensd zijn

door een beenigen wand en dus met de slaapholten in verbinding staan.

Afrika,--vooral Madagaskar en de naburige eilanden--alsmede Indië en

de groote eilanden van Zuid-Azië zijn het woongebied van onze dieren,

die dichte, veel vruchten voortbrengende bosschen tot verblijfplaats

hebben. Alle soorten zijn boomdieren, verscheidene van hen zijn zoo

goed als vreemdelingen op den bodem. Een buitengewone behendigheid

en vlugheid van beweging te midden van het twijgendoolhof kenmerkt

eenige; terwijl andere daarentegen zich door een langzame,

veilige, bedachtzame, spookachtig zachte en onhoorbare beweging

onderscheiden. Sommige zijn ook bij dag nu en dan werkzaam; de meeste

echter beginnen hun leven eerst na het invallen van den nacht,

en liggen voor het aanbreken van den dag reeds weder in diepe

rust. Van eenige bestaat het voedsel hoofdzakelijk uit allerlei

soorten van vruchten, knoppen en jonge bladeren, terwijl de overige

behalve plantaardige spijzen ook Insecten en kleine Gewervelde dieren

eten. In de gevangenschap geraken deze zoowel als gene aan allerlei

voedsel gewoon. Noemenswaarde schade richten zij niet aan, belangrijke

diensten bewijzen zij ons evenmin. Toch beschouwt de inboorling ze

nergens met onverschilligheid; integendeel, hij houdt eenige van

hen voor heilige en onschendbare, andere voor onheil aanbrengende,

gevaarlijke wezens, en tracht daarom niet zelden door woorden of door

daden den weetgierigen onderzoeker van de jacht op deze dieren en soms

zelfs van het nagaan hunner eigenaardigheden terug te houden. Dit zal

wel een van de redenen zijn, waarom wij zelfs van die soorten, welke

in groote troepen bijeen leven en veelvuldig voorkomen, betrekkelijk

zelden vertegenwoordigers in onze diergaarden zien. Hun vangst levert

geen bijzondere moeielijkheden op, hun verzorging is gemakkelijk en

eenvoudig; de meeste soorten verdragen de gevangenschap ook veel

beter dan de Apen, zoodat bij eenigszins doelmatige behandeling

ook de voortplanting zonder bezwaren in het hok plaats heeft. Het

best ontwikkeld zijn de geestvermogens bij die soorten, welker

vertegenwoordigers zich over 't algemeen door vlugge bewegingen

en een opgewekten aard onderscheiden; deze geraken gemakkelijk aan

hunne verzorgers gewoon; sommige kunnen zelfs leeren hun diensten

te bewijzen. Die Halfapen echter, welke in den volsten zin van het

woord nachtdieren zijn, blijven voortdurend droefgeestig en slaperig;

zelfs de meest zorgvuldige verpleging wordt door hen slechts zeer

zelden beantwoord met bewijzen van erkentelijkheid.

_Lemuren_ waren volgens de denkbeelden der Romeinen zielen van

afgestorvenen; de goeden beschermden als "laren" het huis en de

familie, de boozen werden kwaadwillige spoken, die rondzwierven om

de arme stervelingen te verontrusten. De zoöloog, die bij het geven

van namen aan de ontzaglijk menigvuldige voortbrengselen der natuur

dikwijls om een naam verlegen is, heeft zich ook van dit woord meester

gemaakt. Hij gebruikt het niet tot aanduiding van ontastbare wezens,

maar voor schepsels met vleesch en bloed, die wel is waar 's nachts

rondzwerven en leven maken, maar toch een min of meer bevallige

gestalte en een lief uiterlijk hebben. De Lemuren zijn de kern van

de orde, waarmede wij ons nu bezig houden; zij vormen een familie,

waartoe verreweg de meeste soorten van Halfapen behooren; daar deze

soorten zeer verschillende vormen vertoonen, zijn zij over verscheidene

geslachten verdeeld.

De hierboven medegedeelde kenmerken van de Halfapen in 't algemeen

zijn op de familie der _Lemuren_ (_Lemuridae_) meer in 't bijzonder

toepasselijk; deze verschilt van de beide overige familiën der

Halfapen in hoofdzaak slechts door het gebit, den bouw van hand en

voet, alsmede door de beharingswijze harer vertegenwoordigers.

Het door de Lemuren bewoonde gebied omvat in de eerste plaats het

eiland Madagaskar en de naburige eilanden; bovendien komen deze

dieren op het vaste land van Afrika voor en verbreiden zich over het

geheele middelste gedeelte van dit werelddeel, van de oostkust tot

de westkust; eindelijk zijn er ook nog enkele soorten, die in Indië

en op de Zuid-Aziatische eilanden leven. Alle zonder uitzondering

bewonen bosschen; aan de ondoordringbare oerwouden, die rijk zijn aan

vruchten en Insecten, geven zij de voorkeur. Zij zoeken de nabuurschap

van den mensch niet op, maar mijden haar ook niet. Daar zij alle

in meer of mindere mate nachtdieren zijn, evenals de overige leden

der orde, zoeken zij de donkerste plaatsen van het woud of holten

in boomen op, om daar neergehurkt of ineengerold te slapen. Zij

nemen hierbij zeer eigenaardige houdingen aan. Sommige zitten op

hun achterwerk, klemmen zich met de handen vast, laten den kop diep

naar beneden zakken tusschen de tegen het lichaam teruggetrokken

voorste ledematen en omwikkelen deze en de schouder ten overvloede

nog met den staart. Andere rollen zich dicht bij elkander ineen,

soms zelfs zoo, dat zij twee aan twee één kogel vormen, die door de

gezamenlijke staarten omwikkeld is; bij het aanraken van zulk een

haarbol, ziet men er plotseling twee koppen uit te voorschijn komen,

die met verwonderde oogen den onwelkomen porder aankijken.

De slaap van de Lemuren is zeer licht. Vele van hen worden reeds

gewekt door het gonzen van een voorbijschietende Vlieg of door het

gekrieuwel van een over hun lichaam loopende Kever: de ooren worden

gespitst en de groote oogen spieden als 't ware droomerig rond, maar

slechts voor een oogenblik. Hun lichtschuwheid is buitengewoon groot

en hunne oogen schijnen voor het licht gevoeliger te zijn dan die

van alle overige Zoogdieren. Voor het daglicht zijn zij dood; de in

vrijheid verkeerende Lemuren ontwaken eerst met de duisternis. (Die

welke in gevangenschap leven, wijken soms van dezen regel af.)

