VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Het stadhouderlijk paleis, de trots en het sieraad van Memphis,

de grootste en rijkste zetel der oudste en voornaamste geslachten

des lands, het laatste huis, waaruit eene lange rij van Egyptische

mannen was voortgekomen, die ook de Grieken waardig hadden geacht

plaatsvervangers van den keizer te zijn en de hoogste wereldlijke

waardigheden te bekleeden, die verheven burcht van het nationale leven

lag in den asch. En evenals eene reus van het woud, dien de storm

ontwortelt, bij zijn val veel klein geboomte knakt en verplettert,

zoo vernielde de brand dezer grootsche woning een groot aantal kleinere

huizen. Van het vermolmde schip Memphis waren in dezen nacht de mast,

het roer en bovendien vele planken weggeslagen. Het mocht een wonder

heeten, dat niet de geheele stad in de asch zonk; naast God had men

dit aan den zwarten brandstichter zelven en zijne Arabieren te danken.

Met koele en verstandige berekening was dit schelmstuk aangelegd en

volvoerd. Bij het doorzoeken van het uitgestrekte gebouw had Obada

voor zijn plan de geschiktste plaatsen uitgezocht en twee uren na

zonsondergang, met eigene hand en door niemand bespied, het eene vuur

na het andere aangestoken. In Fostat had men de troepen, waarvan hij

zich later wenschte te bedienen, onder de wapenen gehouden, en toen

eerst in het rentmeesterskantoor en terstond daarop in drie andere

plaatsen van het stadhouderlijk paleis het vuur uitbrak, werden zij

samengetrokken en met de meeste omzichtigheid aangewend.

De bijzondere kostbaarheden van groote waarde, die deze zetel van

een rijk geslacht bevatte, zelfs het groot aantal edele paarden in

de stallen was in veiligheid gebracht; de eigendomsbewijzen van de

landerijen, de slaven en dergelijke stukken lagen goed geborgen te

Fostat, doch de vlammen verteerden desniettemin een aantal onschatbare

zaken, waarvan het verlies niet te herstellen was. Edele kunstwerken,

geschriften, en boeken, die hier alleen nog bewaard waren, heerlijke

planten en boomen uit alle luchtstreken, huisraad en weefsels, die

kenners in verrukking brachten, gingen bij menigte te gronde. Maar

dat alles betreurde de brandstichter niet, want daarmede verdween

de mogelijkheid, om later aan te wijzen wat en hoeveel hem in handen

was gevallen bij den ondergang van het stadhouderlijk paleis. In het

ergste geval zou men hem wegens deze overmoedige daad van zijn ambt

kunnen ontzetten. Welnu, van alle steden, die hij op de zegevierende

tochten van den Islam leerde kennen, was geene hem zoo bevallen als

Damascus, en hij bezat nu de middelen, om de tweede helft van zijn

leven dáar in weelderigen overdaad te genieten.

