Somber, met gefronst voorhoofd keerde de oude Horus Apollon uit
de rechtzaal terug naar zijn nieuwe woning. Voor het landgoed van
de weduwe Susanna zag hij eenige lieden staan, die schuw in den
tuin gluurden en op het schoone woonhuis wezen. Evenals ontelbare
menschengroepen, die hij vroeger ontmoette, riepen ook deze lieden
hem woorden van hulde, dank en opwekking toe, en toen hij ook voor hen
even boog en daarbij de richting volgde van hunne angstig bespiedende
blikken, voer hem eene huivering door de leden; want boven de groote
huispoort hing ter waarschuwing, als ware het een schandteeken, het
zwarte bord, dat den voorbijgangers toeriep: "Blijft ver van dezen
drempel! Hierachter woedt de menschenmoordende pest!"
De oude schuwde alles, wat hem aan den dood herinnerde, en hij
rilde. Zoo dicht te wonen bij een broeinest der vreeselijke ziekte, dat
was angstwekkend en gevaarlijk! Hoe kwam de ziekte in dit gezondste
deel der stad, dat ook bij het woeden van de laatste pestziekte
verschoond was gebleven?
Een dienaar van den raad, dien hij staande hield, vertelde hem,
dat de slaven, die gewoon waren voor het bad van vrouw Susanna te
zorgen, vader en zoon, het eerst waren aangetast. Men had hen bij
nacht heimelijk naar de ziekententen laten brengen; heden echter was
de weduwe zelve ook aangetast. Om de wijk voor verdere besmetting te
bewaren, bewaakte men thans dit terrein van alle zijden.
"Doe het streng, zeer streng; laat geen rat de deur uit," riep de
oude en reed verder.
Het was later geworden dan gisteren, het etensuur moest reeds
aangebroken zijn, en toen hij na een oogenblik rust aanstalten maakte,
om zich met hulp van zijn dienaar voor den gemeenschappelijken
maaltijd te wasschen en te reinigen, trad eene lamme huisslavin bij
hem binnen en zette een blad met dampende schoteltjes op het tafeltje
naast den divan neder. Wat had dat te beteekenen? En voor hij het nog
vragen kon vernam hij, dat de vrouwen verlangden voortaan alleen te
spijzigen. Men zou hem op zijne kamer bedienen.
Wederom vertoonde zich eene roode vlek op zijne wangen, en na een
oogenblik nadenkens riep hij zijn slaaf toe: "De ezel voor!" en tot
het meisje: "Waar is uwe meesteres?"
"Met den goudsmid Gamaliël in het viridarium, doch zij zal zoo dadelijk
aan tafel gaan."
"Zonder den gast? Ik versta de bedoeling!" prevelde de oude, greep
naar zijn hoed en liep de dienstmaagd voorbij de kamer uit. In de
voorzaal kwam hij Gamaliël tegen, wien eene slavin juist den staf
overhandigde. De grijsaard vermoedde, dat de juwelier alleen gekomen
was, om de vrouwen voor hem te waarschuwen, en zonder hem met een
blik te verwaardigen, begaf hij zich naar het eetvertrek. Daar vond
hij Pulcheria en Maria weenende geknield liggen voor vrouw Johanna,
die insgelijks tranen vergoot. Hij vermoedde, wie die tranen golden,
en vervuld van de begeerte, om het onrechtmatige aan te toonen van
de beschuldiging, dat hij als spion dit huis was binnengedrongen,
sprak hij de weduwe aan.
Deze had gehuiverd, toen zij hem zag binnenkomen, thans wees zij hem
echter met uitgestrekten vinger de deur, en toen hij toch bleef staan,
om zijne verdediging te beginnen, sneed zij hem met het woord af, door
luide en met nadruk te zeggen: "Niet verder, heer! Dit huis blijft
van nu aan voor u gesloten! De band, die ons verbond, hebt gijzelf
verscheurd! Verstoor niet langer onzen vrede! Trek weer daarheen,
vanwaar gij gekomen zijt!"
De grijsaard beproefde nog eens te spreken, doch de weduwe stond op,
riep de meisjes toe: "Komt, mijne kinderen!" ging hen haastig voor
naar het aangrenzend vertrek, en trok de deur achter zich dicht.
