Evenmin als het verliefde Perzische paartje, liet de zwarte Wekil
Obada zich door de hitte van den dag in de uitvoering zijner plannen
storen. Hij beschouwde het stadhouderlijk paleis als zijn eigendom
en wat hij daarin vond wekte in hooge mate zijne belangstelling. Het
was niet enkel hebzucht, die hem aandreef, want in de eerste plaats
kwam het er op aan bewijsstukken te vinden, die zijn optreden tegen
Orion en het in beslag nemen van diens bezittingen in Medina konden
rechtvaardigen. Daar waren groote dingen op het getouw gezet en wanneer
de samenzwering tegen den Kalief Omar gelukte, dan had hij weinig
meer te vreezen en durfde hij des te zekerder op de goedkeuring van
het nieuwe opperhoofd hopen, naarmate de sommen, die hij weldra naar
Medina kon zenden, in omvang de grootste overtroffen, die zijn heer
ooit in den schatkist van zijn vaderland had gestort.
Met de nieuwsgierigheid en de begeerlijkheid van een kind doorliep
hij de eene kamer na de andere, betastte hij alles, onderzocht
hij de zachtheid der kussens, gluurde hij in schriftrollen, die
hij niet verstond, wierp hij ze weldra weer weg, rook hij in de
kamer van de gestorvene aan de reukwaters en artsenijen, waarvan
zij zich bediend had, knarste hij van genoegen met de tanden,
toen hij in hare kist kostbare sieraden en gemunt goud vond, stak
hij den schoonsten diamanten ring aan de reeds overladene vingers,
en doorzocht hij ten laatste met den grootsten ijver de vertrekken,
die Orion bewoond had. Zijn tolk, die Grieksch kon lezen, moest
daarbij ieder geschrift dat gevonden werd overzetten, wanneer het
geen gedichten bevatte. Onder het luisteren krabde en trok hij met
geheel onkundige hand aan de snaren van 's jonkmans lier, goot hij
van den zalfolie, die de fijne jongeheer gebruikte, op zijne hand
en besmeerde daarmede zijn baard. Voor den blanken, zilveren spiegel
van Orion trok hij onophoudelijk allerlei gezichten.
Tot zijn verdriet kon hij onder al de grootere en kleinere zaken,
die hier overal stonden, niets vinden wat grond tot verdenking kon
geven. Reeds maakte hij zich gereed om heen te gaan, toen hij in
eene mand bij de schrijftafel eenige weggeworpen schrijftafeltjes
opmerkte. Terstond wees hij den tolk daarop, en hoe weinig leesbaars
er ook op het diptychon [17] stond, het was in het oog van den zwarte
van het hoogste gewicht, want het luidde:
"Orion, zoon van Georg--aan Paula, de dochter van Thomas!"
"Gij hebt reeds vernomen, dat het mij onmogelijk is geworden
aan de redding der nonnen deel te nemen. Beoordeel mij daarom
niet verkeerd! Uw goede en maar al te billijke wensch, om uwe
geloofsgenooten hulp te verleenen, zou voldoende zijn geweest...."
Van hier af waren de in was gegrifde teekens met opzet uitgewischt,
en er was bijna geen enkel woord meer te ontcijferen, ja, er volgden
nog maar zoo weinig regels, dat men moest aannemen, dat deze brief
nooit voltooid was geworden. En zoo was het inderdaad. Ofschoon
dit stuk den Wekil niets aan de hand deed, waarmede hij Orion zou
kunnen belasten, zoo was er toch wel eene beschuldiging aan vast
te knoopen. Want de dochter van Thomas had zeker deel gehad aan de
onderneming, die zoovele wakkere muzelmannen het leven had gekost,
en de zwarte wist door den wisselaars in Fostat, dat zij in nauwe
betrekking stond tot den zoon van den Mukaukas, en hem het beheer
over haar vermogen had toevertrouwd. Beiden moesten als verbondenen
in deze zaak terecht gesteld worden, en Orion werd in elk geval door
dit schrijven aangewezen als de persoon, die van het plan kennis
had gedragen.