Er was hem alles aan gelegen, om buiten het stadhouderlijk verblijf

zoo weinig mogelijk door de vlammen te laten vernietigen, want welk

eene doeltreffende beschuldiging zou het zijne vijanden in handen

hebben gegeven, wanneer het oude, beroemde Memphis door zijne schuld

geheel ten onder was gegaan? En hij was de man wel, om den strijd met

het vreeselijk element op zich te nemen. Inderdaad viel geen ander

huis in de Nijlstraat den vlammen ten offer; maar wel had de zachte

zuidenwind brandende stoffen in noordwestelijke richting voortgedragen,

en daardoor waren eenige huizen in de armenwijk aan den zoom der

woestijn aangestoken. De hoofdmacht dergenen die blusschen en redden

moesten had zich daarheen te wenden, en hier, evenals ten opzichte

van het stadhouderlijk paleis, handelde hij naar het beginsel, dat men

prijs moest geven wat stellig niet behouden kon worden. Zoo werd eene

geheele stadswijk een prooi der vlammen, ontelbare behoeftige familiën

verloren have en goed, en toch werd hij, wiens schandelijke hebzucht

zoo velen in de ellende had gestort, gevierd en bewonderd. Want

hij was nu eens aan den stroom, dan weder aan den zoom der woestijn,

overal waar het gevaar ten top steeg, waar de tegenwoordigheid van den

leider het allernoodigst was. Hier zag men hem te midden van het vuur,

daar met eigene hand de bijl zwaaien; nu eens te paard de lijn afrijden

waar langs dorrend gras moest omgespit en met water bevochtigd worden,

dan weder te voet de slang der onbeholpen spuiten richten, of een balk,

die buiten de getrokken grens was gevallen, met herculische kracht in

de vlammen terugslingeren. Zijne schelle stem overschreeuwde alles,

zijne reuzengestalte stak boven allen uit, ieders blik hing aan zijn

zwart gelaat, aan zijne glinsterende oogen en tanden, en zijn voorbeeld

sleepte de andere Arabieren mede. Zijne bevelen maakten het tooneel

van den brand tot een slagveld, met doodsverachting en bereid hunne

krachten tot het uiterste in te spannen en te gebruiken, verrichtten

de muzelmannen, goed aangevoerd, met den naam van hun God en profeet

op de lippen, het ongeloofelijkste. Ook de Egyptenaars deden hun best,

maar tegenover den moed en de volharding dezer mannen gevoelden zij

zich onmachtig, en achtten zij het nauwelijks schande door dezen

overtroffen te zijn.

Ver, zeer ver in den omtrek werd de vuurgloed waargenomen, en ook hij,

wiens rijk erfdeel door de vlammen verteerd werd, ontwaarde tusschen

middernacht en den morgen aan den verren westelijken horizont eene

roodachtige schemering, waarvan hij zich den oorsprong niet verklaren

kon. Een halfuur had hij in die richting voortgereden, toen zijn

reisgezelschap bij het voorlaatste der aan den keizersweg tusschen

Kolzoum [20] en Babylon [21] gelegen wachthuizen halt maakte. Eene

aanzienlijke schaar van gewapenden steeg tegelijk met hem van de

paarden; Orion had hen echter niet tot zijne bescherming ingeroepen,

hij was integendeel door hen aangehouden geworden en werd nu als

hun gevangene naar Fostat gevoerd. De wagen, waarvan hij zich tot

heden bediende, had hij moeten verlaten en in de plaats daarvan een

dromedaris bestijgen. Twee tot aan de tanden gewapende ruiters waren

hem steeds ter zijde gebleven. Zijne medereizigers had men ongehinderd

in hun voertuig laten zitten.

Voor het wachthuis steeg de senator Justinus uit en noodigde zijn

metgezel, een bleek en ingezonken man, hetzelfde te doen. Doch deze

bleef zitten en schudde vermoeid met het hoofd, en toen de oude man

hem vriendelijk vroeg: "Hebt gij pijn, Narses?" antwoordde deze kortaf

en heesch: "Overal!" en vleide zich nog dieper in het rugkussen van

den wagen. Hij wees ook de verfrisschingen af, die de dienaar en tolk

van den senator hem bracht. Hij scheen in een staat van volstrekte

onverschilligheid te verkeeren en niets te begeeren dan rust. Het

was de neef van Justinus.

De senator had, met Orions bijstand, zijn doel bereikt, nadat hij

van den veldheer Amr een vrijgeleide en een aanbevelingsbrief

had ontvangen, en Narses losgekocht. De arme man had eerst aan

den nieuwen waterweg, in de richting van het oude pharaonenkanaal,

dien de Kalief Omar liet graven, om het graan langs den kortsten weg

uit Egypte naar Arabië te vervoeren, en vervolgens in de rotsachtige

haven van Aila dwangarbeid verricht. Aan den gloeienden oever van de

Roode zee had Narses in de geweldige zonnehitte dezer streek steenen

moeten verwerken, en er waren vrij wat dagen verloopen voor het zijn

oom gelukt was zijn spoor te ontdekken. Helaas, in welk een toestand

vond Justinus hem eindelijk! Reeds eene week vóor de aankomst zijner

bevrijders had de vroegere officier der ruiterij in eene ellendige

ziekenschuur der Arabische arbeiders gelegen, en zijn rug droeg nog de

sporen der slagen, waarmede de opzichter den uitgeputte en lijdende tot

inspanning had gedreven van de krachten die hem begaven. De opgesmukte

krijgsman was een naar lichaam en ziel gebroken man geworden, een tot

zwaarmoedigheid vervallen lijder. Justinus had gehoopt Martina een

bloedverwant in de armen te voeren, die zich gelukkig gevoelde over

zijne bevrijding, en nu bracht hij haar dezen uitgeputten jonkman,

die zijn einde nabij scheen! En toch was de senator blijde hem ten

minste gered te hebben. De aanblik van den lijder roerde hem, en hoe

minder Narses van hem verlangde en aannam, des te dankbaarder was

Justinus, wanneer de wedergevondene ook maar het kleinste teeken van

warme deelneming gaf.

