VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

De bisschop kwam te laat. Hij vond alleen het lijk van de weduwe

Susanna, en aan het hoofdeinde van het sterfbed de kleine Katharina

doodsbleek, zwijgende, zonder tranen, als verpletterd. Hij trachtte

haar op te beuren en een vriendelijk woord van troost toe te spreken,

maar zij stiet hem terug, rukte hare handen uit de zijne en vloog,

eer hij het verhinderen kon, de kamer uit.

Arm kind! Hij had aan menig sterfbed teeder liefhebbende dochters hare

moeder zien betreuren, maar zulk een vorm van droefheid had hij nog

niet ontmoet. Hier, dacht hij, zijn twee menschenzielen voor elkander

alles geweest, en vandaar deze verpletterende smart.

Katharina was naar hare kamer gevlogen, had zich daar op den divan

geworpen en hare ledematen zoo in elkander getrokken, dat geen

binnentredende dat onkenbare, levende iets daar op het kussen voor

een menschelijk wezen, een volwassene hartstochtelijke en gevoelige

jonkvrouw zou hebben gehouden. Het was zeer heet, en toch voer de

eene koude rilling na de andere haar door de teedere leden. Was

het misschien de pest, die ook haar aangreep? Maar neen, het ware

een te groote genade van het lot geweest, zich over haar lijden

te erbarmen. Hare moeder dood, door hare eigene dochter in het graf

gesleept! Op hare lippen was de ziekte uitgebroken, en hoe dikwijls had

de arts zijne bevreemding uitgesproken, dat de pest in dit gezonde,

geheel verschoonde kwartier en in een zoo zorgvuldig rein gehouden

huis was binnengedrongen. Zij wist wie de doodsengel op de hielen

was gevolgd, wie daar misdadig met hem had gespeeld. Het woord

"moedermoordenares" kwam in haar geest op, en zij dacht aan de wet

harer voorvaderen, die geen straf had gesteld op moord van ouders,

omdat de vaderen zulk eene onnatuurlijke daad voor onmogelijk hielden.

Een spottende glimlach speelde haar daarbij om de

lippen. Wet! Voorschrift! Was er wel een die zij niet had

overtreden? Zij had haren God geminacht, zich met tooverij ingelaten,

valsche getuigenis gegeven, gedood, en het eenige gebod, dat tevens

eene gelofte bevatte, en dat, als de arts Philippus goed onderricht

was, letterlijk zooals op de tafelen van Mozes, onder de instellingen

der ouden stond opgeteekend, hoe had zij dat gehouden? Hare eigene

moeder was door haar in het verderf gestort. Bij deze schrikkelijke

zelfbekentenis voelde zij steeds die huivering door hare leden,

en toen dit haar ondragelijk begon te worden, ging zij op en

neer loopen, zoekende naar verontschuldigingen voor hare misdadige

handeling. Niet hare moeder maar Heliodora had zij gewenscht den dood

te brengen--waarom had het grillige noodlot...

Daar werd zij gestoord, want de jonge vrouw, tot wie de droeve

tijding was doorgedrongen, zocht haar op, om haar te troosten

en hare hulp aan te bieden. Zij sprak het meisje liefderijk toe,

doch hare zachte welluidende stem herinnerde Katharina aan de ure

na den dood des bisschops, en toen Heliodora de armen uitstrekte,

om haar te omhelzen, ging zij achteruit en verzocht met een heesche,

ruwe stem haar niet aan te raken want aan hare kleederen kleefde de

smetstof. Zij had geen troost noodig; zij begeerde slechts alleen te

zijn, geheel alleen, en niets meer.

