NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

Voor de stille weduwe van Rufinus, die zich verre hield van het

gewoel der samenleving, was er niets onverdragelijkers dan zulk eene

volksoploop. De ontbonden hartstochten, het gejoel en de geringere

volksklasse, waarmede men daarbij in aanraking kwam, kwetsten haar

teeder gevoel, en bij de toespraak van den grijsaard had haar maar

eene gedachte bezield, namelijk die van zoo spoedig mogelijk uit

het gedrang te komen. Doch zoodra zij de zekerheid had gekregen,

dat Paula de ongelukkige was, die haar vreeselijke huisgenoot aan

het bijgeloof der menigte wilde prijsgeven, dacht zij niet meer aan

terugkeeren, maar hield het zoolang mogelijk onder de volksmenigte

uit, en liet zich eindelijk met de beide meisjes door Rustem naar de

gevangenis brengen, ofschoon de weg daarheen door de drukste straten

leidde. Was de tijding van het onuitsprekelijk verschrikkelijke, dat

Paula bedreigde, reeds door de kerkermuren tot haar oor doorgedrongen,

of zou het haar, Johanna nog vergund zijn de jonkvrouw, die door het

noodlottig doodvonnis over haar geveld tot de uiterste wanhoop moest

worden gebracht, daarop voor te bereiden en te troosten?

De gevangenbewaarder had gisteren haar wensch om Paula te zien zonder

tegenspraak, ja gaarne ingewilligd, want de kadhi had hem bevolen

haar evenals Orion met alle onderscheiding te behandelen, maar de

bedreigingen van den Wekil noodzaakten hem vrouw Johanna thans af te

wijzen. Terwijl hij echter met haar sprak, stak zijn kleine zoontje,

waarmede Pulcheria reeds gisteren op hare aardige wijze gespeeld had,

haar weder de handjes toe, zij nam het kindje op den arm, kuste het en

bewees daarmede een weldaad aan drie harten tegelijk, en wel het meest

aan de jonge moeder van het kind. Deze trok zich nu de vrouwen aan

en wist haar man te bewegen, haar ook thans niet onverrichter zaken

weg te zenden. De aardige Emau had onder de palmen bij de herberg

harer ouders den levenslustigen Orion veel liever dan menig ander

gast bediend, en haar man, die zijne wederhelft op echt Egyptische

manier gehoorzaamde en tot hiertoe niet vrij van jaloezie was geweest,

bewees den zoon van zijn weldoener nog blijmoediger elken dienst,

sedert hij wist dat de schoone Damasceensche zijne bruid was.

In de groote zalen der misdadigers ging het heden, als altijd wanneer

de rechters een doodsoordeel geveld hadden, bijzonder onstuimig toe,

en de vrouwen sidderden, toen zij die ongelukkigen luide hooren juichen

en brullen. Van al die schrille kreten kon niemand zeggen of zij haar

oorsprong hadden te danken aan wilden overmoed dan aan gruwzame smart,

en er was voor dit ontzettend geweld geen passender begeleiding te

bedenken dan het gerammel der ketenen. Toen de vrouwen eindelijk

aan Paula's cel waren gekomen, klopte haar hart zeer onrustig, want

achter de deur die de wachter opende, moesten zij doodsangst en

vertwijfeling vinden.

De gevangene stond aan het venster, drukte het voorhoofd tegen het

ijzeren traliewerk en luisterde in het donker naar het luitspel van

den geliefde, dat te midden van het gejoel der misdadigers klonk als

klokgelui onder storm en onweer. Naast hare eenvoudige legerstede zat

de voedster op een bankje en sliep met het spinrokken in haar schoot,

en noch zij noch hare meesteres werden de binnentredenden gewaar. Een

armzalig lampje verlichtte het kleine vertrek.

Maria wilde naar hare vriendin toevliegen, doch vrouw Johanna hield

haar terug en riep Paula teeder, maar zacht bij den naam. Doch zij

kreeg geen gehoor; zeker hielden smart en doodsangst de ziel van

de veroordeelde gevangen. Nu verhief de weduwe haar stem luider en

ditmaal keerde de ongelukkige zich om en slaakte tegelijk een kreet

van blijdschap, ijlde naar de trouwe vriendinnen toe, die haar ook in

den kerker wisten te vinden, en omhelsde eerst de weduwe, vervolgens

Pulcheria en eindelijk het meisje met opgewekte teederheid. Toen

vrouw Johanna haar hoofd tusschen de beide handen nam, om haar te

kussen en te zien of het leed en de vrees voor den dood hare schoone

trekken hadden veranderd, kwam er een zachte kreet van verwondering

over hare lippen, want in plaats van een bleek en pijnlijk, zag zij

een blijmoedig, rustig gelaat voor zich waaruit twee groote oogen

haar helder en dankbaar aankeken.

