Katharina had weinig geslapen en was volgens hare gewoonte zeer vroeg
opgestaan, terwijl Heliodora de morgenuren gaarne versliep. Deze waren
in zulk een gloeiend heeten tijd zeker de schoonste van den dag, en
het kwikstaartje had ze vroeger vroolijk genoten. Maar hoewel eene
groote Indische bloem in den afgeloopen nacht voor de eerste maal was
opengegaan, en de tuinopzichter haar deze met zekeren trots toonde,
kon zij er toch geen behagen in scheppen. De bloem mocht verdorren
en met haar de geheele wereld!
In 's buurmans tuin was nog geen beweging. Doch daar kwam de lange
arts Philippus op de straat aanloopen, om de vrouwen hiernaast te
bezoeken. Met enkele groote stappen ijlde zij naar de poort en riep
hem aan. Zij wilde hem verzoeken over de ontmoeting van gisteren te
zwijgen, doch hij bleef terstond staan en deelde haar mede, voor zij
nog tijd had gevonden hem haar wensch te openbaren, dat de weduwe van
den Mukaukas in dezen nacht, door schrik en ontzetting overmand haar
gemaal gevolgd was.
Er was een tijd geweest, waarin het kwikstaartje aan vrouw Neforis
als aan eene tweede moeder gehecht was, waarin het stadhouderlijk
paleis in haar oog het kort begrip was geweest van al wat groot,
eerwaardig en voornaam was; waarin zij er trotsch op was geweest
en er zich gelukkig in had gevoeld, daar in en uit te mogen gaan;
daar als een kind des huizes bemind te worden. De tranen, die bij
dit bericht in hare oogen welden, waren dus niet geveinsd, en het was
haar goed die vroolijke, trotsche en gelukkige houding te verlaten,
die zij als een masker had aangenomen, sedert het er in hare ziel
zoo duister, woest en ellendig uitzag.
De arts begreep hare droefheid, beloofde haar gaarne tegen ieder
te zullen zwijgen, berispte haar niet, bracht haar echter nogmaals
het gevaar onder de oogen, waaraan zij zich had blootgesteld, en
herinnerde haar met nadruk, dat elk kleedingstuk, hetwelk zij en
Heliodora gisteren gedragen hadden, moest worden weggedaan, daar de
fijne aanstekelijke stofdeeltjes aan alles bleven hangen, en ieder
kleedingstuk, dat een kranke had aangeraakt, zeer best in staat was om
het pestgif op anderen over te dragen en verder te verbreiden. Angstig
hoorde zij hem aan en zij kon hem gerust stellen, want alles wat
zij en de jonge vrouw gisteren gedragen hadden, was in den badoven
gestopt. De arts ging hierop verder, maar zij sloeg geen acht op
de hitte en wandelde rusteloos rond in de paden van den tuin. Haar
hart klopte met kleine, snelle, pijnigende slagen; een onzichtbare
last drukte en verhinderde haar vrij adem te halen. Daarbij steeg er
eene reeks kwellende gedachten ongeroepen bij haar op, die zich niet
lieten onderdrukken en hare beklemdheid vermeerderden.
Vrouw Neforis dood, de stadhouderlijke woning in handen der
Arabieren. Orion van al zijne goederen beroofd en aangeklaagd op
leven of dood! En dat vreedzame huis daar achter de heg! Wat stond
het te wachten, en zijn zilverharigen heer en diens onschuldige
vrouw en dochter? Er pakte zich boven hunne hoofden een onweder
samen, zij zag het naderen, en daarachter als eene nieuwe, donkere
met den dood dreigende wolk de pest, de vreeselijke pest!--En al
die schrikkelijke dingen had zij, zij, het kleine, zwakke meisje,
het vlugge kwikstaartje te voorschijn geroepen; zij was het geweest,
die de sluizen had geopend, waaruit thans het verderf links en rechts
van haar zich uitstortte. Zij zag den vloed wassen en stijgen, zag
dien reeds haar eigen huis, haar eigen voet begeerig omspoelen, en
zij werd zoo bevreesd, dat de gedachte hieraan alleen haar het zweet
op voorhoofd en handen deed uitbreken; en toch, toch! Al had zij
werkelijk de macht gehad, om het onweder in zijne wolken, de vloed
binnen zijne bedding terug te dringen, zij zou het toch niet gedaan
hebben. Het laatste wat zij wenschte, wat zij als vrucht van het
door haar gezaaide begeerde te zien opschieten en zich ontwikkelen,
was nog niet gekomen. Om dat te beleven was het waard veel te dulden,
ja als het zijn moest deze valsche, heete aarde vaarwel te zeggen,
die alle aantrekkelijkheid voor haar verloren had.
