Voor de stille weduwe van Rufinus, die zich verre hield van het
gewoel der samenleving, was er niets onverdragelijkers dan zulk eene
volksoploop. De ontbonden hartstochten, het gejoel en de geringere
volksklasse, waarmede men daarbij in aanraking kwam, kwetsten haar
teeder gevoel, en bij de toespraak van den grijsaard had haar maar
eene gedachte bezield, namelijk die van zoo spoedig mogelijk uit
het gedrang te komen. Doch zoodra zij de zekerheid had gekregen,
dat Paula de ongelukkige was, die haar vreeselijke huisgenoot aan
het bijgeloof der menigte wilde prijsgeven, dacht zij niet meer aan
terugkeeren, maar hield het zoolang mogelijk onder de volksmenigte
uit, en liet zich eindelijk met de beide meisjes door Rustem naar de
gevangenis brengen, ofschoon de weg daarheen door de drukste straten
leidde. Was de tijding van het onuitsprekelijk verschrikkelijke, dat
Paula bedreigde, reeds door de kerkermuren tot haar oor doorgedrongen,
of zou het haar, Johanna nog vergund zijn de jonkvrouw, die door het
noodlottig doodvonnis over haar geveld tot de uiterste wanhoop moest
worden gebracht, daarop voor te bereiden en te troosten?
De gevangenbewaarder had gisteren haar wensch om Paula te zien zonder
tegenspraak, ja gaarne ingewilligd, want de kadhi had hem bevolen
haar evenals Orion met alle onderscheiding te behandelen, maar de
bedreigingen van den Wekil noodzaakten hem vrouw Johanna thans af te
wijzen. Terwijl hij echter met haar sprak, stak zijn kleine zoontje,
waarmede Pulcheria reeds gisteren op hare aardige wijze gespeeld had,
haar weder de handjes toe, zij nam het kindje op den arm, kuste het en
bewees daarmede een weldaad aan drie harten tegelijk, en wel het meest
aan de jonge moeder van het kind. Deze trok zich nu de vrouwen aan
en wist haar man te bewegen, haar ook thans niet onverrichter zaken
weg te zenden. De aardige Emau had onder de palmen bij de herberg
harer ouders den levenslustigen Orion veel liever dan menig ander
gast bediend, en haar man, die zijne wederhelft op echt Egyptische
manier gehoorzaamde en tot hiertoe niet vrij van jaloezie was geweest,
bewees den zoon van zijn weldoener nog blijmoediger elken dienst,
sedert hij wist dat de schoone Damasceensche zijne bruid was.
In de groote zalen der misdadigers ging het heden, als altijd wanneer
de rechters een doodsoordeel geveld hadden, bijzonder onstuimig toe,
en de vrouwen sidderden, toen zij die ongelukkigen luide hooren juichen
en brullen. Van al die schrille kreten kon niemand zeggen of zij haar
oorsprong hadden te danken aan wilden overmoed dan aan gruwzame smart,
en er was voor dit ontzettend geweld geen passender begeleiding te
bedenken dan het gerammel der ketenen. Toen de vrouwen eindelijk
aan Paula's cel waren gekomen, klopte haar hart zeer onrustig, want
achter de deur die de wachter opende, moesten zij doodsangst en
vertwijfeling vinden.
De gevangene stond aan het venster, drukte het voorhoofd tegen het
ijzeren traliewerk en luisterde in het donker naar het luitspel van
den geliefde, dat te midden van het gejoel der misdadigers klonk als
klokgelui onder storm en onweer. Naast hare eenvoudige legerstede zat
de voedster op een bankje en sliep met het spinrokken in haar schoot,
en noch zij noch hare meesteres werden de binnentredenden gewaar. Een
armzalig lampje verlichtte het kleine vertrek.
Maria wilde naar hare vriendin toevliegen, doch vrouw Johanna hield
haar terug en riep Paula teeder, maar zacht bij den naam. Doch zij
kreeg geen gehoor; zeker hielden smart en doodsangst de ziel van
de veroordeelde gevangen. Nu verhief de weduwe haar stem luider en
ditmaal keerde de ongelukkige zich om en slaakte tegelijk een kreet
van blijdschap, ijlde naar de trouwe vriendinnen toe, die haar ook in
den kerker wisten te vinden, en omhelsde eerst de weduwe, vervolgens
Pulcheria en eindelijk het meisje met opgewekte teederheid. Toen
vrouw Johanna haar hoofd tusschen de beide handen nam, om haar te
kussen en te zien of het leed en de vrees voor den dood hare schoone
trekken hadden veranderd, kwam er een zachte kreet van verwondering
over hare lippen, want in plaats van een bleek en pijnlijk, zag zij
een blijmoedig, rustig gelaat voor zich waaruit twee groote oogen
haar helder en dankbaar aankeken.