Orion was op deze reis te land en te water, en ten laatste als

zorgvuldig medeverpleger van den lijder meer vertrouwelijk geworden

met den ouden heer, en op gevaar af van zijne afkeuring te wekken, had

hij den senator bekend waarom hij Memphis had verlaten. Onophoudelijk

gevoelde hij, dat alles wat er groot en goed in hem was aan Paula

behoorde, dat hare liefde hem verhief en versterkte, dat hij zichzelven

zou opgeven, wanneer hij haar ontrouw werd. De minnekoozerij met

Heliodora kon hem slechts afleiden van het groote levensdoel, dat

hij zich had voorgesteld. Dit doel hield hij onafgebroken in het

oog, en hij snakte, ja hongerde, naar rustige dagen, waarin hij zou

kunnen volvoeren, wat hij zich in de kerk had voorgenomen, en de taak

ten uitvoer brengen, die de groote veldheer hem had opgelegd. Het

bewustzijn, de erfgenaam te zijn van een onmetelijk vermogen,

verblijdde hem thans niet, ja hij moest erkennen, dat hij zonder

die overmaat van rijkdom een gansch ander man geworden zou zijn,

en meer dan eens kwam de begeerte bij hem op, om alles wat hij bezat

achter te laten, vrij en frank de wereld in te gaan en door eigene

kracht bevrediging te zoeken voor zijn gemoed en zich de achting te

verwerven der edelsten.

De senator had zijne bekentenis opgenomen, gelijk hij dat moest. Was

de dochter van Thomas zoo, als Orion haar schilderde, dan viel

er inderdaad voor zijn lief vogeltje weinig te hopen. Hij en zijne

Martina zouden dan wel-is-waar met twee lievelingen terug keeren, doch

het zou daarbij de taak der oudjes zijn de jongeren op te beuren,

niet omgekeerd, zooals het behoorde. Desniettemin had Orion zijn

hart steeds meer gewonnen, want iederen dag, ieder uur was hem iets

verblijdends, iets nieuws bij hem in het oog gevallen, had hij iets

grooters in hem gevonden, dan hij verwacht had.

In den ruimen hof van het wachthuis brandden fakkels, en onder

een door palen gedragen en met palmtakken bedekt vierkant in het

midden ervan, stonden banken voor de gasten, die hier kwamen

pleisteren. Hier ontmoette hij Orion weder en kon hij met hem

spreken. De gerechtsdienaars hadden in zijne nabijheid plaats

genomen en verloren hem niet uit het oog, terwijl zij hun gedroogd

schapenvleesch, hun brood, hunne uien en dadels aten. Ook de dienaars

van den senator brachten wat proviand uit den wagen, en juist hadden

Justinus en zijn jonge vriend hun maal begonnen, toen een lange man

den hof inkwam en naar de banken toeliep. Het was de arts Philippus,

die hier op weg naar Dschidda een oogenblik wilde rusten.

Deze had reeds buiten gehoord wien hij hier als gevangene zou vinden,

en de Arabieren, die den arts kenden, stonden hem toe zich bij deze

twee neer te zetten, doch zij rukten wat nader en hun aanvoerder

verstond Grieksch. Philippus was Orion allesbehalve genegen, doch hij

wist welke gevaren de jongeling te gemoet ging, welk een zwaar verlies

hij geleden had, en zijn geweten gebood hem alles te openbaren, wat

hem van dienst kon zijn bij het verhoor over de onderneming, waarvan

Rufinus het slachtoffer was geworden. Hij was de overbrenger, zoo zeide

hij, van treurige berichten, die ook de Arabieren wel hooren mochten.

Tegen het in beslag nemen van het stadhouderlijk paleis kwam Orion

in verzet, doch hij meende dat de Veldheer Amr dit besluit wel weder

in zou trekken. Daarentegen greep het bericht, dat zijne moeder zijn

vader gevolgd was, hem des te geweldiger aan, en toen de Arabieren

den krachtigen jongen man zagen weenen en snikken, en hoorden welk

een slag hem had getroffen, trokken zij zich eerbiedig terug, want

de smart van den zoon over den dood zijner eigene moeder was hun

heilig. Zij beschouwden hem, wien het dierbaarste ontvallen was wat

hij op aarde bezat, als getroffen door de hand van den Allerhoogste

en door die aanraking geheiligd, weshalve zij met vroom ontzag hem

geheel vrij lieten.