Horus Apollon bleef alleen op den drempel staan. Hoe oud hij ook was,
zulk eene smaadheid was hem nog nooit aangedaan, doch hij schreef
haar niet op rekening van haar, die hem de deur had gewezen, maar
op de reeds meer dan overladene van de Damasceensche, en toen hij
op zijn witten ezel naar huis reed, hield hij telkens stil, om tot
de voorbijgangers te spreken. In de eerstvolgende dagen stoorde
hij zich niet aan de hitte van den dag, vroeg hij niet naar zijne
behoeften, om het lichaam rust te gunnen en zijn geest bezig te
houden met stillen arbeid, maar hij reed 's morgens, 's middags en
's avonds door de straten, ruide het volk op en trachtte het op
listige wijze te overtuigen, dat het jammerlijk ten gronde zou gaan,
wanneer het zich niet van het eenige door hem voorgeslagene redmiddel
bediende. Bij elke zitting van den senaat was hij tegenwoordig;
met vurige welsprekendheid hield hij de bouleuten aan zijne zijde,
weerstreefde hij de bemoeiingen van den bisschop, en drong hij aan
op de vaststelling van den dag voor het huwelijk van den Nijlstroom
met zijn bruid.
Hij kende zijne Egyptenaars en hun hartstocht voor vroolijke,
schitterende feesten. Het zijne: de echtvereeniging van den Nijlbruid
met den geweldigen, rusteloozen gemaal, van wien het wel en wee des
lands afhing, zou eene bloeiende oase worden in deze woestenij van
nood en vertwijfeling. Wat hij nog wist uit de herinneringen zijner
kindsche dagen van processies ter eere van Isis, wat hem uit zijn
eigene aanschouwing en uit de verhalen zijns vaders nog bekend was van
de aan deze godin en haar trias gewijde feesten, wat hij in boeken
had gelezen over groote optochten en vertooningen in het heidensche
Egypte, dat bracht hij in zijne voorstelling bijeen, dat schilderde
hij den senaat en het volk af in levendige kleuren, dat raadde hij de
bouleuten bij dit buitengewoon huwelijksfeest te herhalen. En ieder,
wien Egyptisch bloed door de aderen vloeide hoorde hem opmerkzaam
aan, vond welgevallen in zijne voorstellen en was zelf bereid, om
alles aan te wenden ten einde den glans van dit feest te verhoogen,
hetwelk ieder kon medevieren, hetzij door er een werkzaam deel aan
te nemen, hetzij als toeschouwer. Duizenden leden gebrek, maar voor
dit buitengewone huwelijksfeest waren er nog middelen en maakte de
senaat geen bedenking wederom geld op te nemen.
"Ondergang of redding" was de leus, die Horus Apollon de Memphieten in
den mond had gelegd. Ging alles te gronde, dan verzonken daarmede ook
de bespaarde talenten; droeg het offer daarentegen vrucht, zegende
de Nijl de zijnen met nieuwe welvaart, wat hadden stad en land dan
naar eenige duizenden drachmen te vragen? De huwelijksdag werd dus
bepaald. Geen volle twee weken na de veroordeeling van Paula, op het
feest van den heilige Serapis, wilde men het wondervolle, reddende,
gelukbelovende feest vieren. En hoe wist de oude, hoe wisten de
rechters en bouleuten, die haar gezien hadden, de schoonheid van de
bruid te schilderen! Hoe vurig fonkelden de oogen des grijsaards
van haat, als hij haar beschreef! Geen minnend oog kon levendiger
tintelen! Wat die patricische deerne hem ook had aangedaan, alles,
alles zou zij boeten. En met zijne overwinning zou hij niet alleen
die enkele vrouw, maar het geheele christengeloof, dat hij haatte,
doodelijk treffen.
Maar ook de bisschop Johannes had niet stil gezeten. Dadelijk na
zijn optreden tegen het besluit des volks, had hij een duif met een
brief naar Opper-Egypte tot den patriarch uitgezonden, en Benjamins
antwoord zou hem steunen, om nog krachtiger door te tasten. In de kerk,
voor den senaat en zelfs op straat deed hij en met hem de geheele
geestelijkheid al wat in zijn vermogen was, om het schandelijk plan
van de raadsheeren en het volk te bestrijden; doch de hartstocht,
dien de grijsaard aanblies, sloeg weldra in helderder vlammen op,
dan de geloofstrouw, de gematigdheid en het verstandig inzicht,
die hij en de zijnen moesten aanwakkeren. De wind blies met gelijke
kracht van beide zijden, maar aan de zijne ontmoette hij slechts
doovende kolen, aan de andere overvolle brandende schuren. De nood
en de vertwijfeling hadden het geloof geschokt, de tucht ondermijnd,
en zelfs de machtigste wapenen van de kerk: "vloek en zegen" bleken
machteloos te zijn. Men wees den drenkelingen een drijvenden balk
in de nabijheid, en daarom wilden zij niet langer op de reddingsboot
wachten, die met goede roeiers aan de riemen en een ervaren stuurman
aan het roer bemand, van verre naderde en verplicht was hen te redden.
