DERTIENDE HOOFDSTUK.

Evenmin als het verliefde Perzische paartje, liet de zwarte Wekil

Obada zich door de hitte van den dag in de uitvoering zijner plannen

storen. Hij beschouwde het stadhouderlijk paleis als zijn eigendom

en wat hij daarin vond wekte in hooge mate zijne belangstelling. Het

was niet enkel hebzucht, die hem aandreef, want in de eerste plaats

kwam het er op aan bewijsstukken te vinden, die zijn optreden tegen

Orion en het in beslag nemen van diens bezittingen in Medina konden

rechtvaardigen. Daar waren groote dingen op het getouw gezet en wanneer

de samenzwering tegen den Kalief Omar gelukte, dan had hij weinig

meer te vreezen en durfde hij des te zekerder op de goedkeuring van

het nieuwe opperhoofd hopen, naarmate de sommen, die hij weldra naar

Medina kon zenden, in omvang de grootste overtroffen, die zijn heer

ooit in den schatkist van zijn vaderland had gestort.

Met de nieuwsgierigheid en de begeerlijkheid van een kind doorliep

hij de eene kamer na de andere, betastte hij alles, onderzocht

hij de zachtheid der kussens, gluurde hij in schriftrollen, die

hij niet verstond, wierp hij ze weldra weer weg, rook hij in de

kamer van de gestorvene aan de reukwaters en artsenijen, waarvan

zij zich bediend had, knarste hij van genoegen met de tanden,

toen hij in hare kist kostbare sieraden en gemunt goud vond, stak

hij den schoonsten diamanten ring aan de reeds overladene vingers,

en doorzocht hij ten laatste met den grootsten ijver de vertrekken,

die Orion bewoond had. Zijn tolk, die Grieksch kon lezen, moest

daarbij ieder geschrift dat gevonden werd overzetten, wanneer het

geen gedichten bevatte. Onder het luisteren krabde en trok hij met

geheel onkundige hand aan de snaren van 's jonkmans lier, goot hij

van den zalfolie, die de fijne jongeheer gebruikte, op zijne hand

en besmeerde daarmede zijn baard. Voor den blanken, zilveren spiegel

van Orion trok hij onophoudelijk allerlei gezichten.

Tot zijn verdriet kon hij onder al de grootere en kleinere zaken,

die hier overal stonden, niets vinden wat grond tot verdenking kon

geven. Reeds maakte hij zich gereed om heen te gaan, toen hij in

eene mand bij de schrijftafel eenige weggeworpen schrijftafeltjes

opmerkte. Terstond wees hij den tolk daarop, en hoe weinig leesbaars

er ook op het diptychon [17] stond, het was in het oog van den zwarte

van het hoogste gewicht, want het luidde:

"Orion, zoon van Georg--aan Paula, de dochter van Thomas!"

"Gij hebt reeds vernomen, dat het mij onmogelijk is geworden

aan de redding der nonnen deel te nemen. Beoordeel mij daarom

niet verkeerd! Uw goede en maar al te billijke wensch, om uwe

geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest...."

Van hier af waren de in was gegrifde teekens met opzet uitgewischt,

en er was bijna geen enkel woord meer te ontcijferen, ja, er volgden

nog maar zoo weinig regels, dat men moest aannemen, dat deze brief

nooit voltooid was geworden. En zoo was het inderdaad. Ofschoon

dit stuk den Wekil niets aan de hand deed, waarmede hij Orion zou

kunnen belasten, zoo was er toch wel eene beschuldiging aan vast

te knoopen. Want de dochter van Thomas had zeker deel gehad aan de

onderneming, die zoovele wakkere muzelmannen het leven had gekost,

en de zwarte wist door den wisselaars in Fostat, dat zij in nauwe

betrekking stond tot den zoon van den Mukaukas, en hem het beheer

over haar vermogen had toevertrouwd. Beiden moesten als verbondenen

in deze zaak terecht gesteld worden, en Orion werd in elk geval door

dit schrijven aangewezen als de persoon, die van het plan kennis

had gedragen.