Had men haar nog verzwegen, wat haar boven het hoofd hing? Maar neen,
want zij begon dadelijk met de vraag, of de vriendinnen reeds van hare
veroordeeling gehoord hadden? Zij vertelde nu, hoe het haar voor de
rechters gegaan was, en hoe de vriend en pleegvader van haren goeden
Philippus plotseling op onverklaarbare wijze als een verbitterd
vijand tegen haar was opgestaan. De anderen konden nu hare tranen
niet meer bedwingen, doch Paula troostte en bemoedigde haar en deelde
haar mede, dat zij in den kadhi een vaderlijk vriend had gevonden,
die haar beloofd had den Kalief genade voor haar te vragen.
Bij dit alles wist vrouw Johanna nauwelijks hoe zij zich bedaard
zou houden. Dit meisje en hare heldenmoed onder zulk een onheil
waren haar als een wonder. Heerlijk vertrouwen! Doch hoe gemakkelijk
kon het bedrogen uitkomen, hoe onzeker was de grond, waarin zij het
anker harer hoop had geslagen. Zelfs Maria scheen meer bezorgd dan de
vriendin, en wierp zich weenende aan hare borst. En Paula beantwoordde
hare teederheid, zocht Pulcheria gerust te stellen aangaande de
schandelijke handelwijze van haar nieuwen grijzen huisgenoot en
lachte de weduwe vriendelijk toe, toen deze haar vroeg, vanwaar zij
die zelfbeheersching had onder zulk een groot ongeluk, zeggende, dat
juist Johanna's voorbeeld haar geleerd had, het zwaarste geduldig te
dragen. Zelfs in deze sombere uren vond zij meer stof tot danken dan
tot klagen, ja een heerlijk geluk was er uit voortgekomen. Johanna
en de meisjes herinnerden zich nu eerst dat zij bruid was, en wederom
omhelsden zij elkander.
Daar klopte de bewaarder, waarop Paula zich bezon en fluisterend zeide:
"Ik heb Orion iets te overhandigen, wat ik aan vreemde handen niet kan
toevertrouwen; thans heb ik u, Maria, gij moet het hem overbrengen."
Daarop haalde zij den smaragd te voorschijn, gaf dien aan de kleine en
droeg haar op dit kleinood haar oom te overhandigen, zoodra zij met
hem alleen zou zijn. In het briefje, dat het juweel omgaf, verzocht
zij den verloofde dit als zijn eigendom te beschouwen en daarmede de
vordering van de kerk te voldoen.
De bewaarder was gemakkelijk over te halen, om het kind bij zijn oom
te brengen. Hoe vroolijk en gelukkig vloog Maria hem vooruit, naar
Orion toe, hoe groot was diens blijdschap, toen hij haar wederzag,
en hoe dankbaar bracht hij dien smaragd aan zijne lippen! Maar toen
zij haar oom toeriep, dat hare voorspelling nu toch uitkwam en Paula
de zijne zou worden, rimpelde zich zijn voorhoofd, en in hoogen ernst
uitte hij voor het kind de klacht, dat hij wat hem het liefst was op
aarde wel gewonnen had, maar om het weder te verliezen.
"Doch de kadhi is uw vriend, en zal den Kalief genade vragen voor u
beiden!" zeide de kleine.
"Maar daarentegen treedt plotseling een nieuwen vijand tegen ons
op--Horus Apollon!"
"O, onze oude!" zeide het kind, tandenknarsend. "O, als gij eens wist,
Orion! En dan onder éen dak met hem te wonen!"
"Gij?" vroeg de jonkman verbaasd.
"Ja, ik en Pul en moeder Johanna!" En nu vertelde Maria, hoe de
oude in huis was gekomen. Door allerlei zinspelingen kwam Orion
op het vermoeden, dat er iets gewichtigs voor hem verzwegen werd,
en het kind kon eindelijk niet nalaten hem alles te openbaren, wat
het gezien en gehoord had.
Thans kon hij niet langer rustig en bedaard blijven. Buiten zichzelven
van toorn riep hij zijn geliefde bij haar naam en in hartstochtelijke
woorden gaf hij zijn verlangen te kennen naar den terugkeer van den
veldheer Amr, den eenigen man, die in dezen nood helpen kon. Op hem
alleen was zijne hoop gebouwd. Hij had zich als een tweede vader jegens
hem gedragen, en hem een moeielijk maar heerlijk vraagstuk voorgelegd.
