In de nauwe, gloeiend heete gevangeniscel, die de beide vrouwen
herbergde, doorleefde Paula een ontzettenden nacht. Zij kon den slaap
niet vatten, en als het haar gelukte eindelijk de oogen te sluiten,
werd zij door het geschreeuw en het gerammel der ketenen van de
gevangenen in de groote kerkerzalen, en door den harden stap van een
lotgenoot gestoord, die nog rusteloozer dan zij boven haar hoofd op
en neer wandelde.
Arme deelgenoot in hetzelfde ongeluk! Was het martelende gewetensangst
die hem heen en weer joeg, of was hij even onschuldig als zij, en
was het zielsverlangen, zorg, liefde misschien die hem belette te
slapen? Hij was geen gewoon misdadiger, want voor dezulken was er
geen plaats in dit gedeelte van het gebouw, en omstreeks middernacht,
toen het gedruisch in de groote zalen plotseling verstomd was, vernam
zij uit zijne cel de zachte klank eener luit. En zóo kon enkel een
meester het speeltuig hanteeren. Die vreemde gevangene ging haar
niet aan, maar voor dit geschenk der tonen was zij hem dankbaar,
want ze leidden hare gedachten en overleggingen af van haar eigen
persoon en met klimmende aandacht luisterde zij naar zijn spel.
Blijde een voorwendsel te hebben, om de warme, harde legerstede te
verlaten, sprong zij op en plaatste zich aan het met ijzeren staven
geslotene eenige venster der cel. Daar hield de muziek op en er volgde
een gesprek tusschen den gevangenbewaarder en haar lotgenoot. Wat was
dat voor eene stem? Bedroog zij zich of hoorde zij goed? Haar hart
hield bijna op te kloppen, terwijl zij verder luisterde. Ja, nu moest
elke twijfel zwijgen: Orion was het en geen ander, die daar boven haar
sprak. Daar noemde de gevangenbewaarder ook zijn naam, daar sprak hij
over haar gestorven oom, en nu werd als op een gegeven teeken zachter
gesproken. Zij hoorde wel fluisteren, maar kon den inhoud niet meer
onderscheiden. Eindelijk hoorde zij overluid afscheidswoorden spreken,
de deur van de cel boven haar viel in het slot en de voetstappen van
den gevangene naderden het venster.
Zij drukte haar gelaat tegen de warme ijzeren staven, rekte zich uit,
luisterde in de stilte van den nacht en riep, als zij geen geluid
vernam, eerst zacht, dan harder: "Orion, Orion!" En van boven klonk
terstond daarop haar naam terug.
Thans begroette zij hem en begon te vragen, hoe en sedert wanneer hij
hier was gekomen. Maar reeds bij de eerste woorden legde hij haar
het zwijgen op met een beslissend "stil!" waarop terstond een kort
"let op!" volgde.
Vol verwachting luisterde zij door de traliestaven; de oogenblikken
groeiden met langzamen slakkengang tot een vol half uur, tot eindelijk
het luide "nu!" werd vernomen, waarop zij gewacht had. Eenige
oogenblikken later hield zij een briefrolletje in de hand, dat aan
eene met een stukje hout bezwaarde luitsnaar naar beneden was gelaten.
Er was noch licht, noch vuur in hare cel en de duisternis maakte het
haar onmogelijk om te lezen. Zij riep dus naar boven: "donker!" en
terstond daarop naar zijn voorbeeld: "let op!" Zoodra zij de beide
schoonste rozen, die Pulcheria haar gebracht had, aan de snaar had
bevestigd, zweefden ze op haar vroolijk "nu" naar boven.
Met eenige zachte accoorden, waarin zijn zielsverlangen en zijn
hartstocht trilden, sprak hij zijn dank uit. Toen werd het weder
stil, want de gevangenbewaarder had hem zooeven verboden, bij nacht
te zingen en te spelen, en hij mocht van de welwillendheid van dezen
man geen misbruik maken.
