Reeds hadden zich gedurende den nacht aan den oever niet ver van
de herberg van Nesptah talrijke toeschouwers verzameld. De menigte
groeide ieder oogenblik aan, en niettegenstaande de groote hitte van
dezen morgen kon geen Memphiet in huis blijven. Mannen, vrouwen en
kinderen stroomden naar de feestplaats; ook uit de naburige steden,
vlekken en dorpen kwamen ze bij duizenden, om van het ongehoorde offer
getuigen te zijn, dat aan den nood des lands een einde zou maken. Wie
had ooit van zulk een huwelijksfeest gehoord? Welk een geluk, welk
een voorrecht het te kunnen bijwonen!
De senaat had niet stil gezeten en het zijne gedaan, om het feest op
te luisteren, ten einde zoovelen als mogelijk was in staat te stellen
van het schouwspel te genieten, dat tot stand was gekomen door hunne
medewerking en offervaardigheid. Rondom de haven van Nesptah had
men in een grooten halven cirkel houten stellages gebouwd, waarop
duizenden zit- en staanplaatsen konden vinden. Voor de bouleuten en
hunne familiën, evenals voor de opperhoofden der Arabieren, waren
in het midden van deze tribune bijzondere afdeelingen gemaakt, met
tapijten behangen, en daarin stonden hooge leuningstoelen gereed
voor den Wekil Obada, den kadhi, den stadsoverste, den ouden Horus
Appollon en ook voor de geestelijkheid, ofschoon men wel wist, dat
zij aan dit feest geen deel zou nemen.
Het geringe volk, dat geen middelen had, om zich den toegang tot deze
estrade te koopen, had zich met vrouw en kind aan den oever gelegerd,
en een aantal handelaars waren van alle zijden gekomen en boden,
waar de menigte het dichtst was, op tweewielige karretjes of kleine
tapijten, die zij voor zich hadden uitgespreid, verfrisschende dranken
en eetwaren te koop. Ook bij de tribune hielden de waterdragers,
die gezuiverd Nijlwater of vruchtensappen aanboden, niet op met roepen.
In de dorre kronen der palmen van Nesptah, waar anders tortels, hoppen
en musschen huisden, had thans de straatjeugd der stad zich plaatsen
veroverd, en plukte voor tijdverdrijf de verschrompelde zieke dadels
uit de zware vruchtbundels, om ze den nieuwsgierigen voor de voeten
of op het hoofd te werpen, tot de wachters dit in het oog kregen en
het verboden.
Het voornaamste aantrekkingspunt voor aller oogen vormde de ver in
den ondiepen stroom uitgebouwde brugvormige houten estrade, van
waar de Nijlbruid den smachtenden verloofde in de vochtige armen
zou worden geworpen. Aan dit toestel hadden zij, die het feest in
gereedheid brachten, al hunne kunst besteed, want het was overrijk
versierd met tapijten en doeken, palmwaaiers en vaandeltjes, met
zware guirlandes van tamarisken en wilgenloof, waaruit eene menigte
lotusbloemen, malva's, leliën en rozen helder en schoon te voorschijn
kwamen, alsmede met kransen, de wapens van de gouw en andere vergulde
sieraden. Alleen het uiterste gedeelte was geheel naakt gebleven;
men had hier zelfs de leuningen weggelaten, om niets te doen ontgaan
aan de oogen, die op de "echtvereeniging" gericht zouden zijn.
Op de derde ure vóor den middag ontbraken alleen nog maar zij, voor
wie de plaatsen gereed werden gehouden, en de nieuwsgierigheid deed ook
hen weldra verschijnen. De veiligheidsbeambten hadden handen vol werk,
om te verhoeden, dat de voorste rijen der toeschouwers niet door de
achterste in den stroom werden gedrongen; wel was dit niet overal te
voorkomen, doch door den vlakken oever leed niemand schade. Toch hieven
zij, die telkens in gevaar verkeerden, zulk een geschreeuw aan, dat het
de muziek overstemde der op de tribune geplaatste muzikanten, alsmede
de kreten van bijval, die zich lieten hooren, zoodra de oude Horus
Apollon, die op zijn witten ezel vroolijk en frisch als een jongeling
dan hier dan daar was, of een der hoogere beambten van de stad zich
vertoonde. Op enkele plaatsen hoorde men niets dan jammerkreten
en stoven de saamgedrongen groepen huilende uit elkander. Hier had
een zonnesteek een burger getroffen, daar de pest een nieuwsgierige
aangetast. De vluchtenden sleurden anderen met zich voort; gillende
moeders zochten hare kleinen voor dooddrukken of voor besmetting te
bewaren; de wagen van een koopman werd omgesmeten, zoodat de eieren en
koeken onder den voet raakten; een geheele hoop menschen viel in een
diep, half uitgedroogd kanaal. De veiligheidsbeambten zwaaiden hunne
stokken en zochten schreeuwende en weer nieuw geschreeuw verwekkende,
de orde te bewaren; doch dit alles oefende maar vluchtig eenigen
invloed uit op de groote massa toeschouwers.
Op eens kwam er overal stilte, de verwarring hield op, het geschreeuw
verstomde. Wie thans ook onder den voet raken, door de ziekte
aangetast, doodgedrukt, of op andere wijze sterven mocht, het deed
er niet toe. Uit de richting van de stad liet zich bazuingeschal en
gezang hooren, de processie, de bruidsstoet naderde. Liever wilde men
het besterven, dan dat het oog ook maar een tooneel van dit geheel
eenig schouwspel zou ontgaan.
Wat gekken waren toch die Arabieren! Van hunne hoogste beambten waren
behalve de zwarte Wekil maar drie verschenen, die niemand kende. Zelfs
de kadhi zocht men tevergeefs. Hij had zeker de muzelmansche vrouwen
verboden dit schouwspel aan te zien, want geen gesluierde schoone uit
den harem was heden te bekennen. Van de Egyptische vrouwen zou zelfs
de laatste zijn verschenen, indien de pest niet velen in hare huizen
opgesloten had gehouden. Zoo iets beleefde men toch niet weder; wat
hier gebeuren zou, daarvan zou men nog in later jaren de kleinkinderen
kunnen vertellen!
Het gezang en de muziek kwamen steeds nader, maar waarlijk, dat klonk
niet, alsof men een mensch geleidde naar zijn afgrijselijk graf. De
eene fanfare volgde op de andere, en schetterde door de lucht,
allen opwekkende tot feestelijk gejubel. Er weerklonken vroolijke
bruiloftsliederen, die den hoorenden al nader en nader kwamen. De
hooge koren der knapen en meisjes overstemden het krachtig maar dieper
gezang van jongelingen, mannen en grijsaards. Schelle fluittonen
verhoogden de feestelijke stemming en het dof geluid der trommen
dreunde in vaste maat als het bruisen der zee. Daartusschen klonken
cimbalen en rinkelden de schelletjes in de randen der tamboerijnen,
die maagdelijke handen in feestroes over hare lokken zwaaiden,
schudden en sloegen, terwijl luitspelers lieflijke klanken uit de
snaren te voorschijn riepen. Toen deze geweldige stroom van allerlei
tonen zeer dicht in de nabijheid was gekomen, liet zich reeds uit de
verte nieuw gezang en nieuwe muziek vernemen.
