De weduwe Susanna was der Damasceensche nooit genegen geweest, doch wat
haar nu getroffen had verschrikte haar en wekte haar medelijden. Men
moest onderzoeken, of het niet geoorloofd was, haar in plaats van den
kost der gevangenen beter voedsel in den kerker te doen toekomen. Dat
was christenplicht. En hare dochter scheen het ongeluk der vriendin
mede zeer ter harte te gaan, want toen zij met vrouw Martina terugkwam
zag zij er zoo verslagen en verward uit, dat het vreemden zeker niet
zou zijn ingevallen haar met een vroolijk vogeltje te vergelijken.
Wederom had een giftige pijl haar getroffen. Tot dusverre was zij
slecht geweest voor zichzelve alleen, thans was zij het ook in de
overtuiging van een ander. Paula wist, dat zij haar verraden had. De
verraadster had een verrader gevonden. De gehate jonkvrouw had het
recht haar voor boos en valsch te houden, en dat maakte deze nog meer
gehaat in haar oog. Waar had men haar tot hiertoe niet vriendelijk
begroet en liefderijk ontvangen, en hoe was zij heden afgewezen,
niet slechts door Paula, maar ook door vrouw Martina, die iets moest
bespeurd hebben. Zij kon het niet verdragen, dat deze haar straks
zoo ruw had tegengehouden.
De oude bisschop was de schuld van alles, want hij was zijne belofte
ontrouw geworden, dat hij haar verraad zoo geheim zou houden als
eene biecht. Ja, hij moest zijn woord gebroken hebben, want er was
niemand buiten hen die er iets van wist. Misschien had hij ook aan
de Arabieren haar naam genoemd, en dan moest zij getuigen voor het
gerecht, en in welk licht zou zij dan voor Orion staan, en voor hare
moeder, vrouw Johanna en Martina?--De oude Rufinus, dat had zij wel
begrepen was bij de onderneming omgekomen, en dat deed haar leed. De
buren hadden haar altijd vriendschap bewezen en zij wilde niet gaarne
iemand ongelukkig maken. Als zij voor het gerecht alles bekennen moest,
dan kon het met haar ook kwaad afloopen, en zij wenschte niemand
kwaad toe behalve die eene, die haar de liefde van Orion had ontstolen.
Ja, dat getuigenis voor het gerecht, dat was het ergste, dat
moest vermeden worden tot elken prijs. Waar was toch de bisschop
Plotinos? Hij was reeds gisteren teruggekeerd en nog niet bij hare
moeder geweest, die hij anders dagelijks bezocht. Ook achter dat
uitblijven vermoedde zij eenig onheil. Het was van het grootste
belang den ouden heer zoo mogelijk spoedig aan zijne belofte te
herinneren, want als hij morgen vroeg bij het verhoor, dat hij zeker
moest bijwonen, haar naam noemde, dan kwamen de wachters, de tolk
en de schrijver ook in haar huis, en dan--brrr--zij had reeds eens
getuigenis moeten afleggen, en wat daarop gevolgd was, wilde zij niet
voor de tweede maal beleven.
Maar hoe kon zij heden, of althans morgen zoo vroeg mogelijk
bij den bisschop komen? De wagen was nog onderweg, en wanneer
zij.... Het was nog twee uren vóor middernacht... Ja, zoo moest
het gaan! Onverwijld begon zij met hare moeder over het uitblijven
van den prelaat te spreken. Ook vrouw Susanna toonde zich daarover
bezorgd, vooral daar zij gehoord had, dat de oude heer ongesteld van
de reis was teruggekeerd, zoodat zijne dienaars hadden rondgeloopen,
om een arts te zoeken. Katharina bood zich nu terstond aan, om naar
hem toe te rijden. De wagen was ingespannen, de voedster kon haar
vergezellen. Zij moest naar den waardigen vriend, om te vernemen hoe
het hem ging. Vrouw Susanna vond dat alles heel lief, doch zij meende
dat het te laat was voor zulk een bezoek; daar echter hare lieveling
eens gezegd had "ik moet," was deze zaak reeds uitgemaakt. Vrouw
Susanna streek dus de vlag, de voedster werd geroepen en zoodra de
wagen voorkwam vloog Katharina hare moeder om den hals en beloofde
haar, zich niet lang te zullen ophouden. Kort hierop hield de wagen
stil voor het bisschoppelijk paleis. Daar gebood zij de voedster op
haar te wachten en betrad alleen het groote, uitgestrekte gebouw.
