ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

In de nauwe, gloeiend heete gevangeniscel, die de beide vrouwen

herbergde, doorleefde Paula een ontzettenden nacht. Zij kon den slaap

niet vatten, en als het haar gelukte eindelijk de oogen te sluiten,

werd zij door het geschreeuw en het gerammel der ketenen van de

gevangenen in de groote kerkerzalen, en door den harden stap van een

lotgenoot gestoord, die nog rusteloozer dan zij boven haar hoofd op

en neer wandelde.

Arme deelgenoot in hetzelfde ongeluk! Was het martelende gewetensangst

die hem heen en weer joeg, of was hij even onschuldig als zij, en

was het zielsverlangen, zorg, liefde misschien die hem belette te

slapen? Hij was geen gewoon misdadiger, want voor dezulken was er

geen plaats in dit gedeelte van het gebouw, en omstreeks middernacht,

toen het gedruisch in de groote zalen plotseling verstomd was, vernam

zij uit zijne cel de zachte klank eener luit. En zóo kon enkel een

meester het speeltuig hanteeren. Die vreemde gevangene ging haar

niet aan, maar voor dit geschenk der tonen was zij hem dankbaar,

want ze leidden hare gedachten en overleggingen af van haar eigen

persoon en met klimmende aandacht luisterde zij naar zijn spel.

Blijde een voorwendsel te hebben, om de warme, harde legerstede te

verlaten, sprong zij op en plaatste zich aan het met ijzeren staven

geslotene eenige venster der cel. Daar hield de muziek op en er volgde

een gesprek tusschen den gevangenbewaarder en haar lotgenoot. Wat was

dat voor eene stem? Bedroog zij zich of hoorde zij goed? Haar hart

hield bijna op te kloppen, terwijl zij verder luisterde. Ja, nu moest

elke twijfel zwijgen: Orion was het en geen ander, die daar boven haar

sprak. Daar noemde de gevangenbewaarder ook zijn naam, daar sprak hij

over haar gestorven oom, en nu werd als op een gegeven teeken zachter

gesproken. Zij hoorde wel fluisteren, maar kon den inhoud niet meer

onderscheiden. Eindelijk hoorde zij overluid afscheidswoorden spreken,

de deur van de cel boven haar viel in het slot en de voetstappen van

den gevangene naderden het venster.

Zij drukte haar gelaat tegen de warme ijzeren staven, rekte zich uit,

luisterde in de stilte van den nacht en riep, als zij geen geluid

vernam, eerst zacht, dan harder: "Orion, Orion!" En van boven klonk

terstond daarop haar naam terug.

Thans begroette zij hem en begon te vragen, hoe en sedert wanneer hij

hier was gekomen. Maar reeds bij de eerste woorden legde hij haar

het zwijgen op met een beslissend "stil!" waarop terstond een kort

"let op!" volgde.

Vol verwachting luisterde zij door de traliestaven; de oogenblikken

groeiden met langzamen slakkengang tot een vol half uur, tot eindelijk

het luide "nu!" werd vernomen, waarop zij gewacht had. Eenige

oogenblikken later hield zij een briefrolletje in de hand, dat aan

eene met een stukje hout bezwaarde luitsnaar naar beneden was gelaten.

Er was noch licht, noch vuur in hare cel en de duisternis maakte het

haar onmogelijk om te lezen. Zij riep dus naar boven: "donker!" en

terstond daarop naar zijn voorbeeld: "let op!" Zoodra zij de beide

schoonste rozen, die Pulcheria haar gebracht had, aan de snaar had

bevestigd, zweefden ze op haar vroolijk "nu" naar boven.

Met eenige zachte accoorden, waarin zijn zielsverlangen en zijn

hartstocht trilden, sprak hij zijn dank uit. Toen werd het weder

stil, want de gevangenbewaarder had hem zooeven verboden, bij nacht

te zingen en te spelen, en hij mocht van de welwillendheid van dezen

man geen misbruik maken.