Horus Apollon keerde niet meer in het huis van Rufinus terug. Weinige
uren nadat de weduwe hem de deur gewezen had, kwamen zijne slaven om
de voorwerpen weder weg te halen, die hem vergezelden, toen hij onder
haar dak zijn intrek nam. Zijn lijfdienaar bracht tevens eene groote
geslotene vaas met een brief aan vrouw Johanna van den volgenden
inhoud: "Men zal niet richten, zonder te hooren. Toch hebt gij dit
gedaan, maar ik ben op u niet verstoord. Philippus zal misschien,
als hij terugkeert, de einden van het band weder opnemen en opnieuw
vastknoopen, dat gij heden hebt doorgesneden. Ik zend u een deel van
de artsenij, die hij mij bij het scheiden achterliet, om daarvan in
geval van nood tegen de pest gebruik te maken. Eerst in de laatste
dagen heeft hij hare werking proefhoudend bevonden. Moge de krankheid,
die het aangrenzend huis heeft aangetast, het uwe verschoonen!"
Deze brief deed de weduwe genoegen, maar toen zij hem aan de haren
voorlas, riep de kleine Maria: "En als iemand onzer ziek wordt,
dan neme hij geen druppel van dit mengsel. Ik verzeker u, hij wil
ons vergiftigen!"
Intusschen bleef vrouw Johanna erbij, dat de grijsaard, ondanks zijn
onverklaarbaren haat tegen Paula, in den grond niet slecht was, en
Pulcheria verzekerde van hare zijde, dat het stellig wel zoo zijn
moest, omdat Philippus hem achtte. Als deze maar hier was geweest,
zou alles zich anders hebben toegedragen en ten beste geschikt zijn.
Maria bleef met moeder en dochter samen tot het donker werd. Zij
bracht het gesprek altijd weder op Paula, en toen in den namiddag de
Nabateïsche bode zich bij haar aandiende en aan de vrouwen, ingevolge
eene opdracht van de gevangene, het bericht bracht, dat hij haar
vader in hare armen had gevoerd, begonnen de vrouwen weder voor haar
te hopen, en Maria kon, zonder verdenking te wekken, onbewimpeld
haar verlangen uitspreken, om te toonen hoe lief zij Paula had,
daar het steeds naderend oogenblik van scheiding aanbrak. Eindelijk
zeide zij, dat zij naar Eudoxia moest om onderricht te ontvangen; haar
wachtten heden zeer moeielijke dingen; allen moesten aan haar denken en
wenschen, dat alles haar goed gelukken mocht. Zij viel eerst de weduwe,
vervolgens Pulcheria om den hals, en toen haar daarbij tranen in de
oogen welden, vroeg zij, of zij niet een onbezonnen, dwaas kind was,
maar niettegenstaande dat moesten zij haar gedenken en niet vergeten.
Op haar kamer gekomen sloot zij zich met de Griekin op, en nu knipte
Eudoxia haar de schoone zachte lokken af. De opvoedster vergoot daarbij
de eerste tranen, en dezen vloeiden nog overvloediger, toen zij Maria
eene kleine amulet met een vlok uit het schaapsvel van Johannes den
dooper, dat zij van hare moeder geërfd had, om den hals hing. Het was
haar lief en heilig, zij had daarvan nooit willen scheiden, doch nu
moest dit kleinood het kind beschermen en geluk aanbrengen. Had het
haar dan zooveel zegen gebracht? Juist niet veel, maar zij geloofde
toch in de heil en zegenbrengende kracht van deze reliquie. Eindelijk
stond Maria met korte haren en als knaap gekleed voor haar. Welk een
aardige, wonderschoone knaap was dat meisje! Eudoxia kon haar niet
genoeg aanzien. Doch Maria was te aanminnig, te fijn voor een jongen,
en zij moest haar raden den breedgeranden reishoed zeer ver in het
gelaat te trekken, zoodra zij menschen zou ontmoeten, of haar gelaat
zwart te maken.
Door Gamaliël, die vrouw Johanna inderdaad opgezocht had, om haar
voor den grijsaard te waarschuwen, droeg zij kennis van het verloop
der tegenwoordige terechtzitting, en Paula's daad om Orion te redden
had haar bewondering voor de jonkvrouw nog verhoogd. Als zij den
veldheer ontmoette, kon zij hem op alles antwoord geven, en zoo was
zij in alle opzichten goed voorbereid, toen zij met Eudoxia door
den tuin naar de Nijlstraat sloop. Aan gene zijde van de buitenpoort
wierp zij het geliefde huis en zijne bewoners nog eene kushand toe,
vervolgens wees zij zuchtend op het goed van de weduwe Susanna en
zeide: "Arme Katharina, nu is zij opgesloten!--Weet gij, Eudoxia,
ik heb haar toch lief, en als ik denk dat zij de pest zou kunnen
krijgen en sterven--maar neen! Zeg aan moeder Johanna en Pul, dat zij
vriendelijk voor haar moeten zijn. Geef haar morgen na het ontbijt
mijn brief, en wanneer zij zich heden avond ongerust over mij maken,
zeg dan dat gij alles weet, en dat het geheel onnoodig is over mij
bezorgd te zijn. Gij zult het wel goed maken en zorg dragen, dat zij
niet verdrietig worden."