"Waaraan gij u geheel en al gewijd hebt!" zeide het kind.
"Reeds op de reis," antwoordde Orion, "heb ik alles overwogen. Gisteren
heb ik beproefd het eerste neder te schrijven, maar mij ontbrak het
daarbij aan het voornaamste: de kaarten en de lijsten! Nilus heeft
dat alles bij elkander gepakt, ik zou het hebben medegenomen op de
vaart met de nonnen, en ik heb bevolen de documenten in het huis
van Rufinus..."
"Om het bij ons te brengen?" viel het kind in, met van vreugde
stralende oogen. "O, het is daar! Ik heb de geschriften zelf gezien,
toen de kist werd leeg gemaakt voor den oude. Morgen, morgen vroeg
zult gij alles hebben!"
Orion kuste het kind blijde en snel op het voorhoofd, sloeg vervolgens
met zijne vuist tegen den wand zijner cel en zeide, nadat aan de
andere zijde met knarsend geluid iets verschoven was: "Goede tijding,
Nilus! De plannen en de lijsten zijn er weer; morgen heb ik ze!"
"Voortreffelijk!" antwoordde de droge stem van den rentmeester uit het
aangrenzend vertrek. "Wij kunnen wel wat vertroostends gebruiken. Zoo
even kreeg ik tot gezelschap iemand, die bij een oploop op de markt
zich aan een Arabische ruiter vergrepen heeft. Deze vertelt ontzettende
dingen!"
"Die mijne verloofde betreffen?"
"Helaas ja, heer!"
"Dan ben ik reeds op de hoogte," antwoordde de jonkman.
Nadat Orion en de rentmeester nog eenige woorden gewisseld hadden
over het dolzinnige plan van den oude, ging Nilus aldus voort: "Mijn
celgenoot vertelt ook dat de Arabieren, terwijl hij op hun wachtpost
werd vastgehouden, gesproken hadden over een bode van den veldheer,
die bericht gaf van diens aankomst te Medina, en bovendien, dat hij
daar maar korten tijd dacht te vertoeven. Hij zou dus niet lang meer
op zich laten wachten."
"Hij is dus reeds lang weg vóor de bode van den kadhi daar kan
aankomen, om den Kalief het verzoek om genade te overhandigen. Op Amr,
op hem alleen mogen wij hopen, en indien hij onderweg op de hoogte
gebracht kon worden..."
"Dan verwijlt hij zeker niet lang in Opper-Egypte, dan bespoedigt hij
zijne reis of zendt een gevolmachtigde vooruit," hoorde men zeggen
door den wand. "Hadden wij nu maar een betrouwbaar persoon, om hem
tegemoet te zenden. Onze lieden zijn naar alle windstreken verstrooid,
en hier thans naar hen te zoeken...."
Daar liet opeens Marias heldere kinderstem zich hooren: "Ik zorg voor
den bode."
"Gij? Bedenk toch, meisje!" begon Orion te zeggen.
Zij gaf geen acht op zijne bezwaren, maar ging, zeker van hare zaak,
met vuur voort: "Alles, alles zal hem bericht worden! Mag men hem
ook toevertrouwen, wat ik van uwe deelneming aan de vlucht der nonnen
heb vernomen?"
"Neen, in geen geval!" zeide de rentmeester en de jonkman tegelijk.
Maria besloot uit dezen uitroep, dat haar voorslag werd aangenomen,
klapte in de handen en riep vol ijver en met vuurroode wangen:
"Morgen gaat de bode op reis, verlaat u op mij! Ik voer dit zoo goed
uit als de beste. Geef mij nu nauwkeurig den weg op, dien hij nemen
moet. Griffel voor alle zekerheid de namen der stations hier op dit
tafeltje.... Maar wacht, ik moet het eerst gelijk maken."
"Wat staat er op het was?" vroeg Orion. "Een groot hart met enkel
rechthoeken er in. Dat beduidt?"
"Malligheid!" zeide het kind, een weinig beschaamd. "Ik teekende maar
eens, hoe ik mijn hart verdeel onder hen die ik liefheb. De eene
geheele helft behoort aan onze Paula, dit vierdedeel is het uwe,
maar daar, daar"--en hier stiet zij met de stift in het was--"hier
had ik ook den ouden een plaatsje gegund. Kom, geef het mij nu weder!"
Thans maakte zij met hare vlugge vingers het was glad en Orion teekende
over dat uitgevlekte hart, het knutselwerk van een kind, dingen op,
waarvan leven en dood van twee menschen afhingen. Hij deed het in
goed vertrouwen op het geluk en de nauwgezetheid van zijne kleine
bondgenoote. Morgen in alle vroegte zou zij voor den bode nog een
brief aan den veldheer ontvangen.
