ZESTIENDE HOOFDSTUK.

In den namiddag reed de Wekil Obada naar Memphis en stapte af aan de

stadsgevangenis. Hij verwachtte daar den bisschop te zullen vinden,

doch inplaats van dezen ontving hij het bericht, dat Plotinos aan

de pest gestorven was. Dat was een leelijke streek van het noodlot,

want met den bisschop daalde de getuige ten grave, die hem het ten

gunste der nonnen beraamde reddingsplan verraden had. Maar neen! de

patriarch droeg gewis van alles kennis. Doch wat hielp dat voor het

oogenblik? Hij had geen tijd te verliezen en er moesten zeker drie

weken verloopen eer Benjamin terugverwacht kon worden.

Obada had Paulas vader in het kamp van Damascus ontmoet, en het had

hem vaak gekweld, dat men den naam van dezen krijgsheld ook onder

de muzelmannen met roem gedacht. Zijn nijdig gemoed gunde ook den

grootste, de door vriend en vijand erkende onbesmette eer niet. Hij

geloofde niet aan eer en hield ieder die haar genoot voor een slimmen

huichelaar. Evenals van den vader had hij ook een afkeer van de

dochter, zonder haar ooit gezien te hebben. Het lot van Orion was in

zijn binnenste beslist en vóor zijn einde moest hij nog gemarteld

worden door de terechtstelling van zijne geliefde, hetzij zij haar

schuld ontkende of openlijk beleed. Misschien gelukte dit hem dit te

bewerken, en daarom liet hij Paula onverwijld in de vergaderkamers

der rechters brengen. Doch zijn plan mislukte volkomen, hoewel hij

haar door den tolk de grootste toegevendheid beloofde wanneer zij

openhartig zou zijn, maar haar in het tegenovergestelde geval met

een pijnlijken dood dreigde.

Zóo had hij zich de gevangene werkelijk niet voorgesteld, en de

trotsche kalmte, waarmede zij elke beschuldiging afwees, oefende

een buitengewonen invloed uit op den vroegeren slaaf. Aanvankelijk

hielp hij den tolk, door haar in gebroken Grieksch iets toe

te schreeuwen, of door te beproeven haar angst aan te jagen

met vreeselijke blikken, waarvan hij den indruk vaak beproefd

had bij zijne ondergeschikten. Doch alles had niet de minste

uitwerking. Toen liet hij haar verklaren, dat hij in het bezit was

van een bewijsstuk, hetwelk hare schuld boven alle bedenking verhief,

doch ook dit verstoorde hare kalmte niet, en zij verlangde alleen

het te zien. Daarop liet hij haar zeggen, dat zij het vroeg genoeg

zou leeren kennen, terwijl hij de verklaring van den tolk vergezelde

van dreigende gebaren.

Obada had onder zijn volk kloeke vrouwen ontmoet, van grooten

invloed. Dappere vrouwen had hij ten strijde zien trekken en hij was

er getuige van geweest, hoe zij wilder, met meer doodsverachting en

bloedgieriger dan mannelijke krijgers de gevaren van den geloofsstrijd

deelden. Doch dat waren enkel echtgenooten en moeders geweest,

en waar hij ze uit den stillen huiselijken kring, dien een meisje

nooit verlaten mocht, had te voorschijn zien treden, waren zij altijd

beheerscht door hartstochtelijke aandoeningen, met gloeiende geestdrift

partij trekkende voor gade en kroost, familie of stam. Over het geheel

hielden de vrouwen zijns volks zich bescheiden op den achtergrond en

geene handelde tegen deze gewoonte, tenzij zij beheerscht werd door

een onstuimigen strijdlust. Maar deze jonkvrouw stond daar tegenover

hem als een veldheer, als het hoofd van een stam, met onwrikbare

kalmte. Daar was in hare houding iets dat hem vrees aanjoeg en te

gelijk het verlangen uitermate prikkelde, om haar zijne overmacht

te doen gevoelen en haar trots te breken. Evenals hij uitstak boven

alle aanvoerders der muzelmansche krijgsmacht, zoo overtrof zij in

wasdom alle vrouwen zijns volks, en door nieuwsgierigheid gedreven

om zich met haar te meten, ging hij dichter naar haar toe en trok

van zijn hals met de hand een lijn door de lucht, die haar schedel

raakte, en toen zij hierop achteruitweek, ontging het hem niet met

welk een diepen afschuw zij hem aanzag. Thans steeg hem het bloed

naar het hoofd en terwijl hij den tolk beval haar mede te deelen,

dat zij op geene vergiffenis behoefde te rekenen, wijdde hij haar in

zijn binnenste ten gruwzamen dood.