Boven Orions hoofd hing het zwaard, en vóor het hem trof zou hij
weten, wie het voor hem geslepen had. Misschien bracht hij er het
leven af, maar de Arabier gaf niet terug wat hij eens bezat, en
moest werkelijk de jonge, schitterende Kroisos als bedelaar uit de
gevangenis in het leven terugkeeren, dan, dan.... Maar Paula! Maar
Heliodora! Hare kleine hand had aan den adelaar van Zeus nu eenmaal
den bundel bliksemstralen ontwrongen,--dan vond zij ook voor deze een
schicht! Het gevoel harer geweldige macht, die reeds het eene offer
na het andere had doen vallen, bedwelmde haar. Zij wilde Orion, wilde
hem die haar bedrogen had, in het verderf gestort en aan ellende prijs
gegeven, als bedelaar aan hare voeten zien, en dat was het wat haar
den moed gaf, om ook het uiterste te wagen; dat, en dat alleen! En
wat haar dan zou lusten te doen, dat wilde zij zelve nog niet weten,
dat lag in den schoot der toekomst verborgen, dat kon misschien teeder,
barmhartig en liefderijk uitvallen.
Toen zij in huis terugkeerde waren angst en beklemming van haar
geweken; een nieuwe lust om te handelen vervulde hare ziel, en de
kleine luistervink en belaagster was in deze uren eene vreeselijke
vrouw geworden die voor geene misdaad terug zou deinzen en zich
volkomen bewust was van het doel, dat zij bereiken wilde.
"Arm schaapje!" dacht de arts Philippus, toen hij den tuin van
Rufinus inliep, "de ongelukkige zal ook haar kleine hartje leed genoeg
hebben gedaan!"
De tuin van zijn ouden vriend was ledig. Alleen onder de sykomore
zaten twee menschen, de reuzengestalte van een jonkman en een schoone,
teedere, wat bleeke, blondharige vrouw. De groote jonkman hield een
breede streng wol met de kolossale handen uit elkander en het meisje
naast hem wond den draad tot een kluwen. Het was de Masdakiet Rustem
en de schoone Mandane; beiden waren van hunne wonden hersteld, terwijl
de Perzische tot een nieuw, kalm, zelfbewust leven was ontwaakt.
Philippus had deze wonderbare herstelling met groote belangstelling
en deelneming gevolgd. Hij schreef haar allereerst toe aan de sterke
hoofdbloeding, vervolgens aan de goede lucht en de verpleging, die
zij genoten had. Het kwam er nu op aan haar ook verder voor onrust
en hevige gemoedsaandoeningen te bewaren. In den Masdakiet had zij
een vriend en gehoorzamen vereerder gevonden, en Philippus verheugde
zich in den aanblik van deze twee, met wie zijne kunst geen schande
had ingelegd. De groet, die hij beiden toeriep, klonk vroolijk en
hartelijk, en op Philippus' "hoe gaat het?" antwoordde de Masdakiet
blijmoedig: "Als een visch in het water!" en vervolgde, terwijl hij
daarbij op Mandane wees: "Mijne landgenoote evenzoo."
"Zijt gij het daarmee eens?" vroeg Philippus, en zij stemde toe met
een levendig hoofdknikken.
Philippus stak dreigend zijn vinger tegen den Pers op en zeide:
"Wikkel u hier niet vast, vriend! Wie weet hoe spoedig heer Haschim
u vanhier roept!"
Terwijl hij het herstelde paar vervolgens den rug toekeerde, prevelde
hij in zichzelven: "Toch altijd nog iets verkwikkends bij al de
ellende, zij en de kleine Maria!"
Voor zijn vertrek had Rufinus de vergroeide kinderen, die hij bij
zich had opgenomen, naar hunne ouders teruggezonden, en de arts vond
dus niemand in de voorzaal. Waarschijnlijk waren de vrouwen aan het
ontbijt in de spijszaal. Doch hij bedroog zich, want dit zou eerst
later beginnen en Pulcheria was nog bezig met de tafel gereed te
maken. Zij merkte hem, die binnentrad niet op, terwijl zij druiven en
granaatappelen, vijgen en vruchten, die in bundels uit den stam der
sykomoren ontspruiten en in smaak op moerbeziën gelijken, zorgvuldig
schikte tusschen bladeren, die door den gloed der laatste weken half
geel waren geworden. Het aardige bouwsel rondde zich reeds tot een
sierlijken kegel in vele geledingen. Doch hare gedachten waren niet bij
dezen arbeid, want herhaaldelijk biggelden haar tranen langs de wangen.
"Die gelden haar vader," dacht Philippus, terwijl hij in de deur
staande haar beschouwde. "Arm kind!" Hoe vaak had hij zijn vriend
haar dus hooren noemen! En voor hem was zij tot nu toe ook een kind
geweest. Heden moest hij haar echter met andere oogen aanzien, omdat
haar eigen vader het aldus had gewild; ook stond hij werkelijk
voor haar als voor een wonder. Wat was er uit die kleine Pul
geworden? En waarom merkte hij dit eerst heden op? Eene schoone,
volwassene jonkvrouw roerde daar voor hem de sneeuwwitte armen,
en kort geleden zou hij hebben gezworen, dat zij nooit andere dan
dunne kinderarmpjes had gehad, die zij hem zoo vaak om den hals had
geslagen, wanneer zij op hem, haar "edelen ruiter", in den tuin op en
neder had gereden. Hoe lang was dat geleden? Tien jaren! Zij telden nu
zeventien! En hoe teeder, slank en blank waren die handen geworden,
waarover de moeder haar zoo vaak berispt had, als zij zandhuisjes
had gebouwd en terstond daarop aan tafel was gaan zitten.