Voor die aan den stroom stonden te luisteren, scheen de optocht
onafzienbaar, en wat het gehoor had waargenomen, werd weldra door de
oogen gezien. Allen waren een en al aandacht, tuurden en staken de
hoofden naar voren, om de Nijlbruid en haar gevolg te zien. Ieders
blik scheen gedwongen, om dezelfde richting te volgen. Daar verschenen
voor allen de fanfareblazers op vurige paarden; zij schaarden zich aan
beide zijden van de straat aan den oever, die tot het tooneel van de
bruiloft leidde. Voor hen plaatste zich links het koor der vrouwen,
rechts de mannen, die achter de eersten aankwamen, beiden in lichte,
zeegroene kleederen, overvloedig met lotusbloemen getooid. De losse
haren der vrouwen, die met witte bloemklokjes doorvlochten waren,
golfden over hare schouders; de mannen droegen papyrus en riet in de
handen, als vertegenwoordigden zij riviergoden, die uit de golven
waren opgekomen. Vervolgens verschenen jongelingen en gebaarde
gestalten in witte gewaden met pantervellen over de schouders,
zooals ze weleer door de heidensche priesters werden gedragen. Twee
grijsaards met golvende witte baarden leidden dezen optocht, de een
met een zilveren, de ander met een gouden schaal in de rechterhand,
gereed, om dezen als eerste offers, naar de gewoonte der vaderen,
zooals Horus Apollon medegedeeld en voorgeschreven had, in den
vloed te slingeren. Zij liepen de houten estrade op tot aan het
einde en plaatsten zich aan beide zijden van het eindvlak, vanwaar
de Nijlbruid met den stroom vereenigd zou worden. Op dezen volgde
eene groote afdeeling fluitblazers en trommelslagers, en daarop weder
vijftig meisjes, die de tamboerijnen zwaaiden en even zoovele mannen,
allen gekleed en uitgedost als het gevolg van Dionusios, den in den
Romeinschen tijd vereerden Osiris Bacchus. Daaronder merkte men ook
den dronken Silenus op, alsmede saters met bokspooten en Pans, allen
op grauwe en wonderlijk geel geverfde ezels, met uit vele rietpijpen
bestaande herdersfluiten aan den mond.
Na dezen stoet werden giraffen, olifanten, struisvogels, antilopen,
gazellen, zelfs eenige getemde leeuwen en panters voorbij de
nieuwsgierige volksmenigte gevoerd. Men had dit ook gezien bij den
beroemden feestelijken optocht ter eere van den tweeden Ptolomeus,
dien Kallixenos van Rhodos beschreef. Nu volgden op een grooten
door twaalf paarden getrokken wagen, de symbolische gestalten der
geketende en ten onder gebrachte pest en nood, met vele schreiende,
zwartgemaakte, aan palen gebonden kinderen, met spichtige vleugels op
den rug en hoornen op het voorhoofd, die het hellengebroed tegelijk
fraai en afzichtelijk moesten voorstellen. Op een anderen wagen zag
men de godin van den overvloed. Zij was aan alle zijden door garven,
vruchten en wijngaardranken omgeven, en werd door knapen en meisjes met
ooft en korenaren, met granaatappels en dadelbundels, met wijnkruiken
en bokalen in de handen omringd.
Hierop vertoonde zich in eene door acht sneeuwwitte paarden getrokken
schelp, als rustte zij in een bad, de godin der gezondheid met eene
gouden schaal in de eene en een slangenstaf in de andere hand, en
daarachter de aanstaande gemaal van de Nijlbruid, de stroomgod, volgens
het beroemde standbeeld, hetwelk de Romeinen uit Alexandrië hadden
weggevoerd: de schoone, krachtvolle, gebaarde gestalte van een man,
wiens bovenlijf op eene verbazende urn rust. Zestien naakte kindertjes,
voorstellende de zestien ellen, die de stroom moest stijgen, wanneer
zijn was het land zegen zou brengen, speelden rondom zijne herculische
gestalte, en een dichte bruiloftskrans van lotusbloemen rustte op zijne
golvende lokken. Krokodillen, bundels korenaren, dadels, druiven en
schelpen versierden dezen met gejuich begroeten wagen, door grijsaards
in heidensche priesterdracht omgeven. Nu volgden weder afdeelingen
muzikanten en koren, en dan eene schaar van jongelingen en meisjes,
voorafgegaan door zingende luitspelers. Ook zij waren gekleed als
mannelijke en vrouwelijke stroomgoden, en stelden de speelnooten van
bruid en bruidegom voor: het bruiloftsgeleide der verloofden. Hoe
grooter het gedeelte werd van den stoet, dat was voorbijgetrokken,
des te nader kwam het lang verwachte offer, en met des te grooter
spanning luisterde en keek de menigte.
Nadat de jongelingen en meisjes voorbijgetrokken waren, werd het
stiller op de tribune en onder het volk. Niemand voelde de gloeiende
zonnehitte, noch lette op de droogte van zijne tong; aller oogen
bleven dezelfde richting volgen, alleen de zwarte Wekil, wiens hoog
opgerichte reuzengestalte voor allen zichtbaar was, wendde van tijd tot
tijd met inspanning zijn loerenden blik naar de stad. Hij verwachtte
rook te zullen zien opstijgen uit dat gedeelte waar de gevangenis
stond; opeens opende hij de lippen, en met een hoonenden lach toonde
hij zijne sneeuwwitte, glinsterende tanden. Dat, waarop hij hoopte,
was verschenen; het grijze wolkje, waarnaar hij had uitgezien, werd
al zwarter en zwarter, en nu vertoonde zich in zijn midden een roode
gloed, dien zijn oorsprong niet aan de zon ontleende. Doch onder de
duizenden was hij de eenige, die naar achteren zag en het opmerkte.
Nu betrad het bruiloftsgevolg het houten getimmerte in den stroom,
daarop een nieuw koor van jongelingen met pantervellen over de
schouders, en nu--eindelijk, eindelijk--kwam een wagen aanschommelen,
die door acht koolzwarte, met groene struisvederen en waterplanten
versierde stieren werd getrokken. Een hoog baldakijn, tegen wier
pijlers vier mannen in de dracht van heidensche offerpriesters geleund
stonden, overschaduwde den wagen, en onder dit met lotusbloemen en
slingers van riet rijk getooide schutdak rustte, omgeven van groenen
papyrus, rietgras, hooge biezen en bloeiende waterplanten, de koningin
van het feest--de Nijlbruid.