Deze laatste woorden klonken hard en onvriendelijk, en toen de

deur zich achter de jonge vrouw sloot, zag Katharina haar vijandig

na. Waarom was de dood deze voorbijgegaan en had hij juist haar als

offer geëischt, wier verlies voor haar onherstelbaar was? Nu trad

het beeld harer moeder haar levendig voor den geest; zij ijlde weder

naar het sterfbed terug en wierp zich daarbij op de knieën. Maar

ook hier kon zij het niet lang uithouden; zij ging naar den tuin en

zocht elk plekje op, waar zij met hare moeder geweest was. Doch zij

hoorde zulk een vreemd gekraak in de boschjes, de boomen en heesters

wierpen zulke wonderlijke schaduwen, dat zij het morgenlicht als eene

uitkomst begroette.

Toen zij het huis weder binnen wilde gaan, kwam haar zoogbroeder

Anubis haar te gemoet hinken. Die arme schelm! Ook dezen had zij

kreupel gemaakt, ook zijne moeder was door haar toedoen aan de pest

bezweken. De knaap sprak haar aan en gaf haar zijne deelneming te

kennen, zij liet zich dit welgevallen, maar zeide zulke zonderlinge

dingen en gaf hem zulke verkeerde antwoorden, dat hij vreesde dat

de smart haar in het hoofd was geslagen. Zonder eenige aanleiding

deed zij hem ook de vraag, hoeveel zij nu wel bezat, en daar hij

van den rentmeester wist, hoe groot ongeveer het vermogen was en

het haar mededeelen kon, sloeg zij de handen in elkaar; want hoe

kon een enkel mensch, die geen koning was, zulke groote rijkdommen

bezitten? Eindelijk vroeg zij hem of hij ook wist hoe men een testament

moest opstellen, en ook daarop durfde hij toestemmend antwoorden.

Zij liet er zich door hem eene beschrijving van geven en hij voegde

erbij, dat de onderteekening door getuigen geldig gemaakt moest worden;

maar zij was toch nog te jong, om aan het opstellen van een uitersten

wil te denken.

"Waarom?" vroeg zij. "Is Paula dan zooveel ouder dan ik?"

"En overmorgen," liet de knaap erop volgen, "werpt men haar toch in

den Nijl. Het volk noemt haar algemeen 'De Nijlbruid'."

Daar speelde weder het hatelijk, van innig leedvermaak getuigende

lachje om haar mond; maar zij onderdrukte het spoedig en liep rechtdoor

naar huis.

Voor de deur vraagde hij haar schuchter, of hij de meesteres nog eens

zien mocht, maar zij moest hem dit weigeren om de besmetting.

"Wat gij niet vreest, vrees ik ook niet," antwoordde hij trotsch,

en volgde haar naar het sterfbed, waar het lijk, na een bad te hebben

ondergaan, thans keurig uitgedoscht lag. Toen hij Katharina de hand

van de gestorvene zag kussen, drukte hij, zoodra zij even omkeek, zijne

lippen op dezelfde plaats, die de hare hadden aangeraakt. Daarop zette

hij zich naast het sterfbed neer en bleef daar tot zij hem wegzond.

Vóor het middag was verscheen de bisschop weder en zegende

de ontslapene in. Hij vond haar geheel door kostelijke bloemen

omgeven. Katharina was weder in den tuin geweest, had de schoonste

en zeldzaamste afgesneden en de hovenier wel veroorloofd haar den

korf na te dragen, maar niet haar bij het plukken behulpzaam te

zijn. Het gevoel althans nog iets voor hare moeder te kunnen doen, was

vertroostend voor haar geweest, doch hare omgeving kwam haar bij dag

nog onverdragelijker voor dan bij nacht. Alles scheen haar zoo groot,

zoo ruw, zoo aanmatigend, zoo dreigend toe, en herinnerde haar aan een

onrecht of eene daad, waarover zij zich schaamde. Ieder open oog, zoo

meende zij, moest haar doorzien, en soms was het haar als waggelden

de zuilen van de groote feestzaal, waarin het lijk nu stond, en als

maakte de zoldering zich gereed in te storten om haar te verpletteren.

