De bisschop kwam te laat. Hij vond alleen het lijk van de weduwe
Susanna, en aan het hoofdeinde van het sterfbed de kleine Katharina
doodsbleek, zwijgende, zonder tranen, als verpletterd. Hij trachtte
haar op te beuren en een vriendelijk woord van troost toe te spreken,
maar zij stiet hem terug, rukte hare handen uit de zijne en vloog,
eer hij het verhinderen kon, de kamer uit.
Arm kind! Hij had aan menig sterfbed teeder liefhebbende dochters hare
moeder zien betreuren, maar zulk een vorm van droefheid had hij nog
niet ontmoet. Hier, dacht hij, zijn twee menschenzielen voor elkander
alles geweest, en vandaar deze verpletterende smart.
Katharina was naar hare kamer gevlogen, had zich daar op den divan
geworpen en hare ledematen zoo in elkander getrokken, dat geen
binnentredende dat onkenbare, levende iets daar op het kussen voor
een menschelijk wezen, een volwassene hartstochtelijke en gevoelige
jonkvrouw zou hebben gehouden. Het was zeer heet, en toch voer de
eene koude rilling na de andere haar door de teedere leden. Was
het misschien de pest, die ook haar aangreep? Maar neen, het ware
een te groote genade van het lot geweest, zich over haar lijden
te erbarmen. Hare moeder dood, door hare eigene dochter in het graf
gesleept! Op hare lippen was de ziekte uitgebroken, en hoe dikwijls had
de arts zijne bevreemding uitgesproken, dat de pest in dit gezonde,
geheel verschoonde kwartier en in een zoo zorgvuldig rein gehouden
huis was binnengedrongen. Zij wist wie de doodsengel op de hielen
was gevolgd, wie daar misdadig met hem had gespeeld. Het woord
"moedermoordenares" kwam in haar geest op, en zij dacht aan de wet
harer voorvaderen, die geen straf had gesteld op moord van ouders,
omdat de vaderen zulk eene onnatuurlijke daad voor onmogelijk hielden.
Een spottende glimlach speelde haar daarbij om de
lippen. Wet! Voorschrift! Was er wel een die zij niet had
overtreden? Zij had haren God geminacht, zich met tooverij ingelaten,
valsche getuigenis gegeven, gedood, en het eenige gebod, dat tevens
eene gelofte bevatte, en dat, als de arts Philippus goed onderricht
was, letterlijk zooals op de tafelen van Mozes, onder de instellingen
der ouden stond opgeteekend, hoe had zij dat gehouden? Hare eigene
moeder was door haar in het verderf gestort. Bij deze schrikkelijke
zelfbekentenis voelde zij steeds die huivering door hare leden,
en toen dit haar ondragelijk begon te worden, ging zij op en
neer loopen, zoekende naar verontschuldigingen voor hare misdadige
handeling. Niet hare moeder maar Heliodora had zij gewenscht den dood
te brengen--waarom had het grillige noodlot...
Daar werd zij gestoord, want de jonge vrouw, tot wie de droeve
tijding was doorgedrongen, zocht haar op, om haar te troosten
en hare hulp aan te bieden. Zij sprak het meisje liefderijk toe,
doch hare zachte welluidende stem herinnerde Katharina aan de ure
na den dood des bisschops, en toen Heliodora de armen uitstrekte,
om haar te omhelzen, ging zij achteruit en verzocht met een heesche,
ruwe stem haar niet aan te raken want aan hare kleederen kleefde de
smetstof. Zij had geen troost noodig; zij begeerde slechts alleen te
zijn, geheel alleen, en niets meer.
