In den namiddag reed de Wekil Obada naar Memphis en stapte af aan de
stadsgevangenis. Hij verwachtte daar den bisschop te zullen vinden,
doch inplaats van dezen ontving hij het bericht, dat Plotinos aan
de pest gestorven was. Dat was een leelijke streek van het noodlot,
want met den bisschop daalde de getuige ten grave, die hem het ten
gunste der nonnen beraamde reddingsplan verraden had. Maar neen! de
patriarch droeg gewis van alles kennis. Doch wat hielp dat voor het
oogenblik? Hij had geen tijd te verliezen en er moesten zeker drie
weken verloopen eer Benjamin terugverwacht kon worden.
Obada had Paulas vader in het kamp van Damascus ontmoet, en het had
hem vaak gekweld, dat men den naam van dezen krijgsheld ook onder
de muzelmannen met roem gedacht. Zijn nijdig gemoed gunde ook den
grootste, de door vriend en vijand erkende onbesmette eer niet. Hij
geloofde niet aan eer en hield ieder die haar genoot voor een slimmen
huichelaar. Evenals van den vader had hij ook een afkeer van de
dochter, zonder haar ooit gezien te hebben. Het lot van Orion was in
zijn binnenste beslist en vóor zijn einde moest hij nog gemarteld
worden door de terechtstelling van zijne geliefde, hetzij zij haar
schuld ontkende of openlijk beleed. Misschien gelukte dit hem dit te
bewerken, en daarom liet hij Paula onverwijld in de vergaderkamers
der rechters brengen. Doch zijn plan mislukte volkomen, hoewel hij
haar door den tolk de grootste toegevendheid beloofde wanneer zij
openhartig zou zijn, maar haar in het tegenovergestelde geval met
een pijnlijken dood dreigde.
Zóo had hij zich de gevangene werkelijk niet voorgesteld, en de
trotsche kalmte, waarmede zij elke beschuldiging afwees, oefende
een buitengewonen invloed uit op den vroegeren slaaf. Aanvankelijk
hielp hij den tolk, door haar in gebroken Grieksch iets toe
te schreeuwen, of door te beproeven haar angst aan te jagen
met vreeselijke blikken, waarvan hij den indruk vaak beproefd
had bij zijne ondergeschikten. Doch alles had niet de minste
uitwerking. Toen liet hij haar verklaren, dat hij in het bezit was
van een bewijsstuk, hetwelk hare schuld boven alle bedenking verhief,
doch ook dit verstoorde hare kalmte niet, en zij verlangde alleen
het te zien. Daarop liet hij haar zeggen, dat zij het vroeg genoeg
zou leeren kennen, terwijl hij de verklaring van den tolk vergezelde
van dreigende gebaren.
Obada had onder zijn volk kloeke vrouwen ontmoet, van grooten
invloed. Dappere vrouwen had hij ten strijde zien trekken en hij was
er getuige van geweest, hoe zij wilder, met meer doodsverachting en
bloedgieriger dan mannelijke krijgers de gevaren van den geloofsstrijd
deelden. Doch dat waren enkel echtgenooten en moeders geweest,
en waar hij ze uit den stillen huiselijken kring, dien een meisje
nooit verlaten mocht, had te voorschijn zien treden, waren zij altijd
beheerscht door hartstochtelijke aandoeningen, met gloeiende geestdrift
partij trekkende voor gade en kroost, familie of stam. Over het geheel
hielden de vrouwen zijns volks zich bescheiden op den achtergrond en
geene handelde tegen deze gewoonte, tenzij zij beheerscht werd door
een onstuimigen strijdlust. Maar deze jonkvrouw stond daar tegenover
hem als een veldheer, als het hoofd van een stam, met onwrikbare
kalmte. Daar was in hare houding iets dat hem vrees aanjoeg en te
gelijk het verlangen uitermate prikkelde, om haar zijne overmacht
te doen gevoelen en haar trots te breken. Evenals hij uitstak boven
alle aanvoerders der muzelmansche krijgsmacht, zoo overtrof zij in
wasdom alle vrouwen zijns volks, en door nieuwsgierigheid gedreven
om zich met haar te meten, ging hij dichter naar haar toe en trok
van zijn hals met de hand een lijn door de lucht, die haar schedel
raakte, en toen zij hierop achteruitweek, ontging het hem niet met
welk een diepen afschuw zij hem aanzag. Thans steeg hem het bloed
naar het hoofd en terwijl hij den tolk beval haar mede te deelen,
dat zij op geene vergiffenis behoefde te rekenen, wijdde hij haar in
zijn binnenste ten gruwzamen dood.