Alsof zij er in het geheel niet bij was, zoo gaf zij telkens geheel

verkeerde antwoorden op de vragen van den bisschop. Deze meende

dat zij te zeer onder den invloed verkeerde van hare groote smart,

en om aan hare gedachten eene andere richting te geven, vertelde

hij haar van Paula. Daar hij geloofde, dat Katharina haar liefhad,

deelde hij haar in vertrouwen mede, dat hij haar gisteren bij Orion

gebracht en hare verloving met hem ingezegend had.

Daar vertrok zich opeens haar gelaat op een wijze, die den bisschop

verschrikte, en gedurende den vreeselijken strijd, die in haar

binnenste woedde, bewoog zich haar boezem onstuimig en krampachtig

op en neer; ten laatste kon zij niets anders uitbrengen dan de vraag:

"En zal men haar toch offeren?"

De prelaat meende haar te begrijpen. Zij stond zeker onder den indruk

van het ontzettend en gruwzaam einde, dat deze jonge bruid bedreigde,

en hij antwoordde op klagenden toon: "Ik zal de vermetelen niet kunnen

terughouden, en toch zal ook het laatste middel niet onbeproefd

blijven. Het schrijven van den patriarch, dat deze waanzinnige

schanddaad afkeurt, wordt heden uitgedeeld, en op de kurie zal ikzelf

het voorlezen, toelichten en trachten er partij van te trekken door

het nog te verscherpen. Wenscht gij het te lezen?"

Daar zij deze vraag met welgevallen toestemmend beantwoordde, wenkte

de prelaat den akoluth, die hem met het heilige gereedschap gevolgd

was, en deze haalde uit een pakje een blad, dat hij haar overhandigde.

Zoodra zij alleen was, doorlas zij den brief van den patriarch,

eerst vluchtig, zonder den inhoud recht te begrijpen, dan met grooter

inspanning en eindelijk opmerkzaam en met klimmende belangstelling,

opgewonden door hetgeen zij zelve er bij dacht, en ten laatste

met fonkelende oogen en versnelde ademhaling, als had dit schrift

betrekking op haarzelve en besliste het over haar levenslot. Toen de

lijkdragers verschenen, zat zij nog op dezelfde plaats, onophoudelijk

op het papyrusblad starende. Zij rees nu op, maakte eene beweging alsof

zij iets van zich afschudde, en nam afscheid van het verstijfde, koude

omhulsel harer moeder, aan wier warm hart zij zoo vaak had gerust,

die bij haar leven haar het meest had liefgehad. Doch ook thans werd

haar de weldaad ontzegd van te kunnen weenen. Zij gevoelde nu niets

meer van de diepe gewetenswroeging, die haar gepijnigd had, want het

was haar alsof de gemeenschap tusschen haar en de gestorvene met den

dood niet was afgesloten, als stond haar na eene korte scheiding een

wederzien te wachten, misschien spoedig, misschien reeds morgen,

en met dat wederzien eene verklaring, eene openbaring van hare

hartsgeheimen, eene opheldering van al het gebeurde, zoo open, zoo

zonder achterhouding, als nooit mogelijk was tusschen sterfelijke

menschen, zelfs niet tusschen dochter en moeder. Wanneer die doove,

blinde, gevoellooze ontslapene met helderder oogen dan zij als mensch

bezat, met geestelijke ooren en gevoelszenuwen daarboven nog eens

alles en alles zag, hoorde, onderzocht, overwoog wat haar bejegend en

aangedaan was, wat zij gevoeld en wat haar tot dit uiterste gebracht

had dan, zeide zij tot zichzelve, zou zij haar misschien harder

berispen en bestraffen dan ooit te voren op aarde, maar haar ook

krachtiger aan haar hart drukken en inniger trachten te troosten.