Bleek en op het ergste voorbereid keerde Paula naar het schamele

vertrek terug, dat zij met hare oude Betta bewoonde. Het was een

schrikkelijk oogenblik geweest toen zij de gevangenis binnentrad,

want de wachters schenen van plan te zijn haar naar eene der zalen te

voeren, waar mannelijke en vrouwelijke misdadigers in grooten getale

gehuisvest waren, en vanwaar het gerammel van ketenen en een wild

en verward geschreeuw van allerlei stemmen haar tegenklonk. Doch

de tolk en de aanvoerder der veiligheidswacht hadden zich haar lot

aangetrokken, en wel op verzoek van vrouw Martina, die hen een rijk

geschenk had beloofd, wanneer zij morgen de mededeeling brachten,

dat Paula in den kerker een goed onderkomen had gevonden. Ook de

schoonmoeder van den gevangenbewaarder had haar in bescherming

genomen. Zij was de waardin uit de herberg van Nesptah en had in

de gevangene de schoone jonkvrouw herkend, die op het watertochtje

met Orion bij haar was afgestapt, en die zij voor zijne bruid had

gehouden. Zij bracht toevallig een bezoek aan de vrouw van den

bewaarder, hare dochter, en verzocht ook deze Paula vriendelijk te

behandelen. De jonkvrouw kreeg met Betta een eigen vertrek en de

bewaarder was niet ongevoelig voor hare goudstukken. Deze man deed

voortdurend zijn best, om haar lot dragelijk te maken, en heden morgen

had hij Pulcheria vergund haar te bezoeken en haar de laatste nog niet

verdorde rozen uit den tuin te brengen. Ook de weduwe Susanna had aan

haar voornemen gevolg gegeven door spijzen en vruchten te zenden,

maar deze waren aan den gevangenbewaarder gegeven en den bode werd

gezegd, dat Paula van alles goed verzorgd werd en zulke gaven voor

het vervolg niet meer behoefde.

In het gevoel harer onschuld had zij haar lot rustig te gemoet

gezien en op de hoog geroemde rechtvaardigheid der Arabische rechters

gebouwd. Maar niet zij, Orions vijand, dat zwarte monster, scheen haar

lot te zullen beslissen. Neergedrukt door het gevoel, onmachtig en

hulpeloos te zijn prijsgegeven aan de willekeur van een gewetenloozen

schurk, gevoelde zij hoe de krachten haar ontzonken, en luisterde

zij nauwelijks naar de bemoedigende woorden van hare voedster. Zij

vreesde den dood niet, maar te sterven zonder haar vader weergezien,

zonder Orion gezegd en getoond te hebben, dat zij hem toebehoorde,

dat zij de zijne was en bleef, dat was te hard, dat viel haar te

zwaar om te dragen.

Terwijl zij de handen wrong, op het punt van te vertwijfelen,

draafde hij, die het geluk, de rust en de have zoo veler medemenschen

vernietigd had, op het edelste ros uit Orions stal door de straten van

Memphis, met het vaste plan de trotsche gevangene zijne macht te doen

gevoelen. Op de groote marktplaats, in het Ta-anch-kwartier moest hij

zijn hengst dwingen tot een rustiger gang, want daar had zich voor

de kurie, het raadhuis der stad, eene onafzienbare menschenmenigte

verzameld. De Wekil brak zich baan door het volk, zonder iemand te

ontzien, want hij wist wat het begeerde en telde dit niet. Het arme

gepeupel school reeds sedert eenigen tijd daar dagelijks samen en

verlangde van de bouleuten hulp in zijne schrikkelijke ellende. Daar

het kerkgezang en de processie gisteren weder zonder gevolg waren

gebleven, bestormde het heden de kurie. Maar kon de senaat den Nijl

laten wassen, de pest bezweren of de dadels verhinderen van de palmen

te vallen? Wie kon helpen waar de hemel zijn bijstand ontzegde?

Zoo had het hoofd van de stad aan de om hulp roepende menigte van het

balkon der kurie wel reeds tienmaal gevraagd, en altijd was het volk

uitgebarsten in den kreet: "Ja, ja, gij moet het, het is uw plicht! Gij

neemt van ons belasting, gij zijt geroepen voor ons te zorgen!"