De bisschop Plotinos van Memphis, op wiens verlangen de vervolgers

waren uitgezonden, moest aanvullen wat de jonkvrouw mocht

verzwijgen. Hij was terstond, na het plan tot ontvoering te hebben

aangegeven, den patriarch achterna gereisd en eerst gisteren ochtend

uit Opper-Egypte teruggekeerd. Hier te Memphis had hij den Wekil twee

aanklachten van den kerkvorst tegen Orion doen toekomen; de eene betrof

de vlucht der nonnen, de andere het achterhouden van een kostbaren

smaragd, die de kerk toekwam. Beide beschuldigingen hadden Obada den

moed gegeven, om beslag te leggen op de bezittingen van den jonkman,

daar de bittere vorm van de aanklacht des patriarchs hem deed inzien,

dat hij in Benjamin een bondgenoot bezat. Paula moest dus gevangen

genomen worden en hij twijfelde niet of hare verklaringen zouden Orion

op eene of andere wijze bezwaren. Het liefst zou hij haar dadelijk

verhoord hebben, maar hij had heden nog andere dingen te doen.

Het onderzoek van het rentmeesterskantoor nam den meesten tijd in

beslag. Dit werd aangevangen onder leiding van Nilus, die daarvan

aan het hoofd stond. Alles wat de beambte, als bewijzen van erfenis

en eigendom, als koop- en pachtcontracten, kadasters en dergelijke

aanwees, alsmede de groote voorhandene sommen in goud en zilver

werden terstond op ossenwagens en op kameelen geladen en onder

veilig geleide over den stroom gebracht. De akten en documenten uit

vroeger tijd, het familie-archief en wat daarmede samenhing liet de

zwarte daarentegen onaangeroerd. Hij was zeker een onvermoeid man,

want ofschoon hij met dit werk den ganschen dag bezig was, gunde hij

zich geene verademing, ja hij liet zich niet eens eene bete broods

of een verfrisschenden dronk brengen. Hoe later het werd op den dag,

des te meer vroeg hij naar den bisschop, en telkens op ongeduldiger

en boozer toon. Hij had zich tot den patriarch moeten begeven, maar

waar bleef Plotinos? Gevoelig als alle lieden, die van niets tot

iets zijn geworden, beschouwde hij diens uitblijven als eene daad

van persoonlijke minachting.

Doch de herder der gemeente van Memphis was geen hoogmoedig prelaat,

maar een bescheiden, vroom man. Zijn opperhoofd, de patriarch, had hem

in Opper-Egypte gewichtige boodschappen toevertrouwd aan den veldheer

Amr of diens plaatsvervanger, en toch liet hij den Wekil tevergeefs op

zich wachten, en zond hem ook geen boodschap. Zijne oude huishoudster

zond in den namiddag echter den akoluth [18], die hem persoonlijk

diende, naar Philippus. Haar anders zoo sterke en wakkere heer had

zich gisteren, terwijl het nog helderen dag was, naar bed begeven en

was niet weder opgestaan. Zijn lichaam gloeide, hij had een hevige

dorst en scheen niet recht te weten waar hij zich bevond en wat hem

omgaf. Plotinos had altijd beweerd, dat het gebed de beste medicijn

was voor den christen; toen echter zijn arm lichaam zoo schrikkelijk

heet was geworden, had de huishoudster den arts ontboden, doch de bode

was met het bericht teruggekomen, dat Philippus op reis was gegaan.

En zoo was het inderdaad: een brief van den ouden Haschim had

hem genoopt Memphis te verlaten. De zoon van den koopman, wien het

ongeluk had getroffen, werd maar niet beter. Het scheen dat inwendige

deelen van het lichaam waren aangedaan, en dat zijn leven in gevaar

verkeerde. De beangstigde vader bezwoer met vurige gebeden den arts,

in wiens bekwaamheden hij het grootste vertrouwen had leeren stellen,

naar Dschidda te komen, den kranke te onderzoeken en zijne genezing te

beproeven. Bovendien liet hij den karavaanaanvoerder Rustem verzoeken

weder tot hem te komen, zoodra zijne gezondheid het veroorloofde.