In de ruime voorzaal, die door een klein lampje verlicht werd, was
alles stil en ledig; zelfs de deurwachters moesten zijn uitgegaan. Doch
zij wist hier goed de weg en kwam door het impluvium in de boekerij,
waar de bisschop anders op dit uur zich pleegde op te houden. Doch
het was er donker en niemand beantwoordde haar zacht geroep. In het
volgende vertrek, waarheen zij verlegen rondtastende den weg vond, lag
een slaaf voor een groote wijnkruik bij een handlampje te snurken. Dat
gezicht stelde haar eenigermate gerust. Het hier op volgend vertrek
was de slaapkamer van Plotinos, die zij nog nimmer had betreden. Door
de geopende deur schemerde een mat licht en vernam zij het geluid
van een pijnlijk kreunen en ademhalen.
Zij riep de huishoudster een en andermaal bij den naam, maar kreeg
geen antwoord. Ook de slaaf achter de wijnkruik verroerde zich niet,
wel hoorde zij eene haar welbekende stem, die uit het slaapvertrek,
meer hijgende dan sprekende, vroeg: "Wie is daar? Komt hij? Hebt gij
hem eindelijk?"
Het geheele dienstpersoneel van den bisschop was uit vrees voor
de ziekte weggeloopen, zoo ook de akoluth, die vrouw en kinderen
had. De huishoudster had haar meester moeten verlaten, om den arts,
die er reeds eenmaal geweest was, opnieuw te gaan zoeken. De laatste
achtergebleven slaaf, een trouwe, goedhartige lichtzinnige drinker,
zou intusschen voor de verpleging zorgen, doch hij had voor zich een
wijnkruik uit de onbewaakte voorraadkamer gehaald, deze snel geledigd
en was daarop, door dronkenschap en de drukkende zwoelte van den nacht,
overmand ingeslapen.
Katharina liet dadelijk blijken wie zij was en hoorde zich op
vriendelijke wijze begroeten met de woorden: "O, gij, gij, mijne
kleine!" die echter met moeite werden uitgesproken.
Zij greep nu het handlicht en ging daarmede naar den kranke toe. Deze
had haar de magere armen ter verwelkoming toegestoken, doch toen
tegelijk met haar ook het licht zijn bed naderde, sloeg hij de handen
voor de lichtschuwe oogen en zeide angstig en pijnlijk: "Neen, neen,
dat doet zeer; weg met die lamp!"
Katharina plaatste haar op eene lage kist achter het hoofdeinde van
het bed, kwam met ledige handen nader bij den lijder, bracht hem de
groeten van hare moeder over en vroeg hem, hoe het hem ging en waarom
hij zoo alleen was. Hij gaf haar echter onduidelijke antwoorden,
die met moeite werden uitgebracht, en bad haar dichter bij te komen,
daar hij haar niet duidelijk verstond. Het ging hem slecht, hij zou
wel sterven. Het was lief van haar dat zij kwam, zij was altijd
zijne lievelinge geweest, zijne kleine, vrome Katharina. "En gij
gevoeldet u zeker hier heen getrokken, mijn kind," zoo besloot hij,
"om nog een zegen van den ouden man te halen. Van heeler harte zult
gij dien hebben."