Paula legde zich te slapen neder met Orions brief in de hand, en

toen zij voelde dat zij zou insluimeren, schoof zij het rolletje

onder haar hoofdkussen en sliep spoedig daarop in. Toen beiden na

zonsopgang ontwaakten, hadden zij van elkander gedroomd en begroetten

zij vroolijk den dag.

Orion was buiten zichzelven geraakt van toorn, toen de kerkerdeur

zich achter hem gesloten had. Hij had de ijzeren staven uit den

muur willen rukken en de deur willen intrappen of uit hare hengels

lichten. Er is voor een man geen smadelijker gevoel, niets wat meer

zijne verontwaardiging wekt, dan zich als een schadelijk dier te zien

afsluiten van de wereld, waartoe hij behoort en die hij noodig heeft,

om ze te ontvangen, wat hem het leven levenswaard maakt, en wederkeerig

anderen te vinden, die het goede kunnen genieten, dat hij doen en geven

kan. Gisteren was de kerker in beider oog het voorportaal van de hel,

zij waren der vertwijfeling nabij geweest en welke andere aandoeningen

bezielden hen heden! Orion was door den eenen slag van het lot na den

anderen getroffen; met welk een angstig en bekommerd gemoed had Paula

zijn terugkeer te gemoet gezien, en hoe rustig was heden hare ziel,

niettegenstaande zij in doodsgevaar verkeerde.

De legende verhaalt van de Heilige Caecilia, die midden uit den

bruiloftsdans naar de folterplaats werd gevoerd, dat zij, terwijl

zij de pijnen van den marteldood leed, in hare verbeelding met een

onuitsprekelijk gevoel van zaligheid hemelsche muziek en streelende

orgeltonen vernomen had; en hoe ontelbaar velen hebben hetzelfde

ervaren! In den uitersten nood en het grootste gevaar vinden zij hooger

geluk dan in den glans, de pracht en de vreugde van het luidruchtige

leven; want hetgeen wij gelukzaligheid noemen, valt hen ten deel,

onverschillig waar zij zijn en in welk een uitwendigen toestand zij

verkeeren, die juist dat bereikbaar achten, waarnaar hunne ziel

smacht met innig verlangen. Wat deze twee in lang niet geweest

waren, namelijk: recht innerlijk gelukkig, dat werden zij in den

kerker. Paula met zijn brief voor oogen, dien hij reeds was begonnen

te schrijven in het huis van den kadhi, en waarin hij zijn geheele

hart voor haar ontsloot; Orion in het bezit harer rozen waaraan hij

hing met oog en hart, en die voor hem lagen, terwijl hij de volgende

dichtregelen neerschreef, die de gedienstige kerkermeester gaarne

aan haar overbracht. Zij luiden aldus:

"Zie, toen donker en duf mij de nacht omsloot van den kerker,

't Zonlicht zonk en mij niets bleef dan het sombere graf,

Nam ik de roos in mijn hand, en, op eens, uit de purperen bloemkelk

Straalde een heerlijke glans, klaar als de zonnigste dag.

Liefde, zoo heet het gesternte, dat licht uit de geurende blaadren

Rees, als uit deinende zee Foibos' verrijzende span.

Is ook 't koesterend vuur van het harte door minne bevangen

Niet als de glimmende vlieg, welke in rozen verschuilt?

Toen ons de dag nog lichtte, wij leefden in zon en in vrijheid,

Was bij het helderste licht, toch ons die glans te gering;

Doch nu vol van bedreiging de sombere nacht ons beschaduwt,

Sterkt ons het vriendelijk licht, draagt het den zinkenden moed.

Dan, aan de zaden gelijk, ontkiemend in nachtlijken aardschoot,

Zoo als uit 't sombere graf rijst de gevleugelde ziel,

Dus ook zie ik dat hier in het zwarte gewelf van den kerker,

Schooner dan rozen der haag, bloeien de rozen der min."