Als de schemering invalt, worden de Lemuren wakker, poetsen en

glanzen hun vel, laten hun meestal tamelijk luide en onaangename

stem hooren, en beginnen hun gewonen zwerftocht door hun luchtig

jachtgebied. De wijze waarop zij zich hierbij gedragen, is bij de

verschillende soorten, al naar hun aard, zeer ongelijk. De meeste

soorten van Lemuren--de Indri's en Maki's--achten het hun eerste

plicht, den demonischen naam dien zij dragen, eer aan te doen, door

gemeenschappelijk een geschreeuw aan te heffen, dat wel geschikt is

om hun, die het voor de eerste maal hooren, een rilling op het lijf

te jagen; niet alleen omdat het een onbeschrijflijk en waarlijk

helsch geraas veroorzaakt, maar ook, omdat het eenigszins op het

gebrul van gevaarlijke Roofdieren, van Leeuwen b.v., gelijkt. Dit

gemeenschappelijk, grommend gebrul schijnt bij hen, evenals bij

vele andere dieren, aan het begin van de werkzaamheden vooraf te

moeten gaan; onmiddellijk daarna doorkruisen zij hun jachtgebied of

liever hun weide, waarbij zij een bewegelijkheid, een vlugheid en een

behendigheid openbaren, die men, wegens hun slaperigheid gedurende

den dag, bij hen niet verwacht zou hebben. Alle forsche toeren op

dit gebied van klimmen en springen, alle kapriolen die de Apen kunnen

uitvoeren--en betere nog misschien--, worden door hen verricht.

De inborst, de handelingen en de bewegingen van andere Lemuren--van

de Lori's--zijn geheel tegenovergesteld aan die der zooeven

bedoelde. Tersluiks en met onhoorbare schreden sluipen zij langzaam van

tak tot tak. Hunne groote, ronde oogen schitteren in het schemerlicht

als vuurbollen; hunne bewegingen geschieden zoo bedachtzaam en stil,

dat geen enkel geluid aan het luisterende oor de aanwezigheid van een

levend dier verraadt. Wee den zorgloos slapenden Vogel, op wien een

blik van deze vurige oogen valt! Nog minder hoorbaar dan de Indiaan

op zijn krijgspad, en met niet minder vreeselijke bedoelingen dan deze

bloeddorstige wilde, nadert de Lori zijn slapenden buit. Zonder eenig

gedruisch, met bijna onzichtbare bewegingen doet hij den eenen stap

na den anderen; langzaam sluipt hij nader, tot hij zijn slachtoffer

bereikt heeft. Met dezelfde doodsche stilte en voorzichtigheid licht

hij de eene hand op en steekt haar zachtjes uit, totdat zij den slaper

bijna aanraakt. Daarop volgt een beweging zoo snel, dat het oog haar

niet volgen kan, en vóórdat de sluimerende Vogel eenig vermoeden

heeft van zijn vreeselijken vijand, is hij bij den strot gegrepen en

geworgd. Met een voorbeeldelooze begeerigheid wordt na het plegen van

den moord het slachtoffer van den zooeven zoo zachtaardig schijnende

Lori door den bloeddorstigen Vierhandigen verslonden. Het lot van den

slapenden Vogel is ook beschoren aan de jongen en de eieren in zijn

nest, zoodra dit door den Lori wordt ontdekt. Alle tot deze groep

behoorende soorten zijn uiterst voorzichtig. Zij bewegen zich op

de boomen langzaam maar zeker. Vóórdat zij den eenen tak loslaten,

hebben zij zich vergewist, dat een andere tak hun een betrouwbaar

steunpunt zal verschaffen.

Een gelijkmatige en vrij hooge warmtegraad is een behoefte voor alle

Lemuren; de koude maakt hen mismoedig en ziek.

De geestvermogens van de Lemuren zijn gering; slechts weinige soorten

maken hierop een uitzondering. Alle zijn schuw en vreesachtig van

aard, ofschoon zij zich moedig verdedigen, zoodra men ze tracht te

vangen. Nadat zij aan den mensch gewoon zijn geraakt, betoonen zij

hem een zekeren, graad van vertrouwelijkheid en worden zachtaardig,

vreedzaam en vriendelijk van gedrag; hun vreesachtigheid laten zij

echter slechts zelden varen. Eenige soorten van deze familie schikken

zich intusschen recht goed in het verlies van hun vrijheid en in

de ondergeschiktheid aan den mensch, laten zich zelfs africhten tot

het verrichten van sommige diensten, b.v. het jacht maken op andere

dieren. De staartlooze soorten (de Lori's) echter behouden meestal ook

in de gevangenschap hun stil, zwaarmoedig voorkomen, trachten wrevelig

iedereen af te weren, die hen komt storen en leeren waarschijnlijk

niet eens hun verzorger van andere personen te onderscheiden; zij

behandelen alle menschen ten naastenbij op gelijke wijze.

De grootste en hoogst ontwikkelde van alle Lemuren zijn de Indri's

(_Lichanotus_), door de Madagassen _Babakoto_ genoemd. De meest

bekende van de beide tot dusver ontdekte soorten (_L. brevicaudatus_)

bereikt een lengte van 85 cM. met inbegrip van het 2 1/2 cM. lange

staartstompje; de middelmatig groote kop heeft een spitsen snuit,

kleine oogen en even kleine, bijna in de vacht verborgen ooren; de

krachtige romp is met een dichte, wollige vacht bekleed, evenals ook

de ledematen, die alle vier in groote, voor 't omklemmen van takken

geschikte handen eindigen. Het voorhoofd, de slapen, de keel, de

borst, het kruis, de staart, de onderzijde van dij en scheen en de

zijden van de romp zijn wit; de ooren, de achterkop, de schouders,

de armen en de handen zijn zwart; het achterste gedeelte van den rug

en het bovenbeen zijn bruin; terwijl de voorzijde van de achterste

ledematen zwartachtig bruin is.

_Sonnerat_, die ons met den Babakoto bekend maakte, verhaalt, dat

dit dier evenals zijne verwanten, zich behendig en flink beweegt,

buitengewoon snel van den eenen boom op den anderen overspringt,

bij het eten rechtop zit als een Eekhoorntje, en zijn voedsel,

dat hoofdzakelijk uit vruchten bestaat, met de handen naar den mond

brengt; zijn stem gelijkt op het weenen van een kind; het is zeer

zachtmoedig en goedaardig en kan derhalve gemakkelijk getemd worden; in

de zuidelijke districten van het eiland wordt het door de inboorlingen

als huisdier gehouden en, evenals onze Honden, voor de jacht afgericht.