In een wit gewaad en geheel gesluierd zat zij daar roerloos. Het
lange, zware, bruine haar golfde los langs hare schouders, en voor
haar lagen een krans en een aantal zeldzame rozenroode lotusbloemen
op den grond. Tot hiertoe had de bisschop naast haar gezeten,
de eerste christelijke geestelijke, die in het van geestelijken
en monniken wemelende Memphis op deze schouwplaats van heidensche
ongerechtigheid verscheen. Thans stond hij overeind en zag met gefronst
voorhoofd en sombere, dreigende blikken de menigte aan. Wat hadden de
boetpredikatiën in alle kerken, wat zijne vermaningen en bedreigingen
en die van de gezamenlijke geestelijkheid gebaat? Trots ieder verzet
had hij met de veroordeelde den wagen bestegen, nadat hij hare ziel
nogmaals had getroost. Het kon hem het leven kosten, doch hij hield
zijne belofte.
Paula hield Orions laatste groet, eene roos, die vrouw Martina hem
gebracht had, en eene andere, die Pulcheria heden zeer vroeg haar
was komen brengen, in de hand. Gisteren had haar stervende vader
in eene heldere ure haar van ganscher harte zijn zegen gegeven,
zonder te vermoeden wat haar wachtte. Heden was hij nog niet weder
bijgekomen, en had de afscheidskus, die zij hem gaf, noch gevoeld,
noch beantwoord. Onbewust was hij uit de gevangenis naar buiten, en
vandaar naar het huis van Rufinus gedragen. Vrouw Johanna had zich
het voorrecht niet laten ontnemen hem tot zich te nemen en tot aan
zijn einde te verplegen. Orions laatste schriftelijke groet was Paula
kort voor het wegrijden overhandigd; deze hield het bericht in, dat
zijn werk thans gereed was. Men had hem medegedeeld, dat niet heden,
maar morgen het ontzettend feit zou plaats hebben, en het was haar
tot troost, dat hem de marteling bespaard bleef, haar in den geest
op haren vreeselijken tocht te volgen.
De vrouwen, die gekomen waren, om haar in bruidstooi te kleeden,
had zij laten begaan. Onder deze was ook Emau, de vrouw van
den gevangenbewaarder, wier medelijdende tranenvloed haar goed
deed. Doch reeds in het voorhof der gevangenis had zij de gedachte
niet kunnen verdragen, zich in het bloementooisel eener bruid aan de
haar aangapende menigte te vertoonen; zij had alles op den wagen van
haar lijf getrokken en op den grond geworpen. De weg naar den stroom
was haar lang, oneindig lang gevallen, maar zij had de nieuwsgierige
menigte met geen blik verwaardigd en niet opgehouden haar hart in het
gebed te verheffen. Zoo vaak haar aristocratisch bloed in beweging
was gekomen en de vertwijfeling haar dreigde te overweldigen, had
zij de hand van den bisschop gegrepen, en deze had niet opgehouden
haar toe te spreken, haar te bezweren, om de liefde en het geloof te
bewaren en ook de hoop niet te laten zinken.
En zoo was men aan de estrade gekomen, aan welker einde het leven
in eene andere wereld voor haar zou aanvangen. Het geschreeuw der
volksmenigte had nog niet zoo luide en jubelend, zoo vol blijde
verwachting geklonken als thans; muziek en gezang vermengden zich met
het gebrul van duizenden, en als beneveld liet zij zich van den wagen
tillen, volgde zij de jongelingen en maagden, die haar bruidsstoet
zouden uitmaken, en die in afwisselende koren voor haar uit den
schoonsten hymenaeus van de Lesbische Sappho zongen.
De bisschop beproefde thans tot de menigte te spreken, maar hij
werd spoedig tot zwijgen gebracht. Hij plaatste zich nu weder aan
hare zijde en aan zijne hand betrad zij de brug. Zij verzamelde
al wat zij aan kracht, aan trots en heldenmoed bezat, om rechtop,
zonder te wankelen, den laatsten gang te volbrengen, en reeds had
zij in waardige houding, zoo majestueus, als liep zij daarheen, om
gehoorzaamheid van deze menigte te eischen, het midden van de houten
brug bereikt, toen achter haar op de losse planken hoefslagen dreunden.
De oude Horus Apollon had haar op zijn witten ezel ingehaald en
versperde haar den weg. Buiten adem, badende in het zweet, gebood hij
haar op hoonenden, zegevierenden toon het aangezicht te ontsluieren, en
den bisschop, dat hij haar los zou laten, om den persoon die den Nijl
voorstelde in zijne plaats te laten treden. Dit was een reusachtige
hoefsmid, die hem, hoewel met zijne vermomming verlegen, maar toch
van plan, om zijne rol tot het einde zoo goed mogelijk te spelen,
gevolgd was. Doch de priester en Paula weigerden hem te gehoorzamen.
Daar rukte de oude haar den sluier van het gelaat, wenkte den "Nijlgod"
en deze trad in zijn recht en voerde haar, nadat hij zich eerbiedig
voor Johannes gebogen had, tot aan het uiterste einde der brug, hetgeen
de bisschop niet had kunnen verhinderen. Hier wierpen thans de beide
grijsaards, die het gevolg van Osiris Bacchus waren vooruitgegaan,
de gouden schalen als offer in den vloed, en daarop begon een als
heidensch priester verkleede pleitbezorger in eene goed gestelde rede
de beteekenis van deze trouw en dit offer uiteen te zetten. Daarbij
greep hij Paula's hand, om haar in die van den hoefsmid te leggen,
en deze maakte zich gereed haar in de armen van den vloed te werpen,
als welks vertegenwoordiger hij hier stond.
Doch aan zijn voornemen stelde zich een hinderpaal in den weg. Eene
groote feestboot was zoo dicht mogelijk het houten getimmerte genaderd,
en thans hoorde men van de tribune en uit de menigte, die tot hier
toe in ademlooze spanning het diepste stilzwijgen had bewaard,
ontelbare stemmen schreeuwen: "De feestboot van Susanna!"--"Ziet
op den Nijl, op den vloed!"--"Het kwikstaartje, de dochter van den
rijken Philammon!"--"Een lieflijk gezicht!"--"Eene tweede, eene
andere Nijlbruid!"
Thans wendden zich de blikken der duizenden eenklaps van Paula op
Katharina. De schoone feestboot van Susanna had reeds een uur lang voor
de estrade heen en weer gevaren. De wachters hadden herhaaldelijk
bevolen die op grooter afstand te houden van het tooneel der
trouwplechtigheid, doch zonder gevolg en zij waren niet bij machte,
om met hunne kleine schuitjes geweld te gebruiken tegen het groote
door vijftig matrozen geroeide schip. Het was nu zeer nabij de brug
gekomen, en zou met zijn rijk verguld houtwerk, zijn hoog door zilveren
zuilen gedragen kajuithuisje, zijne purperen keurig gestikte zeilen
een heerlijk, vroolijk gezicht hebben opgeleverd, wanneer de groote
zwarte vlag aan den mast het vaartuig niet tegelijk een ernstig en
treurig aanzien had gegeven.
