Paula wist nu wat haar bedreigde. De bisschop Johannes had het haar
medegedeeld, hoewel met alle omzichtigheid en met de verzekering,
dat hij altijd nog vast hield aan de hoop, de uitvoering van dit
zondig heidensch gruwelstuk te kunnen verhinderen. Doch ook zonder den
prelaat zou de veroordeelde vernomen hebben welk lot haar wachtte,
want dagelijks verzamelden zich talrijke volksmenigten voor de
gevangenis, en zelfs over de hooge muren drong het geroep, om "de
Nijlbruid" te zien tot haar door. Vaak werd haar met geestdrift
een "heil!" toegeroepen, maar hadden de onzinnigen tevergeefs hunne
keelen heesch geschreeuwd, dan smaadden zij haar op de schandelijkste
wijze. De kreet: "de Nijlbruid!" kwam van den vroegen morgen tot
den laten avond niet tot zwijgen, en de kerkermeester was blijde,
dat de bisschop hem ontheven had van de taak om Paula te verklaren,
wat dat noodlottige woord beteekende, naar welks zin zij hem reeds
herhaaldelijk had gevraagd. Aanvankelijk had dit nieuw en vreeselijk
gevaar haar schrik aangejaagd en diep geschokt, doch om rustig en zoo
mogelijk blijmoedig gestemd voor haar zieken vader te verschijnen, deed
zij al haar best, om vast te houden aan de hoop van den bisschop. Dit
gelukte haar eenigermate overdag, doch des nachts werd zij door angst
gemarteld, en in hare verbeelding zag zij zichzelve zooals zij, door
een razenden volkshoop omgeven, naar den stroom werd gesleept, om voor
de oogen van duizenden in het natte graf geworpen te worden. Geen
gebed, geen wilskracht, geen worstelen vermocht iets tegen dit
schrikbeeld, geen teedere liefdegroet, gelijk Orion haar telkens deed
toekomen, geen lied, dat hij in de korte uren van verpoozing, die hij
zich gunde, der beminde toezong, geen troostwoord van den bisschop,
geen bezoek van lieve vrienden.
Deze laatsten liet de bewaarder bij haar toe, zoo veel hij kon, en
onder hen, die tot haar vermochten door te dringen, behoorden ook de
senator Justinus en zijne vrouw Martina. Tot haar geluk hadden dezen,
zoodra de badslaven van de weduwe Susanna ziek waren geworden en
de verklaring van den arts hun ter oore was gekomen, dat hij deze
krankheid voor het begin van de pest hield, het huis van hunne
vriendin verlaten, om andermaal hun intrek te nemen in de herberg
van Sostratus. Hun neef Narses, die uit de slavernij verlost was,
bleef echter bij Katharina's moeder achter. Eigenlijk had deze hen
met Heliodora moeten volgen, doch juist toen zij gereed waren om op
te breken, had de pest vrouw Susanna reeds aangetast en de overheid
verboden dat iemand het huis zou verlaten.
Heliodora zou het misschien gelukt zijn alleen naar de stad te
vluchten, doch zij wilde den ongelukkigen zwager voor geen prijs
verlaten. Alleen in hare tegenwoordigheid gevoelde hij zich beter,
alleen door haar liet hij zich verplegen, en hij weigerde spijs en
drank, wanneer zij het niet was, die ze hem aanbood. Hier kwam bij
dat de vroeger zoo gezette officier der ruiterij in zijn ziekelijken
toestand treffend geleek op haar gestorven gemaal, terwijl zij wist
dat Narses haar eerder dan deze had liefgehad en wat hij voor haar
gevoelde alleen verborgen gehouden had om zijns broeders wil. Haar
lust om te verplegen vond hier bevrediging, en de zorg voor den
half vernietigden, maar toch nog niet geheel verloren jongen man,
de wensch hem in het leven te behouden, hield haar dag en nacht op
de been en deed haar al het overige als bijzaak beschouwen. Zij had
weder iets om voor te leven, haar streven had een doel gevonden dat
bereikbaar was, en zij wijdde zich daaraan met hart en ziel. Haar
oom had haar in het geheim medegedeeld, dat Orion eene ernstige
liefde voor Paula had opgevat. Dat was voor haar eene smartelijke
teleurstelling geweest, doch de Damasceensche had haar eerbied
afgedwongen, en ofschoon hare eigenliefde was gekrenkt, toch deed het
haar goed den geliefden jongeling aan niemand minder dan aan deze
jonkvrouw te verliezen. Wanneer haar verlangen naar hem in menige
stille ure desniettemin weder ontwaakte, scheen het haar toe, dat
zij den verpleegde verongelijkte en in zijne rechten verkortte.
