ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

Nauwelijks had de raadselachtige oude de rechtzaal met den Wekil

verlaten, of hij verzocht dezen om een onderhoud. Onbeschaamd verdreef

Obada nu den gevangenbewaarder met zijne vrouw en haar zuigeling uit

hun vertrek, en liet zich hier door den grijsaard mededeelen welk een

einde hij der ter dood veroordeelde had toegedacht. Het plan van den

oude beviel den zwarte wel, doch het scheen hem in menig opzicht zoo

gewaagd, dat het den grijsaard bezwaarlijk gelukt zou zijn hem er

mede te doen instemmen, indien hij niet een gewichtige wederdienst

had weten te noemen, dien hij Obada hoopte te kunnen bewijzen. Den

Wekil moest er alles aan gelegen zijn stellig te kunnen volhouden,

dat Orion de hand in het spel had gehad bij de vlucht der nonnen,

en het toeval had den grijsaard een geschrift in handen gespeeld,

dat dit boven alle bedenkingen scheen te verheffen.

Vroeg in de morgenkoelte was met zijne verhuizing naar de woning

van Rufinus een begin gemaakt. Alleen de kostbaarste en gewichtigste

schriftrollen waren tegelijk met hem overgebracht, en terwijl hij ze

in een kleine lessenaar wegborg, dezelfde die Rufinus aan Paula in

gebruik had gegeven, had Horus Apollon daarin het briefje gevonden,

hetwelk de jonkman vluchtig had neergeschreven, toen hij, na lang te

vergeefs gewacht te hebben op de geliefde, die met de kleine Maria

bezig was, zich eindelijk gedwongen had gezien om heen te gaan,

ten einde van den veldheer Amr afscheid te nemen. Dit wastafeltje

waarvan het schrift sterk uitgewischt en ten deele geheel onleesbaar

geworden was, moest de rechters van Orions schuld overtuigen, en zoo

bezorgde de uitlevering van dit bewijsstuk den grijsaard de vergunning

van Obada, om te bepalen op welke wijze de Damasceensche ter dood

gebracht zou worden.

Toen beiden eindelijk de kamer van den gevangenbewaarder verlieten,

wendde de zwarte zich nog eens tot dezen en snauwde hem toe,

terwijl hij wees op zijne aardige vrouw met het kind aan hare borst,

dat zij alle drie kinderen des doods zouden zijn, wanneer hij Orion

veroorloofde zijne cel ook maar voor een oogenblik te verlaten. Hierop

steeg hij te paard, terwijl de oude dadelijk naar de kurie reed, om

den stadsoverste uit te noodigen heden avond eene zitting bijeen te

roepen, waarna hij zijn nieuw verblijf opzocht. Daar vond hij zijne

kamer zorgvuldig in schaduw gehouden en zoo koel, als het bij zulk eene

hitte maar mogelijk was. Men had den grond met water besprenkeld, er

stonden bloemen waar er maar eene geschikte plaats voor te vinden was,

en de schriftrollen en andere voorwerpen, die voor hem gekomen waren,

hadden reeds in kisten en kasten eene plaats gevonden. Nergens lag een

stofje, overal snoof zijne neus behagelijk de heerlijkste geuren op.

Wel had hij een goeden ruil gedaan. In zijn gewonen, ouden leuningstoel

gezeten wreef hij zich met welbehagen de magere handen, en toen

de kleine Maria verscheen, om hem aan tafel te noodigen, had hij

er plezier in met haar te gekscheren. Pulcheria moest hem uit het

viridarium naar de eetkamer geleiden, en aan tafel liet hij het zich

goed smaken. Zijn vaal, verschrompeld gelaat begon er werkelijk

schooner uit te zien, terwijl hij zijn oog liet gaan over zijne

vrouwelijke huisgenooten, waarvan alleen de Griekin Eudoxia ontbrak,

omdat eene lichte ongesteldheid haar had doen besluiten op hare kamer

te blijven. Hij had voor ieder een vriendelijk woord; opgeruimd en

zonder het gevoel van dankbaarheid, dat hem vervulde, te verbergen,

vergeleek hij zijn vroegeren toestand met den tegenwoordigen, en

schilderde hij, met een ondeugenden blik op Pulcheria, hoe heerlijk

het zijn zou als Philippus terugkeerde, om hen allen te zamen tot

een echt en wezenlijk gesternte te maken; want iedere Egyptische

ster had vijf stralen; de ouden hadden nooit eene andere gekend of

in steen gegraveerd, ja zich van het sterreteeken zelfs bediend,

om het getal vijf te schrijven.

"Maar dan," riep Maria, "dan zijn wij zoo ik hoop een ster met zes

stralen, want dan is de arme Paula toch stellig ook weer bij ons."