Katharina had zich in de kajuit door de dienende vrouwen in witte
kleederen doen hullen en zich met zuiver witte bloemen, mirten, rozen
en lotus doen tooien en daarbij alle vragen, die in bezorgdheid tot
haar gericht werden, onbeantwoord gelaten. De kamenier, die de bloemen
op hare borst stak, voelde het hart van de meesteres onder hare vingers
kloppen, en de lotuskelk, die van den schouder op haar vollen boezem
nederviel, rees en daalde, als lag zij op den wiegelenden stroom. Ook
hare lippen waren voortdurend in beweging, en hare wangen bleek als
de dood. "Wat zou zij toch willen?" vroegen zij die haar geleidden
zich af.
Gisteren was hare moeder gestorven en nu woonde zij deze vertooning
bij en gaf den stuurman zelfs bevel naar het houten getimmerte te
varen en in zijne nabijheid te blijven liggen, waar zij door alle
toeschouwers gezien moest worden. Doch zij wenschte blijkbaar zich
in dezen tooi aan het volk te vertoonen en zich te doen bewonderen,
want daar besteeg zij het dak der kajuit. Hoe lieflijk zag zij er uit,
zoo schoon als eene onschuldige engel, terwijl zij de trap opklom,
kinderlijk beschroomd, schuchter en met wijd opengesperde oogen,
als verwachtte zij daar boven iets groots, waarnaar zij lang en van
ganscher harte gesmacht had. Op de laatste trede moest Anubis haar
steunen, want daar knikten hare knieën; doch boven gekomen zond zij
hem terug met de opdracht ook de anderen beneden te houden, want
zij wilde alleen zijn. De knaap, gewoon te gehoorzamen, voldeed aan
haar verlangen.
Zij klom nu op de bank naast de borstwering van het boord, keerde
zich tot Paula, die zij al nader en nader kwam, stak de rechterhand,
waarin zij twee leliestengels hield met heerlijke bloemkelken,
naar haar en den bisschop uit, en op het oogenblik dat de hoefsmid
de ruimte tusschen de brug en het vaartuig met zijn oog mat en de
onmogelijkheid inzag om de Nijlbruid in de diepte te werpen, alvorens
de feestboot zich verder verwijderd had, riep Katharina:
"Eerwaarde vader Johannes en gij allen daar! Ik, ik en niet
de dochter van Thomas! Niet zij, ik, ik, Katharina, ben de ware
Nijlbruid! Vrijwillig, luister naar mij, Johannes! Vrijwillig offer
ik mijn leven op, om mijn arm volk van zijne ellende te redden,
en de patriarch heeft gezegd, dat mijn offer den hemel welgevallig
zal zijn. Vaart allen wel! Bidt voor mij! Erbarm u mijner, mijn
Heiland! Moeder, lieve moeder, ik kom!"
Na deze woorden riep zij den stuurman toe: "Verder van de brug!" en
zoodra enkele riemslagen de feestboot verder op stroom hadden
gebracht, klom zij vlug op de borstwering van het boord, wierp zij
de leliestengels voor haar uit, en liet zij zich glimlachende, met
het hoofd lieflijk ter zijde gebogen en terwijl zij hare kleederen
schroomvallig tegen het lichaam drukte, in het water zinken. De
golven sloten zich boven haar hoofd. Nog even dook zij, die zoo goed
zwemmen kon, weder op, en haar gelaat zag er uit als dat eener badende,
die zich verheugt in de frischheid van het water, dat als streelende
haar omspoelde. Misschien bereikte nog de waanzinnige storm van kreten
haar oor, die uit den mond der onafzienbare menigte van den oever den
bijval, de schrik, het medelijden en de dankbaarheid vertolkten. Daarop
boog zij het hoofd en verdween in de diepte.
De "stroomgod", een goedhartige kerel, die in het dagelijksch leven
zijn evenmensch niet voor zijne oogen kon zien verdrinken, liet Paula
los, vergat zijne rol en sprong Katharina na. Hetzelfde deden haar
zoogbroeder Anubis en eenige matrozen. Doch zij vonden haar niet,
en de knaap, wien het gebroken been in het zwemmen belemmerde, volgde
haar in den dood, die hij met zijne jonge ziel geheel toebehoorde.
Katharinas toespraak hadden alleen zij gehoord, tot wie zij gericht
was. Doch voor zij nog in den vloed was verdwenen richtte de bisschop
Johannes zich tot het volk in zijne nabijheid, hield Paula, die zich
reeds vrij gevoelde, nadat haar verschrikkelijke bruidegom verdwenen
was, vast met de eene hand, zwaaide met de andere het crucifix,
dat aan zijn gordel hing, en riep zoo luid hij kon: "De wensch van
onzen heiligsten vader Benjamin, door wien God zelf tot u spreekt,
is thans vervuld geworden. Uit eigene, edele begeerte heeft zich
eene reine Jacobietische jonkvrouw, van hooge geboorte, naar het
voorbeeld des Heeren, ten behoeve harer lijdende medemenschen voor
uwe oogen opgeofferd. Deze hier," en hij trok Paula nader tot zich,
"deze is vrij; de Nijl heeft zijn offer ontvangen!"
Vóor hij echter nog had uitgesproken en het volk tijd kon vinden,
om zijn oordeel te doen hooren, was de oude Horus Apollon naar hem
toegevlogen en belette hem verder te gaan. Reeds bij het begin der
trouwplechtigheid was hij van zijn ezel gegleden, en om zich zijn offer
niet te laten ontgaan, plaatste hij zich nu tusschen den bisschop en
Paula, greep haar gewaad en riep het koor der jongelingen toe: "Aan
het werk! Spoedig een ander in de plaats van den stroomgod.... En
dan in den vloed met de Nijlbruid!"
Doch de bisschop drong zich andermaal tusschen beiden, om de jonkvrouw
in zijne bescherming te nemen. De oude werd nu als door razernij
aangegrepen, hij vloog op den priester toe, om hem het beeld van den
gekruisigde te ontrukken, waarop Johannes met diepe verontwaardiging
hem toeriep op een toon, die door merg en been ging: "Anathema!" Bij
dit ontzettend woord en het zien van deze heiligschennis kwam bij
de Egyptenaars het christelijk bloed in beweging; de geloofstrouw,
die in zoo menigen strijd proefhoudend was gebleken en in deze dagen
van angst en verschrikking slechts kunstmatig was onderdrukt, deed
zich weder gelden. De aanvoerder van het koor rukte den oude weg en
plaatste zich aan de zijde van den priester. Anderen volgden hem,
terwijl een aantal jeugdige zangers partij koos voor den grijsaard,
die zich aan Paula vastklemde, en liever zelf wilde ondergaan dan
het gehate voorwerp van zijn wraak te zien ontkomen.