Dit schrijven, dat met een groet aan Paula sloot, wier vader hij met

allen ijver liet opsporen, had Philippus diep geschokt. Hoe kon hij

in dezen tijd van pest en ellende Memphis verlaten? En vrouw Johanna

en hare dochter? Van den anderen kant wilde hij om Paula's wil weg,

ver van hier weg; en hoe gaarne zou hij alles beproeven om den zoon

van dien wakkeren grijsaard te behouden! Desniettemin zou hij gebleven

zijn, wanneer zijn oude vriend zich niet zeer onverwacht aan de zijde

van Haschim gesteld en hem bezworen had de reis te ondernemen. Het

was zijn plicht en ook zijn verlangen voor de vrouwen in het huis van

Rufinus te waken. Philippus' helper kon bij vele kranken zijne plaats

vervangen en de anderen zouden ook zonder hem wel sterven, daar hij

toch zelf verzekerd had, dat er geen deugdelijk middel tegen de pest

bestond. Bovendien had Philippus nog de overtuiging uitgesproken, dat

hij de verloren rust in Paula's nabijheid niet weer kon vinden. Nu bood

zich de gelegenheid aan, om op eene niet in het oog loopende wijze op

de vlucht te gaan, en tegelijk een degelijk werk der barmhartigheid

te verrichten. Philippus had zich laten gezeggen en was weinige uren

later met zeer gemengde aandoeningen op reis gegaan.

De oude Horus Appollon deed al zeer weinig, om het zichzelven

gemakkelijk te maken, doch in éen opzicht zorgde hij goed voor zijn

persoon. Het loopen viel hem zwaar, en daar hij in de avondschemering

gaarne de vrije lucht inademde en later nu en dan de sterrewacht

bezocht, hield hij er voor zich een ezel op na, een best exemplaar van

het edelst ras. Hij ontzag zich niet voor zulk een beest een hoogen

prijs te betalen, als het maar in alle opzichten aan zijne wenschen

voldeed, dat wilde zeggen sterk, niet nukkig, volgzaam en licht van

kleur was. Zijn vader en grootvader, de Isispriesters, hadden steeds op

witte ezels gereden, en daarom deed hij het ook. In de laatste heete

weken was hij zelden buiten gekomen en ook heden wachtte hij het uur

van zonsondergang af, om zijne belofte te houden. In sneeuwwit linnen

gekleed, met nieuwe sandalen aan de voeten, frisch geschoren, op de

wijze der vaderen door eene net geordende, lange pruik alsmede door

een scherm voor de brandende stralen der ondergaande zon beschut,

besteeg hij, overtuigd dat hij voor den uiterlijken mensch al het

mogelijke gedaan had, den fraaien, witten ezel, en zijn Ethiopiër

draafde te voet achter hem aan.

Het was nog helder toen hij voor het huis van Rufinus stil hield. Zoo

gejaagd had zijn oud hart in lang niet geklopt. "'t Is of ik eene bruid

ga zoeken," zeide hij tot zichzelven met fijnen spot. Nu, het geldt dan

ook een verbond te sluiten voor het nog overige deel des levens. "Men

moest," verweet hij zich, "althans de nieuwsgierigheid met de haren en

tanden verliezen!" Maar zij was nog voorhanden, en hij kon zich niet

verheelen, dat hij in spanning was over het uiterlijk van de vrouw,

die hij haatte zonder haar ooit gezien te hebben, omdat zij de dochter

was van een prefect en patriciër en zijn Philippus ongelukkig maakte.

Terwijl hij afsteeg geleidde een jong, sierlijk gekleed meisje eene

oudere vrouw in kostbare, maar eenvoudige kleedij in den tuin. Dat

moest het kwikstaartje en Orions Byzantijnsche vriendin zijn. Dat

trof slecht, zooveel vrouwen tegelijk! Hare tegenwoordigheid kon den

eenzamen onderzoeker, die het verkeer met vrouwen ontwend was, maar

hinderen en zijn plannen verstoren. Doch wat kon hij er aan doen? Die

bezoeksters zagen er bovendien zoo kwaad niet uit. Het kwikstaartje was

een allersnoezigst, klein meisje, ook zonder hare millioenen veel te

goed voor den onzinnigen stadhouderszoon. De matrone had een innemend,

goed gezicht, juist zooals Philippus het beschreven had. Doch, en

dit bedierf alles, in dit gezelschap kon hij niet spreken over den

dood van den armen Rufinus en dus ook niet over hetgeen hij voor had,

en zoo had hij dus voor niets, geheel voor niets zooveel stof geslikt

en zooveel hitte verdragen. Morgen moest dit alles tot zijne ergernis

voor de tweedemaal genoten worden!