"God geve het," zeide vrouw Johanna met een zucht.

Pulcheria vroeg den ouden man wat hem scheelde, want opeens veranderde

zijn gelaat. De vroolijkheid van zooeven was verdwenen; de haarstoppels

boven de oogen staken omhoog, en de saamgetrokken lippen bewogen zich

krampachtig, toen hij eindelijk knorrig antwoordde: "Mij scheelt

niets.. Intusschen, ik zeg u eens en voor altijd: deze naam stuit

mij tegen de borst."

"Paula?" vroeg Maria verbaasd. "O, als gij wist..."

"Ik weet meer dan genoeg," haastte de grijsaard zich te zeggen.

"Gij zijt mij allen lief, ja gij allen; mijn oude hart gaat open in uw

midden. Het bevalt mij bij u, ik houd veel van u, ik ben u dankbaar,

elke vriendschapsdienst dien gij mij bewijst, doet mij goed, want die

komt uit het hart. Kon ik alles maar spoedig en rijkelijk vergelden,

het zou mij van vreugde verjongen! Gij moogt het gelooven, en ik zie

u aan dat gij het doet. Doch," en nu trokken zich de wenkbrauwen

weder samen, "doch wanneer ik dezen naam hoor noemen, en wanneer

gij beproeft mij voor die vrouw te winnen, of mij met haar lof aan

het hoofd te malen, dan, hoeveel leed ik hiermede ook mijzelven zou

aandoen, dan ga ik terug naar de plaats vanwaar ik gekomen ben."

"Maar Horus, Horus! wat is dat?" riep vrouw Johanna ontsteld.

"Dat is," barstte de oude los, "dat zich alles in haar belichaamt

wat ik in haar stand veracht en haat. Dat is, dat zij een koud,

verraderlijk hart in de borst draagt, dat zij mij dagen en nachten

heeft gekweld, in 't kort, dat ik liever verdoemd wilde zijn, om met

klamme salamanders en koude slangen onder éen dak te leven...."

"Als met haar, als met Paula?" zeide Maria opeens, en daarbij vloog

het levendige meisje op, hare oogen vonkelden en hare stem trilde van

verontwaardiging, toen zij voortging: "En dat zegt gij niet alleen,

dat meent gij in ernst? Is dat mogelijk?"

"Niet alleen mogelijk, maar zeker, klein hartediefje." hernam de oude,

de hand naar haar uitstekende.

Maar zij week voor hem achteruit en zeide heftig: "Ik wil uw

hartediefje niet zijn, wanneer gij zoo over haar spreekt. Wie zoo

oud is als gij, moest rechtvaardig zijn! Gij kent haar niet, en wat

gij van haar hart gezegd hebt..."

"Wees bedaard, meisje," zeide de weduwe.

De oude antwoordde echter met bijzonderen nadruk. "Dit hart, jonge

wildzang, zal goed en nuttig zijn voor ons en allen, wanneer wij er

niet meer aan denken, in goeden zoo min als in kwaden zin. Men heeft

heden over haar recht gesproken en dit hart tot stilstand veroordeeld."

"Veroordeeld? Barmhartige hemel!" riep Pulcheria; en terwijl zij

daarbij opvloog, zeide hare moeder: "Om Gods wil zwijg! Het is zonde

met zulke dingen te spotten. Is het waar, is het mogelijk! Deze

ellendigen, deze.... O, ik zie het u aan, het is zoo, ze hebben

Paula veroordeeld."

"Gij zegt het," antwoordde Horus koel. "De Damasceensche zal

terechtgesteld worden."

"En dat, dat zegt gij eerst nu?" zeide Pulcheria snikkende.

"En gij," voer Maria uit, "gij hebt daarbij kunnen schertsen en

lachen. Gij hebt... Schande over u! Wanneer ge niet zoo'n zwakke

stokoude grijsaard waart..."

Vrouw Johanna bracht andermaal het kind tot bedaren en vroeg, onder een

vloed van tranen: "Men wil haar terechtstellen, haar onthoofden? Is

er dan voor haar, die van dien onzaligen strijd even ver verwijderd

is gebleven als wij, voor haar, de dochter van Thomas, geen genade?"

"Wacht maar, wacht!" antwoordde de grijsaard. "Wellicht heeft de hemel

haar uitverkoren voor groote dingen. Zij kan bestemd zijn, om door haar

dood een geheel land en volk te redden. Het zou toch mogelijk zijn..."

"Spreek duidelijk uit, wat gij op het hart hebt; ik huiver voor die

orakelen," viel de weduwe hem in de rede.