"In sommige gedeelten van Madagaskar", verhaalt _Pollen_, "richt men

den Babakoto voor de vogeljacht af. Naar men zegt, bewijst hij hierbij

even goede diensten als de beste Hond; want, hoewel hij hoofdzakelijk

vruchten eet, is hij volstrekt niet afkeerig van kleine Vogels; hij

vangt deze op zeer behendige wijze, met de bedoeling om de hersenen,

die een lekkernij voor hem zijn, buit te maken."

Voor zoover mij bekend, werd de Babakoto of een der andere Indris tot

dusver nog niet levend naar Europa gebracht. Dit is te vreemder, daar

de eerstgenoemde op Madagaskar in zekeren zin een huisdier is geworden,

en het dus niet moeilijk kan zijn hem in 't leven te behouden.

Naar het schijnt, is de naam _Maki_ een klanknabootsing van

het geschreeuw der vertegenwoordigers van het soortenrijkste en

veelvuldigst voorkomende geslacht van de familie; de wetenschappelijke

benaming _Lemur_, waarmede vroeger alle Lemuriden aangeduid werden, is

tegenwoordig beperkt tot het geslacht der Maki's. Deze onderscheiden

zich van bijna al hunne verwanten door een langwerpigen vossekop met

matig groote oogen en middelmatig lange, dikwijls ruig behaarde ooren;

hunne goed gevormde ledematen komen nagenoeg in lengte overeen, en

eindigen in handen, die aan de bovenzijde niet met een vacht bedekt,

maar zwak behaard zijn; de lengte van den staart bedraagt meer dan

de helft van die van 't lichaam, dat met een zeer zachte en fijne,

bij uitzondering ook wel wollige vacht bekleed is.

Men heeft in deze groep vele soorten onderscheiden; latere

onderzoekingen hebben echter geleerd, dat vele van deze

onderscheidingen op verschil van sekse berusten, of niet belangrijk

genoeg zijn om de vorming van nieuwe soorten te wettigen. Een der

meest bekende Maki's is de _Vari_ (_Lemur varius_), gekenmerkt door

een met groote vlekken geteekende, deels zwarte, deels witte vacht;

bijna bij ieder exemplaar komt een andere kleurenverdeeling voor; bij

het eene heeft de zwarte, bij het andere de witte kleur de overhand.

De _Vari_, een van de grootste Maki's, komt in grootte ongeveer gelijk

aan een flink uitgegroeide Kat; zijne overige verwanten staan trouwens

weinig bij hem achter. De _Catta_ (_L. catta_) onderscheidt zich door

de sierlijkheid van zijn gestalte en door den langen, met zwarte en

witte ringen geteekenden staart; de hoofdkleur van zijn dichte, fijne,

zachte en wollige vacht is grijs, nu eens zweemend naar aschgrauw,

dan weer naar roestrood; het aangezicht, de ooren en de onderdeelen

zijn witachtig; een vlek onder het oog en het bovenste gedeelte van

den snuit zijn zwart. Andere soorten, die dikwijls in diergaarden

aangetroffen worden, zijn de _Mongoz_ (_L. mongoz_) en de _Moor-maki_

(_L. macaco_). Opmerkelijk is het, dat bij den laatstgenoemden vorm het

mannetje bijna zuiver zwart, het wijfje echter, dat een tijd lang voor

een andere soort gehouden werd, lichter of donkerder rooskleurig is.

Aan de uitstekende onderzoekingen van den Nederlandschen onderzoeker

_Pollen_ danken wij onze bekendheid met de levenswijze van de Maki's in

vrijen toestand. Alle soorten van dit geslacht bewonen de bosschen van

Madagaskar en van de naburige eilanden. Over dag houden zij zich in het

dichtste takkenlabyrinth van de bosschen schuil, des nachts gaan zij

onder vlugge bewegingen en luid geschreeuw hun voedsel zoeken. Deze

dieren leven, tot troepen van 6 à 12 individuën vereenigd, in de

ongerepte wouden van het groote eiland; zij voeden zich vooral met

de vruchten van de wilde dadelboomen en begeven zich daartoe van het

eene deel van het woud naar het andere. Men ziet ze zoowel over dag

als des nachts. Nauwelijks is de zon ondergegaan, of men verneemt hun

klagend geschreeuw; gewoonlijk jammeren alle leden van den troep te

gelijker tijd. Hunne bewegingen zijn, evenals die van hunne verwanten,

buitengewoon sierlijk, behendig en vlug: als zij maar eerst wakker

geworden zijn, vliegen zij als 't ware door de kronen der boomen heen,

en doen daarbij sprongen van buitengewone wijdte, om van den eenen

tak op den anderen te komen. Als zij door de Honden vervolgd worden,

vluchten zij naar de hoogste toppen der boomen, en kijken knorrend en

met den staart zwaaiend naar den vijand; zoodra zij echter den jager in

't oog krijgen, vluchten zij ijlings naar het dichtst van het woud.

De geestvermogens van de Maki's verheffen hen niet boven hunne

verwanten; toch brengen zij een aangenamen indruk teweeg. Gewoonlijk

zijn zij zachtaardig en vreedzaam; soms treft men er echter koppige,

wilde en bijtlustige individuën onder aan.

Vele soorten van Maki's worden dikwijls naar Europa overgebracht en

houden het in de gevangenschap lang uit. Dit bewees b.v. een Vari,

die 19 jaar te Parijs in leven bleef. De meeste worden spoedig tam

en aan den mensch gehecht. Hun voeding levert geen bezwaren op, daar

zij schielijk aan allerlei spijzen gewend geraken. Gewoonlijk nemen

zij het voedsel met de voorhanden aan; soms echter vatten zij het

direct met den mond op. Als zij zich wel gevoelen, geven zij door

een knorrend geluid hun tevredenheid te kennen; in den regel zingen

zij zich op deze wijze in slaap.

_Buffon_ bezat een mannelijke Maki, die door zijne behendige,

snelle en sierlijke bewegingen de toeschouwers vermaakte, door

zijne onzindelijkheid en uitgelatenheid echter even dikwijls lastig

werd. Voor koude en vochtigheid was hij zeer bang; hij bleef daarom

gedurende den winter altijd in de nabijheid van het vuur, en ging er

ook vaak rechtop bij staan, om zich beter te kunnen warmen.