De eersten, die hij ontmoette was een aardig jong paartje: de Masdakiet

en Mandane. Hij behoefde niet te vragen, zij moesten het zijn, hij

ging dus naar hen toe, deelde Rustem den wensch zijns meesters mede

en bood hem in Philippus naam aan, hem het reisgeld voor te schieten;

doch de karavaanaanvoerder sloeg op zijne mouw, waarin een aardig

sommetje aan goudstukken geborgen was, en zeide vroolijk: "Alles reeds

voorhanden, ook voor twee reizigers naar het oosten!--Mijne bruid,

met uw welnemen!--De tijd is gekomen, mijn duifje, wij moeten weg,

op reis naar het vaderland!"

De groote jonkman zeide dat met zijne basstem zoo gelukkig, zoo

uitgelaten vroolijk, en het schoone meisje zag daarbij zoo blijmoedig,

zoo verliefd, zoo innig dankbaar naar hem op, dat de grijsaard

zelf recht vergenoegd gestemd werd. Hij die in elk verschijnsel

een voorteeken zag, hield deze ontmoeting voor een goed "omen" bij

zijne intrede in dit huis, dat misschien, zijn tehuis zou worden. En

even gelukkig als zijn bezoek begonnen was, ging het nu verder,

want de weduwe van Rufinus en hare dochter ontvingen hem uiterst

vriendelijk. Pulcheria haalde dadelijk vaders leuningstoel voor hem

naar voren en schoof hem een kussen in den rug. Dat alles ging zoo

stil, zoo natuurlijk, zoo hartelijk in zijn werk, dat het zijn oud

gemoed verkwikte, en hij erkennen moest, dat een mensch bijna te veel

goeds genoot, wanneer hem dagelijks en uur aan uur zulke verrassingen

werden aangeboden.

Hij zeide tot het meisje een vriendelijk, schertsend woordje

over hare goede zorg, en de matrone uit Konstantinopel vatte die

scherts dadelijk op. Zij had hem op zijn fraaien ezel zien zitten,

roemde het dier en wilde niet gelooven, dat hij zelf al boven de

tachtig was. Zijne mededeeling dat Philippus op reis was gegaan,

vernamen allen met leedwezen; hem deed het genoegen waar te nemen,

dat Pulcheria bij dit bericht niet weinig verschrikte en zich daarop

verlegen terugtrok. Wat had dat meisje een lief, onschuldig, goed en

daarbij bevallig gezicht! Dat zou, dat moest zijn dochtertje worden,

en midden in het gesprek met anderen, onder de kleine aardigheden van

Katharina en de vriendelijke vragen van de matrone en vrouw Johanna,

zag hij in zijne verbeelding zijn Philippus en dat lieve schepseltje

als man en vrouw, en bij en met hen aardige kleine kindertjes, die

rondom hem speelden. Hij was gekomen, om te troosten en te beklagen,

en nu viel hem hier zulk een vroolijke ure ten deel als hij in lang

niet had genoten.

Hij was met de anderen in het viridarium ontvangen, dat thans door

verschillende lampen werd verlicht, en van tijd tot tijd keek hij

naar de deuren, die op deze middenruimte van het huis uitkwamen, en

maakte daarbij voor zichzelven een plan ten aanzien van de bestemming,

die verschillende vertrekken later zouden ontvangen. Daar hoorde hij

achter zich zachte voetstappen; de matrone stond op, het kwikstaartje

snelde de binnentredende te gemoet en terstond daarop verscheen,

zoodat ook hij haar zag, de hooge gestalte eener in rouwgewaad

gekleede jonkvrouw. Met deftige waardigheid begroette zij de matrone,

wisselde met Pulcheria en vrouw Johanna een blik van hartelijke

en medelijdende verstandhouding, en toen deze laatste haar den naam

noemde van den grijsaard, ging zij naar hem toe en reikte hem de hand,

eene marmerblanke, koude, slanke echte patriciërshand.