Deze laatste woorden klonken hard en onvriendelijk, en toen de
deur zich achter de jonge vrouw sloot, zag Katharina haar vijandig
na. Waarom was de dood deze voorbijgegaan en had hij juist haar als
offer geëischt, wier verlies voor haar onherstelbaar was? Nu trad
het beeld harer moeder haar levendig voor den geest; zij ijlde weder
naar het sterfbed terug en wierp zich daarbij op de knieën. Maar
ook hier kon zij het niet lang uithouden; zij ging naar den tuin en
zocht elk plekje op, waar zij met hare moeder geweest was. Doch zij
hoorde zulk een vreemd gekraak in de boschjes, de boomen en heesters
wierpen zulke wonderlijke schaduwen, dat zij het morgenlicht als eene
uitkomst begroette.
Toen zij het huis weder binnen wilde gaan, kwam haar zoogbroeder
Anubis haar te gemoet hinken. Die arme schelm! Ook dezen had zij
kreupel gemaakt, ook zijne moeder was door haar toedoen aan de pest
bezweken. De knaap sprak haar aan en gaf haar zijne deelneming te
kennen, zij liet zich dit welgevallen, maar zeide zulke zonderlinge
dingen en gaf hem zulke verkeerde antwoorden, dat hij vreesde dat
de smart haar in het hoofd was geslagen. Zonder eenige aanleiding
deed zij hem ook de vraag, hoeveel zij nu wel bezat, en daar hij
van den rentmeester wist, hoe groot ongeveer het vermogen was en
het haar mededeelen kon, sloeg zij de handen in elkaar; want hoe
kon een enkel mensch, die geen koning was, zulke groote rijkdommen
bezitten? Eindelijk vroeg zij hem of hij ook wist hoe men een testament
moest opstellen, en ook daarop durfde hij toestemmend antwoorden.
Zij liet er zich door hem eene beschrijving van geven en hij voegde
erbij, dat de onderteekening door getuigen geldig gemaakt moest worden;
maar zij was toch nog te jong, om aan het opstellen van een uitersten
wil te denken.
"Waarom?" vroeg zij. "Is Paula dan zooveel ouder dan ik?"
"En overmorgen," liet de knaap erop volgen, "werpt men haar toch in
den Nijl. Het volk noemt haar algemeen 'De Nijlbruid'."
Daar speelde weder het hatelijk, van innig leedvermaak getuigende
lachje om haar mond; maar zij onderdrukte het spoedig en liep rechtdoor
naar huis.
Voor de deur vraagde hij haar schuchter, of hij de meesteres nog eens
zien mocht, maar zij moest hem dit weigeren om de besmetting.
"Wat gij niet vreest, vrees ik ook niet," antwoordde hij trotsch,
en volgde haar naar het sterfbed, waar het lijk, na een bad te hebben
ondergaan, thans keurig uitgedoscht lag. Toen hij Katharina de hand
van de gestorvene zag kussen, drukte hij, zoodra zij even omkeek, zijne
lippen op dezelfde plaats, die de hare hadden aangeraakt. Daarop zette
hij zich naast het sterfbed neer en bleef daar tot zij hem wegzond.
Vóor het middag was verscheen de bisschop weder en zegende
de ontslapene in. Hij vond haar geheel door kostelijke bloemen
omgeven. Katharina was weder in den tuin geweest, had de schoonste
en zeldzaamste afgesneden en de hovenier wel veroorloofd haar den
korf na te dragen, maar niet haar bij het plukken behulpzaam te
zijn. Het gevoel althans nog iets voor hare moeder te kunnen doen, was
vertroostend voor haar geweest, doch hare omgeving kwam haar bij dag
nog onverdragelijker voor dan bij nacht. Alles scheen haar zoo groot,
zoo ruw, zoo aanmatigend, zoo dreigend toe, en herinnerde haar aan een
onrecht of eene daad, waarover zij zich schaamde. Ieder open oog, zoo
meende zij, moest haar doorzien, en soms was het haar als waggelden
de zuilen van de groote feestzaal, waarin het lijk nu stond, en als
maakte de zoldering zich gereed in te storten om haar te verpletteren.