En wanneer was Paula inderdaad gelukkiger geweest dan in de ure, toen

zij dezen groet van den geliefde, deze eenvoudige kerkerbloem voor de

eerste maal genoot? De oude Betta kon aan het hooren van deze verzen

zich niet verzadigen, en zij weende van vreugde, niet over den inhoud,

maar over de wonderbare verandering, die zij bij hare lieveling hadden

uitgewerkt. Zij was nu weder een meisje dat het geluk uit de oogen

straalde, gelijk weleer aan den Libanon, en toen Paula voor de in de

rechtzaal vergaderde rechters verscheen, zagen deze haar verwonderd

aan, want met zulk een glans van vreugde op het gelaat was nog nooit

eene op dood of leven aangeklaagde vrouw voor de balie verschenen.

En toch stond het bedenkelijk met hare zaak, en de niet minder

zachtmoedige dan rechtvaardige kadhi, die zelf lieve dochters

bezat, werd pijnlijk aangedaan, toen hij zag welk eene ongegronde

gerustheid de ziel van deze voortreffelijke jonkvrouw oogenschijnlijk

vervulde. Ja, het stond bedenkelijk met hare zaak, want er lag een

onwederlegbaar bewijsstuk op tafel, en de samenstelling van het

gerechtshof, die streng volgens de wet had plaats gehad, was naar

het scheen niet in haar voordeel. Hare zaak werd door evenveel

Egyptenaars als Arabieren behandeld. De laatsgenoemden waren er

bijgenomen, omdat door haar toedoen muzelmannen om het leven waren

gekomen; als bewoonster van Memphis en als christin behoorde zij tot

de jurisdictie van de eersten.

De kadhi leidde de rechtspraak, en de ervaring had hem geleerd,

dat de Jacobietische rechters de rechtzaal binnentraden met het

doodsoordeel in de plooien van hun mantel, zoodra de aangeklaagde

tot de Melchietische geloofsbelijdenis behoorde. Wat hen tegen deze

schoone jonkvrouw innam, wist hij niet, doch het was gemakkelijk

te zien, dat zij der Damasceensche kwalijk gezind waren, en wanneer

zij het "schuldig" over haar uitspraken en ook maar éen Arabier met

hen medestemde, was het lot van de jonkvrouw beslist. En wat wilde

die in het wit gekleede grijsaard op de bank der getuigen, de oude,

geleerde Horus Apollon, met de verklaring, die hij wenschte af te

leggen? De blikken waarmede hij de Damasceensche opnam lieten niets

goeds voor haar verwachten.

Het was drukkend, ondragelijk heet in de zaal! Ieder gevoelde zich

bezwaard, en ondanks het gewicht dezer beraadslaging, bleef zij

toch menigmaal steken, om dan daarna weder met onbetamelijken spoed

te worden voortgezet. De aangeklaagde zelve scheen gelukkig geheel

frisch te zijn, en niet onder den indruk te verkeeren van de hitte

van dezen dag. Zoo weinig moeite het haar gekost had, bij het verhoor

van den ruwen zwarte hare bewering vol te houden, dat zij geen deel

had genomen aan de vlucht der nonnen, zoo moeilijk viel het haar

tegenover de welwillende vragen van den kadhi Othman. Doch haar werd

geene keus gelaten en het gelukte haar te bewijzen, dat zij, terwijl

de Arabische krijgsknechten tusschen Athribis en Dumiat om het leven

waren gekomen, Memphis en het huis van Rufinus niet verlaten had.