Paula legde zich te slapen neder met Orions brief in de hand, en
toen zij voelde dat zij zou insluimeren, schoof zij het rolletje
onder haar hoofdkussen en sliep spoedig daarop in. Toen beiden na
zonsopgang ontwaakten, hadden zij van elkander gedroomd en begroetten
zij vroolijk den dag.
Orion was buiten zichzelven geraakt van toorn, toen de kerkerdeur
zich achter hem gesloten had. Hij had de ijzeren staven uit den
muur willen rukken en de deur willen intrappen of uit hare hengels
lichten. Er is voor een man geen smadelijker gevoel, niets wat meer
zijne verontwaardiging wekt, dan zich als een schadelijk dier te zien
afsluiten van de wereld, waartoe hij behoort en die hij noodig heeft,
om ze te ontvangen, wat hem het leven levenswaard maakt, en wederkeerig
anderen te vinden, die het goede kunnen genieten, dat hij doen en geven
kan. Gisteren was de kerker in beider oog het voorportaal van de hel,
zij waren der vertwijfeling nabij geweest en welke andere aandoeningen
bezielden hen heden! Orion was door den eenen slag van het lot na den
anderen getroffen; met welk een angstig en bekommerd gemoed had Paula
zijn terugkeer te gemoet gezien, en hoe rustig was heden hare ziel,
niettegenstaande zij in doodsgevaar verkeerde.
De legende verhaalt van de Heilige Caecilia, die midden uit den
bruiloftsdans naar de folterplaats werd gevoerd, dat zij, terwijl
zij de pijnen van den marteldood leed, in hare verbeelding met een
onuitsprekelijk gevoel van zaligheid hemelsche muziek en streelende
orgeltonen vernomen had; en hoe ontelbaar velen hebben hetzelfde
ervaren! In den uitersten nood en het grootste gevaar vinden zij hooger
geluk dan in den glans, de pracht en de vreugde van het luidruchtige
leven; want hetgeen wij gelukzaligheid noemen, valt hen ten deel,
onverschillig waar zij zijn en in welk een uitwendigen toestand zij
verkeeren, die juist dat bereikbaar achten, waarnaar hunne ziel
smacht met innig verlangen. Wat deze twee in lang niet geweest
waren, namelijk: recht innerlijk gelukkig, dat werden zij in den
kerker. Paula met zijn brief voor oogen, dien hij reeds was begonnen
te schrijven in het huis van den kadhi, en waarin hij zijn geheele
hart voor haar ontsloot; Orion in het bezit harer rozen waaraan hij
hing met oog en hart, en die voor hem lagen, terwijl hij de volgende
dichtregelen neerschreef, die de gedienstige kerkermeester gaarne
aan haar overbracht. Zij luiden aldus:
"Zie, toen donker en duf mij de nacht omsloot van den kerker,
't Zonlicht zonk en mij niets bleef dan het sombere graf,
Nam ik de roos in mijn hand, en, op eens, uit de purperen bloemkelk
Straalde een heerlijke glans, klaar als de zonnigste dag.
Liefde, zoo heet het gesternte, dat licht uit de geurende blaadren
Rees, als uit deinende zee Foibos' verrijzende span.
Is ook 't koesterend vuur van het harte door minne bevangen
Niet als de glimmende vlieg, welke in rozen verschuilt?
Toen ons de dag nog lichtte, wij leefden in zon en in vrijheid,
Was bij het helderste licht, toch ons die glans te gering;
Doch nu vol van bedreiging de sombere nacht ons beschaduwt,
Sterkt ons het vriendelijk licht, draagt het den zinkenden moed.
Dan, aan de zaden gelijk, ontkiemend in nachtlijken aardschoot,
Zoo als uit 't sombere graf rijst de gevleugelde ziel,
Dus ook zie ik dat hier in het zwarte gewelf van den kerker,
Schooner dan rozen der haag, bloeien de rozen der min."
