TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Somber, met gefronst voorhoofd keerde de oude Horus Apollon uit

de rechtzaal terug naar zijn nieuwe woning. Voor het landgoed van

de weduwe Susanna zag hij eenige lieden staan, die schuw in den

tuin gluurden en op het schoone woonhuis wezen. Evenals ontelbare

menschengroepen, die hij vroeger ontmoette, riepen ook deze lieden

hem woorden van hulde, dank en opwekking toe, en toen hij ook voor hen

even boog en daarbij de richting volgde van hunne angstig bespiedende

blikken, voer hem eene huivering door de leden; want boven de groote

huispoort hing ter waarschuwing, als ware het een schandteeken, het

zwarte bord, dat den voorbijgangers toeriep: "Blijft ver van dezen

drempel! Hierachter woedt de menschenmoordende pest!"

De oude schuwde alles, wat hem aan den dood herinnerde, en hij

rilde. Zoo dicht te wonen bij een broeinest der vreeselijke ziekte, dat

was angstwekkend en gevaarlijk! Hoe kwam de ziekte in dit gezondste

deel der stad, dat ook bij het woeden van de laatste pestziekte

verschoond was gebleven?

Een dienaar van den raad, dien hij staande hield, vertelde hem,

dat de slaven, die gewoon waren voor het bad van vrouw Susanna te

zorgen, vader en zoon, het eerst waren aangetast. Men had hen bij

nacht heimelijk naar de ziekententen laten brengen; heden echter was

de weduwe zelve ook aangetast. Om de wijk voor verdere besmetting te

bewaren, bewaakte men thans dit terrein van alle zijden.

"Doe het streng, zeer streng; laat geen rat de deur uit," riep de

oude en reed verder.

Het was later geworden dan gisteren, het etensuur moest reeds

aangebroken zijn, en toen hij na een oogenblik rust aanstalten maakte,

om zich met hulp van zijn dienaar voor den gemeenschappelijken

maaltijd te wasschen en te reinigen, trad eene lamme huisslavin bij

hem binnen en zette een blad met dampende schoteltjes op het tafeltje

naast den divan neder. Wat had dat te beteekenen? En voor hij het nog

vragen kon vernam hij, dat de vrouwen verlangden voortaan alleen te

spijzigen. Men zou hem op zijne kamer bedienen.

Wederom vertoonde zich eene roode vlek op zijne wangen, en na een

oogenblik nadenkens riep hij zijn slaaf toe: "De ezel voor!" en tot

het meisje: "Waar is uwe meesteres?"

"Met den goudsmid Gamaliël in het viridarium, doch zij zal zoo dadelijk

aan tafel gaan."

"Zonder den gast? Ik versta de bedoeling!" prevelde de oude, greep

naar zijn hoed en liep de dienstmaagd voorbij de kamer uit. In de

voorzaal kwam hij Gamaliël tegen, wien eene slavin juist den staf

overhandigde. De grijsaard vermoedde, dat de juwelier alleen gekomen

was, om de vrouwen voor hem te waarschuwen, en zonder hem met een

blik te verwaardigen, begaf hij zich naar het eetvertrek. Daar vond

hij Pulcheria en Maria weenende geknield liggen voor vrouw Johanna,

die insgelijks tranen vergoot. Hij vermoedde, wie die tranen golden,

en vervuld van de begeerte, om het onrechtmatige aan te toonen van

de beschuldiging, dat hij als spion dit huis was binnengedrongen,

sprak hij de weduwe aan.

Deze had gehuiverd, toen zij hem zag binnenkomen, thans wees zij hem

echter met uitgestrekten vinger de deur, en toen hij toch bleef staan,

om zijne verdediging te beginnen, sneed zij hem met het woord af, door

luide en met nadruk te zeggen: "Niet verder, heer! Dit huis blijft

van nu aan voor u gesloten! De band, die ons verbond, hebt gijzelf

verscheurd! Verstoor niet langer onzen vrede! Trek weer daarheen,

vanwaar gij gekomen zijt!"

De grijsaard beproefde nog eens te spreken, doch de weduwe stond op,

riep de meisjes toe: "Komt, mijne kinderen!" ging hen haastig voor

naar het aangrenzend vertrek, en trok de deur achter zich dicht.