De bisschop Plotinos van Memphis, op wiens verlangen de vervolgers
waren uitgezonden, moest aanvullen wat de jonkvrouw mocht
verzwijgen. Hij was terstond, na het plan tot ontvoering te hebben
aangegeven, den patriarch achterna gereisd en eerst gisteren ochtend
uit Opper-Egypte teruggekeerd. Hier te Memphis had hij den Wekil twee
aanklachten van den kerkvorst tegen Orion doen toekomen; de eene betrof
de vlucht der nonnen, de andere het achterhouden van een kostbaren
smaragd, die de kerk toekwam. Beide beschuldigingen hadden Obada den
moed gegeven, om beslag te leggen op de bezittingen van den jonkman,
daar de bittere vorm van de aanklacht des patriarchs hem deed inzien,
dat hij in Benjamin een bondgenoot bezat. Paula moest dus gevangen
genomen worden en hij twijfelde niet of hare verklaringen zouden Orion
op eene of andere wijze bezwaren. Het liefst zou hij haar dadelijk
verhoord hebben, maar hij had heden nog andere dingen te doen.
Het onderzoek van het rentmeesterskantoor nam den meesten tijd in
beslag. Dit werd aangevangen onder leiding van Nilus, die daarvan
aan het hoofd stond. Alles wat de beambte, als bewijzen van erfenis
en eigendom, als koop- en pachtcontracten, kadasters en dergelijke
aanwees, alsmede de groote voorhandene sommen in goud en zilver
werden terstond op ossenwagens en op kameelen geladen en onder
veilig geleide over den stroom gebracht. De akten en documenten uit
vroeger tijd, het familie-archief en wat daarmede samenhing liet de
zwarte daarentegen onaangeroerd. Hij was zeker een onvermoeid man,
want ofschoon hij met dit werk den ganschen dag bezig was, gunde hij
zich geene verademing, ja hij liet zich niet eens eene bete broods
of een verfrisschenden dronk brengen. Hoe later het werd op den dag,
des te meer vroeg hij naar den bisschop, en telkens op ongeduldiger
en boozer toon. Hij had zich tot den patriarch moeten begeven, maar
waar bleef Plotinos? Gevoelig als alle lieden, die van niets tot
iets zijn geworden, beschouwde hij diens uitblijven als eene daad
van persoonlijke minachting.
Doch de herder der gemeente van Memphis was geen hoogmoedig prelaat,
maar een bescheiden, vroom man. Zijn opperhoofd, de patriarch, had hem
in Opper-Egypte gewichtige boodschappen toevertrouwd aan den veldheer
Amr of diens plaatsvervanger, en toch liet hij den Wekil tevergeefs op
zich wachten, en zond hem ook geen boodschap. Zijne oude huishoudster
zond in den namiddag echter den akoluth [18], die hem persoonlijk
diende, naar Philippus. Haar anders zoo sterke en wakkere heer had
zich gisteren, terwijl het nog helderen dag was, naar bed begeven en
was niet weder opgestaan. Zijn lichaam gloeide, hij had een hevige
dorst en scheen niet recht te weten waar hij zich bevond en wat hem
omgaf. Plotinos had altijd beweerd, dat het gebed de beste medicijn
was voor den christen; toen echter zijn arm lichaam zoo schrikkelijk
heet was geworden, had de huishoudster den arts ontboden, doch de bode
was met het bericht teruggekomen, dat Philippus op reis was gegaan.
En zoo was het inderdaad: een brief van den ouden Haschim had
hem genoopt Memphis te verlaten. De zoon van den koopman, wien het
ongeluk had getroffen, werd maar niet beter. Het scheen dat inwendige
deelen van het lichaam waren aangedaan, en dat zijn leven in gevaar
verkeerde. De beangstigde vader bezwoer met vurige gebeden den arts,
in wiens bekwaamheden hij het grootste vertrouwen had leeren stellen,
naar Dschidda te komen, den kranke te onderzoeken en zijne genezing te
beproeven. Bovendien liet hij den karavaanaanvoerder Rustem verzoeken
weder tot hem te komen, zoodra zijne gezondheid het veroorloofde.