Daar vernam men uit de richting van de verlatene stad klokgelui en
een gejoel, dat angst verwekte zonder dat men er eene verklaring voor
kon vinden. Opeens brak een jongeling, met het ontbloote zwaard in
de hand, zich baan door de menigte, in wien de meesten ondanks zijn
gescheurde kleederen, zijne verwilderde haren en zijn zwart geworden
gelaat, Orion herkenden. Alles vloog voor hem uit den weg, die als
een razende voortholde. Toen hij dicht bij het houten uitbouwsel
gekomen in een oogwenk begreep, hoe ver de handeling gevorderd was,
snelde hij met groote stappen door de verkleedden de estrade op, duwde
hier en daar een troep lieden opzij, die hem in den weg stonden, en
voor men nog aan het einde van de brug zijne nadering had opgemerkt,
rukte hij den oude van Paula af, en riep haar bij den naam. Toen zij
half onmachtig van schrik, verrassing en onuitsprekelijke vreugde in
zijne armen zonk, drukte hij haar met de linkerhand vast tegen zich
aan, en het blinkend zwaard in zijne rechterhand en zijne fonkelende
oogen verkondigden ieder, dat men evengoed kon wagen een leeuwin aan
te grijpen, die hare jongen verdedigt, dan dezen radeloozen jonkman,
die bereid was met zijne geliefde te sterven.
Zijn ruk had Horus Appollon ver ter zijde geslingerd, en toen de oude
zich gereed maakte, om zich nog eenmaal op zijn offer te werpen,
geraakte hij midden in een troep lieden, die handgemeen waren
geworden, en stortte met eenige worstelenden, die een wilde hoop
menschen, welke Orion gevolgd was, van den rand der brug afdrong,
in den stroom. De meesten hunner wisten zich door zwemmen te redden,
doch de oude zonk weg en alleen zijn hoog opgeheven vuist zag men
nog een tijdlang dreigend boven de oppervlakte van het water.
Intusschen had ook de Wekil gezien, wat er op de houten brug gebeurde,
en woedend was hij van zijn zetel gesprongen, om op alles orde te
stellen en Orion, dien hij meende herkend te hebben, met eigene hand
gevangen te nemen, of als het zijn moest neer te houwen. Doch duizenden
versperden hem den weg, want onder het geschreeuw van: "Brand! De
gevangenis, de stad staat in vlammen!" was de verschrikkelijke bende
van losgebroken misdadigers, aan het hoofd waarvan Orion verschenen
was, tot het feestterrein doorgedrongen, en nu vloog een ieder weg,
naar Memphis en naar zijn bedreigde woning om zijne have, zijne
achtergeblevene bezittingen en zijne geliefden te redden. Als een
vlucht duiven, die door het gekras van een havik uit elkander wordt
gejaagd, als een hoop dorre herfstbladeren, die door een rukwind
worden opgenomen, zoo stoven de toeschouwers uit elkander. In wilde
haast en onder schromelijke verwarring spoedden zij zich stadwaarts,
sprongen op de wagens van den feestelijken optocht, sneden van die
waarop de godin der gezondheid zat de schimmels los, om op de ruggen
dier paarden naar huis te jagen, wierpen omver al wat hun in den weg
stond, en sleurden de Wekil met zich mede, die met den sabel in de
vuist naar de brug wilde.
Rook en vlammen stegen intusschen al dichter en hooger van de stad ten
hemel, en dreven de vluchtenden voort met geheimzinnige kracht, om zich
te haasten, ten einde nog intijds hunne woningen te bereiken. Doch
vóor de zwarte tot de estrade door kon dringen werd de voortijlende
menigte tegengehouden. Men hoorde hoefslagen naderen. Een dichte
stofwolk maakte wel-is-waar paarden en ruiters nog onzichtbaar,
doch zij die daar kwamen aandraven moesten gewapend zijn, want door
de grijze wolk, die hen omgaf, zag men hier en daar flikkerlichten,
de weerkaatsing der heldere zonnestralen op de blanke, schitterende
helmen, pantsers en zwaarden. Ook de zwarte herkende ze thans. De kadhi
rende vooruit en juist toen de Wekil hen bereikte, sprong hij bij het
houten uitbouwsel uit den zadel, en met den luiden uitroep: "Bevrijd,
gered!" waarin zich al de vreugde van zijn gemoed afspiegelde, stak hij
der jonkvrouw, die aan Orion hangende den oever naderde, de handen toe.
Bij dit alles had Othman den Wekil nog niet opgemerkt, die maar
weinige schreden van hem afstond. Dat "bevrijd, gered!" uit den
mond van den oppersten rechter, verkondigde den zwarte, dat de
begenadiging van zijn jongen doodvijand moest aangekomen zijn, en
deze hield tegelijk de veroordeeling van zijne handelingen in. Hij
had niets meer te hopen, Omar moest nog leven en de aanslag tegen het
leven van den Kalief mislukt zijn. Hem wachtten afzetting, straf,
de dood als Amr terugkeerde; doch hij wilde niet overwonnen worden
zonder den gehaten jonkman, die hem ten val had gebracht, met zich
te slepen in het graf, daarom drong hij den kadhi onverwachts terug
en hief zijn zwaard met een geweldigen zwaai in de hoogte, om Orion
te vellen vóor zijn eigen val. Doch de aanvoerder van de lijfwacht,
die Othman te paard gevolgd was, had zijn voornemen opgemerkt en snel
als de bliksem hieuw hij uit het zadel op den zwarte los, en zijn
kromzwaard trof den Wekil diep in den hals. Met een afgrijselijken
vloek liet Obada zijn arm zinken en zakte voor de oogen van het opnieuw
vereenigde paar reutelend in elkaar. De lieden verzekerden later,
dat zijn bloed niet rood was geweest, gelijk dat van andere menschen,
maar zwart gelijk zijn lichaam en zijne ziel.