Hierop stak hij haar vriendelijk de hand toe, en zij volgde
een innerlijken drang des harten en knielde ontroerd voor zijne
legerstede neer. Hij legde haar de rechterhand op het hoofd en
prevelde zegenende woorden. Maar zij hoorde hem ternauwernood, want
zijne hand scheen zwaar als lood, hare koortsgloed deed haar pijn
en maakte haar vreeselijk beangst. Het smartte haar oprecht hem, den
ouden, trouwen vriend harer kindsheid, zoo te zien lijden, wellicht
sterven. Intusschen vergat zij niet wat haar hierheen had gevoerd;
maar hoe durfde zij hem bij zijn liefdewerk storen? Hij zegende haar,
dat was zoo vriendelijk, doch het geprevel nam maar geen einde en de
last van de gloeiende hand op haar hoofd werd zwaarder en zwaarder
en ten laatste ondragelijk. Het was haar of zij bezwijken zou, maar
opeens kwam zij tot bezinning, en nu bemerkte zij dat de grijsaard,
in plaats van de gebruikelijke formules eener zegening, slechts
onverstandige woorden mompelde, zonder samenhang!
Zij bevrijdde zich van die heete, schrikkelijke hand, legde haar
weder op het bed en wilde hem vragen, of hij haar verraden en den
patriarch haar naam genoemd had, doch, groote God, daar zag zij op
zijne wangen dezelfde donkere vlekken als op de pestzieken in het huis
van de lokken-Medea, en met eene kreet van ontzetting sprong zij op,
greep het lampje van de kist, lichtte den lijder in het aangezicht,
zonder op zijn pijnlijk geroep te letten, trok de matte handen,
waarmede hij de oogen voor het lichtschijnsel zocht te beschutten,
met geweld weg, en vloog nadat zij zich overtuigd had, dat zij goed
had gezien, door het eene vertrek voor het andere na naar de voorzaal.
Hier kwam de terugkeerende huishoudster haar te gemoet, nam haar het
licht uit de hand en wilde haar met vragen ophouden, maar zij riep haar
enkel toe: "Gij hebt de pest in huis! Laat de deur sluiten!" en holde
den arts voorbij naar buiten. Met éen sprong was zij in den wagen,
en zoodra de paarden aantrokken, zeide zij op droeven toon tot de
voedster: "De pest, de pest is daar! Plotinos heeft de pest!"
De verschrikte vrouw trachtte Katharina neer te zetten en verzekerde,
dat zij zich vergist moest hebben, want zulke helsche plagen waagden
zich niet aan een heilig man; doch het meisje verwaardigde zich
niet haar te antwoorden en beval haar alleen zoodra zij terug zouden
zijn, een bad voor haar gereed te doen maken. Zij gevoelde zich als
verpletterd, en op de plaats waar de heete hand van den aangetasten
grijsaard zoo lang gelegen had, gevoelde zij onophoudelijk eene sterke,
akelige drukking; ja, toen de wagen eindelijk den tuin binnenreed,
was het haar nog altijd, als droeg zij op haar schedel iets warms,
iets zwaars en afgrijselijks, dat zich niet liet verwijderen.
De vensters van het huis waren reeds donker, alleen uit het vertrek
op den beganen grond, dat Heliodora bewoonde, schemerde haar nog licht
toe. Daar schoot haar eene duivelsche gedachte door de overprikkelde,
onrustige hersens, en zonder links of rechts te zien gaf zij er
aan gehoor, en trad zooals zij ging en stond in het woonvertrek en
vervolgens door een gordijn in het slaapvertrek van hare schoone gast.