Wat Katharina betrof, was Heliodora, na hare moeder, het uitverkoren
voorwerp harer zorg. De minste klacht van deze twee maakte haar
vreeselijk beangst, en wanneer Susanna afgemat van de hitte zich
neerwierp op den divan, of de jonge vrouw na een bij haren kranke
doorwaakten nacht, over de vroegere hoofdpijnen klaagde, werd het
meisje bleek, voelde zij haar hart pijnlijk kloppen, en zag zij
in hare verbeelding de eene na de andere door de pest aangetast,
met gloeiend hoofd en de verschrikkelijke, noodlottige vlekken op
voorhoofd en wangen. Zoodra zulke schrikbeelden de jeugdige misdadige
van verre naderden, gevoelde zij telkens weder die rampzalige drukking
op dezelfde plek van het hoofd, waar de door koorts verhitte hand
van den kranken bisschop had gelegen.
De vrouw van den senator had bij de gevangenneming van Paula hare
houding tegenover het kwikstaartje zoo zeer veranderd, dat Katharina
in haar niet anders zag dan een wandelend verwijt, en zij dus niet
ongaarne het waardige paar het huis had zien verlaten. Doch nauwelijks
waren zij vertrokken, toen in hunne plaats het grootste onheil de
woning binnentrad. De slaaf, die belast was met het stoken van den
badoven, had een deel der verpeste kleederen, die men hem had gegeven
om te verbranden, achtergehouden, en zijn zoon die hem daarbij had
geholpen, en hare voedster, de moeder van haar zoogbroeder Anubis,
waren dadelijk na hare terugkomst van de tooveres en den bisschop in
persoonlijke aanraking met haar gekomen. Deze drie waren het eerst
door de pest aangetast. Zij waren naar de tent voor de zieken gebracht,
de oude stoker en de voedster reeds als lijken. Maar had men met deze
lieden de verschrikkelijke plaag ook het huis uitgejaagd? Zoo niet,
dan kwamen zij aan de beurt, die zijzelve het als een sluipmoordenaar
rondwarend monster in de armen had geworpen: eerst Heliodora en
daarna hare moeder! Eigenlijk had zij deze twee voor moeten gaan,
en wanneer de ziekte die anderen aangreep en de dood haar ten laatste
in het graf stiet, dan bewees hij haar daarmede eene weldaad.
Zij was nog zoo jong en toch haatte zij het leven, dat haar niets
meer opleverde dan vernedering, ontgoocheling en pijlschoten,
die haar hart van uit den kerker tot in het binnenste troffen,
en gruwzame doodsangst, die haar geen rust liet, bij dag noch bij
nacht. Toen de arts kwam, om de zieken naar de tent in de woestijn te
doen overbrengen, vertelde hij terloops, dat de rechters de dochter
van Thomas ter dood hadden veroordeeld, en dat het volk zoowel als de
senatoren besloten waren, niettegenstaande het verzet van den nieuwen
bisschop, haar volgens oud gebruik als een offer in den stroom te
werpen. Eerst morgen zou het lot van Orion beslist worden, doch het
deed hem bij de Jacobietische rechters zeer veel kwaad, dat hij zich
deze Melchietin tot vrouw had uitverkoren. Katharina had zich toen
aan den leuningstoel harer moeder moeten vasthouden, om niet op de
knieën te vallen, en met hoogroode wangen hoorde zij den arts uit,
tot deze het geduld verloor en haar verliet, ontstemd over zulk een
overmaat van vrouwelijke nieuwsgierigheid.