Had men haar nog verzwegen, wat haar boven het hoofd hing? Maar neen,

want zij begon dadelijk met de vraag, of de vriendinnen reeds van hare

veroordeeling gehoord hadden? Zij vertelde nu, hoe het haar voor de

rechters gegaan was, en hoe de vriend en pleegvader van haren goeden

Philippus plotseling op onverklaarbare wijze als een verbitterd

vijand tegen haar was opgestaan. De anderen konden nu hare tranen

niet meer bedwingen, doch Paula troostte en bemoedigde haar en deelde

haar mede, dat zij in den kadhi een vaderlijk vriend had gevonden,

die haar beloofd had den Kalief genade voor haar te vragen.

Bij dit alles wist vrouw Johanna nauwelijks hoe zij zich bedaard

zou houden. Dit meisje en hare heldenmoed onder zulk een onheil

waren haar als een wonder. Heerlijk vertrouwen! Doch hoe gemakkelijk

kon het bedrogen uitkomen, hoe onzeker was de grond, waarin zij het

anker harer hoop had geslagen. Zelfs Maria scheen meer bezorgd dan de

vriendin, en wierp zich weenende aan hare borst. En Paula beantwoordde

hare teederheid, zocht Pulcheria gerust te stellen aangaande de

schandelijke handelwijze van haar nieuwen grijzen huisgenoot en

lachte de weduwe vriendelijk toe, toen deze haar vroeg, vanwaar zij

die zelfbeheersching had onder zulk een groot ongeluk, zeggende, dat

juist Johanna's voorbeeld haar geleerd had, het zwaarste geduldig te

dragen. Zelfs in deze sombere uren vond zij meer stof tot danken dan

tot klagen, ja een heerlijk geluk was er uit voortgekomen. Johanna

en de meisjes herinnerden zich nu eerst dat zij bruid was, en wederom

omhelsden zij elkander.

Daar klopte de bewaarder, waarop Paula zich bezon en fluisterend zeide:

"Ik heb Orion iets te overhandigen, wat ik aan vreemde handen niet kan

toevertrouwen; thans heb ik u, Maria, gij moet het hem overbrengen."

Daarop haalde zij den smaragd te voorschijn, gaf dien aan de kleine en

droeg haar op dit kleinood haar oom te overhandigen, zoodra zij met

hem alleen zou zijn. In het briefje, dat het juweel omgaf, verzocht

zij den verloofde dit als zijn eigendom te beschouwen en daarmede de

vordering van de kerk te voldoen.

De bewaarder was gemakkelijk over te halen, om het kind bij zijn oom

te brengen. Hoe vroolijk en gelukkig vloog Maria hem vooruit, naar

Orion toe, hoe groot was diens blijdschap, toen hij haar wederzag,

en hoe dankbaar bracht hij dien smaragd aan zijne lippen! Maar toen

zij haar oom toeriep, dat hare voorspelling nu toch uitkwam en Paula

de zijne zou worden, rimpelde zich zijn voorhoofd, en in hoogen ernst

uitte hij voor het kind de klacht, dat hij wat hem het liefst was op

aarde wel gewonnen had, maar om het weder te verliezen.

"Doch de kadhi is uw vriend, en zal den Kalief genade vragen voor u

beiden!" zeide de kleine.

"Maar daarentegen treedt plotseling een nieuwen vijand tegen ons

op--Horus Apollon!"

"O, onze oude!" zeide het kind, tandenknarsend. "O, als gij eens wist,

Orion! En dan onder éen dak met hem te wonen!"

"Gij?" vroeg de jonkman verbaasd.

"Ja, ik en Pul en moeder Johanna!" En nu vertelde Maria, hoe de

oude in huis was gekomen. Door allerlei zinspelingen kwam Orion

op het vermoeden, dat er iets gewichtigs voor hem verzwegen werd,

en het kind kon eindelijk niet nalaten hem alles te openbaren, wat

het gezien en gehoord had.

Thans kon hij niet langer rustig en bedaard blijven. Buiten zichzelven

van toorn riep hij zijn geliefde bij haar naam en in hartstochtelijke

woorden gaf hij zijn verlangen te kennen naar den terugkeer van den

veldheer Amr, den eenigen man, die in dezen nood helpen kon. Op hem

alleen was zijne hoop gebouwd. Hij had zich als een tweede vader jegens

hem gedragen, en hem een moeielijk maar heerlijk vraagstuk voorgelegd.