Dit schrijven, dat met een groet aan Paula sloot, wier vader hij met
allen ijver liet opsporen, had Philippus diep geschokt. Hoe kon hij
in dezen tijd van pest en ellende Memphis verlaten? En vrouw Johanna
en hare dochter? Van den anderen kant wilde hij om Paula's wil weg,
ver van hier weg; en hoe gaarne zou hij alles beproeven om den zoon
van dien wakkeren grijsaard te behouden! Desniettemin zou hij gebleven
zijn, wanneer zijn oude vriend zich niet zeer onverwacht aan de zijde
van Haschim gesteld en hem bezworen had de reis te ondernemen. Het
was zijn plicht en ook zijn verlangen voor de vrouwen in het huis van
Rufinus te waken. Philippus' helper kon bij vele kranken zijne plaats
vervangen en de anderen zouden ook zonder hem wel sterven, daar hij
toch zelf verzekerd had, dat er geen deugdelijk middel tegen de pest
bestond. Bovendien had Philippus nog de overtuiging uitgesproken, dat
hij de verloren rust in Paula's nabijheid niet weer kon vinden. Nu bood
zich de gelegenheid aan, om op eene niet in het oog loopende wijze op
de vlucht te gaan, en tegelijk een degelijk werk der barmhartigheid
te verrichten. Philippus had zich laten gezeggen en was weinige uren
later met zeer gemengde aandoeningen op reis gegaan.
De oude Horus Appollon deed al zeer weinig, om het zichzelven
gemakkelijk te maken, doch in éen opzicht zorgde hij goed voor zijn
persoon. Het loopen viel hem zwaar, en daar hij in de avondschemering
gaarne de vrije lucht inademde en later nu en dan de sterrewacht
bezocht, hield hij er voor zich een ezel op na, een best exemplaar van
het edelst ras. Hij ontzag zich niet voor zulk een beest een hoogen
prijs te betalen, als het maar in alle opzichten aan zijne wenschen
voldeed, dat wilde zeggen sterk, niet nukkig, volgzaam en licht van
kleur was. Zijn vader en grootvader, de Isispriesters, hadden steeds op
witte ezels gereden, en daarom deed hij het ook. In de laatste heete
weken was hij zelden buiten gekomen en ook heden wachtte hij het uur
van zonsondergang af, om zijne belofte te houden. In sneeuwwit linnen
gekleed, met nieuwe sandalen aan de voeten, frisch geschoren, op de
wijze der vaderen door eene net geordende, lange pruik alsmede door
een scherm voor de brandende stralen der ondergaande zon beschut,
besteeg hij, overtuigd dat hij voor den uiterlijken mensch al het
mogelijke gedaan had, den fraaien, witten ezel, en zijn Ethiopiër
draafde te voet achter hem aan.
Het was nog helder toen hij voor het huis van Rufinus stil hield. Zoo
gejaagd had zijn oud hart in lang niet geklopt. "'t Is of ik eene bruid
ga zoeken," zeide hij tot zichzelven met fijnen spot. Nu, het geldt dan
ook een verbond te sluiten voor het nog overige deel des levens. "Men
moest," verweet hij zich, "althans de nieuwsgierigheid met de haren en
tanden verliezen!" Maar zij was nog voorhanden, en hij kon zich niet
verheelen, dat hij in spanning was over het uiterlijk van de vrouw,
die hij haatte zonder haar ooit gezien te hebben, omdat zij de dochter
was van een prefect en patriciër en zijn Philippus ongelukkig maakte.
Terwijl hij afsteeg geleidde een jong, sierlijk gekleed meisje eene
oudere vrouw in kostbare, maar eenvoudige kleedij in den tuin. Dat
moest het kwikstaartje en Orions Byzantijnsche vriendin zijn. Dat
trof slecht, zooveel vrouwen tegelijk! Hare tegenwoordigheid kon den
eenzamen onderzoeker, die het verkeer met vrouwen ontwend was, maar
hinderen en zijn plannen verstoren. Doch wat kon hij er aan doen? Die
bezoeksters zagen er bovendien zoo kwaad niet uit. Het kwikstaartje was
een allersnoezigst, klein meisje, ook zonder hare millioenen veel te
goed voor den onzinnigen stadhouderszoon. De matrone had een innemend,
goed gezicht, juist zooals Philippus het beschreven had. Doch, en
dit bedierf alles, in dit gezelschap kon hij niet spreken over den
dood van den armen Rufinus en dus ook niet over hetgeen hij voor had,
en zoo had hij dus voor niets, geheel voor niets zooveel stof geslikt
en zooveel hitte verdragen. Morgen moest dit alles tot zijne ergernis
voor de tweedemaal genoten worden!