En wanneer was Paula inderdaad gelukkiger geweest dan in de ure, toen
zij dezen groet van den geliefde, deze eenvoudige kerkerbloem voor de
eerste maal genoot? De oude Betta kon aan het hooren van deze verzen
zich niet verzadigen, en zij weende van vreugde, niet over den inhoud,
maar over de wonderbare verandering, die zij bij hare lieveling hadden
uitgewerkt. Zij was nu weder een meisje dat het geluk uit de oogen
straalde, gelijk weleer aan den Libanon, en toen Paula voor de in de
rechtzaal vergaderde rechters verscheen, zagen deze haar verwonderd
aan, want met zulk een glans van vreugde op het gelaat was nog nooit
eene op dood of leven aangeklaagde vrouw voor de balie verschenen.
En toch stond het bedenkelijk met hare zaak, en de niet minder
zachtmoedige dan rechtvaardige kadhi, die zelf lieve dochters
bezat, werd pijnlijk aangedaan, toen hij zag welk eene ongegronde
gerustheid de ziel van deze voortreffelijke jonkvrouw oogenschijnlijk
vervulde. Ja, het stond bedenkelijk met hare zaak, want er lag een
onwederlegbaar bewijsstuk op tafel, en de samenstelling van het
gerechtshof, die streng volgens de wet had plaats gehad, was naar
het scheen niet in haar voordeel. Hare zaak werd door evenveel
Egyptenaars als Arabieren behandeld. De laatsgenoemden waren er
bijgenomen, omdat door haar toedoen muzelmannen om het leven waren
gekomen; als bewoonster van Memphis en als christin behoorde zij tot
de jurisdictie van de eersten.
De kadhi leidde de rechtspraak, en de ervaring had hem geleerd,
dat de Jacobietische rechters de rechtzaal binnentraden met het
doodsoordeel in de plooien van hun mantel, zoodra de aangeklaagde
tot de Melchietische geloofsbelijdenis behoorde. Wat hen tegen deze
schoone jonkvrouw innam, wist hij niet, doch het was gemakkelijk
te zien, dat zij der Damasceensche kwalijk gezind waren, en wanneer
zij het "schuldig" over haar uitspraken en ook maar éen Arabier met
hen medestemde, was het lot van de jonkvrouw beslist. En wat wilde
die in het wit gekleede grijsaard op de bank der getuigen, de oude,
geleerde Horus Apollon, met de verklaring, die hij wenschte af te
leggen? De blikken waarmede hij de Damasceensche opnam lieten niets
goeds voor haar verwachten.
Het was drukkend, ondragelijk heet in de zaal! Ieder gevoelde zich
bezwaard, en ondanks het gewicht dezer beraadslaging, bleef zij
toch menigmaal steken, om dan daarna weder met onbetamelijken spoed
te worden voortgezet. De aangeklaagde zelve scheen gelukkig geheel
frisch te zijn, en niet onder den indruk te verkeeren van de hitte
van dezen dag. Zoo weinig moeite het haar gekost had, bij het verhoor
van den ruwen zwarte hare bewering vol te houden, dat zij geen deel
had genomen aan de vlucht der nonnen, zoo moeilijk viel het haar
tegenover de welwillende vragen van den kadhi Othman. Doch haar werd
geene keus gelaten en het gelukte haar te bewijzen, dat zij, terwijl
de Arabische krijgsknechten tusschen Athribis en Dumiat om het leven
waren gekomen, Memphis en het huis van Rufinus niet verlaten had.