"Maar een snelle rit--en Amr kiest altijd zijn weg over de bergen
en Berenike--is duur," merkte de rentmeester op, "zelfs wanneer wij
onze laatste goudstukken bijeenverzamelen, zullen zij nauwelijks
toereikende zijn."
"Behoud ze, gij hebt ze hier noodig," haastte het kind zich te
zeggen. "Maar neen.... daar zijn nog mijne paarlen, en de sieraden
mijner moeder.... intusschen...."
"Van zulke kostbaarheden mag men niet scheiden, gij gouden hartje"
zeide Orion tot haar.
"Ja wel zeker. Wat doe ik er mee? Maar dat mijner moeder heeft vrouw
Johanna in bewaring."
"En gij aarzelt daarom te verzoeken?" vroeg de jongeling.
Vervolgens richtte hij zich tot den rentmeester, en toen deze de
benoodigde som berekend had, trok Orion een kostbaren saffier van
zijn vinger, gaf die aan Maria en verzocht haar dit edelgesteente
aan hare pleegmoeder te overhandigen. De jood Gamaliël zou haar op
dit onderpand zooveel voorschieten, als zij noodig had.
Maria stak het kleinood vroolijk bij zich, doch toen de wachter
spoedig daarop verscheen, ging haar zalig gevoel plotseling tot even
levendige droefheid over, want zij nam van Orion afscheid, als gold
het eene scheiding voor het gansche leven.
In de naar Paula's cel voerende gang bleef de gevangenbewaarder
plotseling staan, want er kwamen lieden langs de trap naar boven. Als
het de zwarte Wekil eens was en hij op dit uur nog bezoek in de
gevangenis vond! Maar neen twee lampen werden voor den bezoeker
uitgedragen, en in haar schijnsel herkende haar geleider den presbyter
Johannes, den nieuwen bisschop van Memphis, die reeds vroeger dikwerf
hier kwam, om de gevangenen te troosten.
De begeerte om de bedreigde Melchietin te zien, had hem heden tot
dit laat bezoek in den kerker genoopt. Maria's houding en kleeding
verrieden hem, dat zij niet behoorde bij een der beambten van het
huis, en zoodra hij vernomen had wie zij was, beet hij zijn geleider,
een ouden diaken, dien hij altijd medenam, wanneer hij vrouwelijke
gevangenen bezocht, in het oor: "Hier zal men haar vinden!" Nadat hij
vervolgens vernomen had met wie het kind op dit late uur hierheen
gekomen was, wendde hij zich weder tot zijn ambtsbroeder en zeide
zacht: "De vrouw en dochter van Rufinus. Het is dus zoo. Ik heb die
Grieken reeds lang in het oog. Jaarlijks maar eens of tweemaal in de
kerk. Heimelijk Melchieten! Zij zijn het eens met de Damasceensche. En
in zulk eene omgeving groeit de kleindochter van den Mukaukas
op! Een gevaarlijk spel! Benjamin heeft weder goed gezien, zooals
altijd." Vervolgens daalde zijne stem nog lager, terwijl hij vroeg:
"Zouden wij haar niet dadelijk medenemen?" En toen de diaken hiertegen
bedenkingen inbracht, antwoordde hij snel: "Gij hebt gelijk; het is
voor het oogenblik voldoende haar verblijf te kennen."
Intusschen had de bewaarder Paula's cel geopend, en vóor de bisschop
binnentrad, richtte hij eenige vriendelijke woorden tot het kind en
vroeg of het soms niet naar zijne moeder verlangde, en op Maria's
antwoord: "Ja, zeer dikwijls!" streek hij met zijne magere hand over
de lokken van het meisje en zeide: "Dat dacht ik wel. Gij draagt
eene schoone naam, kind, en evenals uwe moeder, zoo wijdt ook gij
wellicht weldra uw leven aan de vrouw der vrouwen, met wier naam gij
gedoopt zijt."
Daarop ging hij de cel binnen, met de kleine aan de hand, en terwijl
Paula den geestelijke, die haar op zulk een laat uur kwam bezoeken,
getroffen aanzag, herkende vrouw Johanna en Pulcheria in hem den
moedigen priester, die zich zoo krachtig had verzet tegen den grijsaard
en het misleide volk, en bogen diep en met eerbied. De bisschop merkte
het op en leidde daaruit af, dat deze Griekinnen misschien toch tot
zijne kerk behoorden. In elk geval kon men haar gerust nog eenige
dagen in het bezit van het kind laten.