Bleek en op het ergste voorbereid keerde Paula naar het schamele
vertrek terug, dat zij met hare oude Betta bewoonde. Het was een
schrikkelijk oogenblik geweest toen zij de gevangenis binnentrad,
want de wachters schenen van plan te zijn haar naar eene der zalen te
voeren, waar mannelijke en vrouwelijke misdadigers in grooten getale
gehuisvest waren, en vanwaar het gerammel van ketenen en een wild
en verward geschreeuw van allerlei stemmen haar tegenklonk. Doch
de tolk en de aanvoerder der veiligheidswacht hadden zich haar lot
aangetrokken, en wel op verzoek van vrouw Martina, die hen een rijk
geschenk had beloofd, wanneer zij morgen de mededeeling brachten,
dat Paula in den kerker een goed onderkomen had gevonden. Ook de
schoonmoeder van den gevangenbewaarder had haar in bescherming
genomen. Zij was de waardin uit de herberg van Nesptah en had in
de gevangene de schoone jonkvrouw herkend, die op het watertochtje
met Orion bij haar was afgestapt, en die zij voor zijne bruid had
gehouden. Zij bracht toevallig een bezoek aan de vrouw van den
bewaarder, hare dochter, en verzocht ook deze Paula vriendelijk te
behandelen. De jonkvrouw kreeg met Betta een eigen vertrek en de
bewaarder was niet ongevoelig voor hare goudstukken. Deze man deed
voortdurend zijn best, om haar lot dragelijk te maken, en heden morgen
had hij Pulcheria vergund haar te bezoeken en haar de laatste nog niet
verdorde rozen uit den tuin te brengen. Ook de weduwe Susanna had aan
haar voornemen gevolg gegeven door spijzen en vruchten te zenden,
maar deze waren aan den gevangenbewaarder gegeven en den bode werd
gezegd, dat Paula van alles goed verzorgd werd en zulke gaven voor
het vervolg niet meer behoefde.
In het gevoel harer onschuld had zij haar lot rustig te gemoet
gezien en op de hoog geroemde rechtvaardigheid der Arabische rechters
gebouwd. Maar niet zij, Orions vijand, dat zwarte monster, scheen haar
lot te zullen beslissen. Neergedrukt door het gevoel, onmachtig en
hulpeloos te zijn prijsgegeven aan de willekeur van een gewetenloozen
schurk, gevoelde zij hoe de krachten haar ontzonken, en luisterde
zij nauwelijks naar de bemoedigende woorden van hare voedster. Zij
vreesde den dood niet, maar te sterven zonder haar vader weergezien,
zonder Orion gezegd en getoond te hebben, dat zij hem toebehoorde,
dat zij de zijne was en bleef, dat was te hard, dat viel haar te
zwaar om te dragen.
Terwijl zij de handen wrong, op het punt van te vertwijfelen,
draafde hij, die het geluk, de rust en de have zoo veler medemenschen
vernietigd had, op het edelste ros uit Orions stal door de straten van
Memphis, met het vaste plan de trotsche gevangene zijne macht te doen
gevoelen. Op de groote marktplaats, in het Ta-anch-kwartier moest hij
zijn hengst dwingen tot een rustiger gang, want daar had zich voor
de kurie, het raadhuis der stad, eene onafzienbare menschenmenigte
verzameld. De Wekil brak zich baan door het volk, zonder iemand te
ontzien, want hij wist wat het begeerde en telde dit niet. Het arme
gepeupel school reeds sedert eenigen tijd daar dagelijks samen en
verlangde van de bouleuten hulp in zijne schrikkelijke ellende. Daar
het kerkgezang en de processie gisteren weder zonder gevolg waren
gebleven, bestormde het heden de kurie. Maar kon de senaat den Nijl
laten wassen, de pest bezweren of de dadels verhinderen van de palmen
te vallen? Wie kon helpen waar de hemel zijn bijstand ontzegde?
Zoo had het hoofd van de stad aan de om hulp roepende menigte van het
balkon der kurie wel reeds tienmaal gevraagd, en altijd was het volk
uitgebarsten in den kreet: "Ja, ja, gij moet het, het is uw plicht! Gij
neemt van ons belasting, gij zijt geroepen voor ons te zorgen!"