Daar lag Heliodora te bed, altijd nog door hoofdpijn geplaagd, die
haar verhinderd had aan het bezoek bij vrouw Johanna deel te nemen,
en merkte de late bezoekster eerst op, toen zij dicht bij haar bed
stond en haar begroette. Eene enkele lamp verlichtte de groote ruimte
met matig licht, en zoo bevallig als in dit schemerlicht had de kleine
deze jonge vrouw nog niet gezien. Een nachtgewaad van het fijnste,
doorzichtigste weefsel verborg maar half hare schoone vormen. Van
de volle blonde haren ging zeker de wonderbaar fijne, nauw merkbare
welriekende geur uit, die deze gelukkige steeds omgaf. Als twee
glimmende slangen lag het in zware vlechten over haar schoon gewelfden
boezem en het witte beddelaken. Het naar boven gerichte gelaat was
onbeschrijfelijk lieflijk en kalm, ja zij geleek gelijk zij daar lag
en Katharina toelachte eene vriendelijke engel, die uitrustte van
werken der weldadigheid. De bekoring van zulk eene vrouw kon geen man
weerstaan en ook Orion was er voor bezweken. En bij haar lag eene luit,
waaraan zij zachte, vleiende tonen wist te ontlokken, de betooverende
bekoorlijkheid, welke haar gansche wezen uitoefende, nog verhoogden.
Al wat in Katharina was kwam in opstand, en zij wist zelve niet hoe
het haar gelukte Heliodoras groet te beantwoorden en haar te vragen,
of het mogelijk was met pijn in het hoofd de lier te bespelen.
"Het geeft rust, het brengt het bloed tot bedaren, als men zacht met
de vingers de snaren tokkelt," antwoordde zij vriendelijk. "Maar gij,
mijn kind, ziet er uit, als leedt gij zwaarder dan ik. Zijt gij met
den wagen gekomen, die zoo even voorreed?"
"Ja," antwoordde Katharina. "Ik was bij onzen lieven ouden bisschop;
hij is doodziek en ook deze zal ons weldra ontvallen. Ach, deze
dag! Eerst Orions moeder, toen Paula en nu ook dit nog! O Heliodora,
Heliodora!"
Daarbij wierp zij zich voor de legerstede op de knieën en drukte
haar aangezicht tegen de borst der medelijdende vrouw. Heliodora zag
de vochtige oogen van het meisje, die onwillekeurig, zonder dwang,
van tranen overliepen, en haar week gemoed werd mede aangegrepen
door het lijden van dit vroolijke schepseltje, dat nog zoo jong reeds
zooveel te dragen had. Zij boog zich over de kleine heen, kuste haar
vriendelijk op het voorhoofd en sprak haar troostende woorden toe.
Katharina drukte zich nog vaster tegen haar aan, wees naar de plek
op haar hoofd, waar de heete hand van den pestzieke gelegen had en
zeide: "Hier, kus mij hier; hier doet het mij 't meeste pijn! Ja,
zoo is het goed, dat verkwikt mij!"
En terwijl de frissche lippen der weekhartige jonge vrouw in aanraking
kwamen met hare verpeste haren, sloot zij de oogen en werd te moede als
de kampvechter, die de wapenen tot dusverre alleen op de oefenplaats
hanteerde, maar ze thans voor het eerst in de arena gebruikt, om zijn
tegenpartij het hart te doorboren. Zij was eene vreemde in haar eigene
oogen iemand grooter dan zijzelve; ja zij was de alles bedwingende
dood in eigen persoon en blies haar adem in de borst van haar offer.
Deze gewaarwordingen beheerschten haar geheel en al, terwijl zij op
het zachte tapijt neerknielde; zij merkte niet op dat achter haar
eene vrouwengestalte de legerstede van hare troosteres naderde,
en werd ook niet gewaar, hoe deze de andere een welsprekende wenk
gaf. Want terwijl zij andermaal riep: "Nog een kus hier, daar gloeit
het zoo schrikkelijk!" voelde zij twee handen aan hare slapen, en
twee andere lippen dan die van Heliodora drukten zich op haren schedel.
Verschrikt en verrast sloeg zij de oogen op en zag in het lachend
aangezicht van hare eigene moeder, die zich gehaast had haar te
volgen, om te vernemen hoe zij den bisschop had gevonden en natuurlijk
verlangde ook haar aandeel te hebben in de leniging van de pijn harer
lievelinge. Hoe aardig was die kleine ongedachte verrassing gelukt!
