Nadat zich de deur der hooge gevangenismuur achter de vrouwen
gesloten had, ging vrouw Johanna aan den arm harer dochter door de
altijd nog heete, stille straten, terwijl Rustem haar met het meisje
volgde. Het goede hart van den reus hing aan Maria, en vaak veegde
hij met zijne groote hand de oogen af, toen zij hem duidelijk maakte
wat dat schouwspel, waarvan hij op de markt getuige was geweest, te
beduiden had gehad, en welk een vreeselijke dood Paula bedreigde. Van
tijd tot tijd maakte hij onder dit verhaal zonderlinge geluiden,
waardoor hij lucht gaf aan zijn toorn en zijne bezorgdheid; want hij
zag tot zijne verpleegster op als tot een hooger wezen, en Mandane
had ook gezegd, dat zij nooit zou vergeten, wat die voorname jonkvrouw
voor haar gedaan had.
"Als ik," barstte Rustem eindelijk los, terwijl hij zijn verbazende
vuist ophief, "als ik kon, ze zouden..."
De kleine zag daarbij verstandig en vragend tot hem op en zeide
levendig: "Gij kunt, Rustem, ja, gij kunt!"
"Ik?" vroeg de Pers verbaasd, terwijl hij ongeloovig het hoofd schudde.
"Ja, gij, Rustem; juist gij! Wij hebben daar in de gevangenis eene
afspraak gemaakt, en als gij maar een beetje goeden wil hebt, om ons
daarbij te helpen..."
"Goeden wil," lachte de wakkere jonge man, terwijl hij op zijn borst
sloeg. Daarop vervolgde hij in zijn eigenaardig gebroken Grieksch,
dat echter zeer goed te verstaan was: "Huid en haar waag ik voor de
jonkvrouw. Kom maar voor den dag met de zaak!"
Het kind omklemde met beide handen den arm van den grooten man, trok
hem nader tot zich en zeide: "Wij wisten wel, dat gij een dankbaar
hart hebt. Maar, ziet gij--" hier hield Maria op, om on geheel anderen
toon te vragen: "Gelooft gij aan een God? Of wacht... Weet gij wat een
heilige eed is? Kunt gij ook iets zweren? Ja, Ja," en nu richtte zij
zich zoo hoog mogelijk op en vervolgde op plechtigen toon: "Zweer mij
bij uwe bruid Mandane, en zoo waar gij gelooft, dat zij u liefheeft..."
"Maar, zieltje...."
"Zweer mij bij haar, dat gij dat wat nu komt aan niemand verraden zult,
ook niet aan moeder Johanna en Pul, zelfs aan uwe Mandane alleen als
het niet anders kan, en nadat zij u heilig beloofd heeft...."
"Maar wat dan? Ik begin waarlijk bang te worden; wat moet ik bezweren?"
"Niet te verraden, wat ik u thans zal toevertrouwen."
"Nu ja, kleine meesteres, dat kan ik belooven."
"Ah!" riep Maria met eene diepe, langgerekte ademhaling, waarop zij hem
mededeelde, dat den veldheer Amr een betrouwbare bode moest te gemoet
gezonden worden, om Paula intijds te kunnen redden. Hierop volgde de
vraag of hij den weg kende over de bergen van Babylon naar het oude
Berenike, en toen hij antwoordde, dat dit juist de laatste was, dien
hij had afgelegd, dat die weg het dichtst bij de zee voerde, als men
naar Dschidda en Medina wilde, herhaalde zij haar goedkeurend "Ah!",
greep zijne hand, en zeide, terwijl zij met zijne groote vingers
speelde, op vleienden maar toch dringenden toon: "En nu, goede,
beste Rustem, nu is er maar een enkele betrouwbare bode in Memphis,
doch die, ziet ge, heeft eene bruid en daarom zou hij liever trouwen
en met haar naar zijn vaderland gaan, dan ons helpen, om het leven
van de ongelukkige Paula te redden."
"Die vlegel!" bromde de Pers.