Ja "de andere" was nu voor de geheele wereld zijne bruid; doch zij was
het alleen, om te sterven! Het was haar bij deze gedachte of een heete
stroom in haar binnenste kookte en zij had luide willen schaterlachen
en ieder om den hals vallen. Afschuwelijk, boosaardig leedvermaak was
het, dat haar aangreep, maar dit gaf haar genot, heerlijk genot; het
was eene bloem der hel, doch met glansrijke bladeren en een bedwelmende
geur. Maar hare kleur verblindde en van de geur gevoelde zij weldra
afkeer. Zij werd bang voor zichzelve, en toch had zij telkens weder
willen juichen, wanneer de gedachte bij haar opkwam: "de andere moet
sterven!" Hare moeder vreesde, dat hare dochter ook ziek zou worden,
want hare oogen schitterden met zulk een vreemden glans; zij was zoo
onrustig, zoo zenuwachtig opgewonden.
Sedert Heliodora de door merg en been gaande tijding van Orions en
Paula's verloving, met onbegrijpelijke, zij het ook pijnlijke kalmte
had aangehoord, was zij voor het heetbloedige meisje niet meer dan
een zwak, nietsbeteekenend schepsel, dat hare opmerkzaamheid niet
waard was. En om harentwil had zij iets gedaan, dat zoo sprekend op
een moordaanslag geleek als de eene adder op de ander, had zij zelfs
het leven harer eigene moeder in gevaar gebracht! Het was om radeloos
te worden, om zichzelve met roeden te geeselen.
Toen vrouw Susanna haar dien avond een nachtkus gaf, klaagde
zij over eene lichte pijn in den hals, en over hare lippen, die
gezwollen waren, zoo zij dacht. Katharina hield haar staande, hoorde
haar uit met eene bevende stem, bracht het licht bij haar mond en
zocht met ingehouden adem op haar gelaat, haar hals en hare armen
naar de vreeselijke vlekken. Doch zij kon er geene ontdekken, en
vrouw Susanna lachte over hare angst en noemde Katharina haar goed,
zorgzaam kind en waarschuwde haar, zich niet te bevreesd te maken,
daar dit haar vatbaar maakte voor de ziekte. Dien nacht kon het
meisje den slaap niet vatten. Het leedvermaak was verdwenen: alleen
smartelijke gedachten en angstwekkende beelden beklemden haar wakende,
en nog onverbiddelijker als zij indommelde. Bij het aanbreken van de
schemering werd hare bezorgdheid over hare moeder zoo groot, dat zij
opstond en tot haar ging. Maar Susanna sliep zoo vast, dat zij haar
kind niet eens hoorde. Gerustgesteld ging Katharina heen, maar tegen
den morgen gebeurde wat zij zoo gevreesd had--vrouw Susanna gevoelde
zich niet meer in staat op te staan, had de koorts, en boven hare
lippen, dezelfde lippen, waarmede zij haar verpeste lokken had gekust,
vertoonden zich tusschen mond en neus inderdaad en onloochenbaar de
eerste schrikkelijke vlekken.
De arts verscheen en verzekerde dat het de pest was. De villa werd van
de buitenwereld afgesloten. De geneesheer en vrouw Susanna, die nog bij
haar volle bewustzijn was, wenschten, drongen er ten sterkste op aan,
bevolen zelfs dat Katharina naar de tuinmanswoning zou verhuizen; maar
zij weigerde dit met onwrikbare trots en verklaarde liever te willen
sterven dan van hare moeder te scheiden. In hare radeloosheid wierp
zij zich over de kranke, om de roode vlekken aan haren mond te kussen
en de pest zoo te doen overgaan in haar eigen bloed. Doch de arts trok
haar met weerzin weg, en de zieke berispte haar met betraande oogen,
waaruit tegelijk hare innige liefde sprak.
Van nu aan mocht zij de verpleging harer moeder op zich nemen. Twee
nonnen stonden haar daarbij ter zijde en zeiden niet alleen tot de
lijdende, maar ook tot elkander achter den rug der rijke weduwe, dat
zij zulk eene zelfopofferende, liefdevolle dochter nog niet ontmoet
hadden. Ook in tegenwoordigheid van bisschop Johannes, die zich niet
ontzag de huizen der aangetasten binnen te gaan en hun te troosten,
roemden zij de houding van Katharina, en de prelaat, die in het
kwikstaartje tot hiertoe slechts een flink, vroolijk kind had gezien,
bejegende haar met achting, knoopte met haar gesprekken aan als met
eene volwassene, en beantwoordde uitvoerig en ernstig hare vragen,
die grootendeels op Paula betrekking hadden.