Doch hij haalde de schouders op en zeide gelaten: "Wat wij vermoeden,

weten wij daarom nog niet. De hemel heeft hier te beslissen. Wel

ons allen: mij, haar, u, Pulcheria en ook den afwezigen Philippus,

wanneer de godheid haar tot werktuig kiest! Maar wie vermag in het

duister te zien? Als het u rust kan geven, Johanna, weet dan, dat de

teerhartige kadhi en met hem zijne Arabische mederechters reeds uit

haat tegen den Wekil, die ze allen in geest en wilskracht overtreft,

niets onbeproefd zullen laten...."

"Om haar te redden?" haastte de weduwe zich te vragen.

"Morgen houden zij raad, of er een bode met eene bede om genade naar

Medina gezonden zal worden," ging Horus Apollon met een hatelijk

lachje voort. "Overmorgen krijgen zij geschil over de vraag, wie

die bode zijn zal, en voor hij een voet in Arabië zet, is het lot

van de veroordeelde beslist. De Wekil Obada rijdt sneller dan hij en

deze heeft alle macht in handen, zoolang Amr ver van Egypte is. Men

zegt, dat hij den stadhouderszoon niet luchten of zien kan, en om

zijnentwil--wie weet het?--kan de Damasceensche als zijne bruid..."

"Zijne bruid?"

"Voor de rechters heeft zijzelve zich zoo genoemd en zichzelve

gelukgewenscht als zijne verloofde."

"Paula en Orion?" juichte Pulcheria onder hare tranen, en klapte

blijmoedig in de handen.

"Zij beiden," hernam de oude. "Gij hebt reden, om u te verheugen,

mijn meisje. Wat hebt gijlieden toch teergevoelige harten! Let op

de ervaring van den oude en zegent het lot, wanneer dit het paard

verlamt van den bode des kadhis! Doch gij wilt niets hooren, wat als

orakeltaal klinkt, en het is ook beter over iets anders te spreken..."

"Neen, neen," smeekte Johanna. "Waaraan zouden wij kunnen denken dan

aan haar en hetgeen haar boven het hoofd hangt. O Horus, ik herken u

niet meer. Wat heeft u dat arme, ons zoo dierbare, voortreffelijke

meisje, dat door zulk een bitter ongeluk vervolgd wordt, toch

gedaan? En bedenkt gij in het geheel niet, dat de rechters, die haar

veroordeeld hebben, nu ook verder zullen onderzoeken, hoe Rufinus en

wat wij allen..."

"Wat gij hebt uit te staan met dit waanzinnige reddingsplan?" vulde

de grijsaard aan. "Het is mijne zaak dat te verhinderen. Zoo lang

deze oude hersenen denken kunnen, deze mond spreken kan, zal u geen

haar gedeerd worden."

"Heb dank daarvoor!" antwoordde Johanna. "Maar als gij dan zooveel

macht hebt, gebruik haar dan, om Paula te redden. Gij weet hoe lief

Paula ons allen is, hoe hoog uw Philippus haar schat."

"Ik bezit volstrekt geen macht en wil die ook niet hebben," antwoordde

de oude op strengen toon.

"Maar Horus, Horus!--Kom kinderen!--Wij zouden een tweeden vader in u

vinden, hebt gij beloofd; zoo toon dan, dat dit geen ijdel woord is,

en laat u door ons bezweren."

De oude man stond, terwijl hij diep ademhaalde, zoo spoedig hij dit

kon op; twee scherp afgeteekende roode vlekken kleurden zijne vale

wangen, en met heesche stem riep hij uit: "Geen woord meer! Doet

geen poging om mij te vermurwen! Val mij niet met weeklachten op het

lijf. Genoeg, duizendmaal genoeg van dit alles! Gij hebt het gehoord

en hoort het nu weder: De Damasceensche of ik, ik of zij! Kunt gij,

wat er in de toekomst ook gebeure, het niet over u verkrijgen in mijne

tegenwoordigheid over haar te zwijgen, dan--dan--dat bezweer ik u,

en wat ik beloof dat houd ik--dan keer ik naar mijn oude hol terug,

om droefgeestig en wederom eene teleurstelling rijker mijn bestaan

voort te slepen of te sterven, zooals mijne godin het zal beschikken."