De Maki, die zoo lang in den Parijschen dierentuin geleefd heeft, hield

evenveel van 't vuur en plaatste zich geregeld in de onmiddellijke

nabijheid van den haard; zelfs hield deze arme bewoner van een tropisch

gewest, niet alleen de handen, maar ook het gelaat zoo dicht bij de

vlam, dat hij zich meer dan eens den snorrebaard gezengd heeft. Hij

was zindelijk, glom over zijn geheele lichaam, en paste zorgvuldig op,

dat hij zijn vacht niet vuil maakte. Bovendien was hij even druk en

beweeglijk als nieuwsgierig. Hij onderzocht alle dingen, maar smeet ze

tevens om, of verscheurde ze en verspreidde ze over den grond. Voor

alle personen die hem liefkoosden, was hij vriendelijk; ook bij

wildvreemde menschen sprong hij zonder complimenten op den schoot.

Terwijl de _Maki_'s alle zonder uitzondering, althans op sommige

tijden van den dag, een groote werkzaamheid en beweeglijkheid aan

den dag leggen, onderscheiden de _Lori_'s (_Stenops_) zich door

tegenovergestelde eigenschappen. Zij zijn in zekeren zin de Luiaards

van deze orde, en worden daarom ook wel "_Luie Apen_" genoemd. Deze

groep omvat kleine, sierlijke Halfapen met schraal, staartloos lichaam,

grooten, rondachtigen kop en dunne, slanke ledematen, waarvan het

achterste paar iets langer is dan het voorste. De snuit is spits,

maar kort; de ooren zijn middelmatig groot en behaard. Aan de handen

is de wijsvinger zeer verkort, de vierde vinger echter verlengd en

de vijfde met een scherpen en langen klauw voorzien.

De weinig talrijke soorten van dit geslacht bewonen Voor- en

Achter-Indië en de naburige eilanden; van hun levenswijze in de vrije

natuur is nog zoo goed als niets bekend. Deze Zuid-Aziatische Lemuriden

komen in lichaamsbouw met hunne vroolijke Afrikaansche neven overeen,

maar hebben geheel andere gewoonten.

Een bekoorlijk lid van dit geslacht is de _Slanke Lori_ (_Stenops

gracilis_), een diertje nauwelijks zoo groot als een Eekhoorntje

(slechts 25 cM. lang), met een schralen romp, een kop met groote

oogen en een spitsen snuit, dunne ledematen en een lange, op pluche

gelijkende vacht, welker kleur aan de bovendeelen roodachtig vaalgrijs

en geelachtig bruin, aan de onderzijde echter grijsachtig of licht

geelachtig is. De huid rondom de noot-bruine oogen is donkerder en

steekt daarom sterk bij den lichtkleurigen bovensnuit af.

Dit allerliefste wezen, dat door de inboorlingen _Tevangoe en Oena

happolava_ wordt genoemd, bewoont de wouden van Ceylon en van de

lage landen van Zuid-Indië, bij Godovari te beginnen. Den dag brengt

hij slapend in holle boomen door; hij komt eerst 's avonds daaruit

te voorschijn. Zijn leven in de vrije natuur is nog door niemand

beschreven, hoewel over het dier zelf reeds voor lang mededeelingen

gedaan zijn.

Tot mijn groote verwondering en vreugde vond ik een levenden Slanken

Lori in 't bezit van een eigenaar van een beestenspel. Het tengere dier

was vier jaren geleden met drie andere van dezelfde soort in Europa

aangekomen en door een onzer eerste groothandelaars aan bedoelden man

verkocht; het had dus niet alleen de reis naar Europa, maar ook de

gevangenschap in het koudere land uitmuntend doorgestaan. Ik kocht

het diertje voor een handvol geld om het naar het leven te laten

uitteekenen en om het te kunnen waarnemen; het werd met zorg verpleegd.

Over dag ligt of, juister gezegd, hangt de Slanke Lori aan een van de

dwarshouten van zijn kooi en slaapt, zonder zich door de buitenwereld

en haar rumoer ook maar in het allerminst te laten storen. Nadat

de schemering is ingevallen, ontrolt hij zich, rekt en strekt, nog

eenigszins slaapdronken, de lange, slanke ledematen, en stapt nu

langzaam en onhoorbaar op den zitstang van zijn kooi heen en weer,

of klautert bij de dwarsstangen van het hok op en neer. Op een

stang of op een tak beweegt hij zich met opmerkelijke behendigheid,

onderzoekt echter bij elken stap, dien hij doet, zijn nieuw steunpunt,

strekt daarom de pooten dikwijls veel verder uit, dan men voor mogelijk

gehouden zou hebben, en grijpt, met hen evenals met de armen tastend,

op een afstand in de lucht, als het hem er om te doen is van den

eenen tak op een anderen over te gaan. Het beweeglijkste deel van

zijn lichaam is de kop, dien hij plotseling en bliksemsnel weet te

draaien en te wenden, terwijl hij met hand en arm slechts zelden zulk

een snelle beweging maakt. Zijne oogen glinsteren in 't halfdonker in

den letterlijken zin van 't woord als gloeiende kolen, en dit maakt,

daar zij zeer dicht bij elkander staan en slechts door een witte bles

van elkander gescheiden zijn, een hoogst eigenaardigen indruk.

De Slanke Lori laat, als hij gepleegd wordt, een scherp gesnork hooren,

dat het meest aan het geluid van den Hamster of Aardwolf herinnert,

maar veel zwakker is. Op deze wijze is hij gewoon zijn hevigsten

toorn te kennen te geven. Zijn prikkelbaarheid schijnt trouwens

vrij gering te zijn, want het kost moeite hem zijne bedaardheid en

gelijkmoedigheid te doen verliezen. Naar het schijnt, vindt hij het

aangenaam, zachtjes geaaid te worden; als men hem zachtjes op den

kop krabt, sluit hij de oogen.

Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit in melk geweekt brood. Vruchten

versmaadt hij bijna geheel, vleesch en eieren eveneens; ook levende

Vogels heeft hij tot nu toe niet willen aanraken. Daarentegen houdt

hij bijzonder veel van Insecten, vooral van Meelwormen; hij is echter

te onhandig of te traag om deze dieren zelf aan te vatten; alleen

wanneer zijn oppasser hem deze lekkernij vlak voor den mond houdt,

hapt hij toe.