Horus Apollon bleef alleen op den drempel staan. Hoe oud hij ook was,

zulk eene smaadheid was hem nog nooit aangedaan, doch hij schreef

haar niet op rekening van haar, die hem de deur had gewezen, maar

op de reeds meer dan overladene van de Damasceensche, en toen hij

op zijn witten ezel naar huis reed, hield hij telkens stil, om tot

de voorbijgangers te spreken. In de eerstvolgende dagen stoorde

hij zich niet aan de hitte van den dag, vroeg hij niet naar zijne

behoeften, om het lichaam rust te gunnen en zijn geest bezig te

houden met stillen arbeid, maar hij reed 's morgens, 's middags en

's avonds door de straten, ruide het volk op en trachtte het op

listige wijze te overtuigen, dat het jammerlijk ten gronde zou gaan,

wanneer het zich niet van het eenige door hem voorgeslagene redmiddel

bediende. Bij elke zitting van den senaat was hij tegenwoordig;

met vurige welsprekendheid hield hij de bouleuten aan zijne zijde,

weerstreefde hij de bemoeiingen van den bisschop, en drong hij aan

op de vaststelling van den dag voor het huwelijk van den Nijlstroom

met zijn bruid.

Hij kende zijne Egyptenaars en hun hartstocht voor vroolijke,

schitterende feesten. Het zijne: de echtvereeniging van den Nijlbruid

met den geweldigen, rusteloozen gemaal, van wien het wel en wee des

lands afhing, zou eene bloeiende oase worden in deze woestenij van

nood en vertwijfeling. Wat hij nog wist uit de herinneringen zijner

kindsche dagen van processies ter eere van Isis, wat hem uit zijn

eigene aanschouwing en uit de verhalen zijns vaders nog bekend was van

de aan deze godin en haar trias gewijde feesten, wat hij in boeken

had gelezen over groote optochten en vertooningen in het heidensche

Egypte, dat bracht hij in zijne voorstelling bijeen, dat schilderde

hij den senaat en het volk af in levendige kleuren, dat raadde hij de

bouleuten bij dit buitengewoon huwelijksfeest te herhalen. En ieder,

wien Egyptisch bloed door de aderen vloeide hoorde hem opmerkzaam

aan, vond welgevallen in zijne voorstellen en was zelf bereid, om

alles aan te wenden ten einde den glans van dit feest te verhoogen,

hetwelk ieder kon medevieren, hetzij door er een werkzaam deel aan

te nemen, hetzij als toeschouwer. Duizenden leden gebrek, maar voor

dit buitengewone huwelijksfeest waren er nog middelen en maakte de

senaat geen bedenking wederom geld op te nemen.

"Ondergang of redding" was de leus, die Horus Apollon de Memphieten in

den mond had gelegd. Ging alles te gronde, dan verzonken daarmede ook

de bespaarde talenten; droeg het offer daarentegen vrucht, zegende

de Nijl de zijnen met nieuwe welvaart, wat hadden stad en land dan

naar eenige duizenden drachmen te vragen? De huwelijksdag werd dus

bepaald. Geen volle twee weken na de veroordeeling van Paula, op het

feest van den heilige Serapis, wilde men het wondervolle, reddende,

gelukbelovende feest vieren. En hoe wist de oude, hoe wisten de

rechters en bouleuten, die haar gezien hadden, de schoonheid van de

bruid te schilderen! Hoe vurig fonkelden de oogen des grijsaards

van haat, als hij haar beschreef! Geen minnend oog kon levendiger

tintelen! Wat die patricische deerne hem ook had aangedaan, alles,

alles zou zij boeten. En met zijne overwinning zou hij niet alleen

die enkele vrouw, maar het geheele christengeloof, dat hij haatte,

doodelijk treffen.

Maar ook de bisschop Johannes had niet stil gezeten. Dadelijk na

zijn optreden tegen het besluit des volks, had hij een duif met een

brief naar Opper-Egypte tot den patriarch uitgezonden, en Benjamins

antwoord zou hem steunen, om nog krachtiger door te tasten. In de kerk,

voor den senaat en zelfs op straat deed hij en met hem de geheele

geestelijkheid al wat in zijn vermogen was, om het schandelijk plan

van de raadsheeren en het volk te bestrijden; doch de hartstocht,

dien de grijsaard aanblies, sloeg weldra in helderder vlammen op,

dan de geloofstrouw, de gematigdheid en het verstandig inzicht,

die hij en de zijnen moesten aanwakkeren. De wind blies met gelijke

kracht van beide zijden, maar aan de zijne ontmoette hij slechts

doovende kolen, aan de andere overvolle brandende schuren. De nood

en de vertwijfeling hadden het geloof geschokt, de tucht ondermijnd,

en zelfs de machtigste wapenen van de kerk: "vloek en zegen" bleken

machteloos te zijn. Men wees den drenkelingen een drijvenden balk

in de nabijheid, en daarom wilden zij niet langer op de reddingsboot

wachten, die met goede roeiers aan de riemen en een ervaren stuurman

aan het roer bemand, van verre naderde en verplicht was hen te redden.