De eersten, die hij ontmoette was een aardig jong paartje: de Masdakiet
en Mandane. Hij behoefde niet te vragen, zij moesten het zijn, hij
ging dus naar hen toe, deelde Rustem den wensch zijns meesters mede
en bood hem in Philippus naam aan, hem het reisgeld voor te schieten;
doch de karavaanaanvoerder sloeg op zijne mouw, waarin een aardig
sommetje aan goudstukken geborgen was, en zeide vroolijk: "Alles reeds
voorhanden, ook voor twee reizigers naar het oosten!--Mijne bruid,
met uw welnemen!--De tijd is gekomen, mijn duifje, wij moeten weg,
op reis naar het vaderland!"
De groote jonkman zeide dat met zijne basstem zoo gelukkig, zoo
uitgelaten vroolijk, en het schoone meisje zag daarbij zoo blijmoedig,
zoo verliefd, zoo innig dankbaar naar hem op, dat de grijsaard
zelf recht vergenoegd gestemd werd. Hij die in elk verschijnsel
een voorteeken zag, hield deze ontmoeting voor een goed "omen" bij
zijne intrede in dit huis, dat misschien, zijn tehuis zou worden. En
even gelukkig als zijn bezoek begonnen was, ging het nu verder,
want de weduwe van Rufinus en hare dochter ontvingen hem uiterst
vriendelijk. Pulcheria haalde dadelijk vaders leuningstoel voor hem
naar voren en schoof hem een kussen in den rug. Dat alles ging zoo
stil, zoo natuurlijk, zoo hartelijk in zijn werk, dat het zijn oud
gemoed verkwikte, en hij erkennen moest, dat een mensch bijna te veel
goeds genoot, wanneer hem dagelijks en uur aan uur zulke verrassingen
werden aangeboden.
Hij zeide tot het meisje een vriendelijk, schertsend woordje
over hare goede zorg, en de matrone uit Konstantinopel vatte die
scherts dadelijk op. Zij had hem op zijn fraaien ezel zien zitten,
roemde het dier en wilde niet gelooven, dat hij zelf al boven de
tachtig was. Zijne mededeeling dat Philippus op reis was gegaan,
vernamen allen met leedwezen; hem deed het genoegen waar te nemen,
dat Pulcheria bij dit bericht niet weinig verschrikte en zich daarop
verlegen terugtrok. Wat had dat meisje een lief, onschuldig, goed en
daarbij bevallig gezicht! Dat zou, dat moest zijn dochtertje worden,
en midden in het gesprek met anderen, onder de kleine aardigheden van
Katharina en de vriendelijke vragen van de matrone en vrouw Johanna,
zag hij in zijne verbeelding zijn Philippus en dat lieve schepseltje
als man en vrouw, en bij en met hen aardige kleine kindertjes, die
rondom hem speelden. Hij was gekomen, om te troosten en te beklagen,
en nu viel hem hier zulk een vroolijke ure ten deel als hij in lang
niet had genoten.
Hij was met de anderen in het viridarium ontvangen, dat thans door
verschillende lampen werd verlicht, en van tijd tot tijd keek hij
naar de deuren, die op deze middenruimte van het huis uitkwamen, en
maakte daarbij voor zichzelven een plan ten aanzien van de bestemming,
die verschillende vertrekken later zouden ontvangen. Daar hoorde hij
achter zich zachte voetstappen; de matrone stond op, het kwikstaartje
snelde de binnentredende te gemoet en terstond daarop verscheen,
zoodat ook hij haar zag, de hooge gestalte eener in rouwgewaad
gekleede jonkvrouw. Met deftige waardigheid begroette zij de matrone,
wisselde met Pulcheria en vrouw Johanna een blik van hartelijke
en medelijdende verstandhouding, en toen deze laatste haar den naam
noemde van den grijsaard, ging zij naar hem toe en reikte hem de hand,
eene marmerblanke, koude, slanke echte patriciërshand.