De kadhi trachtte deze omstandigheid terstond in haar voordeel aan te
wenden, en de Wekil Obada, die veel met zijn grijzen buurman op de
bank der getuigen te fluisteren had, liet hem gelaten doorspreken;
doch zoodra hij geëindigd had stond Obada op en legde den brief,
dien hij in Orions kamer had gevonden, voor de rechters neder. Deze
was onloochenbaar van de hand des zoons van den stadhouder, was
aan Paula gericht, en de slotzin: "Veroordeel mij daarom niet; uw
schoonste en maar al te zeer gerechtvaardigde wensch, om aan uwe
geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest," liet
niet na, op de rechters een diepen indruk te maken. Paula antwoordde
op de vraag van den kadhi, wat zij wist van dit schrijven, geheel
overeenkomstig de waarheid, dat het haar geheel vreemd was; toch
wilde zij niet loochenen, dat zij de zusters in het Caecilia-klooster,
hare geloofsgenooten, steeds het beste toegewenscht en gehoopt had,
dat het haar gelukken mocht heur goed recht tegen de vijandelijke
aanslagen van den patriarch te verdedigen. Ook de gestorven Mukaukas
en de Jacobietische raad van de stad hadden hare zienswijze gedeeld,
en de Arabieren hadden den vrede der vrome krankenverpleegster nooit
verstoord.
De kalmte en de kortheid, waarmede zij dit alles verklaarde, werkten
gunstig, inzonderheid op de muzelmansche rechters, en de kadhi begon
voor Paula te hopen. Hij beval nu Orion te roepen, die het best in
staat was, om inlichting te geven omtrent de beteekenis van den door
hem geschreven, maar niet verzonden brief.
De jonkman verscheen, en ofschoon hij en Paula zich geweld aandeden,
om op deze plaats volkomen bedaard te blijven, zag ieder toch
duidelijk, hoe het wederzien beiden ontroerde. Horus Apollon hield
de oogen strak op Orion gericht, dien hij hier voor het eerst zag,
en zijn gelaatstrekken verkregen daarbij een steeds somberder en
onheilspellender aanzien.
De jongeling erkende den brief geschreven te hebben, doch, evenals
Paula had gezegd, zag de inhoud alleen op het gevaar, hetwelk de nonnen
reeds lang van de zijde van den patriarch bedreigd had. Den bijstand,
dien hij in dit schrijven aan de dochter van Thomas toezegde, zou
hij haar ten gevalle later en te zijner tijd gaarne en vol ijver aan
de zusters hebben verleend, en wel met hulp van den stadhouder Amr,
die, gelijk hijzelf zou kunnen bevestigen, de zienswijze zijns vaders
deelde omtrent het goed recht der nonnen.
De oude op de getuigenbank mompelde luid genoeg, om door de rechters
verstaan te worden: "Handig, zeer handig!" en de zwarte naast hem
begon overluid te lachen en riep: "Dat noem ik op een sluwe manier
zijn leven te verlengen! Weest gewaarschuwd, heeren rechters! Deze
twee spelen éen spel en zijn nauw aan elkander verbonden. Het bewijs
daarvan is in mijne handen: die jonkman heeft het vermogen van Thomas'
dochter belegd, als ware het reeds zijn eigen, en verder...."
Hier viel Paula hem in de rede. Zij wist niet wat die kwalijk
gezinde man verder in het midden kon brengen, doch zeker was het
iets ergerlijks. Daar stond Orion tegenover haar, juist zooals zij
hem in hare verbeelding had gezien in aandoenlijke uren, die haar
thans voor den geest kwamen, en zij gevoelde, hoe zijn blik haar vol
verrukking aanzag. Hier tot hem te gaan en hem te zeggen, wat zij te
midden van dezen strijd tusschen leven en dood gevoelde, dat scheen
onmogelijk, en toen nu de Wekil voor de rechters begon te ontsluieren,
wat haar en den geliefde alleen aanging, drong al wat in haar was die
onthulling te voorkomen, en den vriend in deze beslissende ure toe te
staan wat zij hem eens kleinmoedig had geweigerd. Blijmoedig gestemd
en met schitterende oogen viel zij dus den zwarte in de rede en riep:
"Zwijg man! Gij verspilt woorden voor niet. Wat gij arglistig tracht te
bewijzen, dat beken ik zelf trotsch en dankbaar. Hoort het gij allen:
de zoon van den Mukaukas Georg is mijn verloofde."