Gisteren was de onzinnige menigte reeds niet meer te houden geweest

en had met steenen naar het raadhuis geworpen, maar heden na den

verschrikkelijken brand en den dood van den bisschop was het gepeupel

in dichte drommen komen opzetten, woedender dan ooit en tot de uiterste

vertwijfeling gebracht. De bouleuten zaten te beven op hunne oude, geel

geworden, ivoren stoelen, de overblijfselen van uitgedoofden glans,

die gelijken moesten op zetels der Romeinsche senatoren. Zij zagen

elkander aan, haalden de schouders op en lieten zich een brief van den

kadhi voorlezen, die zoo even gekomen was, en hen, christenen, beval,

overeenkomstig de tot een besluit verheven voorslag van Obada, aan

de gemeente door omroepers als anderszins bekend te maken, dat ieder

burger, wiens huis in den afgeloopen nacht door vuur was verteerd,

aan de overzijde in Fostat kosteloos grond en bouwmaterialen kon

krijgen, om zich een nieuw huis op te trekken, ingeval hij den Nijl

wilde oversteken en den Islam aannemen.

Dit smadelijk voorstel moest bekend gemaakt worden, daar viel niet

over te beraadslagen, men kon er zich niet tegen verzetten. Maar wat

kon van hunne zijde voor de klagende menigte gedaan worden? De pest

sleepte het ongelukkig volk ten grave; de groenten, waaruit gedurende

dit jaargetijde de helft van zijn voedsel bestond, waren verdord;

zijne anders zoo zoete, verkwikkende drank was vergiftigd; de dadels,

zijn toespijs, rijpten om met afschuw weggeworpen te worden. En daarbij

een komeet aan den hemel, geen uitzicht op oogst, ook maar van enkele

halmen, in de volgende maanden! De bisschop dood, het vertrouwen

op de hulp der kerk geschokt, Gods genade als opgehouden, verloren

in dit door de ongeloovigen bezette land! En zij, op wier hulp men

rekende, waren arme, zwakke menschen, raadslieden zonder raad, ieder

uur bedreigd om hunne door de pest aangetaste medeleden te volgen,

die van de thans ledig staande zetels nog onlangs het grootste woord

hadden gevoerd. Gisteren hadden naar ieders overtuiging, de nood en

de ellende hun toppunt bereikt, en in den afgeloopen nacht waren ze

voor zoovelen verdubbeld. Hun eigen zelfvertrouwen was uitgeput, doch

er was nog éen wijze in de stad, die misschien nieuwe wegen openen

en op een middel wijzen kon, om het volk voor vertwijfeling te bewaren.

Daar vlogen weder steenen door het geopende dak, en de bouleuten

sprongen van hunne ivoren zetels op en zochten beschutting achter

marmeren zuilen en pijlers. Van de zijde der markt drong een woest

geschreeuw door tot de ooren der beangstigde raadsleden, en tegen de

zware deur van de kurie werd met vuisten en stokken gebeukt. Gelukkig

was ze met brons beslagen en met zware ijzeren grendels gesloten,

maar ieder oogenblik kon ze voor het geweld bezwijken en de razende

volkshoop de vergaderzaal binnenstormen.

Doch wat gebeurde er? In een oogenblik verstomde het gebrul en

gejoel; het gedruisch nam een anderen, zachteren vorm aan. In

plaats van de wilde vloeken en verwenschingen van zooeven weerklonk

het: "Heil! Heil!" voor en na, en daartusschen hoorde men roepen:

"Red," "help!" "Geef ons raad!" "Leve de wijze!" "Uw tooverkunst,

vader!" "Gij kent de geheimen, de wijsheid der ouden!" "Red, red;

toon die gierigaards en bedriegers in de kurie hoe men ons helpt!"