Vol bewondering voor de zielegrootheid van Thomas' dochter vertelde
de prelaat aan het meisje, hoe zij, om haar geliefde te redden,
een misdrijf op zich genomen had, dat haar alle aanspraak op genade
ontnam. De Damasceensche was wel is waar eene Melchietin, maar uit
liefde de schuld van een ander op zich te laden, zoo iets dan mocht
dit heeten Christus na te volgen.
Katharina haalde de schouders op, als wilde zij zeggen: "En vindt
gij dat groot? Zou hetzelfde mij ook niet licht zijn gevallen?"
De priester merkte dit op en vermaande haar op vriendelijken toon,
zich te wachten voor geestelijken hoogmoed, hoewel zij zich ook het
recht had verworven met het zwaarste belast te worden en niet ophield
een voorbeeld te geven van kinderlijke en christelijke liefde.
Daarop verwijderde hij zich, en Katharina, die elken lof op hare
houding tegenover hare moeder, die door haar schuld op het ziekbed was
geworpen, als eene kwellende beleediging beschouwde, waarover zij zich
boos maakte, begon te meenen, dat zij dezen waardigen man bedrogen
had. Doch het verwijt van geestelijken hoogmoed verdiende zij niet,
want in dit stille vertrek, op welks drempel de dood stond, herinnerde
zij zich telkens weder alle vreeselijke misdaden die zij begaan had,
en bekende zij zich onophoudelijk, dat zij van alle zondaressen de
grootste, de slechtste was.
Soms gevoelde zij behoefte, om aan een ander gemoed haar vertrouwen te
schenken, aan bevriende oogen hare innerlijke ellende te toonen om er
in te deelen. Den bisschop, den eerwaardigen priester, dien zij kende,
had zij bijzonder gaarne alles bekend, en zich eene boete willen laten
opleggen, hoe zwaarder hoe beter. Doch de schaamte over hetgeen zij
begaan had hield haar daarvan terug, en nog stelliger, nadrukkelijker
iets anders. De geestelijke, dat wist zij, zou van haar verlangen,
met het oude leven te breken, de gevoelens en wenschen met wortel
en tak uit hare ziel te rukken en een nieuw leven te beginnen. En
daartoe was de tijd nog niet gekomen. Hare liefde was voor haar nog
eene levensvraag, en de haat haar nog te dierbaar. Eerst als Paula, "de
andere", haar vreeselijk vonnis had ondergaan; als zij, Katharina, met
de oude gevoelens in het hart zich daaraan verkwikt had; als het haar
gelukt was, Orion te toonen, dat hare liefde voor hem niet minder groot
en sterk en zelfopofferend was geweest dan die van Thomas' dochter;
als zij hem--wanneer dan ook, het zou en moest geschieden--zou hebben
gedwongen te erkennen, dat hij haar smadelijk miskend en zich aan haar
bezondigd had--dan, eerst dan wilde zij vrede maken met zichzelve, de
kerk en haren Heiland, als het zijn moest den sluier aannemen en het
overige van haar jonge leven als boetelinge in een klooster of in eene
eenzame rotsspelonk in droefheid verslijten. Doch thans, nadat Paula,
zijne bruid, dit groote voor hem gedaan had, ongezien, onopgemerkt,
zonder dat hij er acht op sloeg, misschien door hem vergeten, een
einde te maken aan hare liefde, zich in zichzelve terug te trekken,
buiten zijn gezichtskring, dat ging alle menschelijke krachten te
boven! Liever wilde zij dan te gronde gaan naar lichaam en ziel,
liever in handen van den satan vallen en lijden in de hel, waaraan
zij even vast geloofde als aan haar eigen bestaan.