Bij deze woorden zocht haar oog dat van Orion; zij vond het en weder
genoten beiden te midden van het hoogste gevaar een oogenblik van het
reinste en hoogste geluk; en in Paula's oogen blonken tranen van de
dankbaarste ontroering, toen Orion uitriep: "Wat de hoogste zaligheid
mijns levens uitmaakt, hebt gij uit haar eigen mond vernomen. De
edele dochter van Thomas is mijne bruid!"
Daar ging een gemompel door de rijen der Jacobietische
rechters. Sommigen hadden tot hiertoe, tengevolge der drukkende
hitte, half zitten te dommelen en het hoofd op de borst laten zinken;
thans waren zij allen opeens zoo wakker en helder, als had een koude
waterstraal hen getroffen. "Uw vader, jonge man," riep er een, "hebt
gij schandelijk vergeten! Wat zou hij wel gezegd hebben van deze
bloedschande? Want wat anders is het verbond met deze Melchietin, eene
dochter dergenen, die twee uwer broeders tot martelaars maakten? O,
als de gestorvene...."
"Hij heeft onze verbintenis op zijn sterfbed gezegend," riep Orion
hem toe, zonder hem te laten uitspreken.
"Heeft hij?" vroeg een ander Jacobiet met bitteren hoon. "Dan is de
patriarch in zijn recht geweest, toen hij de geestelijkheid verbood
zijn lijk te begeleiden. Moet men oud worden, om getuige te zijn van
zulke schandalen?"
Deze woorden waren voor de ooren der twee gelukkigen als krekelgezang;
zij gevoelden, zij bedachten alleen, wat deze zalige oogenblikken
hun hadden geschonken, en vermoedden niet dat Paulas blijmoedige
bekentenis hun doodvonnis inhield.
De toorn der Jacobieten bespoedigde van nu aan den gang van het
rechtsgeding. Met welsprekendheid stelde de aanklager onder de
Arabieren in het licht, aan hoevele muzelmannen de redding van
de nonnen het leven had gekost, en hij las nogmaals den brief van
Orion voor. Zijn christelijke ambtsbroeder trachtte te bewijzen,
dat dit schrijven alleen betrekking kon hebben op de zoo listig in
het werk gestelde vlucht der zusters, en nu deed zich iets nieuws
voor, dat niemand had verwacht en een beslissenden invloed had op de
verdere behandeling; de grijsaard viel den kadhi in de rede, om eene
verklaring af te leggen.
Paula's vertrouwen, dat door de laatste sprekers geschokt was, begon
weer te herleven; want zij hield zich zeker overtuigd dat de beproefde
vriend en pleegvader van haar trouwen Philippus voor haar in de bres
zou springen. Doch wat was dat?
Met een blik, welks vijandige gezindheid haar door merg en been drong,
nam de oude haar hooge gestalte op en zeide daarop langzaam: "In den
morgen, die volgde op de vlucht der nonnen, is de aangeklaagde in het
Caecilia-klooster geweest en heeft daar de klok geluid. Weerspreek
mij, trotsche dochter van een prefect, zoo gij kunt; doch laat mij
u bij voorbaat zeggen, dat gij in dit geval mij dwingt tot nieuwe
aanklachten."
Het meisje, door ontzetting aangegrepen, zag in hare verbeelding
de weduwe van Rufinus en Pulcheria naast zich voor de rechters op
de bank der arme zondaars zitten, zij voelde, dat zij met tegen te
spreken de vrienden met zich in het verderf zou sleuren, en daarom
bevestigde zij met bevende lippen de uitspraak van den grijsaard.
"En om welke reden hebt gij de klok geluid?" vroeg de kadhi.
"Om hen te dienen," antwoordde Paula, "die mijne geloofsgenooten zijn
en die ik liefheb."
"Als aanlegster van eene als hoog verraad gebrandmerkte onderneming,
die droop van bloed," riep de Wekil, "en met geen ander doel dan om
ons, de beheerschers des lands, te misleiden."