Ja, schoon, buitengewoon schoon was deze vrouw! Eene dergelijke

herinnerde hij zich nauwelijks ooit gezien te hebben. Waarlijk

een onberispelijk meesterstuk des scheppers, eene verschijning, om

als een ongenaakbare godin de aanbidding te vragen van gehoorzame

vereerders; maar op de zijne behoefde zij niet te rekenen, want in

deze marmeren trekken, wier bleekheid het zwarte gewaad nog beter deed

uitkomen, lag niets wat hem aantrok. Uit deze trotsche oogen kwam geen

verwarmend licht te voorschijn, onder dezen schoon gewelfden boezem

kon geen vriendelijk, liefhebbend hart kloppen. Bij haar handdruk

had hij gerild en hare verschijning scheen hem eene verlammende en

verkleumende uitwerking te hebben op alle aanwezigen.

Inderdaad vergiste hij zich hierin niet. Men had Paula geroepen,

om de senatorsvrouw en Katharina te begroeten. De laatste, dacht

zij, was alleen uit nieuwsgierigheid gekomen, en al wat Heliodora

betrof, stootte haar reeds dadelijk af. Zij had haar vertrouwen

in het kwikstaartje verloren, want eergisteren was de akoluth,

die in persoonlijken dienst stond bij den bisschop van Memphis,

en wiens kind Rufinus van een voeteuvel had hersteld, bij vrouw

Johanna geweest, om haar voor Katharina te waarschuwen, die zijn

meester voor een paar weken een gewichtig geheim had verraden, dat

betrekking had op haar echtgenoot, en Plotinos aanleiding had gegeven,

om terstond naar Fostat te gaan. Het viel wel hard eene "vriendin" van

zoo iets te verdenken, maar zij alleen, die gelijk zijzelve erkende,

zoo gaarne in den aangrenzenden hof beluisterde wat in dezen tuin

gesproken werd en geene andere kon den bisschop hebben geopenbaard,

welk plan er voor de nonnen beraamd werd. De stellige mededeelingen van

den akoluth lieten geen twijfel over. Paula's ziel was niet geneigd,

om kwaad van den naaste te denken, doch onder zulke omstandigheden

kon hare openhartige, voor geene onwaarheid vatbare natuur het niet

over zich verkrijgen de kleine anders dan koel te bejegenen, en hoe

meer Katharina zich met teederheid aan Paula zocht op te dringen,

des te kouder wees Paula haar af.

De grijsaard zag dit alles en de wijze waarop de Damasceensche

zich hier voordeed, hield hij voor haar aard en haar eigenaardig

karakter. Hij zag in haar den hoogmoed van den patriciër, de

zelfzuchtige ongevoeligheid en de krenkende teugellooze trots van

die gehate kliek, die zich alles laat voorstaan op den adeldom

der geboorte, als belichaamd, als in vleesch en bloed voor zich

staan. Gelijk de geheele soort, zoo verachtte hij dit toonbeeld ervan;

en zijne boosheid vertiendubbelde, als hij bedacht wat deze koude

sirene den zoon naar zijn hart had doen lijden, wat zij hem zelf nog

aandoen kon, wanneer zijn lievelingsplan door haar onuitvoerbaar

werd. Liever ware hij in zijne laatste dagen eenzaam en zelfs van

Philippus gescheiden gebleven, dan dat hij met die vrouw tafel,

huis en leven had gedeeld, zij die daar weder de hartelijke gemeende

liefkoozingen dier aardige, kinderlijk onschuldige, kleine Katharina

met hinderlijke, ijskoude zelfverheffing afwees. Bij het zien van die

vrouw zouden de beten hem bij den maaltijd in de keel blijven steken;

zelfs het hooren van den voornamen toon harer stem in een aangrenzend

vertrek, zou hem den lust tot den arbeid benemen, de druk van hare

koele hand bij den nachtgroet hem den slaap bederven.