Zij fluisterde de doode in het oor, als leefde hare moeder nog:

"Wacht maar, wacht, ik kom spoedig, om u alles te openbaren!" Daarop

kuste zij haar zoo onbezorgd en hartelijk, dat de nonnen ontsteld

haar van het lijk terugtrokken en de lijkbezorgers bevalen de kist

te sluiten. Dezen gehoorzaamden en toen het houten deksel over de

ontslapene werd gelegd, en krakend in de gleuven van de kist werd

gewrongen, zoodat de doode aan Katharinas oogen werd onttrokken,

brak de dam, die tot hiertoe hare tranen had teruggehouden, en begon

zij bitter te weenen. Eerst nu overweldigde haar het gevoel geheel,

dat zij hare moeder had verloren, dat zij eene verlatene wees was,

en alleen stond, geheel alleen in de wijde wereld.

Zij zag en hoorde niet wat er verder met het geliefde lijk gebeurde,

want toen zij de handen weder wegnam van het in tranen badende gelaat,

was de meesteres uit het huis van de rijke weduwe Susanna verdwenen,

had men haar stoffelijk overschot naar het naastbijzijnde pesthuis

gedragen.--De wet verbood de lijken langer in huis te houden, en

schreef voor, dat zij eerst des nachts begraven mochten worden. Zelfs

het eigen kind mocht de moeder niet naar het kerkhof volgen.

Met gebogen hoofd begaf Katharina zich naar hare kamer terug, en

staarde van daar in den tuin. Dat alles was nu haar eigendom, daarmede

en met hoeveel meer, mocht zij thans handelen naar welgevallen,

vrij en ongehinderd, gelijk tot hiertoe met haar vogel, haar hondje

en de sieraden daar op haar kaptafel. Honderden kon zij gelukkig

maken met éen woord, met éene beweging harer hand, zichzelve alleen

niet. Zoo geheel volwassen, zoo zelfstandig, zoo vrouwelijk, ja zoo

machtig en toch tegelijk zoo nameloos ellendig en onmachtig als in

deze ure had zij zich nog niet gevoeld. Wat zou zij beginnen met al

dat klatergoud? Het was niet voldoende om ook maar éen zielsverlangen

te bevredigen!

Zij had met eene belofte van hare moeder afscheid genomen; die vurige

begeerte, die hare geheele ziel vervulde, hield niet op zich te doen

gevoelen, en nu had zij door den brief van den patriarch een wenk

ontvangen, om tot het houden dier belofte, het stillen dier begeerte

te geraken. Onverwijld nam zij dit schrijven weder ter hand en las

het nog eens over. Het begon met eene strenge veroordeeling van het

voornemen der misleide Memphieten. Vervolgens stelde het in het licht,

dat Jezus Christus door zijne zelfopofferend sterven de wereld had

verlost, en met zijn goddelijk bloed den hemel het verlangen naar

menschenoffers had afgekocht. In het uitgestrekt gebied, dat zegenend

door het kruis werd beschaduwd, was daarom elk menschenoffer eene

nuttelooze, eene vloekwaardige gruweldaad. Daarop toonde hij aan,

hoe de heidenen zich hunne goden hadden voorgesteld, als zwakke,

zinnelijke, zondige menschen, en daarnaar ook hunne offeranden hadden

ingericht. "Doch onze God," ging het voort, "staat zooverre boven het

menschelijke, als de geest boven het vleesch, en de offers die hij

verlangt, vraagt hij niet van het vleesch, maar van den geest. Moet

hij zich niet bedroefd en toornig afwenden van de verblinde christenen

te Memphis, die in allen deele willen voelen en handelen als dwaze,

gruwzame heidenen? Zij willen slechts eene vreemde offeren, eene die

een ander geloof omhelst, en wanen dat dit den gruwel voor de oogen

des Heeren zal verminderen; maar Hij heeft er desniettemin een afschuw

van; want geen menschenbloed mag de gewijde, reine altaren van ons

zachtaardig geloof bezoedelen, dat leven wil brengen, niet den dood.