De _Plompe Lori_, de _Scharmindi billi_ of "schaamachtige Kat" van

de Indiërs, de _Moeka_ ("het aangezicht") van de Javanen (_Stenops

tardigradus_) is een weinig meer bekend geworden, waarschijnlijk omdat

hij talrijker voorkomt en een grooter verbreidingsgebied heeft dan

zijn slanke neef. De westelijke grens van dit gebied wordt ongeveer

door den benedenloop van den Brahmapoetra gevormd. In den Himalaja

werd hij niet gevonden, wel echter in Assam en alle meer zuid- en

zuid-oostwaarts gelegen landen, alsmede op de eilanden Sumatra, Java

en Borneo. Hij is grooter en van meer ineengedrongen lichaamsbouw dan

zijn stamverwant. Bij deze soort komen velerlei afwijkingen van grootte

en kleur voor, die echter, naar het schijnt, niet bestendig zijn. De

hoofdkleur is een helderder of donkerder aschgrauw of zilvergrijs

aan de bovenzijde, dikwijls met een roodachtig waas overtogen; naar

onderen wordt de kleur bleeker; over den rug loopt in de richting

der lengte een meer of minder donkere, kastanjebruine streep, die

aan de kruin vervloeit, of daar in een breede, menigmaal tot aan de

ooren reikende vlek eindigt, of zich in twee banden tot aan de oogen,

of in vier banden tot aan de oogen en ooren voortzet. De oogen zijn

steeds met bruine ringen omgeven, ook daar waar geen strepen het

aangezicht versieren. De onbehaarde gedeelten van de zolen en den

neus zijn vleeschkleurig. De lichaamslengte bedraagt 32 à 37 cM.,

die van den staart 1 1/2 tot krap 2 cM.

De Plompe Lori, een woudbewoner, welks levenswijze in de vrije

natuur zeer moeilijk is na te gaan, leeft vereenigd tot familiën,

die den dag slapend doorbrengen in holle boomen, na het invallen van

de schemering wakker worden en dan uitgaan om voedsel te zoeken. In

de vrije natuur hebben Europeanen het dier bijna nog niet waargenomen.

Bij de Javanen staat het in zeer slechten reuk. "Zijn nabijheid brengt

gevaar, ziekte, dood of een ongeluk", en wordt daarom door iedereen

zooveel mogelijk gesmeden. _Haszkarl_, aan wien ik bovenstaande

mededeelingen verschuldigd ben, schrijft mij: "Toen ik zulk een gast

in mijn huis opnam, werd ik door iedereen gewaarschuwd, en gewezen op

allerlei gevaren, waaraan ik mij blootstelde. Lang heb ik mijn Lori

niet kunnen behouden, waarschijnlijk werd hij door mijne bedienden,

die zeer bang voor hem waren, en een hekel hadden aan den onaangenamen

reuk, dien hij verbreidde, door het een of ander middel gedood.

"In de gevangenschap zijn de Lori's stil, geduldig en

zwaarmoedig. Ineengehurkt zitten zij den geheelen dag te slapen, en

laten daarbij den kop op de samengevoegde handen rusten. Een dezer

dieren, dat aanvankelijk aan een touw vastgelegd was, lichtte dit

herhaaldelijk met een droefgeestig gebaar op, alsof het zich over

zijne kluisters beklaagde; het deed echter geen pogingen om ze te

verbreken. In den eersten tijd trachtte deze Lori zijn oppasser te

bijten, eenige kleine kastijdingen waren echter voldoende om zulke

opwellingen van toorn te onderdrukken. Als men hem streelde, vatte hij

de hand, die hem liefkoosde, drukte haar aan zijn borst en richtte de

half geopende oogen op zijn verzorger. Bij het invallen van den nacht

werd hij wakker. Eerst wreef hij zich de oogen als een slaapdronken

mensch, keek daarna rond en begon zijn nachtelijke wandeling. Hij liep

dan ook behendig langs de touwen, die men voor hem gespannen had. Hij

hield zeer veel van vruchten en melk, maar was nog meer verlekkerd op

Vogels en Insecten. Hield men hem zulk een prooi voor, dan kwam hij

er met voorzichtige schreden op af, dikwijls de geheele kamer door,

evenals iemand, die op de teenen gaat om een ander te verrassen. Op

een afstand van ongeveer één voet van zijn slachtoffer, maakte hij

halt, richtte zich op, deed in deze houding nog een stap vooruit en

strekte stil de armen, om eindelijk bliksemsnel zijn buit te grijpen

en in weinige oogenblikken dood te drukken."

Tot dusver heb ik slechts twee Plompe Lori's gezien en waargenomen. Den

eersten zag ik alleen over dag in den Amsterdamschen dierentuin. Hij

was niet zoo vriendelijk, als ik op grond van de bovenstaande

berichten verwacht had. 't Zij, dat hij ontstemd was over het

verstoren van zijn rust, of een ongewoon prikkelbaar gestel had,

hij was klaarblijkelijk zeer ontevreden over de wijze waarop wij hem

bejegenden. Zeer duidelijk drukte hij dit gevoel uit door te blazen als

een Kat en door te trachten de hem wekkende hand van zijn oppasser te

bijten, wat hij reeds vroeger eenige malen met succes gedaan had. Nu

gelukte deze wraakoefening niet; verdrietig hierover ging hij langzaam

achteruit. Dit deed hij op een wijze, die mij zeer verraste. Met

zijne groote oogen ons voortdurend aanstarend, verwijderde hij zich

uiterst langzaam, voetje voor voetje, _ruggelings_ van ons, en wel

_naar boven_ langs een paal, die weinig van den loodrechten stand

afweek. Hij klautert dus in sommige gevallen van onderen naar boven,

terwijl zijn aangezicht naar onderen gericht is. Voor zoover ik weet,

kan geen ander Zoogdier dit doen!

Een tweeden Plompen Lori heb ik zelf gedurende geruimen tijd onder

mijn hoede gehad. Den slanken Lori, die in een ander hok opgesloten

was, beschouwde hij met zichtbare belangstelling, toen hij voor de

eerste maal in zijn nabijheid werd gebracht; hij deed echter geen

pogingen tot verdere toenadering; later was zijn stamgenoot hem even

onverschillig, als andere dieren, met uitzondering natuurlijk van die,

welke hem eetbaar toeschenen. Uit alle proeven en waarnemingen, die tot

dusver gedaan zijn, schijnt te blijken, dat het verstand van dit dier

even gering is als zijn belangstelling in de buitenwereld; blijkbaar

beweegt zijn gedachtengang zich binnen een zeer beperkt kringetje.