Men had wel reden, om hem te vloeken, want zijne schandelijke daad
vernielde op dezen dag meer dan de helft van Memphis en maakte zijne
burgers tot bedelaars. Twee misdadigers, die zich door hem lieten
omkoopen, hadden gedurende de feestviering de gevangenis in brand
gestoken, om Orion daarin te doen stikken; doch de brand was ontdekt
en alle gevangenen werden nog intijds bevrijd. Zoo had de jonkman aan
het hoofd zijner medegevangenen het feestterrein kunnen bereiken, doch
het vuur was in het van menschen ontbloote gebouw niet te beteugelen
geweest, had zich in de uitgedroogde straten van huis tot huis
voortgeplant, en den volgenden dag was van de beroemde pyramidenstad
niets meer over dan de aan den stroom gelegen Nijlstraat en eenige
ellendige stegen. De oude residentie der pharaonen was veranderd in
een armzalig vlek, en de van hun dak beroofde inwoners verhuisden
naar genen oever van den Nijl, en bevolkten als muzelmannen het in
bloei toenemende Fostat, of zochten op christelijken bodem een nieuw
vaderland. Tot de huizen die verschoond bleven behoorden ook dat van
Rufinus en de kadhi geleidde Orion en Paula daarheen. Hij wees hun
dit huis als gevangenis aan tot den terugkeer van den veldheer, en
hier doorleefden zij gelukkige dagen, vereenigd met hunne vrienden;
hier werd het den stervenden Thomas vergund zijne kinderen voor de
laatste maal aan het hart te drukken en te zegenen.
Kort voordat de kadhi op het feestterrein verscheen waren twee
duivenposten aangekomen, beiden met het bevel van Amr, dat het offer
van de dochter van Thomas in elk geval verboden en zij tot zijn
terugkeer in het leven gespaard moest worden. Ook behield hij zich
voor over het lot van Orion te beschikken. Maria en Rustem hadden hem
bereikt te Berenike, aan de Egyptische kust van de Roode zee. Deze
vervallen havenplaats was met Medina door eene duivenpost verbonden
en op zijne vraag aan den Kalief in betrekking tot het offer, dat
door de Egyptenaars in hunne vertwijfeling aan den Nijl zou worden
gebracht, had Omar een antwoord gezonden, dat terstond aan den kadhi
werd overgebracht.
De brand van de stad bracht een nieuw vreeselijk onheil over de
zwaar beproefde Memphieten, en de Nijl wilde, ondanks Katharina's
offerdood, nog niet stijgen. De kadhi riep nu, drie dagen na het
gestoorde bruiloftsfeest, de gezamenlijke bewoners der steden aan
deze en gene zijde van den stroom nog eens onder de palmen van Nesptah
samen, en hier verkondigde hij den muzelmannen en christenen door den
Arabischen omroeper en den Egyptischen tolk, wat de Kalief hem geboden
had den Memphieten mede te deelen. De eenige, algoede God versmaadde
elk menschenoffer. In deze stellige overtuiging zou hij tot Allah, den
barmhartige, bidden, en hij, Omar, zond hierbij een brief, dien men in
zijn naam in den vloed mocht werpen. Dit schrijven droeg ten opschrift:
"Aan den Nijl van Egypte,"
en was van dezen inhoud:
"Wanneer gij, stroom, uit u zelven vloeit, stijg dan niet; als
echter God, de eenige en barmhartige, het is die u laat vloeien,
zoo roepen wij den barmhartigen God aan, dat hij u doe wassen!"
"Wat niet uit God is," zeide de veldheer Amr in den brief,
die het schrijven van Omar begeleidde: "wat baat het den
mensch? Maar al het geschapene bestaat alleen door hem, zoo ook
gij, edele stroom. De Allerhoogste zal het smeeken van Omar en
het onze verhooren, en daarom verorden ik u allen, muzelmannen,
christenen en joden u te verzamelen in de moskee aan gene zijde
van den stroom, die ik bouw ter eere van den Algoede, om daar
uwe zielen te verheffen tot een groot, gemeenschappelijk gebed,
opdat God u hoore en zich erbarme over uw lijden."
De kadhi noodigde nu al het volk uit over den Nijl te trekken, en
het volgde zijn gebod. De bisschop Johannes riep zijne geestelijken
op en aan hun hoofd ging hij de christenen voor; de priesters en
oudsten der joden voerden hunne geloofsgenooten achter de Jacobieten
aan, en de muzelmannen verzamelden zich met hen in het heerlijke
aan zuilen zoo rijke godshuis van Amr, en de aanhangers der drie
verschillende godsdiensten verhieven daar oog en hart en stem tot
den eenen, barmhartigen hemelschen Vader. En juist die moskee van Amr
heeft hetzelfde hartverheffende schouwspel nog meer dan eens gezien,
en nog gedurende het leven en voor de oogen van den verteller dezer
geschiedenis werden muzelmannen, christenen en joden tot éen vroom
gebed hier saamgeroepen, dat den Heer zeker welgevallig was.
Kort nadat de brief van Kalief Omar in den Nijl geworpen en het gebed
der drie godsvereeringen opgezonden was, kwam er een duif naar Memphis,
die het bericht medebracht, dat de stroom bij de watervallen zeer begon
te stijgen. Na eene reeks van bange en toch hoopvolle dagen zwol de
Nijl al hooger en hooger, trad buiten zijne oevers en gaf den landman
reden, om eene heerlijke oogst te verwachten. Nadat een onweder en
daarmede gepaard gaande overvloedige regen de lucht gezuiverd en het
verstikkende stof weggenomen hadden, verdween ook de pest.
Juist toen het wassen van den vloed voor het eerst zichtbaar begon
te worden, keerde de veldheer Amr terug, en in zijn gevolg bevonden
zich de kleine Maria en Rustem, alsmede de arts Philippus en de
koopman Haschim, die zich te Dschidda bij het reisgezelschap van den
stadhouder hadden aangesloten. Reeds onderweg hadden zij vernomen wat
er te Memphis was gebeurd, en toen de reizigers, met de pyramiden
voor oogen, hun laatste nachtkwartier naderden, zeide de veldheer
tot de kleine Maria: "Wat denkt gij, mijne lieveling? Wij zijn de
Memphieten nu toch wel een groot bruiloftsfeest schuldig?"
"Neen, heer, niet éen, wel twee," antwoordde het kind.
"Hoe dat?" zeide Amr lachende. "Daar gij nog zoo jong zijt, en
vooreerst niet meetelt, ken ik geen meisje te Memphis, voor wie ik
een bruiloft zou kunnen aanrichten."
"Maar ik zou een man willen uithuwelijken, dien gij alles goeds gunt,
en die zoo eenzaam leeft als een kluizenaar," antwoordde Maria, "en
wel tegelijk met Orion en Paula: Ik bedoel mijn goeden Philippus hier
achter ons."
"De arts? En is hij dan nog ongehuwd?" vroeg de veldheer verbaasd;
want geen muzelman van den leeftijd en den stand des geneesheers
zou als jong gezel kunnen leven, zonder zich bloot te stellen aan de
minachting zijner geloofsgenooten. "O, hij zal weduwnaar zijn!"
"Neen," hernam Maria. "Hij heeft alleen nog geene vrouw gevonden, die
hem past; doch ik ken er eene, die God zelf voor hem geschapen heeft."
"Kleine Chatbe!" [24] riep de veldheer uit. "Maak dit zaakje maar
in orde, en het zal aan mij niet liggen, wanneer die tweede bruiloft
niet schitterend is."