Zoo ging zij voort hare moeder te plegen, zag zij hoe de roode vlekken
zich uitbreidden over het geheele lichaam van de kranke, en de koorts,
die haar sloopte, van dag tot dag, van uur tot uur in hevigheid toenam;
hoorde zij met ontzetting en akelig welbehagen, waarvan zijzelve gruwde
en waaraan zij zich toch overgaf, gewagen van de toebereidselen voor
het offer der Nijlbruid; liet zij zich door den bisschop van Paula,
haren stervenden vader en Orion vertellen; beefde zij voor de kleine
Maria, die uit 's buurmans huis was verdwenen, tot zij te weten kwam,
dat het kind de wijk had genomen, om het klooster te ontvluchten;
vernam zij dagelijks, dat Heliodora, die met haar verpleegde naar
de tuinmanswoning was verhuisd, nog van de pest verschoond bleef;
smeekte zij in gebeden, die zij ook thans niet verzuimde 's avonds en
's morgens ten hemel te zenden, den lieven God en hare heiligen, om
de jonge vrouw te bewaren, haar zelve niet tot eene moedermoordenares
te maken, dat door haar verraad de eerwaardige Rufinus, dien zij
had liefgehad, en met hem zoovele onschuldige menschen om het leven
waren gekomen.
Zoo verliepen akelige dagen en nachten vol kwelling, en de door
Katharina's schuld in den kerker gebrachte gevangenen, waren gelukkiger
dan zij, ondanks het vreeselijke, dat hen bedreigde. Wat zijne
geliefde boven het hoofd hing, kwelde Orion als ontelbare brandende
wonden. Onherroepelijk naderde Paula's vreeselijk einde, waaraan hij
bijna niet denken mocht. Overmorgen--de gevangenbewaarder, de senator
Justinus, de bisschop hadden het hem in het geheim medegedeeld,--zou
het huwelijksfeest zijner verloofde gevierd worden. Overmorgen wilden
ellendige spottershanden de bruid optooien voor een schandelijk,
doemwaardig comediespel, haar bekransen en uithuwelijken, niet met
hem, den bruidegom dien zij lief had, maar met den Nijlstroom, het
gevoelloos, doodend element.
Als een waanzinnige liep hij vaak door zijne cel op en neer, brak hij
de snaren, als hij soms in het luitspel troost zocht; maar dan vernam
hij uit het aangrenzend vertrek eene kalme, welmeenende stem, die van
den rentmeester Nilus, die hem vermaande de hoop niet op te geven,
op God te vertrouwen, zijn plicht en zijne taak niet te vergeten. Dan
herstelde hij zich weder, verzamelde hij opnieuw zijne krachten en
verdiepte zich geheel in zijn arbeid. Het was hem om 't even, of het
dag of nacht was. De senator had voor olie en lampen gezorgd. Als
vermoeienis hem overviel, genoot hij niet langer van den korten slaap
op het harde leger, dan de natuur volstrekt eischte. Doch zoodra hij
een weinig was uitgerust, verdiepte hij zich weder in zijne plannen en
lijsten, voerde hij den schrijfstift, dacht hij na, teekende, rekende
en overwoog. Zoodra er twijfelingen bij hem opkwamen en hij zijn eigen
oordeel en geheugen niet vertrouwde, klopte hij aan den wand van het
aangrenzend vertrek, en de verstandige, ervaren vriend was steeds
bereid, hem naar zijn beste weten en inzicht te helpen. De senator
deed een tocht naar Arsinoë, om hem het noodige over het meerland
uit het archief aldaar te verschaffen, en zoo vorderde de arbeid en
naderde het einde, deze versterkte en verhief zijn zinkenden moed,
vervulde hem met vreugde, ziende dat het gelukte, deed hem menigmaal
uren lang vergeten, wat anders wel in staat was, ook den moedigste
tot vertwijfeling te brengen.
Zoo vaak de gevangenbewaarder, de senator, diens wakkere gemalin
Martina, vrouw Johanna of ook de Griekin Eudoxia, aan wie de weduwe
tweemaal toestond haar te vergezellen, hem bezochten, gaf hij haar
eene mondelinge of schriftelijke mededeeling, hoever hij gevorderd
was met de oplossing van het vraagstuk, voor Paula mede, en het gaf
haar troost en innerlijke vreugde, hem bij zijn arbeid te volgen. Ook
menig teeken van liefde, achting en bewondering sterkte de gevangene,
wanneer haar moedig hart dreigde te bezwijken.