Tot de Halfapen die ons het best bekend zijn, behooren de _Langoorige

Maki's_ of _Galago's_, over welker handel en wandel ook reeds door

reizigers uit vroegeren tijd berichten zijn gegeven. Bij hen heeft

het gehoorzintuig de overhand, hetgeen in overeenstemming is met de

zeer groote vliezige ooren, welke aan die van sommige Vleermuizen

herinneren. Het lichaam van de Galago's is eer schraal dan plomp;

wegens de overvloedige beharing ziet het er echter voller uit

dan het is. De betrekkelijk groote kop onderscheidt zich, behalve

door de buitengewoon sterk ontwikkelde, naakte ooren, door de dicht

bijeengeplaatste oogen. Zoowel de voorste als de achterste ledematen

zijn middelmatig van lengte, de handen en voeten goed gevormd; de

wijsvinger en de tweede teen, bij enkele ook de middelste vinger en

de middelste teen, zijn met klauwachtige, de andere vingers en teenen

met platte nagels voorzien.

De Galago's bewonen Afrika en eenige eilanden ten westen en ten oosten

van dit werelddeel. In tegenstelling met de Maki's moeten zij beschouwd

worden als roofdieren, die slechts af en toe vruchten gebruiken. Om ze

te beschrijven, wil ik hier de woorden herhalen, die ik in gemeenschap

met _Kersten_ volgens zijne opgaven en mijne eigene waarnemingen in

de reisbeschrijving van _Von der Decken_ gebruikt heb: "De Galago's

zijn nachtdieren in den volsten zin van 't woord: de maan vervangt voor

hen de zon; de dag gaat voor hen spoorloos voorbij. Nog slaperiger dan

de Slaapmuizen liggen zij gedurende alle uren van den dag ineengerold

in den een of anderen hiervoor geschikten schuilhoek; wanneer men ze

verhindert zulk een schuilplaats op te zoeken, trachten zij door het

angstvallig verbergen van den kop zich te beveiligen voor het gehate

zonlicht; zelfs doen zij hun best om zich door het ineenrollen van

de ooren, voor ieder gedruisch te vrijwaren. Als zij door de een

of andere oorzaak met geweld uit hun vasten slaap gewekt worden,

staren zij aanvankelijk droomerig in de verte, ontwaken allengs uit

dezen slaapdronken toestand en geven nu door afwerende bewegingen te

kennen, hoe onaangenaam hun deze storing is.--Geheel anders gedragen

deze dieren zich na zonsondergang. Zoodra de schemering in het woud

aanbreekt, ontwaakt de Galago (misschien omdat hij de avondkoelte

begint te voelen); hij buigt den over den kop ineengekronkelden staart

terug, opent de oogen, en ontvouwt de vliezige ooren, die tot dusver

ineengerold of liever ineengeschrompeld waren tot een goed sluitend

deksel van het gehoororgaan; hij poetst en lekt zich, verlaat den

schuilhoek en begint nu zijn spookachtige werkzaamheid, die bij

't licht bezien een rooversleven is in den volsten zin van 't woord.

"De onverzadelijke bloeddorst en moordlust, die de Galago hierbij

openbaart, zou men bij zulk een hoog ontwikkeld Handdier niet

verwacht hebben. Hij is even goed begaafd als eenig ander roofdier:

scherp van gezicht als een Losch, fijn van gehoor als een Vleermuis,

geschikt om een spoor te volgen als een Vos, en, hoewel niet zoo

verstandig als deze, toch wel degelijk listig. De Galago vereenigt de

behendigheid van een Aap met die van een Slaapmuis; hij vergroot door

stoutmoedigheid de onfeilbaarheid van zijn aanval, en wordt hierdoor

tot een vreeselijken vijand van alle kleine dieren; in deze opzichten

onderscheidt hij zich in hooge mate van de meeste zijner verwanten".

Deze woorden bevatten bijna al wat tot dusver bekend geworden is

over het leven der Langoorige Maki's in de vrije natuur; het zal niet

gemakkelijk zijn, hierover meer te ervaren, daar het waarnemen van de

handelingen en bewegingen van deze dieren gedurende den nacht groote

moeielijkheden aanbiedt.

Van de Langoorige Maki's kent men tot dusver slechts een gering

aantal soorten; de reuzen van dit geslacht komen in grootte met een

bijna volwassen Konijn overeen, terwijl de kleinste soort in dit

opzicht een matig groote Muis slechts weinig overtreft. De _Galago_

(_Otolicnus galago_), die wij in de eerste plaats zullen behandelen,

is een sierlijk diertje van de grootte van een Eekhoorn. Zijn korte,

maar dichte en zijdeachtig zachte vacht is aan de bovenzijde vaalgrijs,

aan den kop en op den rug zwak roodachtig, aan de binnenzijde van de

ledematen en aan den buik geelachtig wit van kleur; een dergelijke

kleur hebben de wangen en een tusschen de oogen beginnende overlangsche

streep, die zich tot aan den top van den neus uitstrekt. De ooren

zijn vleeschkleurig, de oogen bruin.

Deze Halfaap is in een groot deel van Afrika inheemsch. _Adanson_

ontdekte hem in de bosschen langs de oevers van de Senegambische

rivieren; de reizigers van lateren tijd merkten hem in Zuid-Afrika

en in Soedan op. Hier vond ook ik hem verscheidene malen, steeds

echter ten westen van den Witten Nijl en vooral in Kordofan. Den

inboorlingen is het onder den naam _Tendj_ welbekend; zij gelooven,

dat hij oorspronkelijk een Aap was en door zijn slaapzucht zoozeer

ontaard is. Wij troffen den Tendj alleen in mimosa-bosschen aan en

wel in den regel paarsgewijs. De dieren zaten op dikke takken zeer

dicht bij den stam te slapen, werden echter oogenblikkelijk wakker,

toen zij onze voetstappen vernamen. Als zij overdag opgejaagd werden,

klauterden zij schielijk en behendig in de takken rond, namen echter

nooit de vlucht, maar gingen steeds na verloop van korten tijd weer

rustig zitten om te luisteren en door het dichte gebladerte naar ons

in de diepte te kijken. Zij wisten zeer behendig tusschen de vele

scherpe stekels van de mimosas door te dringen, en konden ook groote

sprongen maken van den eenen boom naar den anderen. De inboorlingen

verhaalden, dat deze dieren des nachts Insecten vangen of vruchten

plukken, en dit zonder gedruisch doen, hoeveel zij zich ook bewegen;