"Waaraan gij u geheel en al gewijd hebt!" zeide het kind.

"Reeds op de reis," antwoordde Orion, "heb ik alles overwogen. Gisteren

heb ik beproefd het eerste neder te schrijven, maar mij ontbrak het

daarbij aan het voornaamste: de kaarten en de lijsten! Nilus heeft

dat alles bij elkander gepakt, ik zou het hebben medegenomen op de

vaart met de nonnen, en ik heb bevolen de documenten in het huis

van Rufinus..."

"Om het bij ons te brengen?" viel het kind in, met van vreugde

stralende oogen. "O, het is daar! Ik heb de geschriften zelf gezien,

toen de kist werd leeg gemaakt voor den oude. Morgen, morgen vroeg

zult gij alles hebben!"

Orion kuste het kind blijde en snel op het voorhoofd, sloeg vervolgens

met zijne vuist tegen den wand zijner cel en zeide, nadat aan de

andere zijde met knarsend geluid iets verschoven was: "Goede tijding,

Nilus! De plannen en de lijsten zijn er weer; morgen heb ik ze!"

"Voortreffelijk!" antwoordde de droge stem van den rentmeester uit het

aangrenzend vertrek. "Wij kunnen wel wat vertroostends gebruiken. Zoo

even kreeg ik tot gezelschap iemand, die bij een oploop op de markt

zich aan een Arabische ruiter vergrepen heeft. Deze vertelt ontzettende

dingen!"

"Die mijne verloofde betreffen?"

"Helaas ja, heer!"

"Dan ben ik reeds op de hoogte," antwoordde de jonkman.

Nadat Orion en de rentmeester nog eenige woorden gewisseld hadden

over het dolzinnige plan van den oude, ging Nilus aldus voort: "Mijn

celgenoot vertelt ook dat de Arabieren, terwijl hij op hun wachtpost

werd vastgehouden, gesproken hadden over een bode van den veldheer,

die bericht gaf van diens aankomst te Medina, en bovendien, dat hij

daar maar korten tijd dacht te vertoeven. Hij zou dus niet lang meer

op zich laten wachten."

"Hij is dus reeds lang weg vóor de bode van den kadhi daar kan

aankomen, om den Kalief het verzoek om genade te overhandigen. Op Amr,

op hem alleen mogen wij hopen, en indien hij onderweg op de hoogte

gebracht kon worden..."

"Dan verwijlt hij zeker niet lang in Opper-Egypte, dan bespoedigt hij

zijne reis of zendt een gevolmachtigde vooruit," hoorde men zeggen

door den wand. "Hadden wij nu maar een betrouwbaar persoon, om hem

tegemoet te zenden. Onze lieden zijn naar alle windstreken verstrooid,

en hier thans naar hen te zoeken...."

Daar liet opeens Marias heldere kinderstem zich hooren: "Ik zorg voor

den bode."

"Gij? Bedenk toch, meisje!" begon Orion te zeggen.

Zij gaf geen acht op zijne bezwaren, maar ging, zeker van hare zaak,

met vuur voort: "Alles, alles zal hem bericht worden! Mag men hem

ook toevertrouwen, wat ik van uwe deelneming aan de vlucht der nonnen

heb vernomen?"

"Neen, in geen geval!" zeide de rentmeester en de jonkman tegelijk.

Maria besloot uit dezen uitroep, dat haar voorslag werd aangenomen,

klapte in de handen en riep vol ijver en met vuurroode wangen:

"Morgen gaat de bode op reis, verlaat u op mij! Ik voer dit zoo goed

uit als de beste. Geef mij nu nauwkeurig den weg op, dien hij nemen

moet. Griffel voor alle zekerheid de namen der stations hier op dit

tafeltje.... Maar wacht, ik moet het eerst gelijk maken."

"Wat staat er op het was?" vroeg Orion. "Een groot hart met enkel

rechthoeken er in. Dat beduidt?"

"Malligheid!" zeide het kind, een weinig beschaamd. "Ik teekende maar

eens, hoe ik mijn hart verdeel onder hen die ik liefheb. De eene

geheele helft behoort aan onze Paula, dit vierdedeel is het uwe,

maar daar, daar"--en hier stiet zij met de stift in het was--"hier

had ik ook den ouden een plaatsje gegund. Kom, geef het mij nu weder!"

Thans maakte zij met hare vlugge vingers het was glad en Orion teekende

over dat uitgevlekte hart, het knutselwerk van een kind, dingen op,

waarvan leven en dood van twee menschen afhingen. Hij deed het in

goed vertrouwen op het geluk en de nauwgezetheid van zijne kleine

bondgenoote. Morgen in alle vroegte zou zij voor den bode nog een

brief aan den veldheer ontvangen.