Ook thans werd hare tegenwoordigheid hem ondragelijk, zij was hem eene

uitdaging, eene beleediging, en had hij vroeger den wensch gekoesterd

haar uit de nabijheid van zich en zijn lieveling te verwijderen, of

als het zijn moest met geweld te werpen, die begeerte beheerschte hem

nu geheel en al. Verstoord en spijtig nam hij van de vrouwen afscheid,

maar Paula verwaardigde hij opzettelijk niet met een blik, toen zij,

nadat hij was opgestaan, naar hem toeging om een vriendelijk woord

tot hem te spreken en hem te toonen, hoe hoog zij zijn pleegzoon

vereerde. Pulcheria begeleidde hem naar den tuin en hij beloofde

haar morgen of overmorgen weder te komen, doch dan moest zij zorgen,

dat hij haar met hare moeder alleen vond; want hij had geen lust,

om zich dien hoogmoed en eigenwaan der Damasceensche ten tweedemale

"onder den neus wrijven" te laten. Pulcherias poging, om hare vriendin

te verdedigen, wees hij verdrietig af en met verwenschingen op zijne

oude lippen draafde hij naar huis.

Intusschen was vrouw Martina op hare vertrouwelijke, gemoedelijke

manier Paula genaderd. Zij had vroeger eens hare ouders te

Konstantinopel ontmoet en wist met hartelijke warmte over dezen te

praten. Dat brak dan ook bij de jonkvrouw het ijs, en toen vrouw

Martina met waardeering en deelneming gewaagde van Orion, haren

"grooten Sesostris", en hoe hij te Konstantinopel algemeen geacht

en bemind werd, en welke ongelukken hem sedert hadden getroffen,

gevoelde zij zich tot de oudere vrouw zoo zeer getrokken, dat zij

elke achterhoudendheid liet varen, zoodat het gesprek tusschen deze

nieuwe kennissen steeds levendiger, inniger en vriendschappelijker

werd. Bij het opbreken gevoelden beiden, dat zij door verder verkeer

met elkander slechts winnen konden.--Toen Paula bij het afscheid werd

weggeroepen, verliet zij het viridarium met deze warme woorden, die

alleen tot vrouw Martina gericht waren: "Tot wederziens; doch aan mij,

de jongere voegt het natuurlijk, u op te zoeken!"

"Welk een meisje!" zeide de matrone, na haar vertrek. "Waarlijk,

zij is de waardige dochter van een voortreffelijken vader! En hare

moeder? O vrouw Johanna, een lieflijker wezen is deze ellendige aarde

zelden tot sieraad geweest. Helaas, zij moest zoo vroeg heengaan; zij

was maar bestemd om eene wijle te bloeien!" Vervolgens wendde zij zich

tot Katharina en vervolgde, haar vriendelijk dreigende: "Hoe valsch

heeft uw boos tongetje mij toch dit meisje beschreven! Men spreekt

wel eens van zilveren kernen in gouden schaal, maar bij deze zijn

beide van goud. Ik ken mijne menschen! En gij, gij beiden... hemelsche

Vader... ik weet al, wat u arm katje, de oogen beneveld heeft. Zooals

ieder wenscht te zien, zoo ziet het er ten slotte uit. Ik wed, vrouw

Johanna, dat gij mijne zienswijze deelt, namelijk, dat deze Paula een

door en door edel schepsel is, ja een 'edel'! Dat is een hoogdravend

woord, en lieve God, hoe zelden kan men het gebruiken! Het ligt mij

anders ook niet op de lippen, maar voor die jonkvrouw weet ik geen

ander, en voor haar schaadt het niet!"

"Zeker niet!" antwoordde zij, tot wie de vraag gericht werd, uit volle

overtuiging; doch vrouw Martina slaakte een stillen zucht en dacht:

"Arme Heliodora! Ronduit gezegd: mijn 'groote Sesostris' en Paula,

dat zou eerst recht een paar zijn. Doch, om Godswil, wat moet men

dan met dat arme, verliefde, ongelukkige wijfje beginnen?!"

Dat vloog haar opeens door het brein, terwijl Katharina zich trachtte

te rechtvaardigen en betuigde, dat zij Paula's groote eigenschappen

wel erkende, maar dat deze zoo trotsch kon zijn, zoo vreeselijk

trotsch! Zij had zoo straks vrouw Martina zelve daarvan een proefje

te smaken gegeven.