Ach haar kwelde niet alleen de afschuw van dien vreeselijken dood! Het
grootste geluk haars levens was voor haar geweest het terugvinden
van haren vader, en deze kwijnde onherstelbaar weg, onder hare
liefderijke verpleging. Die ongelukkige verwonde long weigerde den
dienst. Met moeite en onder pijn kon hij alleen nog enkele druppels
wijn en eenige beten broods gebruiken, en zijn heldere geest was
in de laatste dagen als beneveld geworden. Wellicht tot zijn geluk,
zeide zij tot zichzelve en tot hare vrienden. Ook hij had de kreet:
"Heil de Nijlbruid!" "Naar buiten met de Nijlbruid!" "Weg met
de Nijlbruid!" vernomen, en ofschoon hij de beteekenis ervan niet
begreep, hielden die stemmen hem in de laatste dagen toch voortdurend
bezig. Dat schrikkelijke, vreemd klinkende woord scheen hem bijzonder
te bevallen, want tot kwelling van Paula prevelde hij het gaarne,
nu eens op teederen, dan weder op ernstigen toon.
Soms kwam de gedachte bij de jonkvrouw op, om een einde aan haar
leven te maken, alvorens het verschrikkelijk vonnis werd voltrokken,
voor zij zich aan een geheel volk liet tentoonstellen en door de
menigte aangapen, vóor zij het middelpunt aanbood van een vermakelijk,
opwekkend, maar tevens afschuw- en medelijdenwekkend schouwspel. Maar
mocht zij dit doen? Mocht zij God vooruitloopen, op wien zij hoopte,
in wiens hand zij zich overgaf in ontelbare stille en innige
gebeden? Neen! Tot het laatste oogenblik wilde zij vertrouwen en
hopen. Zonderling, zoo vaak haar weerstandsvermogen zijn grens had
bereikt, zoo vaak zij meende stellig en zeker niet verder te kunnen,
en te moeten bezwijken, kwam haar iets te gemoet, waaraan zij zich
weder oprichten kon, dat haar troost en bemoediging bracht; want dan
kwam er een boodschap van Orion, trad vrouw Johanna of Pulcheria bij
haar binnen, liet de bisschop haar om een onderhoud vragen, kreeg haar
vader zijn bewustzijn weder en sprak hij schoone, hartverheffende
woorden. Dikwijls diende de bewaarder ook het senatorenpaar aan,
welker gezonde, blijmoedige stemming altijd het juiste woord voor
haar wist te vinden. Inzonderheid vrouw Martina verstond de kunst
om met moederlijke fijngevoeligheid op alles acht te geven, wat haar
vervulde, en eens toonde zij haar ook een brief van Heliodora, waarin
deze de matrone mededeelde, hoe heerlijk haar hart tot rust kwam bij
de verpleging harer lieve kranke, en hoe dankbaar zij zich gevoelde,
dat hare moeite en zorg beloond werden; want Narses was reeds een
geheel ander mensch geworden, en zij kende geen hooger taak, dan dezen
ongelukkige weder met het leven te verzoenen, ja er hem liefde voor
te doen opvatten. Zij dacht aan Orion niet anders dan aan een schoon
lied, dat zij eens in eene vriendelijke ure gehoord had.
Zoo vloog de tijd voor de gevangene om, tot nog maar twee nachten haar
van den Serapisdag scheidden, waarop de vreeselijke bruiloft gevierd
zou worden. Toen, het was tegen den avond, liet de bisschop zich bij
Paula aandienen. Hij achtte het zijn plicht haar mede te deelen, dat
de voltrekking van het vonnis op overmorgen bepaald was. Hij bleef
tot het einde aan zijn geloof en zijne hoop vasthouden, maar zijne
macht over de misleide, opgeruide gemoederen was gebroken. In elk
geval zou hij, als het ergste gebeurde, aan hare zijde blijven, om
haar te beschermen door de waardigheid van zijn ambtsgewaad. Hij kwam
reeds heden, om haar tijd te laten in elk opzicht hare beschikkingen
te maken. Het zou hem tot eene vreugde, ja tot een dierbaren plicht
zijn voor haren edelen vader te zorgen tot zijn laatste oogenblik.