De kadhi trachtte deze omstandigheid terstond in haar voordeel aan te

wenden, en de Wekil Obada, die veel met zijn grijzen buurman op de

bank der getuigen te fluisteren had, liet hem gelaten doorspreken;

doch zoodra hij geëindigd had stond Obada op en legde den brief,

dien hij in Orions kamer had gevonden, voor de rechters neder. Deze

was onloochenbaar van de hand des zoons van den stadhouder, was

aan Paula gericht, en de slotzin: "Veroordeel mij daarom niet; uw

schoonste en maar al te zeer gerechtvaardigde wensch, om aan uwe

geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest," liet

niet na, op de rechters een diepen indruk te maken. Paula antwoordde

op de vraag van den kadhi, wat zij wist van dit schrijven, geheel

overeenkomstig de waarheid, dat het haar geheel vreemd was; toch

wilde zij niet loochenen, dat zij de zusters in het Caecilia-klooster,

hare geloofsgenooten, steeds het beste toegewenscht en gehoopt had,

dat het haar gelukken mocht heur goed recht tegen de vijandelijke

aanslagen van den patriarch te verdedigen. Ook de gestorven Mukaukas

en de Jacobietische raad van de stad hadden hare zienswijze gedeeld,

en de Arabieren hadden den vrede der vrome krankenverpleegster nooit

verstoord.

De kalmte en de kortheid, waarmede zij dit alles verklaarde, werkten

gunstig, inzonderheid op de muzelmansche rechters, en de kadhi begon

voor Paula te hopen. Hij beval nu Orion te roepen, die het best in

staat was, om inlichting te geven omtrent de beteekenis van den door

hem geschreven, maar niet verzonden brief.

De jonkman verscheen, en ofschoon hij en Paula zich geweld aandeden,

om op deze plaats volkomen bedaard te blijven, zag ieder toch

duidelijk, hoe het wederzien beiden ontroerde. Horus Apollon hield

de oogen strak op Orion gericht, dien hij hier voor het eerst zag,

en zijn gelaatstrekken verkregen daarbij een steeds somberder en

onheilspellender aanzien.

De jongeling erkende den brief geschreven te hebben, doch, evenals

Paula had gezegd, zag de inhoud alleen op het gevaar, hetwelk de nonnen

reeds lang van de zijde van den patriarch bedreigd had. Den bijstand,

dien hij in dit schrijven aan de dochter van Thomas toezegde, zou

hij haar ten gevalle later en te zijner tijd gaarne en vol ijver aan

de zusters hebben verleend, en wel met hulp van den stadhouder Amr,

die, gelijk hijzelf zou kunnen bevestigen, de zienswijze zijns vaders

deelde omtrent het goed recht der nonnen.

De oude op de getuigenbank mompelde luid genoeg, om door de rechters

verstaan te worden: "Handig, zeer handig!" en de zwarte naast hem

begon overluid te lachen en riep: "Dat noem ik op een sluwe manier

zijn leven te verlengen! Weest gewaarschuwd, heeren rechters! Deze

twee spelen éen spel en zijn nauw aan elkander verbonden. Het bewijs

daarvan is in mijne handen: die jonkman heeft het vermogen van Thomas'

dochter belegd, als ware het reeds zijn eigen, en verder...."

Hier viel Paula hem in de rede. Zij wist niet wat die kwalijk

gezinde man verder in het midden kon brengen, doch zeker was het

iets ergerlijks. Daar stond Orion tegenover haar, juist zooals zij

hem in hare verbeelding had gezien in aandoenlijke uren, die haar

thans voor den geest kwamen, en zij gevoelde, hoe zijn blik haar vol

verrukking aanzag. Hier tot hem te gaan en hem te zeggen, wat zij te

midden van dezen strijd tusschen leven en dood gevoelde, dat scheen

onmogelijk, en toen nu de Wekil voor de rechters begon te ontsluieren,

wat haar en den geliefde alleen aanging, drong al wat in haar was die

onthulling te voorkomen, en den vriend in deze beslissende ure toe te

staan wat zij hem eens kleinmoedig had geweigerd. Blijmoedig gestemd

en met schitterende oogen viel zij dus den zwarte in de rede en riep:

"Zwijg man! Gij verspilt woorden voor niet. Wat gij arglistig tracht te

bewijzen, dat beken ik zelf trotsch en dankbaar. Hoort het gij allen:

de zoon van den Mukaukas Georg is mijn verloofde."