Daarop verliet hij het vertrek. De kleine Maria hief de tot vuist

gebalde rechterhand dreigende op en riep hem na: "O, dat hij maar

wegging, dat oude, harde, onrechtvaardige monster! Ach, dat ik een

man ware!" Daarbij barstte zij uit in luid geween, en zonder naar de

terechtwijzing van de weduwe te hooren, ging zij voort, zichzelve

niet meer meester: "O, er is geen slechter mensch dan deze, moeder

Johanna! Hij zou haar willen zien sterven, hij wenscht haar dood,

ik voel dat hij dit wenschen kan! Hebt gij het gehoord Pul, hij zou

er zich in verblijden, als het paard verlamde van den bode, die hare

redding zou kunnen bewerken? En zij is nu de bruid van Orion,--ik

had ze reeds zoolang voor elkander bestemd--en hem willen zij ook

dooden. Maar zij zullen het niet, als er nog een rechtvaardig God in

den hemel is. O dat ik... dat ik..."

Maar het hevig belette haar verder te gaan, en toen zij eenigermate

tot rust was gekomen, smeekte zij Pulcheria en hare moeder, om

haar naar Paula te brengen. Daar zij dezen wensch met haar deelden,

begaven zij zich vóor het donker werd op weg naar de gevangenis. Hoe

meer zij de markt naderden, die zij moesten oversteken, des te voller

vonden zij de straten. Alles ging denzelfden weg uit, zij werden als

door de menigte gedragen. Uit de richting van het marktplein kwam

hun het gedruisch en geroep uit ontelbare monden te gemoet. Vrouw

Johanna werd in het gedrang beangst voor het geweldig rumoer op het

plein, en gaarne ware zij met hare beschermelingen omgekeerd, of had

zij die plaats ontweken; maar alles bewoog zich daarheen, en het zou

gemakkelijker zijn geweest tegen een gezwollen bergstroom op te zwemmen

als weder naar huis te komen. Zij bereikten dan ook weldra de markt,

en werden daar, van alle zijden opgedrongen, tot stilstand gedwongen.

De angst van de weduwe klom steeds meer. Hoe pijnlijk was het haar met

de meisjes midden in zulk een volksoploop geraakt te zijn! Pulcheria

hield haar stevig vast, en toen zij Maria gebood haar eene hand te

geven, riep de kleine, die in dezen avontuurlijken tocht bijzonder

behagen schepte: "Zie eens, moeder Johanna, daar staat onze Rustem,

hij is toch de grootste van allen!"

"Hadden we hem maar bij ons!" zeide de weduwe met een zucht.

Daar rukte het kind zich van haar los, sloop behendig als een eekhoorn

door den menschendrom en bereikte weldra den Masdakiet.

Deze had Memphis nog niet verlaten, want de eerste karavaan, waarbij

hij zich met zijn wijfje zou kunnen aansluiten, brak eerst op na

eenige dagen. De brave Pers en Maria waren goede vrienden, en zoodra

hij hoorde, dat zijne weldoensters in vrees verkeerden, baande hij

zich met het kind een weg tot haar, en de weduwe kwam tot verademing,

toen hij haar aanbood bij haar te blijven en haar te beschermen.

Intusschen nam het gejoel en geschreeuw steeds toe. Aller hoofden en

oogen waren naar het raadhuis gericht, want men scheen te verwachten

dat daar iets groots, iets buitengewoons zou plaats hebben.

"Wat is er toch te doen?" vroeg Maria den Pers, terwijl zij hem aan het

kleed trok. De reus boog zwijgend tot haar neder en tot hare vreugde

stond zij een oogenblik later op zijne over de borst gekruiste armen,

en zag, nadat zij zich eene zitplaats had gekozen op zijn breeden

schouder, van dezen hoogen wachttoren over allen heen.

Vrouw Johanna legde angstig de handen op hare voetjes, maar zij riep

haar uit de hoogte toe: "Moeder, Pul, ik vergis mij niet! Vóor de

kurie staat de witte ezel van onzen oude, en daar doen zij het beest

een krans, een olijf krans om den hals."

Thans klonk van het raadhuis bazuingeschal over de markt door de

verstikkend heete, stoffige lucht, en plotseling werd het rondom stil

en steeds stiller, en waar iemand zijn mond opende om te schreeuwen

of te praten, kreeg hij een duw van zijn buurman, die hem tot zwijgen

bracht.

De weduwe legde de hand vaster aan de enkels van Maria en vroeg,

terwijl zij zich het zweet van het voorhoofd wischte: "Wat is er

te doen?"

De kleine antwoordde haastig, zonder zich in het zien te laten storen:

"Kijk maar naar het balkon van het raadhuis; daar staat het hoofd van

de stad, de purperverver Alexander. Hij is vaak bij grootvader geweest

en grootmoeder mocht zijne vrouw niet lijden. En daar naast hem, vlak

naast hem--herkent gij hem niet?--dat is de oude Horus Apollon. Hij

neemt zich juist den lauwerkrans van de pruik. Alexander wil spreken."