Maria begon te schaterlachen, herhalende: "Ja die vlegel!" Daarop
vervolgde zij vroolijk: "Maar gij scheldt op uzelven, domme
Rustem! Gij, gij zijt de bode, dien ik bedoel, de eenige eerlijke,
trouwhartige dien ik in geheel den omtrek ken. Gij, gij moet den
veldheer te gemoet gaan...."
"Ik?" vroeg de karavaanaanvoerder verschrikt, terwijl hij bleef
stilstaan.
Doch Maria trok hem voort en zeide: "Kom vooruit, anders zullen zij
daar voor ons iets merken; gij, ja, gij zult...."
"Maar kind, kind," haastte de Pers zich te zeggen op klagenden toon:
"ik moet naar mijn heer terug, en ik, ziet ge, laat ons eerlijk
zijn...."
"Gij wilt niet van uw meisje weg, al moet ook de vriendelijke
jonkvrouw, die dag en nacht bij u gewaakt heeft, daarom prijsgegeven
worden aan den dood, den afgrijselijksten en gruwzaamsten van
allen. Voor dien andere, dien niemand verpleegd heeft, ja voor dien
hebt gij dat 'vlegel' dadelijk bij de hand, maar voor u...."
"Bedaar toch! Hoor mij eerst aan, kleine meesteres!" zeide Rustem,
haar het woord ontnemende, terwijl hij tegelijkertijd zijne hand uit
de hare losmaakte. "Ik wilde nog wat wachten en Mandane heeft er zich
reeds in moeten schikken, maar éen mensch kan niet alles. Rijden,
koopwaren overbrengen, kameelknechts onder bedwang houden, een leger
opslaan, dat kan ik, doch met groote heeren omgaan, met wenschen en
smeekingen een man als den veldheer onder de oogen te komen, ziet gij,
zieltje--al gold het, mijn eigen vader te redden--dat zou..."
"Maar wordt dit dan van u gevorderd?" vroeg de kleine. "Gij kunt
zoo stom blijven als een visch, het spreken zal de zaak zijn van die
u vergezelt."
"Dus zal nog een ander? Maar, groote Masdak!--Wees dan met dien
eenen tevreden!"
"Moet ge mij dan telkens in de rede vallen?" liet het kind hier
dadelijk op volgen: "Eerst hooren en dan tegenwerpingen maken! Die
tweede bode dan is in het geheel geen mannelijke bode, maar eene van
het vrouwelijke geslacht, en die--zet uwe ooren maar wijd open--die
ben ik, ik die hier naast u ga. En wanneer gij nu nog eens blijft
staan, dan denk ik dat ge mij wilt verraden. Kort en goed, zoo zeker
als ik wensch Paula te redden, zoo stellig rijd ik den veldheer
tegemoet. Weigert gij mij te vergezellen, dan ga ik alleen en beproef
of niet de bultenaar Gibbus...."
Rustem had eenigen tijd noodig gehad na deze buitengewone verrassing,
om tot bezinning te komen; eindelijk zeide hij: "Gij--gij.. En tot
Berenike, en dat nog wel over de bergen.."
"Ja over de bergen," herhaalde zij, "en als het zijn moest ook door
de wolken."
"Maar zoo iets is toch onmogelijk, nog nooit heeft men dit op aarde
beleefd!" zeide de Pers op meewarigen toon. "Een meisje, zoo'n kleine
jonkvrouw, als bode, geheel alleen met zulk een onbeholpen kerel als
ik ben. Neen, neen, neen!"
"En nog honderdmaal neen en weder neen," ging het kind blijmoedig
voort. "De jonkvrouw blijft natuurlijk te huis, maar een knaap zal
u vergezellen, dien gij Marius zult noemen, in plaats van Maria."
"Een knaap? Ik dacht toch... Men raakt de kluts gansch en al kwijt!"
"Een knaap, die een meisje is en een jongen in één persoon," zeide
Maria lachende. "Maar gij wilt alles zoo duidelijk: Als knaap verkleed
zal ik u begeleiden, en als wij morgen opbreken, letwel, dan houdt
ge mij voor uw eigen broeder."