Bij deze woorden zocht haar oog dat van Orion; zij vond het en weder

genoten beiden te midden van het hoogste gevaar een oogenblik van het

reinste en hoogste geluk; en in Paula's oogen blonken tranen van de

dankbaarste ontroering, toen Orion uitriep: "Wat de hoogste zaligheid

mijns levens uitmaakt, hebt gij uit haar eigen mond vernomen. De

edele dochter van Thomas is mijne bruid!"

Daar ging een gemompel door de rijen der Jacobietische

rechters. Sommigen hadden tot hiertoe, tengevolge der drukkende

hitte, half zitten te dommelen en het hoofd op de borst laten zinken;

thans waren zij allen opeens zoo wakker en helder, als had een koude

waterstraal hen getroffen. "Uw vader, jonge man," riep er een, "hebt

gij schandelijk vergeten! Wat zou hij wel gezegd hebben van deze

bloedschande? Want wat anders is het verbond met deze Melchietin, eene

dochter dergenen, die twee uwer broeders tot martelaars maakten? O,

als de gestorvene...."

"Hij heeft onze verbintenis op zijn sterfbed gezegend," riep Orion

hem toe, zonder hem te laten uitspreken.

"Heeft hij?" vroeg een ander Jacobiet met bitteren hoon. "Dan is de

patriarch in zijn recht geweest, toen hij de geestelijkheid verbood

zijn lijk te begeleiden. Moet men oud worden, om getuige te zijn van

zulke schandalen?"

Deze woorden waren voor de ooren der twee gelukkigen als krekelgezang;

zij gevoelden, zij bedachten alleen, wat deze zalige oogenblikken

hun hadden geschonken, en vermoedden niet dat Paulas blijmoedige

bekentenis hun doodvonnis inhield.

De toorn der Jacobieten bespoedigde van nu aan den gang van het

rechtsgeding. Met welsprekendheid stelde de aanklager onder de

Arabieren in het licht, aan hoevele muzelmannen de redding van

de nonnen het leven had gekost, en hij las nogmaals den brief van

Orion voor. Zijn christelijke ambtsbroeder trachtte te bewijzen,

dat dit schrijven alleen betrekking kon hebben op de zoo listig in

het werk gestelde vlucht der zusters, en nu deed zich iets nieuws

voor, dat niemand had verwacht en een beslissenden invloed had op de

verdere behandeling; de grijsaard viel den kadhi in de rede, om eene

verklaring af te leggen.

Paula's vertrouwen, dat door de laatste sprekers geschokt was, begon

weer te herleven; want zij hield zich zeker overtuigd dat de beproefde

vriend en pleegvader van haar trouwen Philippus voor haar in de bres

zou springen. Doch wat was dat?

Met een blik, welks vijandige gezindheid haar door merg en been drong,

nam de oude haar hooge gestalte op en zeide daarop langzaam: "In den

morgen, die volgde op de vlucht der nonnen, is de aangeklaagde in het

Caecilia-klooster geweest en heeft daar de klok geluid. Weerspreek

mij, trotsche dochter van een prefect, zoo gij kunt; doch laat mij

u bij voorbaat zeggen, dat gij in dit geval mij dwingt tot nieuwe

aanklachten."

Het meisje, door ontzetting aangegrepen, zag in hare verbeelding

de weduwe van Rufinus en Pulcheria naast zich voor de rechters op

de bank der arme zondaars zitten, zij voelde, dat zij met tegen te

spreken de vrienden met zich in het verderf zou sleuren, en daarom

bevestigde zij met bevende lippen de uitspraak van den grijsaard.

"En om welke reden hebt gij de klok geluid?" vroeg de kadhi.

"Om hen te dienen," antwoordde Paula, "die mijne geloofsgenooten zijn

en die ik liefheb."

"Als aanlegster van eene als hoog verraad gebrandmerkte onderneming,

die droop van bloed," riep de Wekil, "en met geen ander doel dan om

ons, de beheerschers des lands, te misleiden."