Alsof zij er in het geheel niet bij was, zoo gaf zij telkens geheel
verkeerde antwoorden op de vragen van den bisschop. Deze meende
dat zij te zeer onder den invloed verkeerde van hare groote smart,
en om aan hare gedachten eene andere richting te geven, vertelde
hij haar van Paula. Daar hij geloofde, dat Katharina haar liefhad,
deelde hij haar in vertrouwen mede, dat hij haar gisteren bij Orion
gebracht en hare verloving met hem ingezegend had.
Daar vertrok zich opeens haar gelaat op een wijze, die den bisschop
verschrikte, en gedurende den vreeselijken strijd, die in haar
binnenste woedde, bewoog zich haar boezem onstuimig en krampachtig
op en neer; ten laatste kon zij niets anders uitbrengen dan de vraag:
"En zal men haar toch offeren?"
De prelaat meende haar te begrijpen. Zij stond zeker onder den indruk
van het ontzettend en gruwzaam einde, dat deze jonge bruid bedreigde,
en hij antwoordde op klagenden toon: "Ik zal de vermetelen niet kunnen
terughouden, en toch zal ook het laatste middel niet onbeproefd
blijven. Het schrijven van den patriarch, dat deze waanzinnige
schanddaad afkeurt, wordt heden uitgedeeld, en op de kurie zal ikzelf
het voorlezen, toelichten en trachten er partij van te trekken door
het nog te verscherpen. Wenscht gij het te lezen?"
Daar zij deze vraag met welgevallen toestemmend beantwoordde, wenkte
de prelaat den akoluth, die hem met het heilige gereedschap gevolgd
was, en deze haalde uit een pakje een blad, dat hij haar overhandigde.
Zoodra zij alleen was, doorlas zij den brief van den patriarch,
eerst vluchtig, zonder den inhoud recht te begrijpen, dan met grooter
inspanning en eindelijk opmerkzaam en met klimmende belangstelling,
opgewonden door hetgeen zij zelve er bij dacht, en ten laatste
met fonkelende oogen en versnelde ademhaling, als had dit schrift
betrekking op haarzelve en besliste het over haar levenslot. Toen de
lijkdragers verschenen, zat zij nog op dezelfde plaats, onophoudelijk
op het papyrusblad starende. Zij rees nu op, maakte eene beweging alsof
zij iets van zich afschudde, en nam afscheid van het verstijfde, koude
omhulsel harer moeder, aan wier warm hart zij zoo vaak had gerust,
die bij haar leven haar het meest had liefgehad. Doch ook thans werd
haar de weldaad ontzegd van te kunnen weenen. Zij gevoelde nu niets
meer van de diepe gewetenswroeging, die haar gepijnigd had, want het
was haar alsof de gemeenschap tusschen haar en de gestorvene met den
dood niet was afgesloten, als stond haar na eene korte scheiding een
wederzien te wachten, misschien spoedig, misschien reeds morgen,
en met dat wederzien eene verklaring, eene openbaring van hare
hartsgeheimen, eene opheldering van al het gebeurde, zoo open, zoo
zonder achterhouding, als nooit mogelijk was tusschen sterfelijke
menschen, zelfs niet tusschen dochter en moeder. Wanneer die doove,
blinde, gevoellooze ontslapene met helderder oogen dan zij als mensch
bezat, met geestelijke ooren en gevoelszenuwen daarboven nog eens
alles en alles zag, hoorde, onderzocht, overwoog wat haar bejegend en
aangedaan was, wat zij gevoeld en wat haar tot dit uiterste gebracht
had dan, zeide zij tot zichzelve, zou zij haar misschien harder
berispen en bestraffen dan ooit te voren op aarde, maar haar ook
krachtiger aan haar hart drukken en inniger trachten te troosten.