Ja, schoon, buitengewoon schoon was deze vrouw! Eene dergelijke
herinnerde hij zich nauwelijks ooit gezien te hebben. Waarlijk
een onberispelijk meesterstuk des scheppers, eene verschijning, om
als een ongenaakbare godin de aanbidding te vragen van gehoorzame
vereerders; maar op de zijne behoefde zij niet te rekenen, want in
deze marmeren trekken, wier bleekheid het zwarte gewaad nog beter deed
uitkomen, lag niets wat hem aantrok. Uit deze trotsche oogen kwam geen
verwarmend licht te voorschijn, onder dezen schoon gewelfden boezem
kon geen vriendelijk, liefhebbend hart kloppen. Bij haar handdruk
had hij gerild en hare verschijning scheen hem eene verlammende en
verkleumende uitwerking te hebben op alle aanwezigen.
Inderdaad vergiste hij zich hierin niet. Men had Paula geroepen,
om de senatorsvrouw en Katharina te begroeten. De laatste, dacht
zij, was alleen uit nieuwsgierigheid gekomen, en al wat Heliodora
betrof, stootte haar reeds dadelijk af. Zij had haar vertrouwen
in het kwikstaartje verloren, want eergisteren was de akoluth,
die in persoonlijken dienst stond bij den bisschop van Memphis,
en wiens kind Rufinus van een voeteuvel had hersteld, bij vrouw
Johanna geweest, om haar voor Katharina te waarschuwen, die zijn
meester voor een paar weken een gewichtig geheim had verraden, dat
betrekking had op haar echtgenoot, en Plotinos aanleiding had gegeven,
om terstond naar Fostat te gaan. Het viel wel hard eene "vriendin" van
zoo iets te verdenken, maar zij alleen, die gelijk zijzelve erkende,
zoo gaarne in den aangrenzenden hof beluisterde wat in dezen tuin
gesproken werd en geene andere kon den bisschop hebben geopenbaard,
welk plan er voor de nonnen beraamd werd. De stellige mededeelingen van
den akoluth lieten geen twijfel over. Paula's ziel was niet geneigd,
om kwaad van den naaste te denken, doch onder zulke omstandigheden
kon hare openhartige, voor geene onwaarheid vatbare natuur het niet
over zich verkrijgen de kleine anders dan koel te bejegenen, en hoe
meer Katharina zich met teederheid aan Paula zocht op te dringen,
des te kouder wees Paula haar af.
De grijsaard zag dit alles en de wijze waarop de Damasceensche
zich hier voordeed, hield hij voor haar aard en haar eigenaardig
karakter. Hij zag in haar den hoogmoed van den patriciër, de
zelfzuchtige ongevoeligheid en de krenkende teugellooze trots van
die gehate kliek, die zich alles laat voorstaan op den adeldom
der geboorte, als belichaamd, als in vleesch en bloed voor zich
staan. Gelijk de geheele soort, zoo verachtte hij dit toonbeeld ervan;
en zijne boosheid vertiendubbelde, als hij bedacht wat deze koude
sirene den zoon naar zijn hart had doen lijden, wat zij hem zelf nog
aandoen kon, wanneer zijn lievelingsplan door haar onuitvoerbaar
werd. Liever ware hij in zijne laatste dagen eenzaam en zelfs van
Philippus gescheiden gebleven, dan dat hij met die vrouw tafel,
huis en leven had gedeeld, zij die daar weder de hartelijke gemeende
liefkoozingen dier aardige, kinderlijk onschuldige, kleine Katharina
met hinderlijke, ijskoude zelfverheffing afwees. Bij het zien van die
vrouw zouden de beten hem bij den maaltijd in de keel blijven steken;
zelfs het hooren van den voornamen toon harer stem in een aangrenzend
vertrek, zou hem den lust tot den arbeid benemen, de druk van hare
koele hand bij den nachtgroet hem den slaap bederven.