Nu legde zij een druiventros in sierlijke winding rondom eenige
granaatappels, en daarbij bedacht hij, hoe zijn oude vriend gisteren
hare huishoudelijkheid had geroemd. De gordijnen voor de vensters waren
gesloten, toch vonden enkele zonnestralen den weg in het vertrek en
vielen op hare goudblonde haren. Zulk een heerlijk gekleurde haartooi
hadden zelfs de blonde Boeotische meisjes niet gehad, die hij als
student van Athene uit in haar vaderland had bewonderd. Dat zij een
aardig, lief gezichtje had, wist hij sedert lang; doch toen zij de
oogen opsloeg, hem opmerkte en haar blik zoo maagdelijk schuchter,
zoo aangenaam verrast en tevens zoo vriendelijk de zijne ontmoette,
gevoelde hij dat hij eene kleur kreeg, en hij moest eerst eenige
oogenblikken tot bezinning komen, eer hij haar groet met iets
beters dan een gewonen wedergroet kon beantwoorden. En met welken
veelbeteekenenden volzin begon hij zijne toespraak, waarop hij zich
in deze pauze bedacht had?
"Ja, daar ben ik," luidde het woordelijk. Waarlijk dit verdiende niet
het hartelijk antwoord: "Goddank dat gij komt!", en de met zulk een
bevallige verlegenheid erbij gevoegde verklaring: "Al ware het enkel
om moeders wil!"
Daar kleurde hij andermaal, de man, die van jeugdige bedeesdheid
sedert lang niet meer wist, en vroeg naar den welstand van vrouw
Johanna en hoe zij haar leed droeg, en zeide eindelijk ernstig: "Wat
booze tijdingen bracht ik u gisteren, en heden kom ik weder als een
ongeluksraaf in huis fladderen."
"Gij?" vroeg zij vriendelijk, en in dit enkele woord lag zulk een
lieftallige twijfel aan zijne bedoeling, om iets kwaad te brengen,
dat hij erkennen moest, zijn vriend hem in dit kind, in deze jonkvrouw
het beste had nagelaten wat de eene sterveling den ander vermaken kan:
eene dierbare, trouwhartige, onschuldige dochter, neen, een zuster,
zoo rein, zoo aanminnig en beminnenswaardig, als alleen het kind van
zulke ouders zijn kon. En terwijl hij haar vervolgens vertelde, wat
er in de stadhouderlijke woning gebeurd was en bemerkte hoe zeer haar
om Paula's en Maria's wil de dood van de weduwe ter harte ging, die
haar overigens vreemd was, besloot hij Pulcherias moeder zoo spoedig
mogelijk met den wensch van haar overleden echtgenoot bekend te maken.
Doch dit alles stelde de vroegere gevoelens voor Paula in geenen deele
in den schaduw, neen, zij kwelden hem heden meer dan ooit en brandden
hem op het hart; maar hij erkende daarbij, dat zij hem ongelukkig
maakten, dat hijzelf zich daarmede schade berokkende en beleedigde,
daar zij niet beantwoord werden. Hij wist, dat hij in de nabijheid
van de Damasceensche, veroordeeld om met haar samen te leven, nooit
tot rust zou komen en leed op leed te verduren zou hebben. Alleen
ver van haar en onder éen dak met Johanna en hare dochter kon het
hem gegeven zijn een tevredener, gelukkiger mensch te worden. Toch
waagde hij nog niet deze gedachte onder woorden te brengen.
Pulcheria bemerkte, dat hij iets voor haar verzweeg en vreesde dat
hem opnieuw iets bekend was geworden, dat haar bedreigde, doch deze
bezorgdheid kon hij wegnemen door te verzekeren, dat hij veeleer iets
in het schild voerde, dat hem althans verblijdend toescheen. Maar
haar bekommerd en zeer beangstigd gemoed kon daaraan nauwelijks
gelooven en daarom smeekte hij haar de hoop op beter dagen niet te
laten varen en vroeg haar, of zij goed en vast vertrouwen in hem
stelde. Daarop antwoordde zij blijmoedig, dat hij dit wel voelen kon,
en terwijl vrouw Johanna en de anderen de kamer binnenkwamen, en
zij hare moeder, die zij reeds in de vroegte begroet had, toeknikte,
reikte zij hem de hand, greep de zijne en schudde die hartelijk. Dat
waren verkwikkende oogenblikken voor hem geweest, doch het zien van
Paula en wat hij haar had mede te deelen, bracht hem weder in de oude,
gedrukte, ongelukkige stemming.
De kleine Maria, die weder roode koonen had gekregen en er gezond
uitzag, vloog bij de booze tijdingen, die hij overbracht, snikkende
Paula om den hals. Deze hield zich echter bedaarder dan hij verwacht
had en wist zich te beheerschen. Wel-is-waar was zij eerst doodsbleek
geworden, doch weldra had zij rustig en kalm geluisterd en eindelijk
hare vrije, opgerichte houding weder aangenomen. Philippus moest de
hand aan het hart brengen toen hij haar zag, en zoodra het voegzaam
geschieden kon vertrok hij. Het was als moest hem nog eens duidelijk
en smartelijk voor oogen gesteld worden, wat hij in haar had kunnen
bezitten, want als gedragen door een hooger gevoel schreed zij
daarheen, en een fantastische glans verleende haar edel gelaat eene
betoovering, die hem evenzeer pijn deed als ze hem in verrukking
bracht.