Orion had niet opgemerkt dat de muzelmannen verdwenen waren, doch

Philippus trok dadelijk van deze gelegenheid partij om hem met

vluchtige woorden van alles te onderrichten, wat er op de vlucht van

de nonnen gebeurd was. Van den brand van het stadhouderlijk paleis

en Paulas gevangenneming droeg hijzelf geen kennis, den senator kon

hij echter mededeelen, waar hij de zijnen had te zoeken. Toen de

aanvoerder hem naar buiten riep, was Orion geheel op de hoogte van

al het gebeurde.

Met gebogen hoofd, in diepe smartelijke gedachten verzonken, reed hij

met de anderen verder. De stadhouderlijke woning--of de Arabieren hem

deze ontnamen, of niet, wat kwam het er op aan? Maar zijne móeder,

zijne moeder! Alles, alles wat zij van zijne kindsheid voor hem

geweest was, kwam hem weder voor den geest, en onder de smart over

dit verlies vergat hij het gevaar dat hem dreigde, den kerker die hem

wachtte, en het smadelijk inbreuk maken op zijne rechten. Ja zelfs

het beeld van de geliefde week voor dat der dierbare afgestorvene

op den achtergrond. Misschien zou het hem niet eens vergund worden,

zelf zijne moeder te begraven.

De weg liep door eene dorre woeste rotsstreek, en hoe verder men kwam,

des te helderder werd de vuurgloed aan den horizont vóor hen, tot de

dag achter de reizigers aan te lichten, en het gloeiend morgenrood

het schijnsel in het westen deed verbleeken. Wederom brak er een

brandend heete dag aan, en terwijl de rotsen aan Orions zijde nog lange

schaduwen wierpen op den stoffigen woestijnweg, kwamen eenige ruiters

uit de richting van Fostat hen tegemoet draven, en richtten zich tot

den aanvoerder, om hem de nieuwste tijdingen mede te deelen. Het

moest iets zeer belangrijks zijn, doch de jongeling verstond niet

wat zij zeiden. Slechte tijdingen bereiken intusschen maar al te

snel hun doel, en terwijl de ruiters nog met elkander spraken,

rende de tolk naar hem toe en deelde hem mede, dat het geheele

stadhouderlijk paleis tot den grond was afgebrand en half Memphis

in vlammen stond. Vervolgens kwamen zij andere reizigers te paard en

op dromedarissen tegen, ontmoetten zij wagens, kameelen met koren en

Egyptische handelswaren beladen, en allen spraken het reisgezelschap

van Orion aan en deelden mede wat er te Memphis gebeurd was, en hoopten

de eersten te zijn van wie de optrekkenden het vernamen. Hoe dikwijls

kreeg Orion hetzelfde te hooren, en zoo vaak een reiziger met zijn:

"Hebt gij het al gehoord!" aanving en naar het westen wees, begon de

wond, die de eerste tijding hem geslagen had, opnieuw te bloeden.

Wat lag er voor hem daar ginds niet onder de asch bedolven? Hoe

veel, dat onherstelbaar was, hadden die vlammen vernield! Wat hij

voor zich op dezen tocht in stille oogenblikken had gewenscht,

ten deele was het thans reeds vervuld. Waar was de last der groote

bezitting, die hem als aan de hielen had gehangen en hem verhinderde

zich vrij te bewegen? Maar hij gevoelde zich nog niet vrij, hij zag

den weg nog niet voor zich open, maar klaagde in stilte dat het huis

zijner voorvaderen in het niet was verzonken, dat hij zijn tehuis had

verloren, en een kwellend gevoel van onzekerheid overviel hem. Geen

vader, geene moeder, geene ouderlijke woning meer! Jaren lang had hij

reeds op eigene beenen gestaan, en toch beschouwde hij zich als een

schipper, wiens boot het roer had verloren. Vóor hem lag de kerker,

als het einde van het groote treurspel, waarvan hij zichzelven als de

held mocht beschouwen. Evenals het huis van Tantalus had het noodlot

het zijne ten ondergang gedoemd. Het was in asch verzonken, en daar

lagen reeds de offers: twee broeders, vader, moeder, en op grooten

afstand Rufinus. Doch waar lag de schuld?