Ook thans werd hare tegenwoordigheid hem ondragelijk, zij was hem eene
uitdaging, eene beleediging, en had hij vroeger den wensch gekoesterd
haar uit de nabijheid van zich en zijn lieveling te verwijderen, of
als het zijn moest met geweld te werpen, die begeerte beheerschte hem
nu geheel en al. Verstoord en spijtig nam hij van de vrouwen afscheid,
maar Paula verwaardigde hij opzettelijk niet met een blik, toen zij,
nadat hij was opgestaan, naar hem toeging om een vriendelijk woord
tot hem te spreken en hem te toonen, hoe hoog zij zijn pleegzoon
vereerde. Pulcheria begeleidde hem naar den tuin en hij beloofde
haar morgen of overmorgen weder te komen, doch dan moest zij zorgen,
dat hij haar met hare moeder alleen vond; want hij had geen lust,
om zich dien hoogmoed en eigenwaan der Damasceensche ten tweedemale
"onder den neus wrijven" te laten. Pulcherias poging, om hare vriendin
te verdedigen, wees hij verdrietig af en met verwenschingen op zijne
oude lippen draafde hij naar huis.
Intusschen was vrouw Martina op hare vertrouwelijke, gemoedelijke
manier Paula genaderd. Zij had vroeger eens hare ouders te
Konstantinopel ontmoet en wist met hartelijke warmte over dezen te
praten. Dat brak dan ook bij de jonkvrouw het ijs, en toen vrouw
Martina met waardeering en deelneming gewaagde van Orion, haren
"grooten Sesostris", en hoe hij te Konstantinopel algemeen geacht
en bemind werd, en welke ongelukken hem sedert hadden getroffen,
gevoelde zij zich tot de oudere vrouw zoo zeer getrokken, dat zij
elke achterhoudendheid liet varen, zoodat het gesprek tusschen deze
nieuwe kennissen steeds levendiger, inniger en vriendschappelijker
werd. Bij het opbreken gevoelden beiden, dat zij door verder verkeer
met elkander slechts winnen konden.--Toen Paula bij het afscheid werd
weggeroepen, verliet zij het viridarium met deze warme woorden, die
alleen tot vrouw Martina gericht waren: "Tot wederziens; doch aan mij,
de jongere voegt het natuurlijk, u op te zoeken!"
"Welk een meisje!" zeide de matrone, na haar vertrek. "Waarlijk,
zij is de waardige dochter van een voortreffelijken vader! En hare
moeder? O vrouw Johanna, een lieflijker wezen is deze ellendige aarde
zelden tot sieraad geweest. Helaas, zij moest zoo vroeg heengaan; zij
was maar bestemd om eene wijle te bloeien!" Vervolgens wendde zij zich
tot Katharina en vervolgde, haar vriendelijk dreigende: "Hoe valsch
heeft uw boos tongetje mij toch dit meisje beschreven! Men spreekt
wel eens van zilveren kernen in gouden schaal, maar bij deze zijn
beide van goud. Ik ken mijne menschen! En gij, gij beiden... hemelsche
Vader... ik weet al, wat u arm katje, de oogen beneveld heeft. Zooals
ieder wenscht te zien, zoo ziet het er ten slotte uit. Ik wed, vrouw
Johanna, dat gij mijne zienswijze deelt, namelijk, dat deze Paula een
door en door edel schepsel is, ja een 'edel'! Dat is een hoogdravend
woord, en lieve God, hoe zelden kan men het gebruiken! Het ligt mij
anders ook niet op de lippen, maar voor die jonkvrouw weet ik geen
ander, en voor haar schaadt het niet!"
"Zeker niet!" antwoordde zij, tot wie de vraag gericht werd, uit volle
overtuiging; doch vrouw Martina slaakte een stillen zucht en dacht:
"Arme Heliodora! Ronduit gezegd: mijn 'groote Sesostris' en Paula,
dat zou eerst recht een paar zijn. Doch, om Godswil, wat moet men
dan met dat arme, verliefde, ongelukkige wijfje beginnen?!"
Dat vloog haar opeens door het brein, terwijl Katharina zich trachtte
te rechtvaardigen en betuigde, dat zij Paula's groote eigenschappen
wel erkende, maar dat deze zoo trotsch kon zijn, zoo vreeselijk
trotsch! Zij had zoo straks vrouw Martina zelve daarvan een proefje
te smaken gegeven.