Maar wat overkwam daar hare kleine? Als door den bliksem getroffen,
als door een adder gestoken, vloog Katharina op, zag hare moeder vol
ontzetting in het aangezicht, en toen vrouw Susanna haar hoofdje nog
eens wilde grijpen, om haar wederom op die noodlottige, pijnlijke
plaats te kussen, duwde Katharina haar terug en liep, bijna niet
wetende wat zij deed, door het woonvertrek naar de voorzaal en vandaar
de trappen af, die naar de badkamer leidden.
Haar moeder zag haar onthutst en hoofdschuddend na. Zij wendde zich
tot Heliodora, haalde de schouders op en zeide met vochtige oogen;
"Arme, arme kleine! Er komt waarlijk voor haar te veel droevigs op
eenmaal. Haar leven was kort geleden nog een helderen zonneschijn en
nu slaat de hagel van alle zijde op haar neer. Zeker brengt zij eene
treurige tijding van den bisschop."
"Hij moet doodziek zijn," antwoordde de weduwe medelijdend.
"Onze beste, trouwste vriend," hernam de weduwe, innig bedroefd. "Ja
het is waarlijk te veel op eenmaal. Soms denk ik, ikzelve moest
hieronder bezwijken, en nu is zij de eerste, dat nauwelijks volwassen
kind! En met welk eene overgave draagt zij het zwaarste! O vrouw
Heliodora, gij weet in lang niet alles wat haar getroffen heeft; maar
misschien hebt gij wel opgemerkt, hoe zij altijd er alleen op bedacht
is vroolijk te schijnen, ten einde mij het hart te verlichten. Geen
zucht, geen klacht is tot hiertoe over hare lippen gekomen. Zij schikt
zich in alles als eene heilige, zonder te morren. Maar nu, nu het den
ouden besten vriend betreft, nu heeft zij voor de eerste maal hare
zelfbeheersching verloren. Zij weet toch wat Plotinos voor mij was...."
Zij begon opnieuw hevig te snikken, en nadat zij eenigermate tot
bedaren was gekomen, verontschuldigde zij zich wegens hare zwakheid
en nam afscheid van de schoone gast.
Intusschen bevond Katharina zich in het bad. Zulk eene inrichting
behoorde tot de voornaamste bestanddeelen van elk aanzienlijk
Grieksch-Egyptisch huis, en haar vader had het zijne met bijzondere
zorg laten inrichten. Het bestond uit twee afdeelingen, éene
voor mannen, éene voor vrouwen, die beiden even prachtig waren
uitgevoerd. Overal wit marmer, geel albast en bruin porfier, en op
den bodem fraai Byzantijnsch mozaïek op gouden grond. Geen beeldwerk,
zooals in heidensche baden, doch in plaats daarvan langs de wanden
bijbelspreuken in gulden letters, en een crucifix boven de met
giraffenhuiden overtrokken rustbanken. Zilveren lampen hingen in het
middenveld van de in ruiten verdeelde zoldering, welke zeer in het oog
vallend in de Koptische taal en in hetzelfde schrift de hoofdstelling
van de Jacobietische geloofsbelijdenis te lezen gaf: "Wij gelooven
aan de eene, eenige goddelijke natuur van Jezus Christus." Het
groote waterbekken had men terstond voor Katharina kunnen vullen,
daar de badovens elken avond voor de vrouwen des huizes gestookt
moesten worden.