Horus Apollon keerde niet meer in het huis van Rufinus terug. Weinige

uren nadat de weduwe hem de deur gewezen had, kwamen zijne slaven om

de voorwerpen weder weg te halen, die hem vergezelden, toen hij onder

haar dak zijn intrek nam. Zijn lijfdienaar bracht tevens eene groote

geslotene vaas met een brief aan vrouw Johanna van den volgenden

inhoud: "Men zal niet richten, zonder te hooren. Toch hebt gij dit

gedaan, maar ik ben op u niet verstoord. Philippus zal misschien,

als hij terugkeert, de einden van het band weder opnemen en opnieuw

vastknoopen, dat gij heden hebt doorgesneden. Ik zend u een deel van

de artsenij, die hij mij bij het scheiden achterliet, om daarvan in

geval van nood tegen de pest gebruik te maken. Eerst in de laatste

dagen heeft hij hare werking proefhoudend bevonden. Moge de krankheid,

die het aangrenzend huis heeft aangetast, het uwe verschoonen!"

Deze brief deed de weduwe genoegen, maar toen zij hem aan de haren

voorlas, riep de kleine Maria: "En als iemand onzer ziek wordt,

dan neme hij geen druppel van dit mengsel. Ik verzeker u, hij wil

ons vergiftigen!"

Intusschen bleef vrouw Johanna erbij, dat de grijsaard, ondanks zijn

onverklaarbaren haat tegen Paula, in den grond niet slecht was, en

Pulcheria verzekerde van hare zijde, dat het stellig wel zoo zijn

moest, omdat Philippus hem achtte. Als deze maar hier was geweest,

zou alles zich anders hebben toegedragen en ten beste geschikt zijn.

Maria bleef met moeder en dochter samen tot het donker werd. Zij

bracht het gesprek altijd weder op Paula, en toen in den namiddag de

Nabateïsche bode zich bij haar aandiende en aan de vrouwen, ingevolge

eene opdracht van de gevangene, het bericht bracht, dat hij haar

vader in hare armen had gevoerd, begonnen de vrouwen weder voor haar

te hopen, en Maria kon, zonder verdenking te wekken, onbewimpeld

haar verlangen uitspreken, om te toonen hoe lief zij Paula had,

daar het steeds naderend oogenblik van scheiding aanbrak. Eindelijk

zeide zij, dat zij naar Eudoxia moest om onderricht te ontvangen; haar

wachtten heden zeer moeielijke dingen; allen moesten aan haar denken en

wenschen, dat alles haar goed gelukken mocht. Zij viel eerst de weduwe,

vervolgens Pulcheria om den hals, en toen haar daarbij tranen in de

oogen welden, vroeg zij, of zij niet een onbezonnen, dwaas kind was,

maar niettegenstaande dat moesten zij haar gedenken en niet vergeten.

Op haar kamer gekomen sloot zij zich met de Griekin op, en nu knipte

Eudoxia haar de schoone zachte lokken af. De opvoedster vergoot daarbij

de eerste tranen, en dezen vloeiden nog overvloediger, toen zij Maria

eene kleine amulet met een vlok uit het schaapsvel van Johannes den

dooper, dat zij van hare moeder geërfd had, om den hals hing. Het was

haar lief en heilig, zij had daarvan nooit willen scheiden, doch nu

moest dit kleinood het kind beschermen en geluk aanbrengen. Had het

haar dan zooveel zegen gebracht? Juist niet veel, maar zij geloofde

toch in de heil en zegenbrengende kracht van deze reliquie. Eindelijk

stond Maria met korte haren en als knaap gekleed voor haar. Welk een

aardige, wonderschoone knaap was dat meisje! Eudoxia kon haar niet

genoeg aanzien. Doch Maria was te aanminnig, te fijn voor een jongen,

en zij moest haar raden den breedgeranden reishoed zeer ver in het

gelaat te trekken, zoodra zij menschen zou ontmoeten, of haar gelaat

zwart te maken.

Door Gamaliël, die vrouw Johanna inderdaad opgezocht had, om haar

voor den grijsaard te waarschuwen, droeg zij kennis van het verloop

der tegenwoordige terechtzitting, en Paula's daad om Orion te redden

had haar bewondering voor de jonkvrouw nog verhoogd. Als zij den

veldheer ontmoette, kon zij hem op alles antwoord geven, en zoo was

zij in alle opzichten goed voorbereid, toen zij met Eudoxia door

den tuin naar de Nijlstraat sloop. Aan gene zijde van de buitenpoort

wierp zij het geliefde huis en zijne bewoners nog eene kushand toe,

vervolgens wees zij zuchtend op het goed van de weduwe Susanna en

zeide: "Arme Katharina, nu is zij opgesloten!--Weet gij, Eudoxia,

ik heb haar toch lief, en als ik denk dat zij de pest zou kunnen

krijgen en sterven--maar neen! Zeg aan moeder Johanna en Pul, dat zij

vriendelijk voor haar moeten zijn. Geef haar morgen na het ontbijt

mijn brief, en wanneer zij zich heden avond ongerust over mij maken,

zeg dan dat gij alles weet, en dat het geheel onnoodig is over mij

bezorgd te zijn. Gij zult het wel goed maken en zorg dragen, dat zij

niet verdrietig worden."