Het hoofd van de stad waagde het zijne veilige plaats achter het

zuilenbeeld van Keizer Trajanus te verlaten, het eenige dat de

geestelijkheid nog had verschoond, en langs de ladder, die men

gebruikte om de hanglampen aan te steken, op te klimmen tot het

hooge venster en een blik naar beneden te slaan. Daar zag hij een

grijsaard in hagelwitte kleeding op een fraaien witten ezel door de

menigte rijden, die eerbiedig voor hem plaats maakte. De lictoren der

stad gingen hem voor met hunne fasces, waaraan, ten teeken van hunne

vreedzame zending, palmtakken bevestigd waren, verder merkte hij op

dat de oude, behalve de drijver van zijn beest, ook een slaaf volgde,

die ettelijke schriftrollen droeg, en dit deed zijn hoop herleven; want

ze zagen er zeer oud en geel uit en bevatten stellig een overvloed

van wijsheid, ja wellicht magische formulieren en tooverspreuken,

waarvan men heil kon wachten. Met een luid "hij komt," daalde het hoofd

der stad van de ladder af; weldra knarsten de grendels, de deur ging

open en men kwam tot verademing toen men bespeurde, dat buiten den

grijsaard niemand de kurie was binnengedrongen. Toen Horus Apollon

de raadzaal binnentrad vond hij de bouleuten in zulk eene waardige

houding op hunne ivoren stoelen, als ware de raadsvergadering geen

oogenblik geschorst. Doch op een wenk van den voorzitter stonden

allen voor den grijsaard op en hij beantwoordde hun groet afgemeten,

als ware hem een eer bewezen die hem toekwam. Hij liet het zich ook

wel gevallen, dat het hoofd der stad hem zijn hoogeren zetel inruimde,

om op een gewonen naast hem plaats te nemen.

Weldra was de behandeling van de zaak aangevangen, en deze werd niet

gestoord door de menigte, ofschoon van de marktplaats nog altijd

geluiden in de zaal doordrongen als van een bruisenden golfslag of van

duizend bijenzwermen. De grijsaard verzekerde bescheiden, dat hij in

zijn eenvoud, waar zulke wijze mannen geen hulp wisten te verschaffen,

aanvankelijk twijfelde of die wel te vinden zou zijn. Hij was echter

bedreven in de kennis van den aard en de wetenschap der vaderen, en

hij was thans gekomen om mede te deelen, wat zij in dergelijke gevallen

voor doeltreffend hadden gehouden, ten einde dat ook nu na te volgen.

Een gemompel van instemming vergezelde zijne zachte, maar zoetvloeiende

reden, en toen de stadsoverste allereerst wees op den wortel van alle

onheilen, het uitblijven van den Nijlwas, verzocht de grijsaard hem

hierover te zwijgen en allereerst de nooden onder de oogen te zien,

waartegen men met eigene krachten redmiddelen kon aanwenden. De pest

woedde in de stad; hij was zoo even het kwartier voorbijgegaan, dat

door den brand gedeeltelijk was vernield, en had daar vijftig kranken

zonder verpleging en in de grootste ellende bijeengevonden. Hier

kon wat gedaan worden; hier lagen de middelen voor de hand, om de

ontevredene menigte te bewijzen, dat hare raadslieden en leiders de

handen niet in den schoot hadden gelegd.

Een der leden van den raad stelde voor het Caecilia-klooster of

het ongebruikte en vervallen Odeum voor hen in te ruimen, doch

Horus Apollon verklaarde zich hiertegen en zette duidelijk uiteen,

dat zulk eene opeenhooping van zieken midden in de stad de gezonde

burgers in gevaar zou brengen. Dat was ook de zienswijze van zijn

vriend Philippus en deze had de handelwijze der vaderen, als de

eenige ware aangeprezen. Waar plaatsten de ouden niet alleen hunne

inrichtingen van liefdadigheid, maar ook de groote ruimten vorderende

tempels en begraafplaatsen? Altijd in de woestijn, buiten de stad. Op

de reuzensphinx bij de pyramiden had de groote Arrianus zelf deze

versregels geschreven:

Eertijds schiepen de goden die schoon hier prijkende vormen,

Wijselijk sparend het veld, vol van den vruchtbaren oogst.

Dit sparen van het vruchtbare veld heeft het jongere geslacht vergeten,

en het begreep ook niet meer, hoe het de woestijn kon gebruiken. De

dooden en verpestten mochten de levenden niet in gevaar brengen,

en daarom moesten zij buiten de stad, op den woestijnbodem van den

Necropolis ergens worden ondergebracht.

"Maar wij kunnen ze toch niet in den zonnegloed laten liggen," zeide

de stadsoverste.

"En evenmin," voegde een ander erbij, "kan men in een ommezien een

gebouw voor hen optrekken."