"Maar een snelle rit--en Amr kiest altijd zijn weg over de bergen

en Berenike--is duur," merkte de rentmeester op, "zelfs wanneer wij

onze laatste goudstukken bijeenverzamelen, zullen zij nauwelijks

toereikende zijn."

"Behoud ze, gij hebt ze hier noodig," haastte het kind zich te

zeggen. "Maar neen.... daar zijn nog mijne paarlen, en de sieraden

mijner moeder.... intusschen...."

"Van zulke kostbaarheden mag men niet scheiden, gij gouden hartje"

zeide Orion tot haar.

"Ja wel zeker. Wat doe ik er mee? Maar dat mijner moeder heeft vrouw

Johanna in bewaring."

"En gij aarzelt daarom te verzoeken?" vroeg de jongeling.

Vervolgens richtte hij zich tot den rentmeester, en toen deze de

benoodigde som berekend had, trok Orion een kostbaren saffier van

zijn vinger, gaf die aan Maria en verzocht haar dit edelgesteente

aan hare pleegmoeder te overhandigen. De jood Gamaliël zou haar op

dit onderpand zooveel voorschieten, als zij noodig had.

Maria stak het kleinood vroolijk bij zich, doch toen de wachter

spoedig daarop verscheen, ging haar zalig gevoel plotseling tot even

levendige droefheid over, want zij nam van Orion afscheid, als gold

het eene scheiding voor het gansche leven.

In de naar Paula's cel voerende gang bleef de gevangenbewaarder

plotseling staan, want er kwamen lieden langs de trap naar boven. Als

het de zwarte Wekil eens was en hij op dit uur nog bezoek in de

gevangenis vond! Maar neen twee lampen werden voor den bezoeker

uitgedragen, en in haar schijnsel herkende haar geleider den presbyter

Johannes, den nieuwen bisschop van Memphis, die reeds vroeger dikwerf

hier kwam, om de gevangenen te troosten.

De begeerte om de bedreigde Melchietin te zien, had hem heden tot

dit laat bezoek in den kerker genoopt. Maria's houding en kleeding

verrieden hem, dat zij niet behoorde bij een der beambten van het

huis, en zoodra hij vernomen had wie zij was, beet hij zijn geleider,

een ouden diaken, dien hij altijd medenam, wanneer hij vrouwelijke

gevangenen bezocht, in het oor: "Hier zal men haar vinden!" Nadat hij

vervolgens vernomen had met wie het kind op dit late uur hierheen

gekomen was, wendde hij zich weder tot zijn ambtsbroeder en zeide

zacht: "De vrouw en dochter van Rufinus. Het is dus zoo. Ik heb die

Grieken reeds lang in het oog. Jaarlijks maar eens of tweemaal in de

kerk. Heimelijk Melchieten! Zij zijn het eens met de Damasceensche. En

in zulk eene omgeving groeit de kleindochter van den Mukaukas

op! Een gevaarlijk spel! Benjamin heeft weder goed gezien, zooals

altijd." Vervolgens daalde zijne stem nog lager, terwijl hij vroeg:

"Zouden wij haar niet dadelijk medenemen?" En toen de diaken hiertegen

bedenkingen inbracht, antwoordde hij snel: "Gij hebt gelijk; het is

voor het oogenblik voldoende haar verblijf te kennen."

Intusschen had de bewaarder Paula's cel geopend, en vóor de bisschop

binnentrad, richtte hij eenige vriendelijke woorden tot het kind en

vroeg of het soms niet naar zijne moeder verlangde, en op Maria's

antwoord: "Ja, zeer dikwijls!" streek hij met zijne magere hand over

de lokken van het meisje en zeide: "Dat dacht ik wel. Gij draagt

eene schoone naam, kind, en evenals uwe moeder, zoo wijdt ook gij

wellicht weldra uw leven aan de vrouw der vrouwen, met wier naam gij

gedoopt zijt."

Daarop ging hij de cel binnen, met de kleine aan de hand, en terwijl

Paula den geestelijke, die haar op zulk een laat uur kwam bezoeken,

getroffen aanzag, herkende vrouw Johanna en Pulcheria in hem den

moedigen priester, die zich zoo krachtig had verzet tegen den grijsaard

en het misleide volk, en bogen diep en met eerbied. De bisschop merkte

het op en leidde daaruit af, dat deze Griekinnen misschien toch tot

zijne kerk behoorden. In elk geval kon men haar gerust nog eenige

dagen in het bezit van het kind laten.