Orion een van zijne goederen beroofde gevangene! Maar korten tijd
had deze gedachte haar schrik aangejaagd; doch daarna was het haar
geweest, als moest het juist zoo zijn, als ware datgene wat op het
eerste gezicht een vreeselijk onheil scheen, haar toegezonden, om
haar liefde geheel van het omhulsel te bevrijden, haar in al hare
grootte en reinheid in het licht te stellen, en daaraan met hulp
van den Algoede de rechte wijding te geven. Voor zijn leven was
zij niet bevreesd, want hij had haar gezegd en geschreven, hoe de
veldheer Amr hem met vaderlijke genegenheid tegemoet was gekomen,
en alles wat thans gebeurde was zeker een streek van den Wekil, van
wiens boosaardig en hatelijk voorkomen hij een afschrikwekkend beeld
had geteekend, terwijl Rufinus de abdis was gaan waarschuwen.
Toen het huis van den vriend achter Philippus lag, haalde hij weer
vrijer adem. Wat had hij die vrouwen geheel anders gevonden dan
hij verwacht had! Zijn oude vriend kende de menschen! Uit kleine
aanwijzingen was het den grijsaard gelukt zich een vollediger beeld van
Pulcheria te vormen, dan hij door jaren lange vertrouwelijke omgang
zou hebben kunnen verkrijgen. Ook dat had de oude vooruitgezien,
dat de gevaren, die des stadhouders zoon bedreigden, Paulas gevoelens
voor Orion als eene frissche koelte zouden aanwakkeren. En Johanna,
de teedere zwakke Johanna, hoe droeg zij als eene heldin het verlies
van hem, voor wien zij zoovele jaren in trouwe liefde had geleefd. Hij
kwam er vanzelf toe haar met de ongelukkige Neforis te vergelijken,
en wat was het, dat Johanna het zwaarste verlies zooveel waardiger
deed dragen dan deze? Zeker dit, dat het teeder gemoed harer Pulcheria,
hetwelk het leed zoo eenvoudig en stil met haar droeg, dat verlies zoo
gaarne en verstandig met haar deelde. Zulk een hart had der weduwe
van den Mukaukas ontbroken, en gelukkig wie zulk een hart het zijne
kon noemen. Met gebogen hoofd liep hij den tuin door, ditmaal zonder
ter zijde te zien.
De Masdakiet, die nog altijd met Mandane onder de sykomore zat en
even weinig als zij letsel had van de steeds toenemende zonnehitte,
keek hem na, wees op hem en zeide: "Daar gaat hij! Het was zeker
voor de eerste maal, dat hij u of mij een norsch woord toesprak;
of hebt gij het niet verstaan?"
"Wel zeker," zeide zij zacht, zonder de oogen van haar handwerk op
te slaan.
Zij spraken Perzisch met elkander; want zij hadden de taal nog
niet verleerd, die hunne moeders tot het laatst met hen gesproken
hadden. Het leven gelijkt soms op het wonderlijkste sprookje, en men
kon het bijna een wonder noemen, dat juist deze twee in de ziekenkamer
bij elkander gekomen waren, want zijn afgelegen vaderland was ook
het hare, en hij kende ook haar oom, den broeder haars vaders, en
de treurige geschiedenis van den laatste. Toen het Grieksche leger
zich van zijne landstreek had meester gemaakt, waren de mannen met
de kudden in de bosschen gevlucht, de vrouwen en kinderen in het
vestingwerk, dat den landweg verdedigde. Dit had maar korten tijd
tegen de Byzantijnen stand kunnen houden, en de vrouwen, waaronder
ook Mandane en hare moeder, waren onder de soldaten verdeeld als een
kostbare krijgsbuit. Haar vader had toen een gewapende bende rondom
zich vereenigd, om de vrouwen te bevrijden, doch was daarbij met
zijne gezellen om het leven gekomen. Men sprak nog heden ten dage
in dien streek over het treurige einde van den moedigen man, en zijn
jongeren broeder behoorde thans het goed en de heerlijke graslanden,
die gene eens bezeten had.
Zoo hadden beide herstellenden elkander veel van vroeger te vertellen
en het was merkwaardig, hoe vele herinneringen uit hare eerste
kindschheid Mandane waren bijgebleven. Met benevelde hersens was
haar gewond hoofd op het kussen in het ziekbed neergelegd, en gelijk
een onweder, dat de verstikkende lucht van een drukkenden zomerdag
zuivert, had het nieuwe leed den sluier weggenomen van de oogen harer
ziel. Zij verwijlde gaarne bij hare kindschheid, den tijd toen zij
hare moeder nog bezat, en bij het tegenwoordige; wat daar tusschen
lag was voor haar als de nachtelijke hemel; donker, maar verhelderd
door eene schrikwekkende komeet en schitterende sterren. Die komeet
was Orion. Wat zij met hem genoten en door hem geleden had, rekende
zij tot den tijd van haar waanzin; zij had zich gewend, dat alles toe
te schrijven aan de zinsbegoocheling, waarin zij toen bevangen was
geweest. Hare ziel was niet geschapen om te haten, en zij wilde en
kon den zoon des stadhouders niet vijandig gezind zijn. Zij stelde
zich hem voor als een die haar zonder boos opzet groot onrecht had
aangedaan, en aan wien zij zelfs niet meer denken mocht, zonder zich
aan gevaar bloot te stellen.