Opnieuw klonk het bazuingeschal, en terstond daarop hoorde men eene

luide mannenstem uit de richting van het raadhuis. Het werd nu zoo

stil, dat ook aan de weduwe en hare dochter maar weinig ontging van

de toespraak, die nu volgde:

"Medeburgers, Memphieten, lotgenooten!" zoo begon de stadsoverste

langzaam en met ver klinkende stem. "Gij kent ons gemeenschappelijk

lijden. Er is geen leed, dat ons niet ten deel viel, en nog gruwzamer

gebeurtenissen schijnen te dreigen."

De menigte gaf door oorverdoovend geschreeuw hare instemming te kennen,

doch bazuingeschal vermaande weder tot rust, en de stadsoverste

ging voort: "Wij, de senaat, de bouleuten der stad, wien gij hebt

opgedragen, om voor uw welzijn te zorgen..."

Een woest gehuil belette den redenaar verder te gaan; men onderscheidde

alleen de kreten: "Zorgt, doet uw plicht!"--"Gierigaards!"--"Houdt

uw woord!"--"Redt ons van het verderf!"

Doch de bazuinen brachten de ontevredenen andermaal tot rust,

en Alexander ging verder, ditmaal gejaagd en in een staat van de

grootste opgewondenheid: "Hoort mij! Valt mij niet in de rede! De

nood, de ellende treft onze hoofden zoo goed als de uwen. Mijn vrouw

en mijn zoon zijn dezen nacht aan de pest gestorven!"

Ditmaal ging er slechts een zacht gemompel door de menigte, en alles

werd vanzelf weder stil, toen de deftige man met zijn grauwe baard

op het balkon de oogen afveegde en voortging: "Is er iemand onder u

die ons wijzen kan op een verzuim--hij zij man, vrouw of kind--die

heffe een klacht over ons aan bij God, bij onzen nieuwen heer,

den Kalief, en bij uzelven, burgers van Memphis; maar thans niet,

lotgenooten, thans niet! Staak thans uw schreeuwen en roepen, thans,

nu er redding mogelijk is, moet gij naar mij hooren. Gij moet mij

te kennen geven hoe gij denkt over het laatste uiterste redmiddel,

dat ik u kom aanbevelen!"

"Hoort naar hem! Zwijgt! Weg die schreeuwers!" klonk het van alle

zijden.

"Tot onzen Vader in den hemel," zoo ging de redenaar voort,

"tot onzen goddelijken Heiland en zijne heilige kerk hebben wij

als christenen allereerst ons gewend, om ons te helpen, en ik

vraag u: heeft het ontbroken aan gebeden, aan kerkgangen, aan

processiën, aan wijgeschenken? Neen, neen, mijne lieve medeburgers

en burgeressen! Ieder uwer is mijn getuige--zeker niet!--Maar de

hemel heeft zich blind en doof en stom getoond voor onze woorden,

ja als verlamd... Neen, niet als verlamd; want hij is krachtig en

haastig genoeg in de weer, om nieuw leed te voegen bij het oude. Wat

menschelijke voorzichtigheid en verstand bedenken en in het werk

stellen kan, daarvan is ook niets onbeproefd gelaten. De oude kunsten

van toovenaars en magiërs en alchymisten, die menigmaal doel troffen,

om de macht van booze geesten te breken, ook deze zijn gebleken

bedriegelijk en onmachtig te zijn. Toen dachten wij aan onze groote,

beroemde vaderen en voorvaderen, en wij herinnerden ons dat in ons

midden een man leeft, die veel weet wat voor anderen verloren is

gegaan in den loop der tijden. De wijsheid der voorvaderen heeft hij

gedurende een langdurig leven zich eigen gemaakt, door dag en nacht

rusteloos te arbeiden. Hij bezit den sleutel tot het schrift en de

geheimen der ouden, en hij heeft ons medegedeeld van welk redmiddel de

voorvaderen gebruik maakten, wanneer een dergelijk onheil hen bezocht

zooals ons in deze gruwzame dagen. De grijsaard hier aan mijne zijde,

de wijze en verstandige Horus Apollon, heeft ons dit geopenbaard. Ziet

die eenvoudige rollen in zijne hand! Zij leeren ons, welk een wonder

dat middel in vroeger tijd heeft uitgewerkt."

Hier belette een Memphiet den redenaar voort te gaan, door uit te

roepen: "Heil Horus Apollon, onzen redder!" waarop duizenden hem

navolgden en den oude hun bijval en dank te kennen gaven door luid

geschreeuw. Deze boog bescheiden, wees op zijne smalle borst en

zijne ingevallen mond en gaf dan door teekenen te verstaan, dat het

stadshoofd de man was, die op zich had genomen het volk zijn raad

mede te deelen.