Gisteren was de onzinnige menigte reeds niet meer te houden geweest
en had met steenen naar het raadhuis geworpen, maar heden na den
verschrikkelijken brand en den dood van den bisschop was het gepeupel
in dichte drommen komen opzetten, woedender dan ooit en tot de uiterste
vertwijfeling gebracht. De bouleuten zaten te beven op hunne oude, geel
geworden, ivoren stoelen, de overblijfselen van uitgedoofden glans,
die gelijken moesten op zetels der Romeinsche senatoren. Zij zagen
elkander aan, haalden de schouders op en lieten zich een brief van den
kadhi voorlezen, die zoo even gekomen was, en hen, christenen, beval,
overeenkomstig de tot een besluit verheven voorslag van Obada, aan
de gemeente door omroepers als anderszins bekend te maken, dat ieder
burger, wiens huis in den afgeloopen nacht door vuur was verteerd,
aan de overzijde in Fostat kosteloos grond en bouwmaterialen kon
krijgen, om zich een nieuw huis op te trekken, ingeval hij den Nijl
wilde oversteken en den Islam aannemen.
Dit smadelijk voorstel moest bekend gemaakt worden, daar viel niet
over te beraadslagen, men kon er zich niet tegen verzetten. Maar wat
kon van hunne zijde voor de klagende menigte gedaan worden? De pest
sleepte het ongelukkig volk ten grave; de groenten, waaruit gedurende
dit jaargetijde de helft van zijn voedsel bestond, waren verdord;
zijne anders zoo zoete, verkwikkende drank was vergiftigd; de dadels,
zijn toespijs, rijpten om met afschuw weggeworpen te worden. En daarbij
een komeet aan den hemel, geen uitzicht op oogst, ook maar van enkele
halmen, in de volgende maanden! De bisschop dood, het vertrouwen
op de hulp der kerk geschokt, Gods genade als opgehouden, verloren
in dit door de ongeloovigen bezette land! En zij, op wier hulp men
rekende, waren arme, zwakke menschen, raadslieden zonder raad, ieder
uur bedreigd om hunne door de pest aangetaste medeleden te volgen,
die van de thans ledig staande zetels nog onlangs het grootste woord
hadden gevoerd. Gisteren hadden naar ieders overtuiging, de nood en
de ellende hun toppunt bereikt, en in den afgeloopen nacht waren ze
voor zoovelen verdubbeld. Hun eigen zelfvertrouwen was uitgeput, doch
er was nog éen wijze in de stad, die misschien nieuwe wegen openen
en op een middel wijzen kon, om het volk voor vertwijfeling te bewaren.
Daar vlogen weder steenen door het geopende dak, en de bouleuten
sprongen van hunne ivoren zetels op en zochten beschutting achter
marmeren zuilen en pijlers. Van de zijde der markt drong een woest
geschreeuw door tot de ooren der beangstigde raadsleden, en tegen de
zware deur van de kurie werd met vuisten en stokken gebeukt. Gelukkig
was ze met brons beslagen en met zware ijzeren grendels gesloten,
maar ieder oogenblik kon ze voor het geweld bezwijken en de razende
volkshoop de vergaderzaal binnenstormen.
Doch wat gebeurde er? In een oogenblik verstomde het gebrul en
gejoel; het gedruisch nam een anderen, zachteren vorm aan. In
plaats van de wilde vloeken en verwenschingen van zooeven weerklonk
het: "Heil! Heil!" voor en na, en daartusschen hoorde men roepen:
"Red," "help!" "Geef ons raad!" "Leve de wijze!" "Uw tooverkunst,
vader!" "Gij kent de geheimen, de wijsheid der ouden!" "Red, red;
toon die gierigaards en bedriegers in de kurie hoe men ons helpt!"