Daarop antwoordde Horus Apollon: "Wie zou zoo dwaas zijn het een of

het ander te verlangen! Maar linnen en palen zijn in Memphis meer

dan genoeg. Laat dadelijk in den Necropolis groote tenten opslaan,

en onder deze beschutting, op kosten en onder toezicht van de stad

allen verplegen, die door de ziekte worden aangetast. Vaardig drie of

vier uit uw midden af, om deze opdracht te volbrengen, en in weinig

uren is er een onderkomen gevonden voor die van hun huis beroofde

kranken. Hoevele matrozen en scheepstimmerlieden slenteren er zonder

arbeid langs den oever! Roep ze samen, en zet ze binnen een uur aan

het werk!"

Dit voorstel vond bijval en een fabrikant van lijnwaad onder de

bouleuten zeide: "Ik lever alles wat er noodig is," en een ander, die

in denzelfden stof handel dreef en dit beroemde Egyptische fabrikaat

overal heen zond, viel hem in de rede en verlangde voor zich en zijn

huis de opdracht, omdat hij goedkooper leveren kon. Deze strijd zou de

zitting tot het einde en misschien ook tot den volgenden dag in beslag

hebben genomen, als het voorstel van Horus Apollon, om de leverantie

tusschen beiden te verdeelen niet spoedig ware aangenomen. Het volk

begroette de afkondiging van het besluit, dat er tenten voor de zieken

in de woestijn zouden worden opgeslagen, met een bijvalskreet van

honderden stemmen. Zij die de opdracht ontvingen, om het besluit uit

te voeren, gingen terstond aan het werk, en in den volgenden nacht

konden de van hun dak beroofden reeds onder de eerste groote tent

geborgen worden.

Op dezelfde wijze loste de grijsaard nog eenige andere gewichtige

vragen op, terwijl hij daarbij altijd zich beriep op de wijsheid der

vaderen. Ten laatste nam hij het woord over de hoofdzaak, en hij deed

het voorzichtig en met groot beleid. Alle wederwaardigheden van den

laatsten tijd, zeide hij, wezen er op, dat de hemel vertoornd was op

het ongelukkig land zijner vaderen. Als een teeken van zijn ongenoegen

was een komeet gezonden, dat vreesaanjagend gesternte, dat met den

dag nog toenam in dreigenden glans. Het stond niet in de macht van

een mensch den Nijl te doen stijgen, maar de ouden--en nu luisterden

de bouleuten met ingehouden adem--stonden in nauwere betrekking tot

de geheimzinnige machten, die het leven der natuur besturen, dan

de tegenwoordige menschen, onverschillig of ze leeken of priesters

zijn. In die dagen was ieder dienaar der allerhoogste godheid tegelijk

een kenner en onderzoeker der natuur. Wanneer Egypte door eene ramp

werd bezocht als die van dit jaar, werd er een offer gebracht, een

groot offer, waartegen het menschelijk gevoel en alles wat in ons is

opkomt, maar dit had nimmer zijne uitwerking gemist. Hier waren de

bewijsstukken, en daarbij wees hij op de schriftrollen in zijn schoot.

De vergaderden bewogen zich onrustig op hunne zetels en eerst riep

het hoofd der stad en vervolgens riepen en vroegen ook de andere

bouleuten de een na den ander: "En het offer?"--"Welk offer brachten

zij?"--"Wat moet dat offer zijn?"

"Laat mij dit verzwijgen tot een volgenden keer," verzocht

de grijsaard. "Wat zou het kunnen baten dit heden reeds te

verkondigen? Eerst moet onderzocht worden, wat den goden welgevallig

is."

"Maar wat is het? Spreek man!"--"Leg ons niet op de pijnbank!"--Zoo

drong men van alle zijden op hem aan. Doch de grijsaard bleef

onverbiddelijk, beloofde den raad zelf samen te roepen, zoodra de tijd

daartoe gekomen was, en verlangde van den stadsoverste alleen, dat

hij van het balkon zou afkondigen, dat Horus Apollon een offer wist,

dat den Nijl kon bewegen eindelijk te wassen. Zoodra het gevonden was,

zou men het volk zijne toestemming vragen. In vroeger eeuwen had het

nooit zijne uitwerking gemist. Mannen, vrouwen en kinderen konden

dus gerust naar huis gaan en geduldig, met nieuwe en gegronde hoop,

de toekomst afwachten.