Daarop ging Alexander aldus voort: "Groote gunsten, medeburgers en

vrienden, zijn alleen voor groote gaven te koop. Dat wisten de ouden,

en wanneer de stroom, waarvan, gelijk wij maar al te goed weten,

het algemeen welzijn of de algemeene ellende hier te lande afhangt,

niet wilde stijgen, en het uitblijven van het wassen onheilen na zich

sleepte van allerlei aard, zoo brachten zij hem een offer, dat zij

voor het edelste hielden van alles wat de aarde draagt: eene reine,

schoone jonkvrouw. Wat wij verwacht hadden gebeurt: hiervan schrikt

gij! Ik hoor u morren, zie uwe verbaasde gezichten, en hoe zou de

ziel van een christen geen afschuw hebben van zulk een offer! Maar is

het dan zoo vreemd? Hebben wij inderdaad ooit anders gehandeld? Wie

van ons richt zijn gebed niet tot den heiligen Orion, hetzij tehuis,

hetzij onder bijstand der priesters in de kerk, wanneer hij van onzen

heerlijken stroom een gave verwacht? En dit jaar hebben wij, als altijd

in den nacht van den druppel, onder gebeden tot hem een kistje met

een menschelijken vinger in de golven geworpen [22]. Dit kleine offer

moest het meer kostbare en grootere der heidenen vervangen; het werd

gebracht en zijne noodzakelijkheid is nooit in twijfel getrokken,

en ook de strengste en heiligste lichten der kerk, een Antonius en

Athanasius, een Theophilus en Cyrillus, hebben niets daartegen weten

in te brengen; onder hunne oogen is het jaar aan jaar aan de golven

prijsgegeven. Een vinger in een kistje! Een armzalige plaatsvervanger

voor het schoonste en reinste, dat God schiep onder de menschen. Kan

het ons verwonderen, indien de heilige eindelijk dit jammerlijke

vergoedingsmiddel versmaadt, afwijst en voor zijn Nijl eens weder

begeert, wat hem vroeger ten deel viel?

"Maar zult gij vragen: welke moeder, welke vader is in onzen

zelfzuchtigen tijd zoo gansch en al doordrongen van liefde voor

zijn geboorteland, zijne gouw, zijne stad, dat hij zijn maagdelijke

dochter voor het algemeen welzijn aan den dood in de golven zal

overgeven? Welke dochter van ons volk zou bereid zijn voor het

behoud van anderen, en voor haar eigen heil zonder tegenspraak uit

dit leven te scheiden?--Doch maak u niet beangst! Vreest niet voor

uwe aankomende meisjes in het vrouwenvertrek, die u lief zijn als

uwe oogappels. Vreest niet voor uwe kleinkinderen, uwe zusters, uwe

speelnooten, uwe bruiden! Reeds in de allervroegste tijden verbood

eene strenge wet der vaderen, om menschen van Egyptisch bloed te

offeren; het was enkel geoorloofd vreemden ten offer te brengen,

of de zoodanigen die andere goden dienden dan de hunne. Datzelfde,

medeburgers en geloofsgenooten, is ook u geoorloofd. Hoort nu

aandachtig toe, gij allen! Schijnt het u niet toe als wenschte de

voorzienigheid zelve ons te helpen, om eindelijk aan onzen gezegenden

Nijl het offer te brengen, dat hem zoovele tientallen van jaren, ja

zoovele eeuwen onthouden is? Ja, zij verlangt het, want dat offer is

als door een wonder in handen gegeven. Heden hebben de rechters eene

schoone, ongerepte jonkvrouw ter dood veroordeeld, om een misdrijf,

dat haar niet verontreinigde. Zij is eene vreemdelinge, en bovendien

eene Griekin, eene kettersche Melchietin.

"Dat grijpt u aan, dat wekt uwe zielen op tot dankbare vreugde,

dat kan ik u aanzien. Maak u dan op, edele stroom, weldoener van

dit land en dit volk, tot uw huwelijksfeest! De Jonkvrouw, de bruid,

waarnaar gij verlangt, wij zullen haar voor u tooien, wij voeren haar

in uwe armen, zij zal de uwe zijn!

"En gij, Memphieten, medeburgers, lotgenooten." en hierbij bukte de

stadsoverste ver over het balkon naar de menigte, "wanneer ik u thans,

om uwe toestemming bid, wanneer ik in naam van den senaat en van

dezen grijsaard u vraag...."