Het hoofd van de stad waagde het zijne veilige plaats achter het
zuilenbeeld van Keizer Trajanus te verlaten, het eenige dat de
geestelijkheid nog had verschoond, en langs de ladder, die men
gebruikte om de hanglampen aan te steken, op te klimmen tot het
hooge venster en een blik naar beneden te slaan. Daar zag hij een
grijsaard in hagelwitte kleeding op een fraaien witten ezel door de
menigte rijden, die eerbiedig voor hem plaats maakte. De lictoren der
stad gingen hem voor met hunne fasces, waaraan, ten teeken van hunne
vreedzame zending, palmtakken bevestigd waren, verder merkte hij op
dat de oude, behalve de drijver van zijn beest, ook een slaaf volgde,
die ettelijke schriftrollen droeg, en dit deed zijn hoop herleven; want
ze zagen er zeer oud en geel uit en bevatten stellig een overvloed
van wijsheid, ja wellicht magische formulieren en tooverspreuken,
waarvan men heil kon wachten. Met een luid "hij komt," daalde het hoofd
der stad van de ladder af; weldra knarsten de grendels, de deur ging
open en men kwam tot verademing toen men bespeurde, dat buiten den
grijsaard niemand de kurie was binnengedrongen. Toen Horus Apollon
de raadzaal binnentrad vond hij de bouleuten in zulk eene waardige
houding op hunne ivoren stoelen, als ware de raadsvergadering geen
oogenblik geschorst. Doch op een wenk van den voorzitter stonden
allen voor den grijsaard op en hij beantwoordde hun groet afgemeten,
als ware hem een eer bewezen die hem toekwam. Hij liet het zich ook
wel gevallen, dat het hoofd der stad hem zijn hoogeren zetel inruimde,
om op een gewonen naast hem plaats te nemen.
Weldra was de behandeling van de zaak aangevangen, en deze werd niet
gestoord door de menigte, ofschoon van de marktplaats nog altijd
geluiden in de zaal doordrongen als van een bruisenden golfslag of van
duizend bijenzwermen. De grijsaard verzekerde bescheiden, dat hij in
zijn eenvoud, waar zulke wijze mannen geen hulp wisten te verschaffen,
aanvankelijk twijfelde of die wel te vinden zou zijn. Hij was echter
bedreven in de kennis van den aard en de wetenschap der vaderen, en
hij was thans gekomen om mede te deelen, wat zij in dergelijke gevallen
voor doeltreffend hadden gehouden, ten einde dat ook nu na te volgen.
Een gemompel van instemming vergezelde zijne zachte, maar zoetvloeiende
reden, en toen de stadsoverste allereerst wees op den wortel van alle
onheilen, het uitblijven van den Nijlwas, verzocht de grijsaard hem
hierover te zwijgen en allereerst de nooden onder de oogen te zien,
waartegen men met eigene krachten redmiddelen kon aanwenden. De pest
woedde in de stad; hij was zoo even het kwartier voorbijgegaan, dat
door den brand gedeeltelijk was vernield, en had daar vijftig kranken
zonder verpleging en in de grootste ellende bijeengevonden. Hier
kon wat gedaan worden; hier lagen de middelen voor de hand, om de
ontevredene menigte te bewijzen, dat hare raadslieden en leiders de
handen niet in den schoot hadden gelegd.
Een der leden van den raad stelde voor het Caecilia-klooster of
het ongebruikte en vervallen Odeum voor hen in te ruimen, doch
Horus Apollon verklaarde zich hiertegen en zette duidelijk uiteen,
dat zulk eene opeenhooping van zieken midden in de stad de gezonde
burgers in gevaar zou brengen. Dat was ook de zienswijze van zijn
vriend Philippus en deze had de handelwijze der vaderen, als de
eenige ware aangeprezen. Waar plaatsten de ouden niet alleen hunne
inrichtingen van liefdadigheid, maar ook de groote ruimten vorderende
tempels en begraafplaatsen? Altijd in de woestijn, buiten de stad. Op
de reuzensphinx bij de pyramiden had de groote Arrianus zelf deze
versregels geschreven:
Eertijds schiepen de goden die schoon hier prijkende vormen,
Wijselijk sparend het veld, vol van den vruchtbaren oogst.
Dit sparen van het vruchtbare veld heeft het jongere geslacht vergeten,
en het begreep ook niet meer, hoe het de woestijn kon gebruiken. De
dooden en verpestten mochten de levenden niet in gevaar brengen,
en daarom moesten zij buiten de stad, op den woestijnbodem van den
Necropolis ergens worden ondergebracht.
"Maar wij kunnen ze toch niet in den zonnegloed laten liggen," zeide
de stadsoverste.
"En evenmin," voegde een ander erbij, "kan men in een ommezien een
gebouw voor hen optrekken."