Deze afkondiging, waarbij het hoofd der stad niet verzuimde

de wijsheid van den grijzen Horus Apollon te loven, deed eene

verbazende uitwerking. Van nieuwe hoop vervuld jubelde de menigte,

een "Heil! Heil!" weerklonk van alle zijden, en deze kreten golden

niet enkel den grijsaard, die redding beloofde, maar ditmaal ook de

bouleuten, de zorgzame vaders der stad, wien een loodzware last van

het hart werd genomen. Wat de oude man voorhad, was zeker niet vroom

en zuiver christelijk, maar had de macht van de kerk zich dan zoo

werkzaam getoond? En nadat alle pogingen van die zijde schipbreuk

hadden geleden, waren zijzelven reeds tot middelen afgedaald, die de

priesters veroordeelden. Bezweringen en tooverij waren echt Egyptische

kunsten, en waar het geloof niets uitrichtte, traden dezen, trad het

bijgeloof in zijn recht. Toen men de lokken-Medea op het lijf was

gevallen en gevangen had genomen, was het niet zoozeer geschied,

om de wet te handhaven, maar veeleer, om hare geheime wetenschap

ongemerkt voor het algemeen welzijn aan te wenden. In zulk een nood

was geen middel te slecht, en hoewel de grijsaard zelf een afschuw

had van dat wat hij aan de hand deed, van hunne toestemming was hij

zeker, als het maar de gewenschte uitwerking deed. Was de nood eerst

uit den weg geruimd, dan kon men de schuld, die men op zich geladen

had, wel boeten; en de goede God was zoo barmhartig! De bisschop had

anders ook zitting en stem onder de bouleuten, en nu had de loop der

omstandigheden hun de noodzakelijkheid bespaard, om zijne tegenspraak

te weerleggen.

Toen Horus Apollon weer op de markt verscheen, werd hij met algemeenen

bijval en zoo dankbaar begroet, alsof het hem reeds gelukt was land

en volk te redden. En wat had hij ondernomen! Hetgeen hij dacht te

doen plaats hebben mocht gelukken of niet, te Memphis kon hij niet

blijven, want in elk geval was het daar uit met zijne rust. Maar dat

schrikte hem niet af, want voor de vrouwen was het misschien heilzamer,

als hij haar verwijderde uit de gevaarlijke nabijheid van de Arabische

hoofdstad, en zijn besluit, om met het gezin van Rufinus te vertrekken,

stond bij hem vast. Ook voor zijn Philippus kon het niet anders dan

goed zijn in een anderen bodem verplant te worden.

In het huis van Rufinus vernam hij welk lot Paula getroffen had. Voor

het oogenblik stond zij hem dus niet meer in den weg, doch wanneer

men haar morgen of overmorgen of over een maand vrijliet, was zij

hem even hinderlijk als te voren. De aanslag tegen haar moest dus

toch doorgezet worden. Zijne bijzondere denkbeelden zetten hem er

toe aan, en welk eene voldoening, als het hem gelukte de Egyptische

christenen tot de heidensche daad te brengen, die hij hen wilde

doen uitvoeren. Werd Paula door de Arabieren ter dood veroordeeld,

zoo kon dit aan de uitvoering van zijn plan slechts bevorderlijk

zijn, en daarom was het nu van belang zich met den zwarten Wekil in

betrekking te stellen; want van zijne toestemming hing alles af.

Vrouw Johanna en Pulcheria vonden hem zoo opgeruimd en vroolijk als

nooit te voren. Het voorstel, om met zijn Philippus haar huisgenoot

te worden, werd ook door de kleine Maria met levendige vreugde

begroet, en de vrouwen geleidden hem reeds heden door het geheele

huis en ondersteunden hem daarbij zorgvuldig en liefderijk. Alles

wat hij zag, beviel hem uitermate; zoo sierlijk en netjes kon het er

alleen daar uitzien waar vrouwenoogen alles bestuurden en op alles

toezagen. De kamer van Rufinus op den beganen grond zou de zijne

worden, terwijl men een dergelijk vertrek aan de andere zijde van het

huis voor Philippus kon inrichten. De eetzaal, de ruime voorzaal en

het viridarium bleven gemeen goed, en voor de vrouwen en de gasten

waren op de bovenverdieping kamers genoeg. Hij zou hier zijn intrek

nemen, zoodra hij een zeker iets vastgesteld had. Het moest wel iets

verblijdends zijn, want als de oude man daarover sprak, bewogen zich

zijne ingetrokken lippen vergenoegd heen en weer, en daarbij schenen

zijne fonkelende oogen Pulcheria toe te roepen: "Ook voor u, lief kind,

heb ik iets goeds in den zin."

De nijlbruid · 第 55 / 66 题