"Dan willen wij nog een derde vieren!" ging het kind daarop lachende
voort. "Mijn brave beschermer Rustem..."
"Die reus? U, kleine, is niets onmogelijk! Alzoo hebt gij voor hem
ook eene bruid gevonden?"
"Neen, hij is zonder mijne hulp aan zijne Mandane gekomen."
"Om 't even," zeide de veldheer vroolijk, "ik geef hen een
huwelijksgift. Doch laat het nu ook genoeg zijn, anders verdringen
al die nieuwe niet muzelmansche geslachten, die wij daar grondvesten,
ons Arabieren nog uit het land."
Zoo ging de groote man met het kind om, nadat het te Berenike zijne
tent was binnengekomen, en daar de zaak der twee geliefden, voor
wie het gevaren en moeiten op zich had genomen, zoo welsprekend,
zoo duidelijk en in zulke gevoelvolle woorden had verdedigd, dat
Amr tegelijk besloten had het alles toe te staan, wat in zijne macht
was. Maria had bovendien met de boodschap die zij bracht ook hem een
dienst bewezen, want zij maakte het hem mogelijk dingen te verhoeden,
die de zaak van de halve maan benadeeld zouden hebben, en de kinderen
van twee vaders, die hij vereerde, den zoon van den Mukaukas Georg
en de dochter van Thomas uit een groot gevaar te redden.
Bij zijn terugkeer bevond hij, dat hetgeen de Wekil misdreven had
zijne ergste vrees zeer verre overtrof. De achting voor het Arabisch
bestuur en de gerechtigheid der muzelmannen, die hij met alle
inspanning bevestigd had, was de zwarte begonnen te ondermijnen,
en als door een wonder was Orion aan zijne lagen ontkomen; want
driemaal had hij moordenaars naar de gevangenis gezonden, en alleen
aan de waakzaamheid van den man van de aardige Emau, was het te
danken geweest, dat hij zich uit den brand der gevangenis had kunnen
redden. Er was Obada alles aan gelegen geweest, om den gehaten jonkman,
wiens verklaringen en aanklachten voor hem verderfelijk konden worden,
uit den weg te ruimen. De onzinnige had een eervoller dood gevonden,
dan zijne rechters hem zouden hebben waardig geacht. De schatten,
die men bij hem opgestapeld vond, werden naar Medina gezonden, doch
ook Orion moest erin berusten, dat de groote kapitalen, die de zwarte
uit zijne schatten naar Fostat had gezonden, in het bezit der Arabieren
bleven. Deze straf meende de veldheer hem te moeten opleggen voor zijne
deelneming aan de noodlottige redding der nonnen; en de jongeling
onderwierp zich gaarne aan deze boete, die hem en zijne geliefde de
vrijheid teruggaf, en het den veldheer mogelijk maakte een grooter deel
der inkomsten van zijn vaderland tot nuttige doeleinden te besteden.
Doch de Kalief Omar nam de sommen, die veel meer dan de helft
van het vermogen van den Mukaukas Georg bedroegen, niet meer in
ontvangst. Sluipmoordenaars hadden den trouwsten vriend van den
profeet, den wijzen en krachtigen heerscher omgebracht en nu kwam aan
het licht, dat de Wekil een der aanleggers van de samenzwering was
geweest en het uiterste gewaagd had, bemoedigd door het vertrouwen
op het gelukken van zijn plan.
Amr begroette den zoon van den Mukaukas, als ware hij zijn vader
geweest, en nadat hij diens arbeid had onderzocht, bevond hij dat deze
de soortgelijke ontwerpen, die hij door anderen had laten uitwerken,
verre overtrof. Hij vertrouwde dus aan Orion de uitvoering toe van
de nieuwe, tot in de kleinste deelen door hem vastgestelde indeeling
van het land.
"Doe uw plicht en span ook in het vervolg al uwe krachten in, gelijk
gij begonnen zijt," riep Amr den jonkman toe.
"Ik ben," antwoordde Orion, "in dezen moeielijken, maar toch heerlijken
tijd over velerlei dingen tot klaarheid gekomen."
"Mag men weten over welke?" vroeg de veldheer. "Ik luister gaarne
naar u."
"Ik heb leeren inzien, heer," antwoordde Orion, "dat hetgeen de groote
menigte geluk of ongeluk noemt, niet wezenlijk bestaat. Wat het leven
ons toeschijnt te zijn, hangt af van de vraag, hoe wij ons tegenover
dat leven plaatsen. Pijnlijke wederwaardigheden, die van buiten in ons
bestaan ingrijpen, zijn vaak niet meer dan een korte nacht, waarop een
heldere dag volgt, of als de operatiën van den heelmeester, die ons
gezonder maken dan te voren. Wat men in den regel ongeluk noemt, is
ontelbare malen eene brug tot hooger geluk. Het alledaagsche geluk der
groote menigte leidt als een snelvlietende stroom, af van dit heerlijk
gevoel van innerlijke gezondheid. Gelijk een schip, dat bij een storm
zijn roer heeft verloren, er beter afkomt in volle zee, dan in de
nabijheid van de reddende kust, zoo vindt de mensch, die zichzelven
verloren heeft, zichzelven en zijn waarachtig heil gemakkelijk weder in
het wilde bruisen van de golven des levens, maar zelden en moeielijk,
wanneer zijn levenshulk rustig daarheen drijft. Alle andere goederen
verliezen in waarde, wanneer het bewustzijn ons niet draagt, dat wij
de levenstaak trouw en ernstig opvatten, en de vraagstukken, die dit
bestaan ons voorlegt, blijmoedig weten op te lossen. De verlorene zou
gered zijn, zoodra hij, met zijn God voor oogen en in het hart, zijn
denken en zijn handelen in dienst stelde van hoogere plichten. Mijne
eigene levenservaringen en de vrienden mijner Paula hebben mij geleerd,
onvermoeid het rechte te zoeken en eigen welzijn te vinden in het
welzijn van anderen. Het gevoel van de vrijheid verloren te hebben
was hard, maar liet mij mijne liefde en schonk mij gelegenheid en
ruimte van tijd, om mijne beste krachten ten dienste van het algemeen
flink te beproeven, en al ware het in den kerker niet volkomen, want
zonder vrijheid geen waar geluk, toch gevoelde ik er mij voortdurend
gelukkiger dan toen ik mij als lediglooper en onnut verkwister van tijd
en kracht, overgaf aan de verschillende genietingen der hoofdstad."
"Zoo geniet dan de zelfvoldoening, die eene trouwe plichtsvervulling
schenkt, en tevens van uwe liefde en vrijheid," hernam de veldheer. "En
uw vader in het paradijs, geloof mij, vriend, hij zal u het schoonste
en beste even blijmoedig gunnen als ik. Gij zijt op den weg, die
elken vloek in zegen verandert."