Daarop antwoordde Horus Apollon: "Wie zou zoo dwaas zijn het een of
het ander te verlangen! Maar linnen en palen zijn in Memphis meer
dan genoeg. Laat dadelijk in den Necropolis groote tenten opslaan,
en onder deze beschutting, op kosten en onder toezicht van de stad
allen verplegen, die door de ziekte worden aangetast. Vaardig drie of
vier uit uw midden af, om deze opdracht te volbrengen, en in weinig
uren is er een onderkomen gevonden voor die van hun huis beroofde
kranken. Hoevele matrozen en scheepstimmerlieden slenteren er zonder
arbeid langs den oever! Roep ze samen, en zet ze binnen een uur aan
het werk!"
Dit voorstel vond bijval en een fabrikant van lijnwaad onder de
bouleuten zeide: "Ik lever alles wat er noodig is," en een ander, die
in denzelfden stof handel dreef en dit beroemde Egyptische fabrikaat
overal heen zond, viel hem in de rede en verlangde voor zich en zijn
huis de opdracht, omdat hij goedkooper leveren kon. Deze strijd zou de
zitting tot het einde en misschien ook tot den volgenden dag in beslag
hebben genomen, als het voorstel van Horus Apollon, om de leverantie
tusschen beiden te verdeelen niet spoedig ware aangenomen. Het volk
begroette de afkondiging van het besluit, dat er tenten voor de zieken
in de woestijn zouden worden opgeslagen, met een bijvalskreet van
honderden stemmen. Zij die de opdracht ontvingen, om het besluit uit
te voeren, gingen terstond aan het werk, en in den volgenden nacht
konden de van hun dak beroofden reeds onder de eerste groote tent
geborgen worden.
Op dezelfde wijze loste de grijsaard nog eenige andere gewichtige
vragen op, terwijl hij daarbij altijd zich beriep op de wijsheid der
vaderen. Ten laatste nam hij het woord over de hoofdzaak, en hij deed
het voorzichtig en met groot beleid. Alle wederwaardigheden van den
laatsten tijd, zeide hij, wezen er op, dat de hemel vertoornd was op
het ongelukkig land zijner vaderen. Als een teeken van zijn ongenoegen
was een komeet gezonden, dat vreesaanjagend gesternte, dat met den
dag nog toenam in dreigenden glans. Het stond niet in de macht van
een mensch den Nijl te doen stijgen, maar de ouden--en nu luisterden
de bouleuten met ingehouden adem--stonden in nauwere betrekking tot
de geheimzinnige machten, die het leven der natuur besturen, dan
de tegenwoordige menschen, onverschillig of ze leeken of priesters
zijn. In die dagen was ieder dienaar der allerhoogste godheid tegelijk
een kenner en onderzoeker der natuur. Wanneer Egypte door eene ramp
werd bezocht als die van dit jaar, werd er een offer gebracht, een
groot offer, waartegen het menschelijk gevoel en alles wat in ons is
opkomt, maar dit had nimmer zijne uitwerking gemist. Hier waren de
bewijsstukken, en daarbij wees hij op de schriftrollen in zijn schoot.
De vergaderden bewogen zich onrustig op hunne zetels en eerst riep
het hoofd der stad en vervolgens riepen en vroegen ook de andere
bouleuten de een na den ander: "En het offer?"--"Welk offer brachten
zij?"--"Wat moet dat offer zijn?"
"Laat mij dit verzwijgen tot een volgenden keer," verzocht
de grijsaard. "Wat zou het kunnen baten dit heden reeds te
verkondigen? Eerst moet onderzocht worden, wat den goden welgevallig
is."
"Maar wat is het? Spreek man!"--"Leg ons niet op de pijnbank!"--Zoo
drong men van alle zijden op hem aan. Doch de grijsaard bleef
onverbiddelijk, beloofde den raad zelf samen te roepen, zoodra de tijd
daartoe gekomen was, en verlangde van den stadsoverste alleen, dat
hij van het balkon zou afkondigen, dat Horus Apollon een offer wist,
dat den Nijl kon bewegen eindelijk te wassen. Zoodra het gevonden was,
zou men het volk zijne toestemming vragen. In vroeger eeuwen had het
nooit zijne uitwerking gemist. Mannen, vrouwen en kinderen konden
dus gerust naar huis gaan en geduldig, met nieuwe en gegronde hoop,
de toekomst afwachten.