Pulcheria viel haar in de rede, om met nadruk de partij van hare
vriendin op te nemen. Doch zij kwam niet ver, want in de voorzaal
verhieven zich luide mannenstemmen, en plotseling stormde de voedster
Perpetua naar binnen en riep met den schrik op het gelaat, zonder
op de vreemde bezoeksters acht te geven: "O, o vrouw Johanna! Dit
nieuwe, ontzettende ongeluk! Daar zijn die Arabische duivels
teruggekomen, en met hen de tolk en een schrijver.--Men heeft ze
gezonden--barmhartige Heiland, hoe is het mogelijk?--en zij brengen
een bevel tot gevangenneming; en mijn arm kind moet met hen mede, mede
naar de gevangenis, de gansche stad door te voet naar de gevangenis!"
Snikkende sloeg de trouwe, oude vrouw de handen voor het gelaat,
en een vreeselijke schrik maakte zich van allen meester.
Vrouw Johanna verliet zwijgende en bleek het viridarium en de matrone
riep: "Een allerverschrikkelijkst, een ellendig land! Mijn God, thans
vergrijpen zij zich zelfs aan de vrouwen.... Kinderen, kinderen--geef
mij een stoel! Ik word zoo wee!--In de gevangenis! Dit heerlijke,
eenige schepsel over de straat gesleept, naar de gevangenis! Wanneer
het bevel tot inhechtenisneming er is, dan--dan moet zij in den kerker,
daarvoor kan geen engel haar bewaren. Maar deze edele, wonderschoone
jonkvrouw door de stad te laten slepen, als ware zij eene erbarmelijke
dievegge, dat, neen, dat is niet te dulden! Wat de eene vrouw voor de
andere doen kan, dat ten minste mag niet verzuimd worden, zoolang ik
nog hier ben en op mijne twee beenen sta! Katharina, kind, begrijpt
ge dan niet? Wat staat ge daar nog en gaapt mij aan, als ware ik een
gevederde aap? Waartoe vreten uwe dikke paarden de haver! Nu, begrijpt
gij het nog niet? Dadelijk, dadelijk vliegt gij naar de overzij,
en laat den grooten, gesloten wagen, waarin men mij afgehaald heeft,
inspannen en den tuin binnen rijden!--Thans gaat haar eindelijk een
licht op! En nu de voeten en armen gerept!"
Daarop klapte zij in de handen, als wilde zij kippen van een tuinbed
jagen, en het kwikstaartje moest volgen. Vervolgens tastte zij
naar haar buidel en toen zij dien vond, zeide zij geruststellend:
"Goddank! Thans kan ik met die ongeloovige schurken praten! Deze
taal"--en daarbij liet zij de goudstukken rammelen,--"verstaan zij
allen! Kom, vrouwtje, waar schuilen die rekels?"
De wereldtaal van de matrone deed de gewenschte uitwerking, want de
aanvoerder der veiligheidswacht liet zich met behulp van den tolk
overhalen, om Paula in een wagen naar de gevangenis te brengen,
beloofde haar aldaar een goed verblijf te bezorgen, en vergunde de
oude Betta, die met heete tranen er op stond, de gevangene in den
kerker te volgen.
Bij deze ontzettende verrassing behield Paula hare tegenwoordigheid
van geest en hare waardigheid. Eerst toen het er op aan kwam, om
afscheid te nemen van Pulcheria en Maria, die als radeloos zich aan
haar vastklemde en haar met Betta in den kerker begeerde te volgen,
kon zij hare tranen niet weerhouden. De schrijver had haar medegedeeld,
dat zij door den bisschop Plotinos was aangeklaagd; de redding en de
vlucht der nonnen te werk gesteld te hebben, en vrouw Johanna voelde
hoe hare knieën knikten, toen Paula haar zacht in het oor blies:
"Neem u in acht voor Katharina! Zij alleen kan ons hebben verraden,
doch ook wanneer zij heeft aangegeven, wat Rufinus voor de zusters
heeft gedaan, dan moeten wij het loochenen, stellig en zeker. Vrees
niets! Van mij zullen zij niet het geringste te weten komen."