Zij fluisterde de doode in het oor, als leefde hare moeder nog:
"Wacht maar, wacht, ik kom spoedig, om u alles te openbaren!" Daarop
kuste zij haar zoo onbezorgd en hartelijk, dat de nonnen ontsteld
haar van het lijk terugtrokken en de lijkbezorgers bevalen de kist
te sluiten. Dezen gehoorzaamden en toen het houten deksel over de
ontslapene werd gelegd, en krakend in de gleuven van de kist werd
gewrongen, zoodat de doode aan Katharinas oogen werd onttrokken,
brak de dam, die tot hiertoe hare tranen had teruggehouden, en begon
zij bitter te weenen. Eerst nu overweldigde haar het gevoel geheel,
dat zij hare moeder had verloren, dat zij eene verlatene wees was,
en alleen stond, geheel alleen in de wijde wereld.
Zij zag en hoorde niet wat er verder met het geliefde lijk gebeurde,
want toen zij de handen weder wegnam van het in tranen badende gelaat,
was de meesteres uit het huis van de rijke weduwe Susanna verdwenen,
had men haar stoffelijk overschot naar het naastbijzijnde pesthuis
gedragen.--De wet verbood de lijken langer in huis te houden, en
schreef voor, dat zij eerst des nachts begraven mochten worden. Zelfs
het eigen kind mocht de moeder niet naar het kerkhof volgen.
Met gebogen hoofd begaf Katharina zich naar hare kamer terug, en
staarde van daar in den tuin. Dat alles was nu haar eigendom, daarmede
en met hoeveel meer, mocht zij thans handelen naar welgevallen,
vrij en ongehinderd, gelijk tot hiertoe met haar vogel, haar hondje
en de sieraden daar op haar kaptafel. Honderden kon zij gelukkig
maken met éen woord, met éene beweging harer hand, zichzelve alleen
niet. Zoo geheel volwassen, zoo zelfstandig, zoo vrouwelijk, ja zoo
machtig en toch tegelijk zoo nameloos ellendig en onmachtig als in
deze ure had zij zich nog niet gevoeld. Wat zou zij beginnen met al
dat klatergoud? Het was niet voldoende om ook maar éen zielsverlangen
te bevredigen!
Zij had met eene belofte van hare moeder afscheid genomen; die vurige
begeerte, die hare geheele ziel vervulde, hield niet op zich te doen
gevoelen, en nu had zij door den brief van den patriarch een wenk
ontvangen, om tot het houden dier belofte, het stillen dier begeerte
te geraken. Onverwijld nam zij dit schrijven weder ter hand en las
het nog eens over. Het begon met eene strenge veroordeeling van het
voornemen der misleide Memphieten. Vervolgens stelde het in het licht,
dat Jezus Christus door zijne zelfopofferend sterven de wereld had
verlost, en met zijn goddelijk bloed den hemel het verlangen naar
menschenoffers had afgekocht. In het uitgestrekt gebied, dat zegenend
door het kruis werd beschaduwd, was daarom elk menschenoffer eene
nuttelooze, eene vloekwaardige gruweldaad. Daarop toonde hij aan,
hoe de heidenen zich hunne goden hadden voorgesteld, als zwakke,
zinnelijke, zondige menschen, en daarnaar ook hunne offeranden hadden
ingericht. "Doch onze God," ging het voort, "staat zooverre boven het
menschelijke, als de geest boven het vleesch, en de offers die hij
verlangt, vraagt hij niet van het vleesch, maar van den geest. Moet
hij zich niet bedroefd en toornig afwenden van de verblinde christenen
te Memphis, die in allen deele willen voelen en handelen als dwaze,
gruwzame heidenen? Zij willen slechts eene vreemde offeren, eene die
een ander geloof omhelst, en wanen dat dit den gruwel voor de oogen
des Heeren zal verminderen; maar Hij heeft er desniettemin een afschuw
van; want geen menschenbloed mag de gewijde, reine altaren van ons
zachtaardig geloof bezoedelen, dat leven wil brengen, niet den dood.