hunne oogen schitteren dan "als het brandende vuur". Ook zeiden zij

ons, dat het zeer gemakkelijk is deze dieren in strikken te vangen;

over dag kunnen goede klimmers ze wel met de hand grijpen; als zij den

tak waarop de Tendj zit, duchtig schudden, klemt deze zich, om niet

naar beneden te vallen, stevig vast en laat zich grijpen. Ik geloof

gaarne, dat deze wijze van vangen goede uitkomsten oplevert, ik zelf

heb haar dikwijls met goed gevolg op jonge Eekhoorntjes toegepast.

De koopman _Bacle_, die in het begin van deze eeuw Senegambië

bereisde, kreeg een paar Galago's van een neger, die ze gevangen

had in de acacia-bosschen, die de Arabische gom leveren. Hij noemde

deze wezens "Gomdieren", en verzekerde, dat zij zeer graag mimosahars

eten. Het gevangen paar bevestigde deze mededeeling door de daad; het

gaf echter de voorkeur aan Insecten boven ieder ander voedsel. Door

hun gedrag herinnerden deze dieren evenzeer aan de Maki's als aan de

Vledermuizen. Hunne kapriolen en andere vlugge bewegingen, maar vooral

de reusachtige sprongen, die zij maken, vervulden alle reizigers

met verbazing; het merkwaardigst verschijnsel bij hen is echter de

beweeglijkheid van hunne ooren. Zij kunnen, als zij slapen willen,

hunne gehooropeningen geheel afsluiten. Het eerst rimpelt en verkort

zich het onderste gedeelte van de oorschelp, daarna wordt het bovenste

gedeelte naar binnen omgeslagen, zoodat men dan nagenoeg niets meer

dan het oor kan zien. Bij het geringste gedruisch echter ontrolt

de oorspits zich en wordt de geheele oorschelp weder gespannen en

glad. Sommige Vleermuizen handelen geheel op dezelfde wijze, als

zij hun zoo buitengewoon gevoelig gehoororgaan willen verzwakken,

en gedurende het geraas van den dag rustig willen slapen.

De op Zanzibar levende Langoorige Maki, de _Komba_ van de

Suaheli (_Otolicnus agisymbanus_), is grooter dan de Galago; zijn

lichaamslengte bedraagt 20 à 30, de staartlengte 22 à 25 cM. De

hoofdkleur van het vel is geelachtig grijs of bruinachtig grijs. De

achterste helft van den overigens bruinrooden staart is zwartbruin. De

groote, bijna kale ooren zien er aschgrauw uit.

Op Zanzibar heeft men, volgens _Kersten_, een zeer eenvoudig middel

om den Komba te vangen, zonder eigenlijk jacht op hem te maken:

zijn snoepzucht brengt hem in 't verderf. Hoe begeerig de Komba ook

is naar het warme bloed van Zoogdieren en Vogels, is hij toch ook

niet afkeerig van zoete genietingen; hij houdt er zelfs zooveel van,

dat men alleen in de levensgeschiedenis van de Apen en van enkele

Knaagdieren staaltjes aantreft van een dergelijken hartstochtelijken

trek in zoetigheid. "Als het sap van den palmboom, dat door gisting

wijn zal leveren, afgetapt wordt," zoo verhaalt de genoemde reiziger,

"komt de Langoorige Maki niet zelden als ongenoode gast partij trekken

van een bedrijf, dat in zoo hooge mate zijn belangstelling wekt; hij

vergast zich aan het zoete sap en leert door eigen ervaring de waarheid

erkennen van het gezegde, dat te veel "geest" den geest benevelt. Want

het prijzenswaardige vocht, dat eenigen tijd geleden uit den eindknop

van den palm vloeide, is wel is waar zoet gebleven, maar toch ook

bedwelmend geworden en dit te meer, naarmate het langer met de lucht

in aanraking was. De dorstige pooieraar in Lemuren-gedaante verliest

het bewustzijn en valt uit den hoogen boom, waar hij veilig was,

naar beneden op den bodem, en blijft daar smoordronken liggen. Hier

wordt hij 's morgens gevonden door den neger, die den uitgevloeiden

palmwijn komt halen; deze neemt den bewegingloozen droomer op, zet

hem voorloopig in een eenvoudig hok gevangen, of bindt hem een touw

om den middel, waarna hij hem naar de stad brengt en aan een der op

deze dieren vlassende Europeanen verkoopt.

"Na eenigen tijd beloont de Komba de zorg, die aan hem besteed werd,

door goede diensten. In het vertrek waar hij huist, heeft de Muis geen

muis-waardig leven meer; ook vervolgt hij met onvermoeiden ijver de

zoo lastige, groote Kakkerlakken in het huis of op het schip, waar hij

gastvrijheid geniet. Een aangename herinnering hebben wij behouden van

een voorval, dat gedurende de vervelende zeereis plaats had. Het groot

aantal Kakkerlakken op ons schip noodzaakte ons van tijd tot tijd de

kisten te doorzoeken, waarin onze kleedingstukken geborgen waren. De

door dit ongedierte veroorzaakte stank, die ons bij 't openen van

de kisten tegemoet kwam, lokte onzen tammen Langoor aan. De voor hem

ongeschikte tijd van den dag verhinderde hem niet den inhoud van den

kist te onderzoeken; zeer spoedig bleek het, met welk doel hij gekomen

was; de door ons gestoorde tallooze legerscharen van Kakkerlakken

verschaften hem volop bezigheid. Met verrassende behendigheid greep

hij nu eens naar deze dan weer naar een andere plaats, pakte hier een

volwassen Insekt, ginds een jonger dier, en terwijl hij met de eene

hand de zooeven gevangen prooi vóór den kauwenden mond vasthield,

was de andere bezig nieuw wild op te sporen. Zoo speurde, luisterde,

werkte en smulde hij, totdat wij onzen arbeid verricht hadden."