"Dat wil dus zeggen," begon de Masdakiet weder, "dat het ook u niet
onverschillig zal zijn, als Haschim mij terugroept?"
"Neen, Rustem, dat zou mij zeer leed doen."
"O!" riep de ander, terwijl hij zijne hand streek over zijn groot
hoofd, waarop het zware haar, dat men had afgesneden, weder begon
langer te worden. "Ja, dan, Mandane, dan.... Ik heb reeds gisteren
willen spreken, doch het kwam er nog niet uit; maar nu: Waarom doet
het u eigenlijk leed, dat ik vertrekken moet?"
"Omdat--ja wie kan dat zoo ineens zeggen--omdat gij altijd goed
voor mij waart, en omdat gij mijn landsman zijt en ik met u Perzisch
spreken kan, evenals met mijne moeder."
"Zoo, daarom dus alleen?" vroeg de ander op gerekten toon, terwijl
hij zich over het voorhoofd wreef.
"Neen, neen! Ook omdat.... Als gij ons eenmaal verlaten hebt, dan
zijt gij er ook al niet meer...."
"Ja, dat is het juist, dat is het! En als u dat leed doet, dan moet
het u hier toch bevallen hebben--zoo samen met mij."
"Waarom ook niet? Het was zeker heel prettig," zeide zij, terwijl
zij blozende zijn blik trachtte te ontwijken.
"Dat was het ook, en is het nog altijd!" zeide hij met de breede vuist
in zijne linkerhand slaande. "En juist daarom moet het er eens uit,
daarom moeten wij, als wij verstandig zijn, niet meer van elkander
scheiden."
"Maar uw heer zal u noodig hebben!" zeide zij, met toenemende
ongerustheid, "en wij kunnen die goede menschen hier toch niet altijd
tot last zijn. Ik mag nog niet weven, maar nu ik toch vrij ben en
het geschrift in handen heb dat mij de vrijheid wedergeeft, moet ik
naar werk omzien, en een krachtig, gezond man als gij zijt kan zich
toch ook niet altijd laten verplegen."
"Wat verplegen!" zeide de Masdakiet, terwijl hij vergenoegd lachte. "Er
moet gewerkt worden, gewerkt en wel voor drie!"
"Bij uw kameelen: altijd op reis?"
"Dat moet dan ophouden," antwoordde hij meesmuilend. "Wij gaan naar
ons land terug, ik koop mij daar een goed stuk weiland, want mijn
oudste broeder heeft ons goedje, en of ik de kameelfokkerij versta,
dat kunt gij aan Haschim vragen."
"Maar, Rustem, bedenk toch!"
"Bedenken! Denken voor en na! Willen en hebben daarop komt het
aan! En als gij meent dat er geld noodig is om te koopen, en dat
het haperen zal aan dat goedje, zoo kan ik u zeggen.... Kunt gij
lezen?--Neen?--Ik ook niet, maar hier in mijn taschje heb ik de
afrekening van mijn heer, met zijne eigene hand geschreven. Elfduizend
driehonderdzestig drachmen waren het aan loon, tot den laatsten
termijn, verstaat ge, en aan winst, waarin de heer mij liet deelen
sedert ik de karavaan leidde. Hij heeft bijna alles voor mij bewaard;
want voor mijn onderhoud behoefde ik niet te zorgen; van de koopwaren
viel altijd genoeg af om mij te dekken, en een slemper ben ik nooit
geweest. Elfduizend driehonderdzestig drachmen! He, mijn duifje,
zoo staat het; en wat zegt gij nu? Kan daarvoor ook iets gekocht
worden? Ja of neen?"
Hij zag haar zegevierend aan, doch zij antwoordde met warmte: "Wis
en zeker, en hij ons te lande, geloof ik, iets heel aardigs."
"En wij--gij en ik--wij--er zal nu een geheel nieuw leventje
beginnen. Ik was zeventien jaren oud, toen ik den meester volgde en
bij de laatste zonnestilstand ben ik zes-en-twintig geworden. Hoe
veel jaren was ik dus reizende?"
Beiden dachten een poosje na, waarop Mandane schuchter zeide: "Als
ik mij niet vergis zijn het er acht."
"Het zijn er reeds negen, geloof ik," hernam hij met nadruk. "Laat
eens zien; hier met het handje! Ziet ge met de zeventien begin ik--zoo
oud was ik toen ik in dienst trad. De kleine vinger eerst--wat een
lief fijn dingetje!--en nu de andere!"