Deze afkondiging, waarbij het hoofd der stad niet verzuimde
de wijsheid van den grijzen Horus Apollon te loven, deed eene
verbazende uitwerking. Van nieuwe hoop vervuld jubelde de menigte,
een "Heil! Heil!" weerklonk van alle zijden, en deze kreten golden
niet enkel den grijsaard, die redding beloofde, maar ditmaal ook de
bouleuten, de zorgzame vaders der stad, wien een loodzware last van
het hart werd genomen. Wat de oude man voorhad, was zeker niet vroom
en zuiver christelijk, maar had de macht van de kerk zich dan zoo
werkzaam getoond? En nadat alle pogingen van die zijde schipbreuk
hadden geleden, waren zijzelven reeds tot middelen afgedaald, die de
priesters veroordeelden. Bezweringen en tooverij waren echt Egyptische
kunsten, en waar het geloof niets uitrichtte, traden dezen, trad het
bijgeloof in zijn recht. Toen men de lokken-Medea op het lijf was
gevallen en gevangen had genomen, was het niet zoozeer geschied,
om de wet te handhaven, maar veeleer, om hare geheime wetenschap
ongemerkt voor het algemeen welzijn aan te wenden. In zulk een nood
was geen middel te slecht, en hoewel de grijsaard zelf een afschuw
had van dat wat hij aan de hand deed, van hunne toestemming was hij
zeker, als het maar de gewenschte uitwerking deed. Was de nood eerst
uit den weg geruimd, dan kon men de schuld, die men op zich geladen
had, wel boeten; en de goede God was zoo barmhartig! De bisschop had
anders ook zitting en stem onder de bouleuten, en nu had de loop der
omstandigheden hun de noodzakelijkheid bespaard, om zijne tegenspraak
te weerleggen.
Toen Horus Apollon weer op de markt verscheen, werd hij met algemeenen
bijval en zoo dankbaar begroet, alsof het hem reeds gelukt was land
en volk te redden. En wat had hij ondernomen! Hetgeen hij dacht te
doen plaats hebben mocht gelukken of niet, te Memphis kon hij niet
blijven, want in elk geval was het daar uit met zijne rust. Maar dat
schrikte hem niet af, want voor de vrouwen was het misschien heilzamer,
als hij haar verwijderde uit de gevaarlijke nabijheid van de Arabische
hoofdstad, en zijn besluit, om met het gezin van Rufinus te vertrekken,
stond bij hem vast. Ook voor zijn Philippus kon het niet anders dan
goed zijn in een anderen bodem verplant te worden.
In het huis van Rufinus vernam hij welk lot Paula getroffen had. Voor
het oogenblik stond zij hem dus niet meer in den weg, doch wanneer
men haar morgen of overmorgen of over een maand vrijliet, was zij
hem even hinderlijk als te voren. De aanslag tegen haar moest dus
toch doorgezet worden. Zijne bijzondere denkbeelden zetten hem er
toe aan, en welk eene voldoening, als het hem gelukte de Egyptische
christenen tot de heidensche daad te brengen, die hij hen wilde
doen uitvoeren. Werd Paula door de Arabieren ter dood veroordeeld,
zoo kon dit aan de uitvoering van zijn plan slechts bevorderlijk
zijn, en daarom was het nu van belang zich met den zwarten Wekil in
betrekking te stellen; want van zijne toestemming hing alles af.
Vrouw Johanna en Pulcheria vonden hem zoo opgeruimd en vroolijk als
nooit te voren. Het voorstel, om met zijn Philippus haar huisgenoot
te worden, werd ook door de kleine Maria met levendige vreugde
begroet, en de vrouwen geleidden hem reeds heden door het geheele
huis en ondersteunden hem daarbij zorgvuldig en liefderijk. Alles
wat hij zag, beviel hem uitermate; zoo sierlijk en netjes kon het er
alleen daar uitzien waar vrouwenoogen alles bestuurden en op alles
toezagen. De kamer van Rufinus op den beganen grond zou de zijne
worden, terwijl men een dergelijk vertrek aan de andere zijde van het
huis voor Philippus kon inrichten. De eetzaal, de ruime voorzaal en
het viridarium bleven gemeen goed, en voor de vrouwen en de gasten
waren op de bovenverdieping kamers genoeg. Hij zou hier zijn intrek
nemen, zoodra hij een zeker iets vastgesteld had. Het moest wel iets
verblijdends zijn, want als de oude man daarover sprak, bewogen zich
zijne ingetrokken lippen vergenoegd heen en weer, en daarbij schenen
zijne fonkelende oogen Pulcheria toe te roepen: "Ook voor u, lief kind,
heb ik iets goeds in den zin."