"Zou--vraag dit, mijn broeder, aan uwe verblinde en verdoolde
schapen--zou de vader der liefde zich verblijden over het gezicht
van een kind, al is het ook een afgedwaald, dat men ter eere van Hem,
den Allerhoogste, in de golven verstikt, terwijl het zich daartegen
verzet en zijne overweldigers vloekt? Ja, als er eene reine jonkvrouw
gevonden kon worden, die door de zaligmakende geestdrift der goddelijke
liefde was aangegrepen, die vrijwillig, naar het voorbeeld van hem,
die door zijn dood de menschheid verloste, zich in de wateren stortte,
en in heilige verrukking met stokkende stem ten hemel riep: 'Neem
mij en mijne onschuld als offer aan, Heer, en red mijn volk uit zijne
ellende!' ja dat zou eerst een waardig offer zijn, en misschien zou de
Heer zeggen: 'Ik neem het aan; maar de wil alleen is mij genoeg. Geen
mijner kinderen werpe het leven weg, dat ik het als heiligste en
dierbaarste gave verleende!'"--Vrome vermaningen aan de gemeente
vormden het slot van dit schrijven.
Eene jonkvrouw, die zich vrijwillig prijsgeeft aan de golven, om
haar volk uit den nood te redden, zij, zeide de man Gods, door wiens
mond de Allerhoogste zelf sprak, zou een offer zijn, dat den hemel
welbehagelijk is. Deze uitspraak, deze wenk was als een spinrokken,
waarvan Katharina in den geest de draden harer gedachten al verder
en verder uitspon, om die op het weefgetouw te spannen en er een
bruikbare stof van maken. Zij wilde de jonkvrouw zijn, op wie
de patriarch had gewezen, de rechte, de ware Nijlbruid, die het
jonge leven vol geestdrift prijsgaf, om haar volk uit den nood te
redden. Daarin lag eene verzoening, die de hemel kon aannemen, dat
verloste haar van den last des levens, die haar drukte, dat bracht
haar bij hare moeder terug, daarmede toonde zij haren geliefde,
den bisschop, der wereld de grootte van hare offervaardigheid, die
in niets achterstond bij die "der andere," der hooggeroemde dochter
van Thomas. Voor hare oogen, ten aanzien van het gansche volk wilde
zij de groote daad volbrengen. Doch Orion moest weten met welk beeld
in het hart en uit liefde tot wien zij in den bloei des levens den
sprong deed in het vochtige graf der golven.
O, hoe wonderbaar, hoe heerlijk! Legde zij hem daardoor niet de
volstrekte noodzakelijkheid op aan haar te blijven denken, zoo vaak
hij ook aan Paula dacht? Ja, zóo dwong zij hem haar eigen beeld
onafscheidelijk van dat "der andere" in zijne ziel te laten wonen. En
moest door deze voorbeeldelooze daad hare gestalte niet zoo hoog
rijzen, dat zij in de voorstelling aller menschen en ook in de zijne
de groote Damasceensche gelijk kwam? Van nu aan smachtte zij naar de
gewichtige ure. Haar ijdel hartje lachte de voorsmaak toe der vreugde,
door ieder gezien, geprezen, bewonderd te worden. Morgen zou zij,
de kleine, boven ieder uitsteken, en hoe gevoeliger de gloed van den
brandende zon haar drukte, des te aangenamer scheen het haar toe,
die het baden een genot vond, in het koele element rust te vinden na
de marteling des levens. Deze daad uit te voeren, scheen haar niet
moeilijk. Zij was thans meesteres, en slaven en beambten moesten
uitvoeren, wat zij beval.