Bij het ontkleeden wees de kamenier haar op eene zieke dadel. De
oppertuinman had haar die getoond, nadat hij heden middag had
waargenomen, dat de plantenziekte ook hunne palmen had aangetast. Doch
het meisje had weldra berouw over hare spraakzaamheid, want nadat
zij er had bijgevoegd, dat de brave schoenmaker Anchhor, die haar
eergisteren nog die nette sandalen gebracht had, nu ook aan de pest
gestorven was, kreeg zij een bits bescheid en werd haar het zwijgen
opgelegd. Terwijl zij voor Katharina knielde, om de sandalen van hare
voeten los te maken, bleek deze toch haar verhaal niet onverschillig
te hebben aangehoord, want zij vroeg of ook de aardige jonge vrouw van
den schoenmaker door de pest was aangetast. De kamenier antwoordde dat
zij nog leefde, doch men had de oude schoonmoeder en de kinderen in
het huis opgesloten en ook de vensterluiken dichtgemaakt, nadat men het
lijk van den man had uitgedragen. De bouleuten hadden bevolen, dat men
overal zoo moest handelen, opdat de ziekte niet op straat komen of door
de gezonden verder verbreid worden zou. Men bracht den opgeslotenen
spijs en drank door eene opening in de deur, die telkens gesloten kon
worden. Zulke maatregelen, voegde zij er bij, waren zeer wijs bedacht
en verstandig. Doch zij had dit oordeel maar weder voor zich moeten
houden, want voor zij geheel had uitgesproken gaf Katharina haar
een trap met den voet. Vervolgens werd haar bevolen het smegma [19]
niet te ontzien en heur haren zoo goed mogelijk uit te wasschen. Dit
geschiedde dan ook en Katharina wreef zich zelve handen en armen met
hartstochtelijke inspanning. Daarop liet zij zich een en andermaal
water over haar hoofd gieten, en nadat zij bevolen had hiermede op
te houden, leunde zij ademloos en als uitgeput tegen het marmer.
Ondanks het smegma en het water gevoelde zij de drukking van de
heete hand nog altijd op haar schedel, en het was haar als werd ook
heur hart door een onzichtbaar looden gewicht bezwaard. Hare moeder,
hare moeder! Deze had haar gekust op de plek waar de pestzieke haar
had aangeraakt en in hare verbeelding hoorde zij ook haar rochelen en
om een slokje water bedelen als de stervende, bij wien het noodlot
haar gebracht had. En ziet, daar kwamen de dienaars van den senaat
en sloten haar met de kranke op in het besmette huis, en zij zag
de pest voor zich als eene gruwzame, kwaadaardige heksengestalte,
en daar achter rekte en strekte haar onverbiddelijke begeleider,
de dood, zijn knokkelachtige hand uit en greep naar hare moeder en
allen, allen die haar omgaven en ook naar haar.
Zij liet de armen machteloos zakken, en terwijl zij zich heden vroeg
zoo machtig en gevreesd had gevoeld, werd zij thans neergedrukt door
een gevoel van de erbarmelijkste, zwakste onmacht. Zij had hare
uitdaging gericht tegen eene zwakke, teedere vrouw, en God en het
noodlot waren in Heliodora's plaats in het strijdperk getreden. Deze
gedachte deed haar huiveren, en juist toen zij oprees uit het bad,
trad hare moeder de badzaal binnen, zeggende: "Nog altijd hier, mijn
kind? Wat hebt gij mij doen schrikken! Is het dan waar? Was de ziekte
van Plotinos werkelijk eene soort van pest?"
"Meer dan dat, moeder," antwoordde zij somber. "Het was de pest, en
mij kwam in de gedachte, dat men zich moest baden, wanneer men in een
verpest huis is geweest. Gij hebt mij ook aangeraakt en gekust. Wat
ik u bidden mag, laat weder opstoken, en baad u ook, al is het nog
zoo laat."
"Maar kind!" zeide de weduwe lachende; doch Katharina liet haar geen
rust, tot zij toegaf en beloofde zich te zullen bedienen van het
waterbekken in de afdeeling voor de mannen, dat sedert de pest was
uitgebroken door niemand gebruikt was.
Toen vrouw Susanna alleen was lachte zij in stilte en dankbaar en
terwijl zij het bad nam hief zij het hart en de handen omhoog en bad
zij voor het goedige, teedere, eenige kind, dat zich voor haar zoo
bezorgd maakte.
Katharina begaf zich naar hare kamer, na zich verzekerd te hebben dat
ook de kleederen, die zij dezen avond gedragen had, aan het vuur in den
badoven waren prijs gegeven. Het middernachtelijk uur was verstreken,
toch beval zij hare kamenier te wachten en legde zich niet te bed. Zij
zou toch geen rust hebben kunnen vinden. Zij verlangde naar buiten
en ging op het balkon, waar zij zich in een schommelstoel neerzette.