"Zou--vraag dit, mijn broeder, aan uwe verblinde en verdoolde

schapen--zou de vader der liefde zich verblijden over het gezicht

van een kind, al is het ook een afgedwaald, dat men ter eere van Hem,

den Allerhoogste, in de golven verstikt, terwijl het zich daartegen

verzet en zijne overweldigers vloekt? Ja, als er eene reine jonkvrouw

gevonden kon worden, die door de zaligmakende geestdrift der goddelijke

liefde was aangegrepen, die vrijwillig, naar het voorbeeld van hem,

die door zijn dood de menschheid verloste, zich in de wateren stortte,

en in heilige verrukking met stokkende stem ten hemel riep: 'Neem

mij en mijne onschuld als offer aan, Heer, en red mijn volk uit zijne

ellende!' ja dat zou eerst een waardig offer zijn, en misschien zou de

Heer zeggen: 'Ik neem het aan; maar de wil alleen is mij genoeg. Geen

mijner kinderen werpe het leven weg, dat ik het als heiligste en

dierbaarste gave verleende!'"--Vrome vermaningen aan de gemeente

vormden het slot van dit schrijven.

Eene jonkvrouw, die zich vrijwillig prijsgeeft aan de golven, om

haar volk uit den nood te redden, zij, zeide de man Gods, door wiens

mond de Allerhoogste zelf sprak, zou een offer zijn, dat den hemel

welbehagelijk is. Deze uitspraak, deze wenk was als een spinrokken,

waarvan Katharina in den geest de draden harer gedachten al verder

en verder uitspon, om die op het weefgetouw te spannen en er een

bruikbare stof van maken. Zij wilde de jonkvrouw zijn, op wie

de patriarch had gewezen, de rechte, de ware Nijlbruid, die het

jonge leven vol geestdrift prijsgaf, om haar volk uit den nood te

redden. Daarin lag eene verzoening, die de hemel kon aannemen, dat

verloste haar van den last des levens, die haar drukte, dat bracht

haar bij hare moeder terug, daarmede toonde zij haren geliefde,

den bisschop, der wereld de grootte van hare offervaardigheid, die

in niets achterstond bij die "der andere," der hooggeroemde dochter

van Thomas. Voor hare oogen, ten aanzien van het gansche volk wilde

zij de groote daad volbrengen. Doch Orion moest weten met welk beeld

in het hart en uit liefde tot wien zij in den bloei des levens den

sprong deed in het vochtige graf der golven.

O, hoe wonderbaar, hoe heerlijk! Legde zij hem daardoor niet de

volstrekte noodzakelijkheid op aan haar te blijven denken, zoo vaak

hij ook aan Paula dacht? Ja, zóo dwong zij hem haar eigen beeld

onafscheidelijk van dat "der andere" in zijne ziel te laten wonen. En

moest door deze voorbeeldelooze daad hare gestalte niet zoo hoog

rijzen, dat zij in de voorstelling aller menschen en ook in de zijne

de groote Damasceensche gelijk kwam? Van nu aan smachtte zij naar de

gewichtige ure. Haar ijdel hartje lachte de voorsmaak toe der vreugde,

door ieder gezien, geprezen, bewonderd te worden. Morgen zou zij,

de kleine, boven ieder uitsteken, en hoe gevoeliger de gloed van den

brandende zon haar drukte, des te aangenamer scheen het haar toe,

die het baden een genot vond, in het koele element rust te vinden na

de marteling des levens. Deze daad uit te voeren, scheen haar niet

moeilijk. Zij was thans meesteres, en slaven en beambten moesten

uitvoeren, wat zij beval.