Bij dat alles was zij ook bedacht te zorgen, dat hare uitgebreide
bezittingen niet in handen vielen van verwanten, die zij weinig genegen
was. Zij stelde dus met vaste hand een testament op, waarin zij een
deel van haar vermogen vermaakte aan haar oom Chrysippus, een kleiner
deel aan haren zoogbroeder en aan de weduwe van Rufinus, bij wie zij
een groot onrecht had goed te maken. De grootste helft harer bezitting,
die op vele millioenen geschat werd, vermaakte zij aan haar geliefden
vriend Orion, dien zij alles vergaf, en aan wien zij hoopte getoond
te hebben, dat in het kleine "kwikstaartje" toch plaats was voor iets
groots. Zij verzocht hem ook haar huis aan te nemen, daar hij door haar
toedoen het huis zijns vaders verloren had. De bepaling, die zij aan
deze nalatenschap verbond, bewees hoe bedachtzaam en helder van geest
zij tot den einde toe was geweest. Zij wist, dat de verbolgenheid van
den patriarch voor den jongen man gevaarlijk kon worden; om in dit
opzicht te bemiddelen en tegelijkertijd zich van de voorspraak der
kerk te verzekeren, waarop zij prijs stelde, schreef zij Orion voor,
het grootste gedeelte van het door hem geërfde aan den patriarch over
te geven voor de kerk en voor weldadige doeleinden; echter niet opeens,
maar in tien jaren, en bij gedeelten, zoo groot als Orion geheel naar
eigen inzicht zou willen vaststellen. Indien de zoon van den Mukaukas
binnen drie jaar kwam te sterven, zouden zijne rechten als erfgenaam
op haar oom Chrysippus overgaan. Aan de kerk, waartoe zij behoorde met
geheel haar hart, richtte zij de bede, jaarlijks in alle godshuizen des
lands voor haar en hare moeder op hare naamdagen te laten bidden. Als
de patriarch haar zulk eene eer waardig keurde, zou de bidkapel, die
moest opgericht worden ter plaatse van haar verscheiden, de Susanna-
en Katharina-kapel genoemd worden. Eindelijk maakte zij alle slaven
vrij en bedacht zij rijkelijk de beambten des huizes.
Terwijl zij dezen haar laatsten wil gedurende vele uren onder ernstig
nadenken opstelde, lachte zij vaak tevreden bij zichzelve. Zij
schreef het stuk eigenhandig netjes over, en liet ten laatste den
arts en alle vrije beambten des huizes hare handteekening als getuigen
bevestigen. Hoewel niemand vermoedde welk voornemen het kwikstaartje
bezielde, zoo verwonderde toch niemand er zich over, dat de jonge in
een verpest huis opgeslotene erfgename over haar vermogen beschikte. De
arts bracht, vóor het nacht werd, den overste der stad, Alexander,
een oud vriend haars vaders, die na den dood van den Mukaukas haar
voogd was geworden, op haar verlangen aan de tuinpoort, en deze
sprak daardoor met Katharina, was bereid haar als kurios te dienen,
en bevestigde als zoodanig het testament en de onderteekeningen,
hoewel zij hem het document niet wilde laten lezen. Eindelijk begaf zij
zich naar het slavenverblijf, waaruit men weder eenige zieken naar de
Necropolis had gedragen, en beval den schippers morgen vroeg de groote
feestboot gereed te maken, daar zij het offer op de rivier wilde
aanschouwen. Zij schreef den tuinlieden voor, hoe zij het vaartuig
optooien moesten en welke bloemen zij voor haarzelve hadden te snijden.
Veel minder opgewonden dan gisteren begaf zij zich daarop ter ruste,
en vóor zij nog het avondgebed geëindigd had, viel de zwaarvermoeide
in een diepen slaap. Toen zij na zonsopgang ontwaakte, vond zij het
groote, prachtige vaartuig, hetwelk haar vader te Alexandrië had laten
bouwen, geheel bemand en tot de afvaart gereed. Ongehinderd besteeg
zij het met Anubis en eenige dienende vrouwen, daar al de wachters,
die het huis gisteren nog omsingeld hadden, waren saamgetrokken in
de stad voor het groote offer- en bruiloftsfeest, waarbij het licht
onstuimig kon toegaan.