"Uw eigen broeder! Welk een schrander kopje zijt ge! Gij weet het
onmogelijke mogelijk te maken," zeide Rustem lachend, terwijl hij
daarbij de kleine met welgevallen aanzag. Doch opeens werd hij weder
geheel doordrongen van het ongehoorde van haar verlangen, en geen
raad wetende riep hij: "Maar mijn heer, mijn meester! Waarlijk het
gaat niet!"
"Juist om zijnentwil bewijst gij ons dezen dienst," antwoordde Maria
gevat. "Hij is Paula's vriend en beschermer, en wanneer hij hoort wat
gij voor haar gedaan hebt, zal hij u prijzen. Als gij ons echter in
den steek laat, dan weet ik zeker..."
"Welnu?"
"Dat hij zegt: 'Ik had dien Rustem voor verstandiger en goedhartiger
gehouden'."
"Zoo, meent gij dat hij dit zeggen zou?"
"Zoo waar als ons huis daar staat! Wij hebben geen tijd meer om te
kibbelen, en het blijft er bij: wij reizen te zamen. Morgen vroeg
zal ik u in den tuin vinden. Gij kunt aan uwe Mandane zeggen, dat
eene gewichtige handelszaak u van hier roept."
"En vrouw Johanna?" vroeg de Pers. "Dat gij naar haar niet vraagt," zoo
vervolgde hij op bedenkelijken en bezorgden toon: "en in vertrouwen
haar alles mededeelt, kindlief, dat wil mij in het geheel niet
bevallen."
"Maar zij zal alles weten, alleen niet dadelijk," antwoordde Maria, "en
wanneer zij overmorgen te weten komt met welk doel ik haar verlaten heb
en dat gij mij vergezelt, zal zij ons prijzen en zegenen. Ja, dat doet
zij, zoo waar ik hoop, dat de lieve God ons op onze reis bijstaat."
Deze woorden, waaraan men hooren kon, dat zij uit den diepsten grond
des harten kwamen, braken het laatste verzet van den Masdakiet--ter
rechter tijd; want hunne wandeling was ten einde, en daarbij scheen
het hun, als hadden zij den langen weg in weinig stappen afgelegd. Zij
waren groepen van schreeuwende en twistende burgers vlak voorbijgegaan,
en menige lijkstatie van een aan de pest bezweken doode was langs
dezelfde straat met fakkellicht grafwaarts getrokken; doch dat alles
was hun ontgaan. Eerst bij de tuindeur bemerkten zij, wat er rondom
hen plaats greep. Daar vonden zij den hovenier Gibbus en het geheele
dienstpersoneel, dat met bezorgdheid de zoo laat terugkeerende vrouwen
opwachtte. Ook de Griekin Eudoxia zag hare komst met een kloppend
hart te gemoet.
In huis werden zij door Horus Appollon ontvangen, doch vrouw Johanna
en Pulcheria beantwoordden zijn groet met eene koele buiging en Maria
keerde hem met opzet den rug toe. De grijsaard haalde mismoedig
en spijtig de schouders op, en op zijn kamer prevelde hij: "Dat
wijf! Zelfs de goede dagen, waarop ik voor het overige van mijn leven
hoopte, zal ze mij bederven!"
De weduwe en hare dochter spraken in haar slaapvertrek nog lang over
Maria. Zij had haar met zulk eene innigheid en teederheid goeden nacht
gewenscht, als stond de scheiding reeds voor de deur. Arm kind! Het
vermoedde voor welk een treurig lot de bisschop en misschien hare
eigene moeder haar bestemd hadden. Doch Maria zag er niet uit alsof
zij het ongeluk te gemoet ging. Eudoxia, die bij haar sliep, verheugde
zich veeleer in haar blijmoedig uitzicht, alleen verwonderde het haar
dat de kleine, die anders pleegde in te slapen, zoodra zij het hoofdje
in de kussens had gedrukt, heden zoo lang wakker bleef. Onwillekeurig
volgde de bejaarde Griekin, die door allerlei kleine kwalen geplaagd,
altijd eerst laat insliep, iedere beweging van het kind.