Bij eene openstaande Jacobietische kapel verzocht zij de Griekin op
haar te wachten, en wierp zich daarin voor het crucifix neder. Vroolijk
en opgewekt kwam zij weldra weder buiten, en toen zij bij de laatste
huizen der stad waren, zeide zij: "Is het niet zondig, Eudoxia? Welke
lieve menschen laat ik hier achter, en toch ben ik te moede als een
gevangen vogel, die de kooi ontvlucht is. Goede God, zulk een rit
in den nacht door de woestijn en over de bergen! Een snelvoetig
dier onder zich, en boven zich geen zoldering, alleen de blauwe
hemel en ontelbare sterren! Altijd voorwaarts, naar een heerlijk
doel! Geheel aan zichzelve overgelaten, met eene gewichtige zending
belast, als een groot mensch! Is dat niet kostelijk? En als de lieve
God mij helpt, als ik den veldheer vind en het mij gelukt zijne ziel
te roeren.... zeg zelf, Eudoxia, zou er wel op de geheele wereld een
gelukkiger meisje zijn?"
In de herberg van Nesptah vonden zij den Masdakiet met voortreffelijke
dromedarissen en de noodige drijvers en dienaars. De Griekin gaf aan
hare leerlinge nog vele nuttige lessen mede en daarbij met geheel heur
hart haar moederlijken zegen. Rustem tilde het kind op den dromedaris,
bracht met zorg zijne zitplaats in den zadel in orde, en de kleine
karavaan zette zich in beweging. Maria wuifde de oude leermeesteres en
nieuwe vriendin met een doekje vele groeten toe en Eudoxia keek haar
nog na, toen zij reeds lang in het duister was verdwenen. Daarop ging
deze naar huis, eerst stil weenende en met gebogen hoofd, daarna met
opgerichten hoofde, zonder tranen en met vasten tred. Zij was bijzonder
welgemoed, haar hart klopte veel krachtiger dan het in jaren gedaan
had, en zij rees in eigen oogen door het bewustzijn, dat zij niet meer
handelde naar de belemmerende voorschriften van een moeielijken plicht,
maar als een vrij mensch naar eigen oordeel en inzichten. Zij zou zich
weten te verdedigen en de anderen bewijzen, dat zij goed gehandeld had.
Toen Maria bij het avondeten werd gemist en ook op het uur dat men
zou gaan slapen nog niet te huis was, had Eudoxia veel te doen om
de anderen gerust te stellen en te troosten; zij moest zich menige
verkeerde uitlegging van haar uitblijven laten welgevallen. Doch zij
nam alles geduldig op zich, en het deed haar goed voor hare lieveling
veel te verdragen. Den volgenden morgen toen zij vrouw Johanna Maria's
brief overhandigd had, werden haar geduld en hare liefde op nog
harder proef gesteld; ja de zachte, goedige weduwe ontzag zich niet
tegen haar uit te varen op eene wijze, die haar voor weinige dagen
ontwijfelbaar zou hebben genoopt met booze, scherpe woorden haar
ontslag te vragen. Doch zij hoorde alles rustig aan, en eerst toen
tegen den middag de bisschop verscheen, om het kind naar het klooster
te brengen, en deze toornig werd over het verdwijnen van Maria, de
weduwe bedreigde en haar verzekerde, dat hij de kleine in het gansche
land laten zoeken en eindelijk wel vinden zou, gevoelde zij dat nu de
beurt aan haar gekomen was, om zich over eene overwinning te verheugen.
De Griekin liet den bisschop kalm het huis verlaten. Toen hij
vertrokken was, schoot zij eerst haar laatsten en besten pijl af, door
vrouw Johanna te bekennen, dat zij het waagstuk van het kind in de hand
had gewerkt, om het te redden uit het klooster. De in haar ontwaakte
moederlijke liefde maakte haar welsprekend, en wat zij nauwelijks
meer verwacht had, had werkelijk plaats: de kleine vrouw met het warme
hart, die haar gisteren met zulke booze woorden beleedigde, sloeg de
armen om haar langen, mageren hals, bood haar den mond tot een kus,
noemde haar een braaf en degelijk meisje, en vroeg vergiffenis voor
alles, wat zij haar gisteren had aangedaan. Toen de Griekin zich ter
ruste begaf, was het haar, alsof hare jaren waren afgenomen en zij
het onschuldige jonge schepseltje weder meer gelijk was geworden,
dat zij geweest was onder hare zusters in het ouderlijk huis.