Pulcheria viel haar in de rede, om met nadruk de partij van hare

vriendin op te nemen. Doch zij kwam niet ver, want in de voorzaal

verhieven zich luide mannenstemmen, en plotseling stormde de voedster

Perpetua naar binnen en riep met den schrik op het gelaat, zonder

op de vreemde bezoeksters acht te geven: "O, o vrouw Johanna! Dit

nieuwe, ontzettende ongeluk! Daar zijn die Arabische duivels

teruggekomen, en met hen de tolk en een schrijver.--Men heeft ze

gezonden--barmhartige Heiland, hoe is het mogelijk?--en zij brengen

een bevel tot gevangenneming; en mijn arm kind moet met hen mede, mede

naar de gevangenis, de gansche stad door te voet naar de gevangenis!"

Snikkende sloeg de trouwe, oude vrouw de handen voor het gelaat,

en een vreeselijke schrik maakte zich van allen meester.

Vrouw Johanna verliet zwijgende en bleek het viridarium en de matrone

riep: "Een allerverschrikkelijkst, een ellendig land! Mijn God, thans

vergrijpen zij zich zelfs aan de vrouwen.... Kinderen, kinderen--geef

mij een stoel! Ik word zoo wee!--In de gevangenis! Dit heerlijke,

eenige schepsel over de straat gesleept, naar de gevangenis! Wanneer

het bevel tot inhechtenisneming er is, dan--dan moet zij in den kerker,

daarvoor kan geen engel haar bewaren. Maar deze edele, wonderschoone

jonkvrouw door de stad te laten slepen, als ware zij eene erbarmelijke

dievegge, dat, neen, dat is niet te dulden! Wat de eene vrouw voor de

andere doen kan, dat ten minste mag niet verzuimd worden, zoolang ik

nog hier ben en op mijne twee beenen sta! Katharina, kind, begrijpt

ge dan niet? Wat staat ge daar nog en gaapt mij aan, als ware ik een

gevederde aap? Waartoe vreten uwe dikke paarden de haver! Nu, begrijpt

gij het nog niet? Dadelijk, dadelijk vliegt gij naar de overzij,

en laat den grooten, gesloten wagen, waarin men mij afgehaald heeft,

inspannen en den tuin binnen rijden!--Thans gaat haar eindelijk een

licht op! En nu de voeten en armen gerept!"

Daarop klapte zij in de handen, als wilde zij kippen van een tuinbed

jagen, en het kwikstaartje moest volgen. Vervolgens tastte zij

naar haar buidel en toen zij dien vond, zeide zij geruststellend:

"Goddank! Thans kan ik met die ongeloovige schurken praten! Deze

taal"--en daarbij liet zij de goudstukken rammelen,--"verstaan zij

allen! Kom, vrouwtje, waar schuilen die rekels?"

De wereldtaal van de matrone deed de gewenschte uitwerking, want de

aanvoerder der veiligheidswacht liet zich met behulp van den tolk

overhalen, om Paula in een wagen naar de gevangenis te brengen,

beloofde haar aldaar een goed verblijf te bezorgen, en vergunde de

oude Betta, die met heete tranen er op stond, de gevangene in den

kerker te volgen.

Bij deze ontzettende verrassing behield Paula hare tegenwoordigheid

van geest en hare waardigheid. Eerst toen het er op aan kwam, om

afscheid te nemen van Pulcheria en Maria, die als radeloos zich aan

haar vastklemde en haar met Betta in den kerker begeerde te volgen,

kon zij hare tranen niet weerhouden. De schrijver had haar medegedeeld,

dat zij door den bisschop Plotinos was aangeklaagd; de redding en de

vlucht der nonnen te werk gesteld te hebben, en vrouw Johanna voelde

hoe hare knieën knikten, toen Paula haar zacht in het oor blies:

"Neem u in acht voor Katharina! Zij alleen kan ons hebben verraden,

doch ook wanneer zij heeft aangegeven, wat Rufinus voor de zusters

heeft gedaan, dan moeten wij het loochenen, stellig en zeker. Vrees

niets! Van mij zullen zij niet het geringste te weten komen."