De nacht was heet en zwoel. Elk huis, iedere boom, elke muur straalde
de warmte weer uit, waarmede zij overdag verzadigd waren. Langs de
Nijlstraat trok eerst eene processie van bedevaartgangers; vervolgens
kwam een lijkstoet, waarop weldra een tweede volgde, beiden zoo dicht
in stofwolken gehuld, dat het licht van de fakkels der geleiders
alleen scheen te glimmen gelijk kolen onder de asch. Het waren aan
de pest gestorvenen, die bij dag niet ter aarde besteld mochten
worden, en thans begraven werden. In den eenen lijkstoet zag zij in
hare verbeelding die van Heliodora, in den anderen hare eigene of,
en daarbij gevoelde zij eene koude rilling, die harer moeder. En het
gevolg van den stoet schreed in die stofwolk voorwaarts en hield stil
bij den Necropolis. De sleden waarop de lijkkisten waren vervoerd,
keerden leeg met heet geloopen ijzers terug; doch zij was niet bij
de rouwdragenden geweest, want zij was ingesloten in het verpeste
huis. En toen het weder geopend werd--zij zag dat alles vóor zich
alsof het waar en werkelijk zoo was--waren in de hof van het rechthuis
twee hoofden gevallen, die van Orion en Paula, en zij, zij was geheel
alleen en verlaten, hare moeder lag naast haar vader in het stof van
het kerkhof, en wie vroeg naar haar, wie zorgde voor haar, wie was
haar beschermer? Als een boom zonder wortel, als een in zee gewaaid
blad, als een uit het nest gevallen vogel zonder vleugels stond zij
daar in de wereld. En nu kwam haar voor de eerste maal sedert dien
nacht, waarin zij een valsch getuigenis had afgelegd, alles voor den
geest, wat haar in school en kerk was geleerd van de straffen der
hel, en ingevolge die vroegere bedreigingen zag zij daar voor zich
het verblijf der verdoemden, en de knetterende, gloeiende vuurzee,
waarin moordenaars, ketters en valsche getuigen....
Maar wat was dat? Had de hel zich werkelijk geopend en klommen de
vlammen door de gebersten schaal der aarde waarlijk ten hemel op? Had
ook het firmament zich geopend, om stroomen van gloed en zwarten rook
over het noorden der stad uit te gieten?
Hevig verschrikt stond zij op en staarde het verschrikkelijk tooneel
aan. De geheele hemel scheen in vlammen te staan, en dichte rookwolken,
eene onuitstaanbare hitte en millioenen vliegende vonken vervulden de
ruimte tusschen hemel en aarde. Een alles vernielende brand scheen de
stad, den stroom en het nachtelijk sterrengewelf tegelijk te hebben
aangegrepen, en daar verhieven zich alle metalen stemmen, die anders de
geloovigen naar de kerk riepen, en op de stille straat daar voor haar
werd het drukker, en weldra vervulden ontelbaren den weg. Geschreeuw,
gehuil, wilde bevelen en kreten drongen door tot haar oor, en in
de verwarring van stemmen onder en voor haar onderscheidde zij de
woorden: "Stadhouders paleis," "Arabieren," "Mukaukas," "Orion,"
"vuur," "blusschen" en "redden."
Daar riep de oude oppertuinman van af den lotusvijver haar toe: "Het
stadhouderlijk paleis staat in vlammen. En dat bij deze droogte! De
barmhartige God beware de stad!"
De knieën van het kwikstaartje knikten, en toen zij onder het slaken
van een zachten kreet naar een steunpunt zocht, om zich aan vast te
klemmen, vingen twee armen haar op, waarvan zij zich in den laatsten
tijd zoo gaarne bevrijd had, die der moeder, der moeder, die zich
over het eenige kind had gebogen, om van zijn verpesten schedel met
een teederen kus den dood te plukken.