Doch wat was dat? Voor de morgen aanbrak sprong Maria op eens uit
bed, wierp een kleed om, en begaf zich met een nachtlicht naar het
aangrenzend vertrek. Van daar viel een helder lichtschijnsel in het
slaapvertrek; zij moest dus eene lamp hebben aangestoken en toen
Eudoxia later de deur van het woonvertrek hoorde kraken, stond zij
op en overschreed zacht den drempel. Juist kwam Maria terug; zij
droeg nieuwe jongenskleederen in de hand, dezelfde, die Pulcheria
en Eudoxia kort geleden als zondagskleedij gemaakt hadden voor den
lammen tuinmansknaap. Al lachende trok de kleine het blauwe rokje aan,
en nadat zij hare eigene kleederen in de kist had geworpen, zette
zij zich aan tafel, om te schrijven. Het scheen wel dat Maria een
moeielijk onderwerp te behandelen had, want nu eens staarde zij op
het papyrusblad, terwijl zij met de hand langs het voorhoofd wreef,
dan weder tuurde zij peinzend in de hoogte. Zij had reeds eenige
volzinnen voltooid, toen zij plotseling opsprong, Eudoxias naam
binnensmonds prevelde en daarop naar de slaapkamer ging.
Daar trad de Griekin haar te gemoet en nu wierp Maria zich aan hare
borst, en vóor de opvoedster nog eene vraag kon doen, openbaarde zij
haar geroepen te zijn, om iets groots en gewichtigs uit te voeren. Zij
was juist van plan geweest haar te wekken, om haar tot hare vertrouwde
te maken en om raad te vragen. Hoe beminnenswaardig en oprecht was
deze mededeeling, en hoe bevallig was hare schuchterheid, ondanks de
vurige ijver die haar bezielde.
De opvoedster gevoelde zich verteederd, de woorden van berisping
bestierven op hare lippen, en voor de eerste maal beschouwde zij dit
ouderlooze kind als haar eigen, was het haar als viel zijn geluk en
zijn lijden met het hare te zamen. Zij, die haar leven lang slechts
om zichzelve en haar eigen welzijn had gedacht, zij, die zich aan
de opvoeding van Maria tot hiertoe had gewijd, omdat zij daarvoor
onderhoud en salaris ontving, zij achtte zich thans in staat om voor
dit kind zichzelve en alles wat zij bezat ten offer te brengen. Toen
nu de kleine de armen om haar hals sloeg en smeekte haar niet te
verraden, maar veeleer haar te helpen bij het goede werk, dat niet
minder ten doel had dan Paula en Orion, de ongelukkigen wier leven
bedreigd werd, te redden, begonnen hare anders droge oogen vochtig te
worden, kuste zij de gloeiende wangen van Maria opnieuw en zeide haar,
dat zij haar lief, lief dochtertje was.
Dat gaf Maria moed en met pathetische waardigheid, die de opvoedster
de lippen tot een lachje deed plooien, nam zij Eudoxias bijbel van den
lezenaar, legde die op de tafel en zeide, terwijl haar smeekend oog de
Griekin vlak in het aangezicht zag: "Zweer mij--neen gij moet geheel
ernstig blijven, want gij kunt u niets gewichtigers denken--zweer
mij aan geene ziel te zullen verraden, ook niet aan moeder Johanna,
wat ik u wil toevertrouwen."