Hij hield hare rechterhand vast en telde aan hare vingers verder, tot
hij aan den laatste der linkerhand gekomen was. De uitkomst deed hem
verbaasd opzien, en het hoofd schuddende zei hij: "Men heeft toch aan
de twee handen tien vingers, en tien jaren kunnen het nog niet zijn,
het zijn er hoogstens negen!"
En thans begon het tellen, dat hem zeer behaagde, van voren aan, doch
de uitkomst bleef dezelfde; zij verzekerde nochtans, dat het maar
negen waren; zij had het berekend, en hij gaf haar gelijk en meende,
dat hare vingers betooverd waren. Ja, het spel zou nog lang hebben
voortgeduurd, als zij niet op het denkbeeld was gekomen, dat men de
zeventien niet mee mocht tellen, maar dadelijk met achttien beginnen
moest. Rustem kon dat echter niet goed begrijpen, en toen hij niettemin
toegaf, liet hij toch hare hand niet los en ging vroolijk voort: "Ziet
gij, lief kind, deze kleine hand--gij moogt haar nu terugtrekken als
ge wilt--deze hand wil ik behouden, en met haar het aardige meisje,
en alles wat daartoe behoort. En ik neem u en de beide handen met de
betooverde vingers mede naar mijn huisje. Daar kunnen zij vlijtig weven
en borduren, en als man en vrouw zullen we nooit weer van elkander
scheiden. Eén leven zullen wij leiden--éen leven--de vreugde van
het Paradijs zal daarbij vergeleken zijn; als enkel slagen met een
knuppel van olijvenhout op den schedel; daar weet ik van te praten!"
Daarbij greep hij weder naar hare hand, doch zij trok haar terug en
zeide verlegen en met neergeslagen oogen: "Neen Rustem, ik heb reeds
gisteren gevreesd, dat iets dergelijks zou komen, doch dit kan nooit
gebeuren. Ik ben zoo dankbaar, o zoo dankbaar; maar neen, neen, dit
mag niet, daar blijft het bij. Uwe vrouw kan ik niet worden, Rustem!"
"Niet?" vroeg hij op doffen toon, en op zijn vermagerd voorhoofd
begonnen de aderen te zwellen. "Hebt gij mij dan vroeger voor den
gek gehouden? En wat gij daar bazelt van dankbaarheid..."
Hevig ontsteld stond hij op, doch zij greep hem bij den arm, trok hem
op de bank terug, waagde het hem met teederheid in de oogen te zien,
die niet lang boos konden kijken, en zeide: "Wat vliegt gij dadelijk
weer op! Het zal mij zeer stellig aan het hart gaan van u te scheiden,
en kunt gij het mij dan niet aanzien, dat ik u goed gezind ben? Maar
het gaat, waarlijk het gaat niet! Ik, ik... ach, kon ik maar weder
naar mijn vaderland terug, met u, juist met u! En uwe vrouw. Wat eene
verhevene, heerlijke gedachte is dat, en hoe gaarne zou ik voor ons
beiden de handen roeren, die vlijtig en bekwaam genoeg zijn, maar...."
"Maar?" vroeg hij terwijl hij zijn groot, vuurrood gezicht naar haar
toekeerde met eene uitdrukking, als wilde hij haar verslinden.
"Maar om uwentwil gaat het niet, en mag het niet gebeuren, neen,
waarlijk niet, want zoo slecht wil ik u voor al uwe goedheid niet
beloonen. Hebt gij dan geheel vergeten, wat ik was en wat ik ben? En
gij? Als vrij man gaat gij weldra met een mooi kapitaal naar huis
en kunt van iedereen achting en eerbied verlangen; doch dat alles
wordt anders, geheel anders, wanneer gij eene vrouw als ik ben met
u medesleept, eene,--al ware het maar alleen eene voormalige slavin!"