Doch de kadhi gelastte hem te zwijgen en gaf het woord aan haar

Jacobietischen advocaat. Deze had in de vroegte met haar gesproken

en trad nu op Egyptische manier met een verdedigingsschrift voor

haar op. Doch dit matte knutselwerk deed geen uitwerking, en hoewel

de kadhi alles op den voorgrond stelde, wat tot hare rechtvaardiging

kon strekken, werd toch het schuldig over haar uitgesproken.

Maar kon haar misdrijf met den dood gestraft worden? Het was

uitgemaakt, dat zij bij de redding der nonnen de hand in het spel had

gehad, doch niet minder zeker was het te bewijzen, dat zij gedurende

den strijd op den Nijlarm ver van de zusters en hare verdedigers was

geweest. Zij was toch eene vrouw, en hoe vergeeflijk scheen het, dat

een vroom meisje geliefde geloofsgenooten bijstond, om de vervolging

te ontgaan. De kadhi Othman bracht dit alles met welsprekendheid in

het midden, en beval den Wekil streng en ernstig rustig te blijven,

toen hij van de bank der getuigen af voor de doodstraf trachtte te

spreken; en de menschlievende overredingskracht van den zachtmoedigen

rechter won de harten der meeste muzelmannen. Paula's persoon maakte

een machtigen indruk op hen, en niet minder de omstandigheid, dat

hun dapperste en edelste vijand de vader van de aangeklaagde was

geweest. Toen het eindelijk tot eene stemming kwam, geschiedde wat

ongehoord mocht heeten, dat namelijk alle geloofsgenooten van de

aangeklaagde, dat de Jacobietische christenen eenstemmig haar dood

eischten, terwijl van de ongeloovigen onder de rechters maar éen met

dit strenge vonnis instemde.

Het oordeel was geveld, en toen de Wekil Obada Orion voorbijkwam,

die bleek en bijna buiten zichzelven in zijne cel teruggebracht werd,

riep hij hem spottend toe in gebroken Grieksch: "Morgen komt de beurt

aan u, zoon van den Mukaukas!"

Daar zweefde Orion het antwoord op de lippen: "Ook aan u komt ze,

zoon van een slaaf!" Doch Paula stond tegenover hem en om hare vijand

niet nog meer te verbitteren, gelukte hem thans, wat hem vroeger niet

mogelijk zou zijn geweest. Zonder een woord te antwoorden, liet hij

den Wekil en Horus Apollon voorbijgaan.

Zoodra de deur zich achter deze twee gesloten had, knikte de kadhi

Orion met welgevallen toe en zeide: "Recht en wijs gehandeld,

mijn vriend! De adelaar mag niet vergeten, dat het betaamt, zijne

vleugels in de kooi anders uit te slaan dan tusschen de woestijn en

den hemel."--Daarop gaf hij de wachters een wenk hem weg te leiden

en hield zich op een afstand, toen de jonkman zijne bruid met hand

en oogen een afscheidsgroet toewenkte.

Eindelijk ging de kadhi naar Paula toe, wier van heldenmoed getuigende

kalmte bij de verkondiging van het doodvonnis zijne bewondering had

gewekt, en zeide: "Het gerecht heeft in uw nadeel beslist, edele

jonkvrouw, maar boven zijne uitspraak staat de genade van onzen heer,

den Kalief en die van den barmhartigen God. Richt gij uw gebed tot Hem,

tot genen zal ik met eenige vrienden mij wenden." Bescheiden sloeg hij

hare dankbaarheid af, en toen men ook haar had weggebracht, riep hij de

vrienden, die op hem wachten, in de beeldrijke taal van zijn volk toe:

"Het hart doet mij pijn! Zulk een oordeel uit te spreken drukt neer

als een gewicht van honderd pond; maar het kan niet zwaarder vallen

den ganschen aardbol te torschen dan een Obada tot geloofsgenoot te

hebben en hem te moeten gehoorzamen."

De nijlbruid · 第 56 / 66 题