Eudoxia beloofde dit, maar zij wilde geen eed afleggen. "Ja, ja,
neen, neen," was volgens het gebod des Heeren de beste eed voor een
christen. Maar Maria klemde zich aan haar vast, streek haar over de
magere wangen, en verzekerde haar ten laatste niet te kunnen spreken,
wanneer Eudoxia haar zin niet deed. Aan deze lieflijke vleierij kon de
Griekin op dit uur geen weerstand bieden; zij duldde het dat Maria over
hare zooveel oudere hand beschikte, en deze op den bijbel legde. Toen
dit eenmaal geschied was, deed Eudoxia ook verder wat zij verlangde,
en legde, hoewel gedwongen en met een levendig hoofdschudden, den eed
af, die hare kweekelinge haar voorschreef. Daarop liet de opvoedster
zich als uitgeput en verschrikt over hare eigene zwakheid op den divan
neer, en de kleine maakte van hare overwinning gebruik, door dadelijk
bij hare voeten neer te hurken en haar alles te vertellen wat zij
wist van Paula en de gevaren, die haar en Orion bedreigden. Wetende
sedert lang, hoe hoog de jonkman bij de Griekin stond aangeschreven,
was zij daarbij slim genoeg, om het gevaar, waarin deze verkeerde,
met levendige kleuren af te schilderen.
Tot hiertoe had Eudoxia niet opgehouden hare lokken te streelen en
met alles wat zij zeide in te stemmen; maar toen zij hoorde dat Maria
voornemens was zelve het werk van een bode op zich te nemen, stond zij
onthutst op en verklaarde ten stelligste, dat zij zulk een waagstuk,
zulk eene onzalige dwaasheid nooit kon goedkeuren.
Doch nu riep Maria al wat zij aan overredingskracht en vleiende
kunstmiddelen bezat ter hulp. Er was geen geschikter afgezant te
vinden, en het gold toch Orions en Paula's leven. Was dan een rit
over de bergen van zooveel beteekenis? Hoe goed verstond zij de kunst
om haar paard te mennen, hoe weinig leed zij onder de hitte! Was zij
niet meer dan eens van Memphis naar hunne goederen in het meerland
gereden? En de trouwe Rustem was toch bij haar, en op den weg over de
bergen, de veiligste in dit land, waren toch stations met gelegenheid
tot verblijf voor vreemdelingen. En als zij den veldheer vonden,
kon zij omtrent alles beter inlichtingen geven als eenig ander
menschenkind op aarde. Maar de Griekin liet zich niet vermurwen,
ofschoon zij moest toegeven, dat Maria's voornemen zoo onzinnig niet
was, als het haar aanvankelijk toescheen.
De kleine liet haar niet verder spreken; zij herinnerde Eudoxia nog
eens aan haar eed, en deelde haar zelfs in vertrouwen mede aan welk
gevaar zij, Maria, zelve door dezen bodentocht ontkwam. Zij vertelde
namelijk aan de Griekin welk eene ontmoeting zij had gehad met den
prelaat, en hoe ook vrouw Johanna voor haar en hare toekomst bezorgd
was. Ach het leven tusschen muren, achter slot en grendel scheen haar
zoo schrikkelijk toe, en zij wist haar afschuw hiervan, hare begeerte
naar vrijheid en een frisch, kalm, arbeidzaam leven onder menschen en
vrienden, hare hoop dat de veldheer Amr, wanneer zij zich onder zijne
hoede stelde, haar voor alles bewaren zou, zoo levendig, zoo warm en
roerend te schilderen, dat de tegenspraak der Griekin verstomde, en
de bedaagde jonkvrouw met de handen voor de in tranen badende oogen
uitriep: "Het is verschrikkelijk, het is ongehoord, maar misschien
is het toch het beste. Rijd den veldheer te gemoet, rijd maar weg!"
En toen het jonge schepseltje met zulk een warm, liefderijk gemoed
en zooveel levenslust haar daarop om den hals vloog, verblijdde zij
zich over hare zwakheid, want deze schoone, frissche, levenskrachtige
menschenbloem mocht niet onder dwang en in gevangenschap wegkwijnen,
maar moest gelukkig blijven om gelukkig te maken, moest tot vreugde
van haar en alle goede menschen de volle schoonheid harer bladeren
ontplooien. Eudoxia kende de weduwe en wist dat deze begrijpen zou,
waarom zij het kind bijstond, namelijk, om haar van het grootste gevaar
te redden, dat eene menschelijke ziel bedreigen kon, het gevaar om
in voortdurenden strijd met zichzelven iets anders te moeten zijn
dan hetgeen waartoe men door aanleg en neiging bestemd is. Onder een
pijnlijke zucht gevoelde Eudoxia wat zijzelve, door het gruwzaam lot
gedwongen, bij het gemis van de vrijheid en het gevoel van tevredenheid
geworden was, zij, die eens een warmbloedig, jong meisje was geweest,
vol van groote verwachtingen. Zij, de bekrompene opvoedster, gaf toe
aan het zonderling en stout verlangen van een kind, hetwelk grootere
vrouwenzielen bespot, veroordeeld, geweigerd zouden hebben.