Een oogenblik daarna zeide zij met luider stem: "Ik behoef u niet te
bidden mij in liefde te blijven gedenken. Heb dank, beiden, vurigen,
onuitsprekelijken dank voor alles..... Gij Pul"--en daarbij omarmde
zij moeder en dochter te gelijk, terwijl Maria vast aan haar geklemd
bleef en het hoofdje in haar kleed verborg, onder bitter schreien--"Gij
Pul, en gij vrouw Johanna, gij hebt eene arme verlatene tot de uwe en
gelukkig gemaakt, totdat het lot ons allen te zamen.... Gij weet het,
ach, gij weet het!--En wat gij mij geschonken hebt, schenk dat verder
mijne Maria! En nu nog een ding!--Ach, daar roept de tolk wederom;
nog een enkel oogenblik geduld!--Wanneer de bode terugkomt en bericht
brengt van mijn vader, of--God, als het eens waar was!--hem zelven,
laat het mij dan weten, of--genadige hemel!--breng hem tot mij! En
ben ik er niet meer als hij komt, zeg hem dan, dat het de vurigste
wensch mijns levens is geweest hem terug te vinden, hem weder te
zien. En dan"--deze woorden fluisterde zij vrouw Johanna weder zacht
in het oor--"smeek mijn vader, dat hij Orion lief hebbe als zijn eigen
zoon. En zeg aan beiden, dat ik hen heb liefgehad tot mijn einde, zoo
vurig, zoo onuitsprekelijk en innig."--Daarna zeide zij weder overluid,
terwijl zij ieder afzonderlijk de oogen en de lippen kuste:--"Ik heb
u lief en zal u blijven liefhebben, u, vrouw Johanna, u, mijne Pul,
en u Maria, mijn eenig hartediefje!"
Daar vloog ook het kwikstaartje met geopende armen naar haar toe, maar
vrouw Johanna wees haar met een veel beteekenend handgebaar terug,
en de innig vereenigden klemden zich voor het laatst nog eens zoo
vast aan elkander, als waren zij een en mocht niets vreemds, niets
dat hunne vrede verstoren kon, hen naderen. Toch beproefde Katharina
nog eens bij Paula te komen; doch vrouw Martina, wier vochtige oogen
aan de vier afscheidnemenden hing, hield haar bij den schouder vast
en duwde haar toe: "Stoor haar niet, meisje! Zulke harten trekken
vanzelf tot zich, waarnaar zij verlangen. Ik oude vrouw zou wel waard
willen zijn, dat zij mij riepen!"
Nu vermaande de tolk met alle gestrengheid om te scheiden; de drie
vrouwen lieten elkander los, doch het kind hield Paula stevig vast,
ook toen zij tot de matrone ging, en deze uit vrije beweging omarmde.
Vrouw Martina nam het hoofd der jonkvrouw tusschen hare handen,
kuste haar innig en zeide, hoewel zij nauwelijks spreken kon: "God
bescherme en behoede u, mijn kind! Hem dank ik, dat hij mij u deed
ontmoeten! Zoo onschuldig en rein van hart als gij zijt blijft men
niet in de residentie, doch als vrienden van onze vrienden houden
wij voet bij stuk, tenminste ik en mijn senator! Als God er mij
toe in staat stelt, dan zult gij het ondervinden, Gij behoeft niet
alleen te staan in de wereld, zoolang Justinus en zijne vrouw er nog
zijn. Onthoud dat mijn kind, want het is ernstig en eerlijk gemeend."
Hierop kuste zij Paula nog eens, en toen deze naar buiten ging, om den
wagen te bestijgen, en zij ook de Griekin Eudoxia en Mandane, die zich
bescheiden en in stilte schreiende op den achtergrond hadden gehouden,
een afscheidskus had gegeven, en eindelijk ook den gebochelden tuinman
en den Masdakiet, wien de tranen langs de wangen biggelden, de hand
gereikt had, trad Katharina haar gejaagd en diep beleedigd in den
weg, klemde zich aan haar arm vast en zeide dringend: "En voor mij,
hebt gij dan niets voor mij?"
Paula wrong zich uit hare handen los en fluisterde haar toe: "Dank voor
den wagen! Gij weet het, die brengt mij naar den kerker, en ik vrees
dat uw verraad mij daarheen voert. Vergis ik mij, vergeef het mij dan,
zoo niet, dan zal uwe straf zeker niet lichter zijn dan het lot dat
mij wacht. Gij zijt nog jong, Katharina, tracht beter te worden."
Daarop besteeg zij met de oude Betta den wagen, en zag alleen nog,
hoe Maria snikkende vrouw Johanna in de armen viel.