"Komt het dus daarop neer?" haastte hij zich te vragen, terwijl
zijn gelaat weer ophelderde. "Is dat het wat u beangst, gij arm
zieltje? Maar weet gij dan niet wie ik ben, heb ik u niet onlangs
verklaard, wat een Masdakiet is? Wij Masdakieten gelooven en weten,
dat alle menschen oorspronkelijk gelijk zijn, dat het er beter zou
uitzien in deze oliedomme wereld, als er noch heeren, noch knechten
waren; maar het gaat nu eenmaal op aarde toe zooals het gaat. De
reine Hemelheer duldt het wellicht nog een poosje, maar eerlang,
misschien spoedig reeds wordt het geheel anders, en het is onze
taak, dien dag der gelijkheid voor te bereiden. Met dien dag komt
het Paradijs op aarde, dan zal er onder de menschen geen hooger of
lager zijn, maar zij zullen naast elkander en hand in hand gaan en
staan. Krijg en ellende houden dan op, want wat er schoons en goeds
op aarde is, dat wordt gemeenschappelijk eigendom, en ieder geeft
en helpt den ander even gaarne, als hij hem thans alles ontneemt,
hem benadeelt en onderdrukt. Wij sluiten ook geen huwelijken, zooals
de andere menschen, maar de man, die eene vrouw liefheeft, zegt:
'Wilt gij de mijne zijn?' en als het hart haar dit ingeeft, volgt
zij hem in zijn huis; doch de een mag echter den ander verlaten,
als het uit is met de liefde, maar geen echtpaar onder Parsen en
Christenen was inniger verbonden dan mijne ouders en grootouders;
zoo willen ook wij bij elkaar blijven tot het einde, want onze
liefde zal ons vast samenbinden met stevige koorden, die langer
duren dan ons leven.--Nu kent gij de leer van onze meester Masdak,
dien mijn vader en grootvader reeds volgden, en die mijne moeder mij
heeft ingeprent, toen ik nog zeer klein was. Ons geheele dorp is die
leer toegedaan, en daar zijn ook geen slaven, neen, het land dat bij
het dorp behoort, dat bearbeiden allen te zamen en den oogst deelen
zij met elkaar. Vreemden laten zij echter niet meer toe en ik moet
mijn deel elders gaan zoeken. Ik blijf daarom toch Masdakiet [16],
en kies mij eene gewezene slavin tot vrouw, dan handel ik naar de
leer van mijn meester en laat daaraan recht wedervaren. Maar u--u gaat
dit alles eigenlijk niet aan, want gij zijt het kind van een vrijen,
braven man, wien het geheele land acht; voor wie daar in het oosten
wonen zijt gij eene gevangene, maar geene slavin. Zij zullen mij
eeren als uw bevrijder. Maar had ik u zooals gij daar zijt, als de
minste slavin van een zwijnenhoeder gevonden, ongetwijfeld zou ik
dan terstond in den buidel getast, u losgekocht en u als mijn vrouw
mede maar huis genomen hebben, en geen van de onzen, die u zag, zou
het u hebben aangezien. Nu weet gij waar het op staat, en is het,
hoop ik gedaan met dat tegenspartelen en uitvluchten zoeken."
Doch Mandane gaf hem nog altijd geen gewonnen spel; zij zag hem droevig
aan met een blik, die medelijden scheen te vragen, en wees naar de
plaats van hare verminkte ooren. Hierbij haalde Rustem de schouders
op en zeide lachende: "Natuurlijk, dat nu ook nog! Gij schijnt mij
niets te willen schenken. Ja, had het de oogen gegolden, dan was het
uitgeweest met het zien, en eene blinde vrouw kan een landman niet
gebruiken; dan liet ik u ook waar gij zijt. Maar zoo--zeg zelf, mijn
duifje hoort gij niet zoo scherp als een vogel? En de vogels--het zijn
zulke aardige diertjes--hebt gij er ooit een met ooren gezien, behalve
die leelijke vleermuizen en uilen? Dat is allemaal zottepraat. En wie
kan u dan nog aanzien wat gij mist sedert jonkvrouw Pul u de haren
zoo netjes naar voren gekamd heeft? En dan bij ons te lande! Hebt
gij vergeten welk een hoofddeksel onze vrouwen dragen? Al had iemand
lepels gelijk een haas, wat nood? Men ziet er toch niets van. Zooals
gij zijt, gij lelie, die als een cypres zijt opgewasschen ziet gij er
nog tienmaal schooner uit dan de aardigste ginds al hadt ge in plaats
van twee, zelfs drie of vier ooren. Een meisje met drie ooren! Denk
eens, Mandane: waar zou dat derde komen te staan?"
Hoe hartelijk lachte hij daarbij, hoe blijde was hij, die aardigheid
bedacht, en wat haar gemakkelijk leed had kunnen doen, zoo schertsend
terzijde geschoven te hebben. Doch zijne openhartige vroolijkheid
miste hare uitwerking en plooide hare zwijgende lippen slechts tot
een glimlach, en ook deze verdween snel, en in de plaats daarvan
nam haar gelaat, terwijl haar schoon kopje laag op de borst zonk,
zulk eene diep bezorgde, bekommerde, uitdrukking aan, dat hij noch
met zijn scherts voortgaan, noch verder bij haar aandringen kon, maar
medelijdend en even met het hoofd schuddend zeide: "Zoo moet ge mij
niet aanzien, duifje, ik kan het niet verdragen. Wat ligt u verder
dan nog op het hart? Moed, moed, mijn schatje; spreek het maar vrij
uit! Maar wacht! Zwijg maar! Ja, dat kan ik u wel besparen. Arm lief
meisje!--het is de oude geschiedenis met den zoon van den Mukaukas."
Zij bevestigde dit door eene lichte beweging van het hoofd en met
betraande oogen, maar hij slaakte een diepen zucht en zeide: "Dat
heb ik wel gedacht, juist gedacht, arm hartje!".