Bij eene openstaande Jacobietische kapel verzocht zij de Griekin op

haar te wachten, en wierp zich daarin voor het crucifix neder. Vroolijk

en opgewekt kwam zij weldra weder buiten, en toen zij bij de laatste

huizen der stad waren, zeide zij: "Is het niet zondig, Eudoxia? Welke

lieve menschen laat ik hier achter, en toch ben ik te moede als een

gevangen vogel, die de kooi ontvlucht is. Goede God, zulk een rit

in den nacht door de woestijn en over de bergen! Een snelvoetig

dier onder zich, en boven zich geen zoldering, alleen de blauwe

hemel en ontelbare sterren! Altijd voorwaarts, naar een heerlijk

doel! Geheel aan zichzelve overgelaten, met eene gewichtige zending

belast, als een groot mensch! Is dat niet kostelijk? En als de lieve

God mij helpt, als ik den veldheer vind en het mij gelukt zijne ziel

te roeren.... zeg zelf, Eudoxia, zou er wel op de geheele wereld een

gelukkiger meisje zijn?"

In de herberg van Nesptah vonden zij den Masdakiet met voortreffelijke

dromedarissen en de noodige drijvers en dienaars. De Griekin gaf aan

hare leerlinge nog vele nuttige lessen mede en daarbij met geheel heur

hart haar moederlijken zegen. Rustem tilde het kind op den dromedaris,

bracht met zorg zijne zitplaats in den zadel in orde, en de kleine

karavaan zette zich in beweging. Maria wuifde de oude leermeesteres en

nieuwe vriendin met een doekje vele groeten toe en Eudoxia keek haar

nog na, toen zij reeds lang in het duister was verdwenen. Daarop ging

deze naar huis, eerst stil weenende en met gebogen hoofd, daarna met

opgerichten hoofde, zonder tranen en met vasten tred. Zij was bijzonder

welgemoed, haar hart klopte veel krachtiger dan het in jaren gedaan

had, en zij rees in eigen oogen door het bewustzijn, dat zij niet meer

handelde naar de belemmerende voorschriften van een moeielijken plicht,

maar als een vrij mensch naar eigen oordeel en inzichten. Zij zou zich

weten te verdedigen en de anderen bewijzen, dat zij goed gehandeld had.

Toen Maria bij het avondeten werd gemist en ook op het uur dat men

zou gaan slapen nog niet te huis was, had Eudoxia veel te doen om

de anderen gerust te stellen en te troosten; zij moest zich menige

verkeerde uitlegging van haar uitblijven laten welgevallen. Doch zij

nam alles geduldig op zich, en het deed haar goed voor hare lieveling

veel te verdragen. Den volgenden morgen toen zij vrouw Johanna Maria's

brief overhandigd had, werden haar geduld en hare liefde op nog

harder proef gesteld; ja de zachte, goedige weduwe ontzag zich niet

tegen haar uit te varen op eene wijze, die haar voor weinige dagen

ontwijfelbaar zou hebben genoopt met booze, scherpe woorden haar

ontslag te vragen. Doch zij hoorde alles rustig aan, en eerst toen

tegen den middag de bisschop verscheen, om het kind naar het klooster

te brengen, en deze toornig werd over het verdwijnen van Maria, de

weduwe bedreigde en haar verzekerde, dat hij de kleine in het gansche

land laten zoeken en eindelijk wel vinden zou, gevoelde zij dat nu de

beurt aan haar gekomen was, om zich over eene overwinning te verheugen.

De Griekin liet den bisschop kalm het huis verlaten. Toen hij

vertrokken was, schoot zij eerst haar laatsten en besten pijl af, door

vrouw Johanna te bekennen, dat zij het waagstuk van het kind in de hand

had gewerkt, om het te redden uit het klooster. De in haar ontwaakte

moederlijke liefde maakte haar welsprekend, en wat zij nauwelijks

meer verwacht had, had werkelijk plaats: de kleine vrouw met het warme

hart, die haar gisteren met zulke booze woorden beleedigde, sloeg de

armen om haar langen, mageren hals, bood haar den mond tot een kus,

noemde haar een braaf en degelijk meisje, en vroeg vergiffenis voor

alles, wat zij haar gisteren had aangedaan. Toen de Griekin zich ter

ruste begaf, was het haar, alsof hare jaren waren afgenomen en zij

het onschuldige jonge schepseltje weder meer gelijk was geworden,

dat zij geweest was onder hare zusters in het ouderlijk huis.

De nijlbruid · 第 61 / 66 题