Doch de kadhi gelastte hem te zwijgen en gaf het woord aan haar
Jacobietischen advocaat. Deze had in de vroegte met haar gesproken
en trad nu op Egyptische manier met een verdedigingsschrift voor
haar op. Doch dit matte knutselwerk deed geen uitwerking, en hoewel
de kadhi alles op den voorgrond stelde, wat tot hare rechtvaardiging
kon strekken, werd toch het schuldig over haar uitgesproken.
Maar kon haar misdrijf met den dood gestraft worden? Het was
uitgemaakt, dat zij bij de redding der nonnen de hand in het spel had
gehad, doch niet minder zeker was het te bewijzen, dat zij gedurende
den strijd op den Nijlarm ver van de zusters en hare verdedigers was
geweest. Zij was toch eene vrouw, en hoe vergeeflijk scheen het, dat
een vroom meisje geliefde geloofsgenooten bijstond, om de vervolging
te ontgaan. De kadhi Othman bracht dit alles met welsprekendheid in
het midden, en beval den Wekil streng en ernstig rustig te blijven,
toen hij van de bank der getuigen af voor de doodstraf trachtte te
spreken; en de menschlievende overredingskracht van den zachtmoedigen
rechter won de harten der meeste muzelmannen. Paula's persoon maakte
een machtigen indruk op hen, en niet minder de omstandigheid, dat
hun dapperste en edelste vijand de vader van de aangeklaagde was
geweest. Toen het eindelijk tot eene stemming kwam, geschiedde wat
ongehoord mocht heeten, dat namelijk alle geloofsgenooten van de
aangeklaagde, dat de Jacobietische christenen eenstemmig haar dood
eischten, terwijl van de ongeloovigen onder de rechters maar éen met
dit strenge vonnis instemde.
Het oordeel was geveld, en toen de Wekil Obada Orion voorbijkwam,
die bleek en bijna buiten zichzelven in zijne cel teruggebracht werd,
riep hij hem spottend toe in gebroken Grieksch: "Morgen komt de beurt
aan u, zoon van den Mukaukas!"
Daar zweefde Orion het antwoord op de lippen: "Ook aan u komt ze,
zoon van een slaaf!" Doch Paula stond tegenover hem en om hare vijand
niet nog meer te verbitteren, gelukte hem thans, wat hem vroeger niet
mogelijk zou zijn geweest. Zonder een woord te antwoorden, liet hij
den Wekil en Horus Apollon voorbijgaan.
Zoodra de deur zich achter deze twee gesloten had, knikte de kadhi
Orion met welgevallen toe en zeide: "Recht en wijs gehandeld,
mijn vriend! De adelaar mag niet vergeten, dat het betaamt, zijne
vleugels in de kooi anders uit te slaan dan tusschen de woestijn en
den hemel."--Daarop gaf hij de wachters een wenk hem weg te leiden
en hield zich op een afstand, toen de jonkman zijne bruid met hand
en oogen een afscheidsgroet toewenkte.
Eindelijk ging de kadhi naar Paula toe, wier van heldenmoed getuigende
kalmte bij de verkondiging van het doodvonnis zijne bewondering had
gewekt, en zeide: "Het gerecht heeft in uw nadeel beslist, edele
jonkvrouw, maar boven zijne uitspraak staat de genade van onzen heer,
den Kalief en die van den barmhartigen God. Richt gij uw gebed tot Hem,
tot genen zal ik met eenige vrienden mij wenden." Bescheiden sloeg hij
hare dankbaarheid af, en toen men ook haar had weggebracht, riep hij de
vrienden, die op hem wachten, in de beeldrijke taal van zijn volk toe:
"Het hart doet mij pijn! Zulk een oordeel uit te spreken drukt neer
als een gewicht van honderd pond; maar het kan niet zwaarder vallen
den ganschen aardbol te torschen dan een Obada tot geloofsgenoot te
hebben en hem te moeten gehoorzamen."