Hij nam hierop hare hand en ging trouwhartig voort: "Dat heeft ook
mij kwade uren bezorgd, heeft mij daar binnen veel te doen gegeven,
en bijna was het zoover gekomen, dat ik u daarom had laten zitten en
ons beiden het geluk en de vreugde had ontroofd. Maar ter rechter tijd
heb ik mij bezonnen. Niet omdat vrouw Johanna--en wat zij zegt moet
wel waar zijn--mij eergisteren zeide dat het met--nu ja, dat weet
gij wel--dat is alles weg en voorbij; neen, ditmaal is het verstand
uit mijzelven gekomen; want ik heb bij mij zelven gedacht; zulk een
engelachtig schoon, moederloos, weerloos slavinnetje, dat de jonge zoon
van den heer zelven vasthoudt, hoe zal het zich verweren? Hoe gruwzaam
werd dat arme lieve hartje gestraft! Ach meisjelief, meisjelief, huil
maar uit! Mijne oogen schieten ook vol tranen, het heeft zoo moeten
zijn, het was zoo over u beschoren. Gij en ik en de groote koning en
alle hemelsche heerscharen, wie kan er iets tegen doen? Maar, ziet ge,
ik arme gek, ik begrijp hoe dat gekomen is, en klaag u daarom niet
aan en heb u ook niets te vergeven. Het is echter een groot onheil
geweest. Maar het heeft, goddank, intijds een einde genomen, en ik
kan het geheel en al vergeten, wanneer gij mij slechts zegt: 'Dat
alles is uit en voorbij, en ligt in het graf als iets dat dood is.'"
Nu bracht zij, voor hij het beletten kon, met onstuimige hartelijkheid
zijne hand aan hare lippen en zeide snikkende: "Zoo goed, zoo goddelijk
goed als gij zij, Rustem, zoo goed zijn er geen twee menschen op
aarde, en daarvoor zal mijne moeder u zegenen. Doe met mij wat gij
wilt! Weet dat alles voorbij is, weg en voorbij, en als ik er nog
eens aan denken moet, dan gevoel ik een afkeer daarvan. Zoo, juist
zooals gij zeidet, is het werkelijk gegaan. Moeder dood, en niemand
om mij te waarschuwen en te beschermen! Ik was pas zestien jaren oud,
een eenvoudig, onervaren ding, toen hij mij tot zich riep, en wat
er met mij gebeurd is was als een droom, als men slaapt. En toen ik
weder ontwaakte..."
"Nu zijn wij er," zeide hij, haar in de rede vallende, waarbij hij
de oogen afveegde en beproefde te lachen. "Toen lagen wij beide met
wonden aan het hoofd naast elkander, en gelijk het bij mij te huis
altijd op zijn fraaist is, wanneer de harde wintervorst voorbij en
de sneeuw gesmolten is, en alle bloemen in het dal opeens beginnen te
bloeien, zoo gaat het ten leste ook met ons, meisje. Het zal nu goed,
wonderschoon worden! Ziet ge, eergisteren was ik het met mijzelven
nog niet eens, want uw ongeval liet mij geen rust en zat mij in den
weg; nu, dat kunt gij wel begrijpen. Toen ik later op mijne kamer
te bed lag en de maan naar binnen scheen, toen"--en nu ging hij
nadenkend voort met een droomerige uitdrukking, die zijn eenvoudig
gelaat bijzonder goed stond--"toen moest ik vragen: heeft dan de
maan daarboven heden avond niet weder goede verfrissching en fraai
licht gebracht, hoewel zij toch in de vroegte nog in zee verzonken
was? En kan zoo een menschenhart, dat eenmaal was ondergegaan, ook
niet weder helder en blank opgaan, wanneer het zich gereinigd heeft
en uitgerust is? En welk een hart! Men zou de liefde van zulk een
hart wel voor zich alleen wenschen, maar die kan zich toch meer dan
eenmaal weggeven. Want, zoo dacht ik bij mijzelven, wat is mijne
moeder teeder voor mij geweest; en toen er nog een kindje kwam en
weder een, heeft zij aan dezen ook het beste gegeven wat zij bezat;
en ik ben daarom toch niet tekort gekomen, als zij mijn jongste zusje
aan de borst hield, en ook dat zusje leed er geen schade bij, als
moeder mij liefkoosde en mij kuste. Zoo moet het ook zijn! En zij,
dacht ik verder, al heeft zij ook reeds eenmaal een ander liefgehad,
er blijft toch voor mij nog een goed deel liefde over!"
"Ja, ja, Rustem, zeker!" zeide zij, hem met dankbare betraande oogen
in het open gelaat ziende. "Wat er aan liefde en teederheid in mij is,
dat zult gij, gij alleen hebben."
"Nu," riep hij vroolijk, "dat was een woord! Daar kan men zich aan
vasthouden! Dat noem ik me eerst een morgen! Als een losgelaten
landlooper heb ik mij hier onder de sykomore neergezet en als een
toekomstig grondbezitter, wien het schoonste wijfje op aarde aan huis
bindt, sta ik nu op."
Zij bleven nog lang in de koele schaduw van het loofdak zitten en
hij verlangde niets anders, dan haar aan te zien en op de oude vraag
van geliefden met de lippen, de oogen en een zwijgend hoofdknikken
het antwoord ontvangen. Hare handen brachten de naald niet meer in
beweging; doch beiden zouden hen medelijdend hebben uitgelachen,
die dezen voormiddag met zijne verzengende, alles verdrogende hitte
onuitstaanbaar noemden. Een paar tortelduiven boven hunne hoofden was
minder ongevoelig voor den zonnegloed, want het had de oogen gesloten,
en de kop van het wijfje rustte slap tegen den donkeren ring aan den
hals van het mannetje.