Een groote, ronde, tusschen de schouders gezeten kop met een echt

kikvorschengezicht, korte voorste en lange achterste ledematen benevens

een staart langer dan het lichaam zijn de uitwendige kenmerken van

een Halfaap, die reeds sedert geruimen tijd als vertegenwoordiger

van een afzonderlijk geslacht, sedert kort echter met het volste

recht als type van een afzonderlijke familie wordt aangemerkt. De

belangrijkste kenteekenen van deze dieren leveren de zeer vreemdsoortig

gevormde tanden, welke op die van de Insecteneters gelijken. Wegens

den buitengewoon langen voetwortel heeft men aan deze familie den

naam van _Voetworteldieren_ (_Tarsidae_) gegeven; vroeger werden zij

door sommige natuuronderzoekers voor Springmuizen, door andere voor

Buideldieren, door nog andere eindelijk voor Lemuren gehouden. Daar

men tot dusver slechts één goed omschreven soort (of hoogstens twee

soorten) kent, die hiertoe gerekend kan worden, gelden de kenmerken

van deze ook voor de familie.

Het _Spookdiertje_ (_Tarsius spectrum_) bereikt een lengte van 40 cM.,

waarvan 23 à 24 cM. op den staart komen. Het haar is bruinachtig grijs,

de ooren zijn naakt, de oogen buitengewoon groot, naar verhouding de

grootste, die bij een Zoogdier voorkomen. De vingertoppen zijn aan de

onderzijde kussenvormig vergroot, evenals bij den Boomkikvorsch. Het

Spookdiertje is een tamelijk zeldzame bewoner van de bosschen van

Sumatra, Banca en Borneo, het wordt echter ook gevonden in sommige

gedeelten van Celebes (en de Philippijnen). De inboorlingen van

Sumatra noemen hem _Singapoa_. Volgens een hunner overleveringen

was hij oorspronkelijk zoo groot als een Leeuw (Singa), maar is

allengs ingekrompen tot zijn tegenwoordige gestalte. Misschien

is dit de reden van de vrees, die zij voor hem koesteren. Hoe dit

ook zij, zijn tegenwoordigheid wordt door hen als een voorbode van

ongeluk beschouwd. Van zijne gevangene Spookdiertjes deelt _Jagor_

het volgende mede: "In Loquilocun en Boranjen" (op de Philippijnen)

"was ik in de gelegenheid twee Spookdiertjes (hier _Majo_ genaamd)

te koopen. Deze uiterst sierlijke, zeldzame beestjes, komen, naar

men mij op Luçon verzekerde, slecht op Samar voor. Mijn eerste Majo

moest in 't eerst een weinig honger lijden, omdat hij plantenkost

versmaadde; later verslond hij echter levende Sprinkhanen met den

grootsten smaak. Het was een zeer grappig schouwspel, het diertje,

wanneer het overdag gevoederd wordt, rechtop staand, op zijne beide

dunne pootjes en den kalen staart steunend, den grooten kogelronden

kop met de beide merkwaardig groote oogen naar alle richtingen te zien

draaien, evenals een dievenlantaarn op een drievoet met kogelgeleding

zich draait. Het duurde eenigen tijd, voordat hij er in slaagde,

de oogen juist te richten op het hem aangeboden voorwerp; zoodra dit

hem gelukte, strekte hij plotseling zijne beide armpjes zijwaarts en

een weinig achterwaarts als een kind, dat zijne blijdschap te kennen

geeft, greep dan schielijk met de handen en den bek den buit, en at

deze bedachtzaam op.

"Over dag was de Majo slaperig, zwak van gezicht en, als men hem

stoorde, ook brommig; als het daglicht verflauwde, werd hij echter

wakker en vergrootte zich zijn pupil. Des nachts bewoog hij zich

vlug en behendig met onhoorbare sprongen, liefst in zijdelingsche

richting. Hij werd spoedig tam, stierf echter reeds na weinige dagen;

ook het tweede diertje kon ik niet lang in 't leven houden."

Voor ruim honderd jaar kreeg de reiziger _Sonnerat_ uit een bosch van

Madagaskars westkust twee hoogst zonderlinge dieren, van welker bestaan

niemand tot dusver kennis droeg. Zelfs op de tegenovergestelde kust

waren zij volkomen onbekend; de daar levende Madagassen zeiden althans,

dat zij nu voor 't eerst zulke dieren zagen; om hunne verwondering

te kennen te geven, riepen zij luid: "Aï, Aï", welke uitroep door

_Sonnerat_ als naam voor het dier werd gekozen.

Gedurende meer dan 60 jaren bleef de door _Sonnerat_ naar Europa

gebrachte _Aï-aï_ de eenige, dien men kende, en was de in het jaar

1782 opgemaakte beschrijving van dit zeldzame dier, de eenige bron

voor de kennis hiervan. Men dacht er reeds aan, het als uitgestorven

te beschouwen, toen in 1844 _De Castelle_ opnieuw berichten over

dit wezen gaf. Deze reiziger slaagde er in, een jongen levenden

Aï-aï te verwerven, en besloot, hem aan den Parijschen "Jardin des

plantes" te schenken. Ongelukkig stierf dit exemplaar, voordat het

in Europa was aangekomen; zijn vel en zijn geraamte werden echter

aan de verzameling van de genoemde inrichting toegevoegd; het bleek

toen, dat het nieuwe dier tot de door _Sonnerat_ ontdekte soort

behoorde. Nieuw materiaal om haar nader te leeren kennen ontving hem

echter eerst in 1862. Toen werd de Dierkundige Vereeniging te Londen

verblijd door het bericht, dat twee "_Vingerdieren_" of "Naaktvingers",

zooals men dezen overgangsvorm intusschen had genoemd, op Madagaskar

gevangen en naar de Diergaarde in Regentspark onderweg waren. Een van

deze kwam gelukkig levend, het andere als spiritus-preparaat op de

plaats van bestemming. Eenigen tijd daarna werden nog meer exemplaren

overgezonden, waarvan drie voor het Berlijnsche museum.

Nu eerst konden de dierkundigen de verwantschap van den Aï-aï met

zekerheid bepalen en hem een plaats in het stelsel aanwijzen.

Volgens de onderzoekingen van _Owen_ en _Peters_ vormt de Aï-aï--het

_Vingerdier_ (_Chiromys madagascariensis_)--niet slechts een

afzonderlijk geslacht, maar ook een nieuwe familie in de orde der

Halfapen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 02: De Halfapen; Hoofdstuk 03: De Vleermuizen · 第 1 / 5 段