Het geweldig ten hemel stijgend gejubel der verzamelde menigte

belette den spreker verder te gaan en duizend stemmen riepen: "In

den Nijl met de jonkvrouw!"--"De Melchietin wordt aan den stroom

uitgehuwelijkt! Kransen voor den Nijlbruid, bloemen voor haar

bruiloftsfeest!"--"Volgen wij de lessen der vaderen!"--"Heil den

raadsman, heil den wijzen Horus Apollon. Heil onzen stadsoverste!"

Zoo schreeuwde en riep men vroolijk en met geestdrift door

elkander. Alleen aan de noordzijde van de markt, waar de ledige

tafels van de wisselaars stonden, die hun goud en zilver reeds lang

in veiligheid hadden gebracht, verhief zich een afkeurend en dreigend

gemompel.

De ademhaling van het kind, dat op den schouder van den Pers zat,

was reeds lang zwaarder geworden. Het meende te weten wie die duivels

hadden uitverkoren tot het schandelijk heidensch offer, en toen Maria

zich neerboog tot vrouw Johanna, om zich te overtuigen of deze het

afgrijselijk vermoeden deelde, zag zij de oogen van de weduwe en hare

dochter in tranen baden. Zij wist genoeg en vroeg niet verder, want

eene nieuwe gebeurtenis trok onverdeeld hare aandacht. Bij de tafels

der wisselaars werd eene hand met een crucifix omhoog gestoken, en

het kind zag, hoe zij zich met kracht en geregeld voortbewoog in

de richting van de kurie. De menigte maakte plaats voor een persoon

en het heilig teeken dat hij droeg, en het was Maria, als week het

gedrang voor het voorwaartsgaande beeld van den gekruisigde naar beide

zijden als de baren van de Schelfzee voor het vluchtende volk Gods.

Het gemompel aan de noordzijde van de markt werd sterker, het gejubel

der menigte verloor in kracht, iedere stem scheen weg te sterven

en nu besteeg een klein, gezet man, met eene edele, eerbiedwaardige

houding, in bisschoppelijk gewaad, de treden van de trap en verdween

eindelijk in het raadhuis. Op den vloed van zoo even volgde de ebbe,

het geschreeuw veranderde in een ontevreden, vragend geprevel, en ook

dat verstomde, toen de kleine man, die groot scheen door het crucifix

dat hij omhoog hield, op het balkon verscheen, de borstwering naderde,

en den arm met het beeld van den gekruisigde zoover mogelijk uitstrekte

over de voorste rijen van het volk.

Daar ging de oude Horus Apollon met van toorn fonkelende oogen naar het

hoofd der stad, en vorderde van dezen, dat hij den indringer het woord

zou ontnemen. Doch de purperverver was door het indrukwekkend oog van

den kleinen man getroffen, en met gebogen hoofd liet hij den bisschop

begaan. Ook geen der bouleuten waagde het hem den weg te versperren,

want ieder kende den vurigen, standvastigen, geleerden presbyter,

die sedert gisteren de plaats had ingenomen van den gestorven bisschop

Plotinos. Thans riep de nieuwe zielenherder, zoo luid hij kon, zijne

weerspannige kudde het volgende toe:

"Ziet dezen gekruisigden en hoort zijn dienaar! Gij smacht naar het

heil van Christus en gij wilt heidensche gruwelen bedrijven! Dat

afgodisch gejubel, waardoor ik mij een weg baande tot uwe ooren,

zal in jammergehuil veranderen, wanneer gij ze toestopt en doof maakt

voor de woorden van zaligheid.

"Ja gij moogt morren! Mij zult gij toch niet tot zwijgen brengen, want

uit mij spreekt de waarheid, die nooit verstomt! Voor ieder, die het

nog niet weet, zij hier gezegd: de kromstaf van de gestorven Plotinos

werd aan mij overgedragen. Ik wil dien gebruiken met zachtmoedigheid en

goedheid, doch als het zijn moet, zal ik hem zwaaien als een zwaard en

een geesel, tot gij uit wonden bloedt en uwe builen wrijft. Ziehier

het beeld van uw verlosser in mijne rechterhand. Ik richt het op

als een muur tusschen u en de heidensche gruweldaad, die gij in uwe

verblinding hebt toegejuicht.