Toen de dag was aangebroken verrichtte Eudoxia zelve, wat anders aan
de kamenier wordt overgelaten; zij kapte Maria het haar, en daarbij
sprak zij met haar en luisterde naar haar alsof in dezen nacht het
kind tot een jonkvrouw was geworden. Vervolgens vergezelde zij hare
leerlinge in den tuin, en zooveel dit mogelijk was bleef zij aan hare
zijde. Vrouw Johanna en Pulcheria verwonderden zich bij het ontbijt
over de houding, die zij tegenover Maria aannam, doch deze mishaagde
haar niet, daar ook de oogen van de laatste schitterden van geluk.
Zonder tegenspraak liet de weduwe het meisje naar de stad gaan, om daar
de geheimzinnige opdracht van haar oom te volvoeren. Rustem vergezelde
haar, en wat het kind zoo vroolijk maakte kon wel niets anders dan
geoorloofd en goed zijn. Orions kaarten en tabellen waren hem tijdig
in de gevangenis toegezonden, en vóor de kleine met haar grooten
geleider opbrak, keerde Gibbus met den brief van den gevangen jonkman
aan den veldheer terug. Onderweg werd afgesproken, dat Maria tegen
het aanbreken van den nacht in de herberg van Nesptah Rustem vinden
zou. Nu er zooveel gebrek was aan voedsel en zooveel menschen stierven,
kon men rijdieren van allerlei soort, met geleiders en knechts,
te kust en te keur krijgen, en de Pers, die met deze aangelegenheid
vertrouwd was, achtte het 't beste snelvoetige dromedarissen te huren,
en eene kleine tent voor zijne jonge meesteres mede te nemen.
Bij de woning van den juwelier Gamaliël verzocht Maria hem te wachten,
en de vroolijke goudsmid ontving haar met ongeveinsde blijdschap. Wat
was er geworden van het huis van den grooten Mukaukas! Vuur
had den zetel der gerechtigheid vernield, evenals de Egyptische
steden, wien de profeet voor duizend jaren een gelijk oordeel had
aangekondigd. Gamaliël wist in welk een groot gevaar Orion verkeerde
en wat de edele jonkvrouw bedreigde, die hem eens den kostbaarsten
van alle gesneden steenen geschonken en hem daarna een deel van haar
vermogen toevertrouwd had. Het deed zijn hart goed althans een lid
van het huis van zijn overleden beschermheer behouden voor zich te
zien. Hij richtte tot Maria de eene deelnemende vraag na de andere, en
zijne vrouw wilde haar dadelijk lekkere abrikozentaartjes brengen. Doch
zij verzocht Gamaliël haar terstond een geheim onderhoud toe te staan,
waarop de juwelier haar voorging naar zijne kleine werkplaats, en
haar verzocht hem volkomen te vertrouwen. Wat de kleindochter van den
Mukaukas Georg ooit van hem begeeren zou, dat was haar bij voorbaat
reeds toegestaan.
Daarop bracht zij verlegen en blozende Orions ring, dien zij zorgvuldig
verborgen had, te voorschijn, reikte dezen den jood toe en vroeg hem
daarvoor te geven wat billijk was.
In de vaste overtuiging, dat de vriendelijke man haar onverwijld
het eene goudstuk na het andere voor zou tellen, zag zij hem met
hare heldere oogen vragend aan. Maar hij nam den ring niet eens van
haar aan, bekeek die slechts met een vluchtigen blik en zeide daarop
ernstig: "Neen, meisjelief; met kinderen doe ik geen zaken."