Maar hoe stellig zij ook sedert lang op het uiterste was voorbereid,
trof deze tijding haar toch als een bliksemstraal. Wat haar wachtte
scheen zoo ontzettend en zonder voorbeeld, dat het wel nimmer
mogelijk kon zijn, zulk een einde standvastig en gelaten tegen te
gaan. Een tijd lang moest zij, zichzelve bijna niet meester, zich
aan hare trouwe Betta vasthouden en langzamerhand eerst voelde zij
zich in staat den bisschop te woord te staan en hem te danken. Doch
Johannes betreurde zijn onvermogen en zeide hare erkentelijkheid
niet ten volle te verdienen, want het antwoord van den patriarch
op zijne aanklacht tegen hen, die het volk voorspiegelden dat eene
heidensche misdaad redding zou verschaffen, dit schrijven, waarop hij
al zijne hoop had gesteld was anders uitgevallen, dan hij verwacht
had. Wel is waar veroordeelde de patriarch het schandelijk offer,
doch het geschiedde op eene manier, waaraan alle kracht ontbrak,
om de misleiden schrik aan te jagen en te ontmoedigen. Toch wilde
hij beproeven welk eene uitwerking dit schrijven op het volk zou
uitoefenen, en hij had een aantal afschrijvers opgedragen het in
dezen nacht te vermenigvuldigen. Morgen zouden de afschriften onder
de senaatsleden verdeeld, op de markt aan alle openbare gebouwen
aangeslagen en onder de menigte uitgedeeld worden. Toch vreesde hij,
dat alles zonder uitwerking zou blijven.
"Sta mij dan bij, om mij op den dood voor te bereiden," verzocht Paula
somber. "Gij zijt geen priester mijner kerk, Johannes, maar deze kan
geen waardiger dienaar hebben. Wanneer gij mij in naam van uw Heiland
vergeeft, dan zal mij ook mijn Verlosser vergeven. Wel beschouwen
wij hem anders, maar daarom blijft hij voor ons beiden dezelfde."
In den strengen Jacobiet werd de lust tot tegenspraak wakker, maar
hij wist die in deze ure te onderdrukken en antwoordde alleen:
"Spreek mijne dochter, ik luister!"
En nu stortte zij haar gemoed voor hem uit, als ware hij een
zielenherder van haar eigen geloof, en den prelaat welden de tranen
in de oogen bij deze biecht van eene reine, liefdevolle, het beste
en het hoogste zoekende ziel. Hij verzekerde haar van de genade
zijns Verlossers, en nadat hij "Amen" gezegd en haar gezegend had,
zag hij een tijdlang voor zich en zeide eindelijk: "Volg mij, kind!"
"Waarheen?" vroeg zij onthutst, want zij geloofde dat hare laatste
ure reeds gekomen was, en hij zich gereed maakte, haar naar de
gerechtplaats of haar vochtig, eeuwig stroomend graf te voeren.
Doch hij antwoordde bewogen: "Neen mijn kind! Heden heb ik alleen
de aangename taak te vervullen uwe verloving in te zegenen voor het
aangezicht van den Allerhoogste, wanneer gij mij belooft uw bruidegom
niet af te trekken van het geloof zijner vaderen. Want wat geeft een
man al niet prijs, als de liefde tot eene vrouw hem beheerscht! Belooft
gij dat? Welnu, dan geleid ik u tot uw Orion."
Daarop klopte hij aan de deur der cel, en toen de wachter haar opende,
fluisterde hij hem een bevel in het oor. Zij volgde hem zwijgend en
met blozende wangen; weinige oogenblikken later lag zij in de armen
van haar geliefde, en voor de eerste misschien voor de laatste maal
huns ganschen levens vonden zijne lippen de hare.
De prelaat liet hun een korten tijd bij elkander, en nadat hij beiden
en hunne verloving gezegend had, bracht hij haar weder naar hare cel
terug. Daar gekomen had zij nauwelijks tijd, hem uit de volheid van
haar overvol gemoed te danken, want een veiligheidswachter kwam hem
ontbieden naar het huis der weduwe Susanna: hare laatste ure was nabij,
misschien reeds gekomen.
Johannes volgde den bode onverwijld, Paula zag hem vrijer ademhalende
na. Toen wierp zij zich aan de borst van hare voedster en zeide: "Laat
nu komen wat wil: Niets kan ons meer scheiden, zelfs niet de dood!"