"Gij waanzinnigen en afvalligen! De harten omhoog en opgezien tot hem,

die aan het kruis gestorven is, om u te redden. Waarlijk hij laat hen

niet vergaan, die aan hem gelooven. Maar gij, waar is uw geloof? Omdat

het nacht werd, huilt gij: 'het licht is uitgegaan!' Omdat gij krank

zijt, meent gij: 'De arts kan niet helpen!' Welk eene lastertaal

heb ik hier gehoord! 'De Heer', heet het 'is onmachtig, alsook

zijne kerk! Tooverij, magie, eene heidensche gruweldaad moet ons

redden?' Maar juist omdat gij niet op den waren redder en verlosser

hoopt, maar op eene heidensche gruweldaad, op magie en tooverij,

worden de straffen op gehoopt over uwe hoofden, en zoo zal het

voortgaan--dat zie ik aankomen--tot gij geheel in het slijk verstikt

en smachtend zoekt naar de eenige hand, die u oprichten kan. Datgene

waarmede verblinde menschenkinderen beloven u van de ellende te

redden, dat, dat is juist de bron van uw lijden, en hier sta ik, om

deze bron te verstoppen en de bedding harer wateren af te graven. Gij

wildet Moloch's dienaars worden en ik hoop u weder tot Christenen te

maken. De jonkvrouw, die uwe woede in de diepte van den stroom wil

storten, haar maakt de verheven kerk in hare barmhartigheid tot hare

beschermelinge, want met haar lichamelijken dood brengt gij over u den

dood uwer zielen. De heilige Orion keert met afschuw het gelaat van u

af. Weg, weg met dat onzalige offer, weg van u die onzinnige wensch,

en de handen die den tempel ontheiligen!"

"Legt die handen in den schoot, wringt ze samen in den gebede tot

bloedens toe, tot ellende en pest de laatste van u ten grave heeft

gesleept!" riep op eens de fijne, schrille stem van den grijsaard,

die aan alle zijden werd gehoord. En ontelbaren uit de menigte op de

markt gaven door luid geschreeuw hunne instemming te kennen.

De overste der stad, die tot hiertoe berouwvol en met gebogen hoofd

den bisschop had aangehoord, kwam weder tot bezinning en riep in

geestvervoering uit: "Het volk sterft, stad en land gaan te gronde,

pest en verderf stijgen op uit den stroom. Toon ons een anderen weg

tot redding, of laat ons den raad der vaderen volgen en dit laatste

middel beproeven!"

Doch de kleine man richtte zich ernstig op in al zijne lengte, wees met

zijne linkerhand op het crucifix en zeide met onverstoorbare kalmte:

"Gelooft, hoopt, bidt!"

"Is dit dan niet geschied?" riep de stadsoverste weder uit.

"Maar u heeft geene stervende vrouw met gebroken oogen, u heeft geen

reutelend kind..."

Thans verhief zich van beneden een nieuw gebrul, veel krachtiger en

wilder dan te voren. Ieder wien de dood in huis had bezocht en in

het hart had gegrepen, wiens tuinen en akkers verdord waren, wiens

dadels stuk voor stuk van de boomen waren gevallen, verhief zijne

stem en schreeuwde: "Het offer, het offer!"--"In den stroom met de

jonkvrouw!"--"Heil onze redders, heil den wijzen Horus Apollon!"

Doch anderen riepen daartusschen: "Laat ons christenen blijven!"--"Heil

den bisschop Johannes!"--"Ons eeuwig heil!"

Intusschen trachtte de prelaat opnieuw de aandacht van het volk

tot zich te trekken, en daar hem dit niet gelukte, wendde hij zich

andermaal tot den overste der stad, de bouleuten, de tubablazers, en

eindelijk wist hij de laatsten te bewegen, een en andermaal en telkens

luider de bazuinen te doen spreken. Doch ook dit geschal bleef zonder

uitwerking, want op de markt waren enkele groepen handgemeen geraakt,

en het geschreeuw en de strijd dreigde in een bloedig straatgevecht

te ontaarden.

Beschut door den Masdakiet was het der vrouwen gelukt de markt te

verlaten voor Arabische ruiters kwamen aandraven, om de strijdende

menigte uit elkaar te jagen. Op het raadhuis verklaarde de bisschop

Johannes aan de senatoren der stad, dat hij niets onbeproefd zou

laten, om het onmenschelijk en onchristelijk offer eener jonkvrouw

te verhinderen, al was zij een Melchietin en ter dood veroordeeld;

heden nog zou hij eene duif met een brief naar den patriarch in

Opper-Egypte zenden, ten einde diens beslissing te vragen. Toen

Horus Apollon hierop terstond antwoordde, dat de vertegenwoordiger

van den Kalief zijne toestemming tot het offer had gegeven, en dat

men ook tegen den wil van de geestelijkheid aan den ondergang van het

volk een einde zou maken, vloog de bisschop heftig op, en bedreigde

allen die dit afschuwelijk plan hadden uitgedacht, met den vloek der

kerk. Doch de grijsaard verzette zich wederom tegen hem met vurige

welsprekendheid, de vertwijfelende bouleuten kozen zijne partij,

en ten hoogste verstoord verliet de bisschop het raadhuis.

De nijlbruid · 第 57 / 66 题