Nadat hij eenige vriendelijke woorden met de vrouwen had gewisseld,

maakte de weduwe zich gereed, om afscheid te nemen en hem met de

gevangene alleen te laten. Hierop ging de bisschop naar haar toe

en zeide dat hij haar morgen of overmorgen een bezoek zou brengen;

het gold het geluk van iemand, die hun beiden dierbaar was.

Vrouw Johanna, die meende dat hij Paula op het oog had, fluisterde hem

in het oor: "Zij vermoedt nog niets van het afgrijselijke, waarmede

het volk haar bedreigt. Als het zijn kan, bespaar haar dan, voor zij

gaat slapen, die schrikkelijke tijding."

"Als het zijn kan!" herhaalde de geestelijke, en toen Maria hem

bij het heengaan de hand kuste, trok hij haar tot zich en zeide:

"Het christuskind en ieder christenkind behoort aan de moeder. Gij

zijt bevoorrecht boven duizenden, Maria! De hemel heeft uw vader

als martelaar tot zich genomen, en uwe moeder wijdde zich zelve aan

den hemel. De weg is voor u afgebakend, mijn kind; denk er eens

over na. Morgen, neen overmorgen kom ik, om u te leiden op dien

nieuwen weg."

Vrouw Johanna verbleekte bij deze woorden, want nu eerst begreep

zij wat de bisschop met zijn bezoek bij haar in het schild voerde,

en aan den voet van den trap sloeg zij haar arm om het kind en

vroeg op zachten toon: "Verlangt gij naar het klooster; zoudt gij

ver van ons, evenals uwe moeder, alleen voor het heil uwer ziel als

non willen leven, in die stille zaligheid, die Pul u meer dan eens

geschilderd heeft?"

Doch het kind gaf op deze vraag een bepaald ontkennend antwoord. Toen

vrouw Johanna daarbij bezorgd en verontrust het hoofd liet zinken,

toonde Maria weder een vroolijk gezicht en riep haar toe: "Heb geen

vrees lief moedertje! Voor overmorgen kan er nog veel veranderen. Laat

de heer bisschop maar komen, ik zal het wel met hem uitmaken. O, gij

kent mij nog niet! Als een lammetje ben ik bij u geweest te midden

van alle onheilen en de ernstigste gebeurtenissen, doch er steekt

nog heel wat anders in mij; gij zult er verbaasd van opzien!"

"Blijf liever, die gij zijt," sprak de weduwe.

"Altijd, altijd meer vervuld van liefde voor u en Pul. Maar ik ben

een persoontje geworden van groot vertrouwen. Morgen vroeg heb ik iets

gewichtigs voor Orion te doen. Iets--Rustem zal mij vergezellen--iets

gewichtigs, zeer gewichtigs, moedertje! Maar wat het is, dat mag ik

aan geen mensch verraden, niet eens aan u!"

Hier moest zij ophouden want de zware deur van de gevangenis werd

knarsend voor hen geopend. Voor den bisschop werd zij eerst een

paar uren later weder ontsloten, zoolang hield het gesprek met Paula

hem in hare cel bezig. Op zijne vraag of zij eene orthodoxe Griekin

was, eene Melchietin, zooals het volk zich uitdrukte, gaf zij een

toestemmend antwoord, en voegde er bij dat, wanneer hij haar had

opgezocht, om haar afvallig te maken van het geloof harer ouders,

zijn gang tevergeefs geweest zou zijn.

Toch achtte zij in hem den christen, den priester, den geleerde,

den man, wien haar gestorven oom onder alle geestelijken van zijne

geloofsbelijdenis het meest had vereerd, en gaarne wilde zij hem

openbaren, wat haar in het aangezicht van den naderenden dood op het

hart lag.

Hij zag haar in het rein en kalm gelaat, en hoewel hij na haar

eerste antwoord voornemens was geweest haar te bedreigen met het

vreeselijk lot, dat hij op de markt getracht had van haar hoofd af

te wenden, dacht hij thans aan de bede van de vriendelijke Grieksche

vrouw en legde zich het stilzwijgen op. Tot bij middernacht liet

hij zich vertellen wat geluk en ongeluk zij in haar jong leven

had ondervonden, deed zijn scherpzinnige geest onderzoek naar haar

zieleleven, verkwikte zijn vroom gemoed zich aan hare geestkracht en

haar moed. Toen hij haar verlaten had en met zijn diaken naar huis

wandelde, was het eerste woord, waarmede hij het stilzwijgen afbrak,

dat hij langen tijd bewaard had: "Terwijl gij sliept, schonk God mij

door dit kettersche kind dezer wereld eene hartverheffende ure."

De nijlbruid · 第 58 / 66 题