Bij dat alles was zij ook bedacht te zorgen, dat hare uitgebreide

bezittingen niet in handen vielen van verwanten, die zij weinig genegen

was. Zij stelde dus met vaste hand een testament op, waarin zij een

deel van haar vermogen vermaakte aan haar oom Chrysippus, een kleiner

deel aan haren zoogbroeder en aan de weduwe van Rufinus, bij wie zij

een groot onrecht had goed te maken. De grootste helft harer bezitting,

die op vele millioenen geschat werd, vermaakte zij aan haar geliefden

vriend Orion, dien zij alles vergaf, en aan wien zij hoopte getoond

te hebben, dat in het kleine "kwikstaartje" toch plaats was voor iets

groots. Zij verzocht hem ook haar huis aan te nemen, daar hij door haar

toedoen het huis zijns vaders verloren had. De bepaling, die zij aan

deze nalatenschap verbond, bewees hoe bedachtzaam en helder van geest

zij tot den einde toe was geweest. Zij wist, dat de verbolgenheid van

den patriarch voor den jongen man gevaarlijk kon worden; om in dit

opzicht te bemiddelen en tegelijkertijd zich van de voorspraak der

kerk te verzekeren, waarop zij prijs stelde, schreef zij Orion voor,

het grootste gedeelte van het door hem geërfde aan den patriarch over

te geven voor de kerk en voor weldadige doeleinden; echter niet opeens,

maar in tien jaren, en bij gedeelten, zoo groot als Orion geheel naar

eigen inzicht zou willen vaststellen. Indien de zoon van den Mukaukas

binnen drie jaar kwam te sterven, zouden zijne rechten als erfgenaam

op haar oom Chrysippus overgaan. Aan de kerk, waartoe zij behoorde met

geheel haar hart, richtte zij de bede, jaarlijks in alle godshuizen des

lands voor haar en hare moeder op hare naamdagen te laten bidden. Als

de patriarch haar zulk eene eer waardig keurde, zou de bidkapel, die

moest opgericht worden ter plaatse van haar verscheiden, de Susanna-

en Katharina-kapel genoemd worden. Eindelijk maakte zij alle slaven

vrij en bedacht zij rijkelijk de beambten des huizes.

Terwijl zij dezen haar laatsten wil gedurende vele uren onder ernstig

nadenken opstelde, lachte zij vaak tevreden bij zichzelve. Zij

schreef het stuk eigenhandig netjes over, en liet ten laatste den

arts en alle vrije beambten des huizes hare handteekening als getuigen

bevestigen. Hoewel niemand vermoedde welk voornemen het kwikstaartje

bezielde, zoo verwonderde toch niemand er zich over, dat de jonge in

een verpest huis opgeslotene erfgename over haar vermogen beschikte. De

arts bracht, vóor het nacht werd, den overste der stad, Alexander,

een oud vriend haars vaders, die na den dood van den Mukaukas haar

voogd was geworden, op haar verlangen aan de tuinpoort, en deze

sprak daardoor met Katharina, was bereid haar als kurios te dienen,

en bevestigde als zoodanig het testament en de onderteekeningen,

hoewel zij hem het document niet wilde laten lezen. Eindelijk begaf zij

zich naar het slavenverblijf, waaruit men weder eenige zieken naar de

Necropolis had gedragen, en beval den schippers morgen vroeg de groote

feestboot gereed te maken, daar zij het offer op de rivier wilde

aanschouwen. Zij schreef den tuinlieden voor, hoe zij het vaartuig

optooien moesten en welke bloemen zij voor haarzelve hadden te snijden.

Veel minder opgewonden dan gisteren begaf zij zich daarop ter ruste,

en vóor zij nog het avondgebed geëindigd had, viel de zwaarvermoeide

in een diepen slaap. Toen zij na zonsopgang ontwaakte, vond zij het

groote, prachtige vaartuig, hetwelk haar vader te Alexandrië had laten

bouwen, geheel bemand en tot de afvaart gereed. Ongehinderd besteeg

zij het met Anubis en eenige dienende vrouwen, daar al de wachters,

die het huis gisteren nog omsingeld hadden, waren saamgetrokken in

de stad voor het groote offer- en bruiloftsfeest, waarbij het licht

onstuimig kon toegaan.

De nijlbruid · 第 63 / 66 题