Nadat hij eenige vriendelijke woorden met de vrouwen had gewisseld,
maakte de weduwe zich gereed, om afscheid te nemen en hem met de
gevangene alleen te laten. Hierop ging de bisschop naar haar toe
en zeide dat hij haar morgen of overmorgen een bezoek zou brengen;
het gold het geluk van iemand, die hun beiden dierbaar was.
Vrouw Johanna, die meende dat hij Paula op het oog had, fluisterde hem
in het oor: "Zij vermoedt nog niets van het afgrijselijke, waarmede
het volk haar bedreigt. Als het zijn kan, bespaar haar dan, voor zij
gaat slapen, die schrikkelijke tijding."
"Als het zijn kan!" herhaalde de geestelijke, en toen Maria hem
bij het heengaan de hand kuste, trok hij haar tot zich en zeide:
"Het christuskind en ieder christenkind behoort aan de moeder. Gij
zijt bevoorrecht boven duizenden, Maria! De hemel heeft uw vader
als martelaar tot zich genomen, en uwe moeder wijdde zich zelve aan
den hemel. De weg is voor u afgebakend, mijn kind; denk er eens
over na. Morgen, neen overmorgen kom ik, om u te leiden op dien
nieuwen weg."
Vrouw Johanna verbleekte bij deze woorden, want nu eerst begreep
zij wat de bisschop met zijn bezoek bij haar in het schild voerde,
en aan den voet van den trap sloeg zij haar arm om het kind en
vroeg op zachten toon: "Verlangt gij naar het klooster; zoudt gij
ver van ons, evenals uwe moeder, alleen voor het heil uwer ziel als
non willen leven, in die stille zaligheid, die Pul u meer dan eens
geschilderd heeft?"
Doch het kind gaf op deze vraag een bepaald ontkennend antwoord. Toen
vrouw Johanna daarbij bezorgd en verontrust het hoofd liet zinken,
toonde Maria weder een vroolijk gezicht en riep haar toe: "Heb geen
vrees lief moedertje! Voor overmorgen kan er nog veel veranderen. Laat
de heer bisschop maar komen, ik zal het wel met hem uitmaken. O, gij
kent mij nog niet! Als een lammetje ben ik bij u geweest te midden
van alle onheilen en de ernstigste gebeurtenissen, doch er steekt
nog heel wat anders in mij; gij zult er verbaasd van opzien!"
"Blijf liever, die gij zijt," sprak de weduwe.
"Altijd, altijd meer vervuld van liefde voor u en Pul. Maar ik ben
een persoontje geworden van groot vertrouwen. Morgen vroeg heb ik iets
gewichtigs voor Orion te doen. Iets--Rustem zal mij vergezellen--iets
gewichtigs, zeer gewichtigs, moedertje! Maar wat het is, dat mag ik
aan geen mensch verraden, niet eens aan u!"
Hier moest zij ophouden want de zware deur van de gevangenis werd
knarsend voor hen geopend. Voor den bisschop werd zij eerst een
paar uren later weder ontsloten, zoolang hield het gesprek met Paula
hem in hare cel bezig. Op zijne vraag of zij eene orthodoxe Griekin
was, eene Melchietin, zooals het volk zich uitdrukte, gaf zij een
toestemmend antwoord, en voegde er bij dat, wanneer hij haar had
opgezocht, om haar afvallig te maken van het geloof harer ouders,
zijn gang tevergeefs geweest zou zijn.
Toch achtte zij in hem den christen, den priester, den geleerde,
den man, wien haar gestorven oom onder alle geestelijken van zijne
geloofsbelijdenis het meest had vereerd, en gaarne wilde zij hem
openbaren, wat haar in het aangezicht van den naderenden dood op het
hart lag.
Hij zag haar in het rein en kalm gelaat, en hoewel hij na haar
eerste antwoord voornemens was geweest haar te bedreigen met het
vreeselijk lot, dat hij op de markt getracht had van haar hoofd af
te wenden, dacht hij thans aan de bede van de vriendelijke Grieksche
vrouw en legde zich het stilzwijgen op. Tot bij middernacht liet
hij zich vertellen wat geluk en ongeluk zij in haar jong leven
had ondervonden, deed zijn scherpzinnige geest onderzoek naar haar
zieleleven, verkwikte zijn vroom gemoed zich aan hare geestkracht en
haar moed. Toen hij haar verlaten had en met zijn diaken naar huis
wandelde, was het eerste woord, waarmede hij het stilzwijgen afbrak,
dat hij langen tijd bewaard had: "Terwijl gij sliept, schonk God mij
door dit kettersche kind dezer wereld eene hartverheffende ure."