Zijne voorvaderen hadden haar niet begaan, het kon alleen de

zijne zijn, die het vonnis had uitgelokt. Maar bestond dan nog

dat onverbiddelijk, ijzeren noodlot der ouden? Had hij geen berouw

getoond, niet geleden, zich niet met zijn Verlosser verzoend, zich

niet bereid getoond, om den zwaarsten kamp te wagen? Wellicht was hij

de held van het treurspel, doch dan wilde hij toonen, dat niet meer

de blinde noodzakelijkheid, maar dat, wat de mensch van zich zelven

maakt, dat wat hij in vereeniging met den Allerhoogste najaagt,

den loop des levens bepalen. Moest hij bezwijken, dan zou het niet

zijn dan na wakkere tegenweer. Zonder vrees wilde hij zich verzetten

tegen alles wat hem vijandig tegenstand bood, wilde hij voorwaarts

dringen op den weg, dien hij zich had afgebakend, en nu zwol weder

zijne borst en was het hem, als zag hij aan den hemel als leidende

ster het voorbeeld zijns vaders, in wiens geest hij leven of sterven

wilde. En richtte hij den blik naar de aarde, dan was ook daar nog

iets wat hem waard scheen de beproevingen des levens te dragen en

den moeielijksten strijd te volstrijden: Paula en hare liefde!

Hoe meer hij Fostat naderde, des te warmer klopte zijn hart, des

te sterker werd zijn verlangen. Ja, het moest hem vergund worden

de geliefde weder te zien, haar in zijne armen te sluiten vóor zijn

dood! Hij hield het er voor, dat hetgeen hij in deze uren geleden had,

alles uit den weg had geruimd en opgeheven wat hen nog van elkander

scheidde. Hij gevoelde, dat hij thans de kracht bezat, om harer waardig

te blijven; ja als hij Heliodora andermaal ontmoette, zou hij haar

stellig en zeker niet anders bejegenen dan als eene lieve zuster.

Zij die hem geleidden brachten hem naar het huis van den kadhi, doch

deze bevond zich in den divan, de raadsvergadering, die zijn vijand,

de schurk Obada had samen geroepen. Deze had zich na de inspanning van

den laatsten nacht maar weinige uren rust gegund, om vervolgens den

raad bij te wonen. Daar zou hij ontwaren, dat hij er even vele vijanden

had te weerstaan als deze leden omvatte. Zijne scherpste tegenstanders

waren het hoofd van de justitie en het staatsbeheer, kadhi Othman,

en Chalid, die belast was met de regeling der belastingen. Beiden

waren niet gewoon hunne overtuiging voor hem te verzwijgen, en wie deze

vergadering had bijgewoond zou wel niet op het vermoeden zijn gekomen,

dat de meeste leden in hun jeugd, in tijden van vrede, als eenvoudige

herders schapen op de bergen gehoed, karavanen door de woestijn geleid

of kleine handelszaken gedreven hadden. In den strijd van den eenen

stam tegen den ander was hun ruimschoots gelegenheid gegeven zich

in den wapenhandel te oefenen en hun moed te versterken; doch wie

had hen geleerd hunne woorden zoo zorgvuldig te kiezen, en ze met

gebaren te begeleiden, welker bevalligheid elken Griekschen redenaar

eer aangedaan zouden hebben? Alleen wanneer een spreker, wiens gal in

beweging was gebracht, donderde en bliksemde, verloor hij, medegesleept

door zijne drift, wel eens de ware evenredigheid; doch hoe verbazend

was dan de uitwerking van stem, oog- en handbeweging! Doch nooit, ook

niet in den hoogsten toorn, bezondigde men zich tegen de zuiverheid

der taal. Deze redenaars, waarvan slechts weinigen lezen en schrijven

konden, hadden evenwel de meest indrukwekkende verzen hunner dichters

tot hunne beschikking, waarvan zij ontelbaren uit het hoofd kenden.