Een oogenblik daarna zeide zij met luider stem: "Ik behoef u niet te

bidden mij in liefde te blijven gedenken. Heb dank, beiden, vurigen,

onuitsprekelijken dank voor alles..... Gij Pul"--en daarbij omarmde

zij moeder en dochter te gelijk, terwijl Maria vast aan haar geklemd

bleef en het hoofdje in haar kleed verborg, onder bitter schreien--"Gij

Pul, en gij vrouw Johanna, gij hebt eene arme verlatene tot de uwe en

gelukkig gemaakt, totdat het lot ons allen te zamen.... Gij weet het,

ach, gij weet het!--En wat gij mij geschonken hebt, schenk dat verder

mijne Maria! En nu nog een ding!--Ach, daar roept de tolk wederom;

nog een enkel oogenblik geduld!--Wanneer de bode terugkomt en bericht

brengt van mijn vader, of--God, als het eens waar was!--hem zelven,

laat het mij dan weten, of--genadige hemel!--breng hem tot mij! En

ben ik er niet meer als hij komt, zeg hem dan, dat het de vurigste

wensch mijns levens is geweest hem terug te vinden, hem weder te

zien. En dan"--deze woorden fluisterde zij vrouw Johanna weder zacht

in het oor--"smeek mijn vader, dat hij Orion lief hebbe als zijn eigen

zoon. En zeg aan beiden, dat ik hen heb liefgehad tot mijn einde, zoo

vurig, zoo onuitsprekelijk en innig."--Daarna zeide zij weder overluid,

terwijl zij ieder afzonderlijk de oogen en de lippen kuste:--"Ik heb

u lief en zal u blijven liefhebben, u, vrouw Johanna, u, mijne Pul,

en u Maria, mijn eenig hartediefje!"

Daar vloog ook het kwikstaartje met geopende armen naar haar toe, maar

vrouw Johanna wees haar met een veel beteekenend handgebaar terug,

en de innig vereenigden klemden zich voor het laatst nog eens zoo

vast aan elkander, als waren zij een en mocht niets vreemds, niets

dat hunne vrede verstoren kon, hen naderen. Toch beproefde Katharina

nog eens bij Paula te komen; doch vrouw Martina, wier vochtige oogen

aan de vier afscheidnemenden hing, hield haar bij den schouder vast

en duwde haar toe: "Stoor haar niet, meisje! Zulke harten trekken

vanzelf tot zich, waarnaar zij verlangen. Ik oude vrouw zou wel waard

willen zijn, dat zij mij riepen!"

Nu vermaande de tolk met alle gestrengheid om te scheiden; de drie

vrouwen lieten elkander los, doch het kind hield Paula stevig vast,

ook toen zij tot de matrone ging, en deze uit vrije beweging omarmde.

Vrouw Martina nam het hoofd der jonkvrouw tusschen hare handen,

kuste haar innig en zeide, hoewel zij nauwelijks spreken kon: "God

bescherme en behoede u, mijn kind! Hem dank ik, dat hij mij u deed

ontmoeten! Zoo onschuldig en rein van hart als gij zijt blijft men

niet in de residentie, doch als vrienden van onze vrienden houden

wij voet bij stuk, tenminste ik en mijn senator! Als God er mij

toe in staat stelt, dan zult gij het ondervinden, Gij behoeft niet

alleen te staan in de wereld, zoolang Justinus en zijne vrouw er nog

zijn. Onthoud dat mijn kind, want het is ernstig en eerlijk gemeend."

Hierop kuste zij Paula nog eens, en toen deze naar buiten ging, om den

wagen te bestijgen, en zij ook de Griekin Eudoxia en Mandane, die zich

bescheiden en in stilte schreiende op den achtergrond hadden gehouden,

een afscheidskus had gegeven, en eindelijk ook den gebochelden tuinman

en den Masdakiet, wien de tranen langs de wangen biggelden, de hand

gereikt had, trad Katharina haar gejaagd en diep beleedigd in den

weg, klemde zich aan haar arm vast en zeide dringend: "En voor mij,

hebt gij dan niets voor mij?"

Paula wrong zich uit hare handen los en fluisterde haar toe: "Dank voor

den wagen! Gij weet het, die brengt mij naar den kerker, en ik vrees

dat uw verraad mij daarheen voert. Vergis ik mij, vergeef het mij dan,

zoo niet, dan zal uwe straf zeker niet lichter zijn dan het lot dat

mij wacht. Gij zijt nog jong, Katharina, tracht beter te worden."

Daarop besteeg zij met de oude Betta den wagen, en zag alleen nog,

hoe Maria snikkende vrouw Johanna in de armen viel.

De nijlbruid · 第 52 / 66 题