"Maar ik heb het geld noodig, Gamaliël," zeide zij dringend. "Ik moet
het hebben!"
"Moeten," hernam hij lachend. "Dat is zeker een nagel, die door het
hout gaat, maar stoot hij op ijzer, dan gaat hij meestal krom. Meen
niet dat ik hard ben! Maar 'geld!' 'geld!' 'geld!' Van welk geld
spreekt gij toch eigenlijk meisje? Wilt gij het mijne hebben voor
brood en voor koeken, dat mij het waarschijnlijkst voorkomt, dan
knijp ik mijne oogen toe en grijp in den buidel. Doch als ik mij niet
bedrieg hebt gij bij den Griek Rufinus, wien het aan niets ontbreekt,
een goed onderkomen gevonden, en ik heb zelfs een aardig sommetje geld
in bewaring, dat uw grootvader een paar jaren geleden op rente gaf,
met de opmerking, dat het eene erfenis was, die gij gekregen hadt van
uwe peettante. De kwijtbrief staat op uw naam, en de geldnood waarin
gij verkeert heeft dus veel van hetgeen anderen welstand noemen."
"Geldnood, neen, die heb ik niet," hernam Maria. "Maar het geld kan
ik toch niet missen, en wanneer ikzelve wat bezit en gij hebt het
daar in de kist, geef er mij dan zooveel van als ik noodig hebt."
"Wat gij noodig hebt?" zeide de juwelier lachend. "Ja, dat gaat zoo
gauw niet, meisjelief. Eer zoo iets klaar komt, heeft men in Egypte
veel tijd, veel papyrus en inkt noodig, eene groote rechtbank,
zestien getuigen, een kurios..."
"Welnu, koop dan den ring! Gij zijt zoo'n vriendelijk man,
Gamaliël. Doe het om mij genoegen te geven! Dat ik heden wil snoepen
gelooft gijzelf niet."
"Neen, maar een week hartje wordt in zulk een moeielijken tijd,
waarin velen hongerlijden, licht tot een andere dwaasheid gedrongen."
"Zeker niet! Koop den ring! En doet gij dit mij ten gevalle..."
"Dan is Gamaliël een schurk en een zwakhoofd in éen persoon. Herinnert
gij u nog dien groenen smaragd? Dien kocht ik ook, en wat een
fraaie geschiedenis heeft dat gegeven. Dat gaat niet met dien ring,
meisjelief!"
Maria trok de hand terug, en de teleurstelling en de bekommering
die uit hare groote betraande oogen spraken, waren zoo roerend en
smartelijk, dat de jood op zijne eigene woorden terugkwam en ernstig
maar hartelijk voortging. "Ik zou liever mijn eigen ouden kop tot
een aanbeeld geven, dan u leed doen, lief kind. Adonai! ik zeg ook
niet--waarom zou ik 't zeggen?--dat gij in elk geval zonder geld door
dien Gamaliël zult worden weggezonden. Hij heeft het toch, en hoewel
hij het gaarne ontvangt, hij geeft het ook niet ongaarne, als het
te pas komt. Dien ring kan ik waarlijk niet koopen, maar daarom niet
getreurd. Kijk mij eens goed aan, kleine jonkvrouw. Gij verlangt veel,
en ik heb in mijn magazijn nog veel schooner dingen. Als gij daarin
iets vindt, dat u vertrouwen kan inboezemen, kom dan rond voor de
zaak uit, en zeg den man, op wien ook uw grootvader een klein beetje
bouwde, in het oor: 'zooveel heb ik noodig, en daarvoor'--hoe hebt
gij ook weer gezegd?--'daarvoor moet ik het hebben'!"