De drie bruiloften, welke de veldheer aan Maria beloofd had te zullen
aanrichten, werden glansrijk gevierd. Het huwelijk van Orion en Paula
werd voor de vrienden te Memphis een onvergetelijke dag. De bisschop
Johannes zegende het paar in, en het betrok terstond het eigendom
van den jongen echtgenoot, het schoone huis van de kleine Katharina,
de ware Nijlbruid. Als het vergund was geweest in Paula's en Orions
hart te lezen en te vernemen, hoe zij over haar dachten, dan zou
men bevonden hebben, dat zij voor beiden niet meer het kinderlijke
kwikstaartje was en dat zij haar dankten voor het offer van haar
jeugdig leven.
De eerste dierbare gast, die de nieuwe woning met hen betrok, was de
kleine Maria, die hun liefste huisgenoote bleef tot haar huwelijk. De
opvoedster Eudoxia, die Orion mede bij zich had opgenomen, volgde
Maria later naar haar eigene, schoone woning en de leerlinge sloot
eindelijk de oogen der Griekin, die zich bij de opvoeding harer
kleinen niet als eene huurlinge, maar als eene ware moeder gedroeg.
Ook de patriarch Benjamin, die op grond van vele overwegingen en niet
het minst om het testament van Katharina, besloten had met den zoon
van den Mukaukas in goede verstandhouding te blijven, verscheen als
gast bij het jonge paar. Noch hij, noch de kerk behoefden berouw te
gevoelen over den vrede, dien hij met Orion gesloten had, en toen Paula
haren geliefden gemaal een zoon schonk, bood de kerkvorst zichzelven
als peet aan, en noemde den kleine naar zijn grootvader: Georg.
Spoedig na zijn huwelijk werd de waardigheid van Mukaukas aan Orion
opgedragen, hoewel onder een nieuwen Arabischen titel. Zijn zoon
erfde die later, toen hij tot man was opgewassen. Als de hoogste
christelijke beambte in zijn vaderland moest Orion weldra van
woonplaats veranderen en uit het ten ondergang gedoemde Memphis naar
Alexandrië verhuizen. Van daar strekte zich zijne werkzaamheid uit over
het geheele Nijldal, en hij wijdde zich daaraan met zooveel ijver, zulk
eene trouw, zooveel verstand en rechtvaardigheid, dat nog door latere
geslachten zijn naam met vereering en liefde werd herdacht. Paula
maakte het geluk en de trots uit van zijn leven en bleef tot op hoogen
leeftijd innig met hem verbonden. Tot de plichten zijns levens rekende
hij ook, dag aan dag het leven recht gelukkig te maken der vrouw,
die hem van een verlorene en vervloekte gemaakt had tot hetgeen hij
nu was. In den gevel van het nieuw gebouwde paleis zijner vaderen in
de havenstad plaatste hij het opschrift, dat de ring van den edelen
Thomas versierde: "Voor de deugd heeft God het zweet gezet."
Ook de arts en zijne Pulcheria vonden te Alexandrië eene nieuwe
woonplaats. Philippus had niet lang aanzoek om haar behoeven te
doen; want toen de teruggekeerde zijn lief meisje, waaraan hij op de
lange reis voortdurend had gedacht, in het huis harer moeder voor de
eerste maal weder ontmoette, en zij hem beide handen vertrouwelijk en
hartelijk toestak, trok hij haar tot zich en liet zijne Pul niet weder
uit zijne armen los, voor vrouw Johanna hem en haar den moederlijken
zegen had gegeven. De weduwe woonde in het huis van den arts bij haar
kinderen en kleinkinderen en bezocht vaak het graf van haren lieven
man. Eindelijk werd zij bij hem en zijne moeder op het kerkhof van
de havenstad begraven.
Rustem, dien Orion tot een welvarend man maakte, werd een groote
paarden- en kameelenfokker in zijn vaderland, en zijne Mandane
bestuurde kalm en met overleg zijne goederen, die hij, ofschoon
hij een Masdakiet bleef, met niemand deelde. Het eerste meisje dat
zijne vrouw hem schonk, heette Maria, de eerste knaap werd Haschim
genaamd. In het voorstel van Rustem, om den tweeden Orion te noemen,
stemde zijne vrouw niet toe; zij riep dien liever bij den naam Rufinus
en die er nog volgden bij die van Philippus en Rustem.
Het senatorenpaar uit Konstantinopel verliet Egypte met een tevreden
gemoed. Vrouw Martina had toch nog de voldoening gehad, de bruiloft
van hare lieve Heliodora aan den Nijl te helpen vieren, zij 't ook
dat de bruidegom niet haar "groote Sesostris" was geweest, maar haar
neef Narses die onder de zorgvuldige verpleging van de jonge vrouw
wel is waar niet zijne volle gezondheid had teruggekregen, maar toch
redelijk was hersteld. Als Paula's huwelijksgeschenk ontving de jonge
weduwe de noodlottige groote smaragd, die intusschen naar Memphis
was teruggekomen. Het Senatorenpaar en de Mukaukas Orion met zijne
gemalin bleven tot aan het einde door innige vriendschap verbonden.
De rentmeester Nilus vervulde nog lang zijn ambt met vlijt en
voorzichtigheid, en zoo vaak de koopman Haschim te Alexandrië kwam,
ontstond er een strijd tusschen de vrienden Orion en Philippus, want
beiden wilden zijn gastheer zijn. De arts gunde thans den Mukaukas
zijne trotsche gemalin. Hij hield niet op haar te bewonderen,
maar dacht daarbij: "Mijne aanminnige Pul heeft toch haars gelijke
niet. Voor Paula zouden onze vertrekken te klein zijn maar mijne
goudharige voelt er zich het meest op haar gemak."
Tot het einde vervulde hij zijn beroep met zelfopofferende
toewijding, en als hij Orion zich zag inspannen bij zijne strenge
plichtsvervulling, zeide hij vaak: "Hij weet nu, wat het leven eischt
en handelt er naar, en daarom veroudert hij niet en klinkt zijn lachen
nog altijd even innemend blijmoedig. Wie als de Nijlbruid een wissen
dood en als de jonge Mukaukas den zwaarste aller vloeken weet te boven
te komen: waarlijk, het is eene eer zich een vriend te durven noemen
van zulk een paar!"
De Nijlbruid werd tot op den huidigen dag niet vergeten, want voordat
de stroom in den "nacht van den druppel" stijgt, richten de bewoners
der stad, die op de andere zijde van den stroom in aansluiting aan het
door Amr gegrondveste Fostat de plek bewonen van het oude Memphis,
de Kaireners, aan den oever van de rivier eene pop van klei op, die
er uitziet als een vrouwelijk wezen, en zij noemen haar "Arouse",
dat is "de bruid".