Heden werden hier de inwendige aangelegenheden behandeld van een land,

dat reeds eene beschaving van eeuwen achter zich had, en hetwelk

voor weinige jaren nog onbekend was aan de krijgshaftige zonen der

woestijn. Hoe goed bleken de vier bouwmeesters, de opzichter van de

markten, van de besproeiing der landerijen en van de molens hunne

taak te hebben opgevat! Deze frissche, nog niet versleten koppen

waren in staat het zwaarste aan te pakken en het kloek, goed en

gelukkig uit te voeren. Inderdaad ook de zonen van deze vaders, die

geen school hadden doorloopen, waren in staat aan vervallen, groote

rijken nieuwen glans te geven, en de ingesluimerde wetenschap der

door hen onderworpen natiën tot een nieuw leven te wekken. In deze

vergadering was alles vol geest, leven en vuur, en de vroegere slaaf

Obada had waarlijk geen gemakkelijke taak, om zich te handhaven onder

deze welbespraakte nakomelingen van aanzienlijke vrije stammen.

Open en zonder vrees sprak de kadhi Othman zijne zienswijze uit

over Obada's handelwijze, en verklaarde, ook in naam van de andere

medeleden van den divan, de verantwoordelijkheid van het gebeurde

geheel van zich te werpen en op de schouders van den Wekil te moeten

laden. Deze verlangde echter niets beters; hij sprak met zulk eene

vurige welsprekendheid, zijn voorstel, om de door het vuur van dak

beroofde Memphieten naar Fostat over te brengen was zoo aannemelijk,

en eindelijk had de afgeloopen nacht zijne groote eigenschappen in zulk

een helder licht gesteld, dat men alle verzet tegen hem verschoof, en

besloot het antwoord op eene tegen hem gerichte aanklacht uit Medina

af te wachten. Ook schreef de alles beheerschende discipline voor,

zich naar zijn wil te voegen, en menigeen, die in den slag den dood

als een bruidegom zijne bruid was tegengesneld, vreesde den geweldenaar

van lage afkomst, die voor het ontzettendste niet terugdeinsde.

Obada had eene overwinning behaald. Niemand was in staat hem van roof

te betichten, zelfs niet van een drachme, en toch had hij woorden

moeten aanhooren, die hij moeielijk verduwen kon, en van alle zijden

was hem den eerbied onthouden, die hem als plaatsvervanger van den

stadhouder toekwam. Ten hoogste verstoord verliet hij het laatst

de zittingzaal en niemand, zelfs niet zijn onderbevelhebber bleef

bij hem, om hem een vleiend woordje te zeggen over de kracht en

de schoonheid zijner rede, terwijl die verwenschte lieden Amr bij

dergelijke gelegenheden als bijen omzwermden en hem tot aan zijn huis

volgden als kwispelstaartende honden. De minachting en vijandschap

die hij ondervond, schreef hij niet toe aan zijne schuld, maar aan

den afkeer, die zijne geboorte bij die hoogmoedige vrijgeborenen

wekte. Toch zag hij over allen heen, gevoelde hij zich de meerdere

van ieder afzonderlijk, en wanneer de aanslag in Medina gelukte,

dan zou hij zich onder hen zijne offers kiezen, dan....

Aan deze wraakzuchtige overpeinzingen werd een einde gemaakt door

eene bode, die tot over de ooren met stof bedekt was, en deze bracht

goede tijding. Orion was gepakt en in het huis van den kadhi gebracht.

"Waarom niet bij mij?" snauwde Obada den krijgsman toe. "Wie is hier

de plaatsvervanger van den stadhouder, Othman of ik? Naar mijn huis

met den gevangene!"