Maria las in het opgeruimde, volle gezicht van den jood iets, dat haar
vertrouwen inboezemde, en in haar kinderlijk geloof aan het verbindende
van den eed, liet zij een derden persoon, en ditmaal een lid van eene
derde godsdienstige overtuiging, zweren niets te zullen verraden,
terwijl zij zich verwonderde, dat het ook thans met het afnemen van
een eed, waarin zij zich reeds vrijwel geoefend had, zoo gemakkelijk
ging.--Ook volwassen lieden koopen zoo gaarne voor een goedkoopen eed
het kostbaar geheim van een ander. Nadat zij zich verzekerd had van de
stilzwijgendheid van den Israëliet, vertelde zij hem in vertrouwen,
dat zij, ingevolge een opdracht van Orion, den veldheer een bode
moest zenden, om hem en Paula nog tijdig van den dood te redden.
De goudsmid hoorde haar aandachtig aan, en reeds voor zij nog geheel
geëindigd had, ging hij naar de ijzeren in den grond gemetselde kist,
en brak hare mededeeling af door de vraag: "Hoeveel?" Daarop noemde
zij de som, die Nilus had opgegeven, en nauwelijks was haar bericht
ten einde, of de jood, die de handgreep waarmede hij zijne kist
opende zelfs voor zijne vrouw geheim hield, riep haar toe: "Nu,
kijk eens uit het venster, gij wonderbare afgezant en geldnemer,
en als gij daar beneden in den hof niets ziet, denk dan, dat er
iemand staan kan als de oude Gamaliël, die u bij het hoofd pakte en
u een duchtigen kus gaf. En stel u dan ook voor, dat hij daarbij in
stilte bij zichzelven dacht: God in den hemel, als mijn dochtertje,
de kleine Ruth, eens worden mocht als de kleine Maria, het kleinkind
van den rechtvaardigen Mukaukas!"
Daarop sprong de dikke, bewegelijke man, die op de knieën was gaan
liggen, hijgende overeind, liet het deksel van de kist open, snelde
naar het kind toe, dat reeds eenige oogenblikken uit het venster keek,
drukte het van achteren een kus op de haren en zeide daarbij lachend:
"Dat, klein geldneemstertje, dat zal mijne rente zijn. Maar verder
naar buiten gekeken, tot ik u weder roep!"
Behendig ijlde hij vervolgens met zijne korte beenen naar de kist
terug, veegde zijne oogen af, nam er een kleinen buidel met goud
uit, waarvan de inhoud de verlangde som een weinig overtrof, sloot
de kist weder dicht, zag daarbij met eene gemengde uitdrukking van
wantrouwen en hartelijk welgevallen naar Maria en riep haar eindelijk
bij zich. Hij schudde nu den buidel voor haar uit, telde het bedrag
af, dat zij verlangde, stak de overgebleven goudstukken bij zich,
gaf het kind het zakje en verzocht het toen, terwijl hij de kamer
verliet, listig meesmuilend, zijn 'voorschot' weder in het zakje te
tellen en op hem te wachten. Toen hij terugkwam was zij met het werk
gereed en merkte schuchter op: "Er ontbreekt nog een goudstuk."
Gamaliël kruiste beide armen over de borst, sloeg zijn blik ten hemel
en zeide: "God, welk een meisje! Daar is de solidus, kind! Laat een man
van ervaring u zeggen: wat gij onderneemt, dat zal u gelukken! Gij weet
wat gij doet, en als gij eens groot zijt en er een zal komen, om u te
vrijen, dan zal hij goed ter markt gaan. En nu nog uwe handteekening,
hier! Gij zijt nog wel niet mondig, en het blaadje is--God verhoede
het ergste--is wel niet veel meer waard dan een blaadje, de inkt er
onder begrepen, doch het is voor de orde."
Nu nam Maria de schrijfpen, en terwijl zij eerst vluchtig doorliep,
wat Gamaliël geschreven had, riep deze wederom in warme geestvervoering
uit: "Een meisje, een kind! En dat leest, dat onderzoekt, dat overtuigt
zich, alvorens het zijne handteekening zet! God zegene u, kind! Kijk
daar komen de taartjes, en gij zult ze proeven voor ge... gerechtige
God! Een kind, dat zulke gewichtige zaken doet!"