Hij begaf zich daarop onverwijld naar zijne woning, doch in plaats van

den aangehoudene verscheen een beambte van den kadhi, die hem in den

naam zijns heeren aan het verstand bracht, dat de Kalief Othman tot

opperste rechter in Egypte had aangesteld, dat deze aangelegenheid

tot zijn departement behoorde, en dat Obada, als hij den gevangene

zien wilde, bij hem kon komen, tenzij hij zich later wilde begeven

naar de stedelijke gevangenis van Memphis, waarheen hij Orion zou

laten brengen. Obada vloog woedend naar het in de nabijheid staande

huis van zijn vijand, doch deze stelde tegenover zijne onstuimige

hevigheid de rust van den verstandigen en rechtvaardigen man. De

kadhi was pas ongeveer vijf-en-veertig jaren, maar zijne zachte,

zwarte baard begon reeds grijs te worden. Zijn schoon gevormd bruin

gelaat droeg den stempel van een eerlijk en edel karakter, en uit zijne

oogen sprak scherpzinnigheid en kalmte van geest. Er lag iets rustigs

en tevredens in de geheele verschijning van dezen man, die moeielijke

levenservaringen waardig had gedragen en zich tot taak had gesteld

anderen ervoor te bewaren, zooveel in zijn vermogen was. Ook tot den

kadhi was de aanklacht van den patriarch doorgedrongen: ook hij was

voornemens het ombrengen zijner geloofsgenooten zwaar te straffen,

maar de straf moest enkel den schuldigen treffen, en het zou hem

leed hebben gedaan, als hij dezen in Orion moest zien. Hij had zijn

vader hooggeschat als een braaf man en rechtvaardig rechter, en van

den ervaren Egyptenaar menigen goeden raad ontvangen.

De ontmoeting die er plaats had tusschen Othman en den uitermate

verstoorde Wekil was zelfs voor de beambten, die er bij tegenwoordig

waren, pijnlijk geweest, en Orion, die in het aangrenzend vertrek

het razen en tieren van Obada hoorde, kon daaruit afleiden met welk

een verbittering zijn zwarte vijand hem vervolgde. Doch evenals de

zee na de heftigste stormen weder tot een gelijkmatigen golfslag

terugkeert, zoo nam ook deze strijd een rustig einde. De kadhi had

den Wekil onder het oog gebracht, hoe onbetamelijk het was en welk

een smadelijk licht het wierp op de gerechtigheid der muzelmannen,

op eene bloote verdenking het aanzienlijkste huis in den lande, aan

welks hoofd de zaak van den Islam bovendien zooveel goeds te danken

had, van zijne goederen te berooven. Obada had daarop geantwoord, dat

eene stellige aanklacht was ingekomen van het hoofd der kerk hier te

lande, dat niets geroofd, maar alles in beslag genomen en in verzekerde

bewaring gebracht was. Wat Allah door zijn vuur had vernield, daarvan

kon niemand de verantwoordelijkheid dragen. Van bloote verdenking was

hier geen sprake; hij zelf was in het bezit van een document, waaruit

schriftelijk bleek, dat de geliefde van Orion de ontwerpster was van

de euveldaad, die aan twaalf geloofsgenooten het leven had gekost. Het

meisje waarvan hij sprak, was gisteren gevangengenomen. Hij zou wel

nader achter de waarheid komen, ondanks alle kadhis van de wereld,

want wilde hij, Othman, een aantal muzelmannen door christenhonden

ongestraft laten slachten, hij, Obada, kon dat niet onverschillig

aanzien, en als hij het deed, zouden morgen de duizend Egyptische

kanaalarbeiders de drie muzelmannen, die er het opzicht over hielden,

met hunne spaden doodslaan.

De kadhi verzekerde op zijne beurt, dat hij niet minder begeerig

was dan Obada de daders te straffen, maar eerst moest uitgemaakt

worden wie het waren, en dat wel volgens de wet, rechtvaardig,

zonder menschenvrees en blinde haat, door de rechtbank en met alle

voorzichtigheid. Schuldigen vrij te spreken stuitte hem als rechter

evenzeer tegen de borst als onschuldigen te veroordeelen, en zoo

zou het onderzoek rustig zijn loop hebben. Wanneer hij, Obada, de

geliefde van Orion in het verhoor wilde nemen, dan had hij als kadhi

daar niets tegen; maar het leiden der eigenlijke verhandelingen en het

voorzitten bij de beraadslagingen der rechters, dat was zijne zaak,

en zoo iets liet hij zich zelfs door den Kalief niet uit de handen

nemen, zoolang deze hem waardig achtte zijn ambt te bekleeden.

Obada moest hier het hoofd bij neerleggen, hoewel tegen zijn zin. Toen

de Wekil Orion verlangde te zien, werd deze geroepen. De zwarte reus

nam hem op van het hoofd tot de voeten als een slaaf, dien men verlangt

te koopen, en terwijl de kadhi naar de deur ging en hem dus niet zien

kon, vermocht Obada geen weerstand te bieden aan eene kinderachtige

neiging. Hij streek zich namelijk, met een veelbeteekenenden blik op

den gevangene, stevig en snel met den wijsvinger over den donkerbruinen

hals, als scheidde hij het hoofd van den romp. Daarop keerde hij den

jongeling verachtelijk den rug toe.

De nijlbruid · 第 54 / 66 题