Het was in de stadhouderlijke woning een ontzettende nacht. Vrouw
Martina vroeg zich af welke zonde zij begaan had, dat zij juist
uitverkoren was, getuige van zulk een ongeluk te zijn. En wat werd
er nu van hare huwelijksplannen? Eene verhuizing in deze ontzettende
hitte was zeker eene ware beproeving; maar zij had eenige malen uit het
eene verblijf naar het andere willen trekken en zich als een bal heen
en weer willen laten werpen, als zij daardoor haren lieven "grooten
Sesostris" uit dit verschrikkelijk gevaar had kunnen redden. Dit
alles was zeker het gevolg van die onzinnige, dolle geschiedenis
met de nonnen. En deze Arabieren! Zij namen maar wat hun behaagde,
en waren waarlijk in staat den zoon van den grooten Mukaukas uit te
plunderen en tot een bedelaar te maken. Eene fraaie geschiedenis! Nu
Heliodora had voor beiden genoeg, en zij en haar man behoefden haar
in hun testament niet te vergeten. Doch hier was misschien sprake
van geheel andere dingen: van leven of dood.
Bij deze gedachte voer eene rilling haar door de leden en hare vrees
zweefde niet in de lucht. De zwarte Arabier, die tot haar gekomen
was, om met haar te onderhandelen en haar ten slotte toe te staan
tot morgen in de stadhouderlijke woning te blijven, had haar dit
juist door den tolk doen weten. Een ongehoord, afgrijselijk onheil,
waarvoor geen naam was te vinden! En zij daar midden in, gedwongen
alles mede te beleven! En haar man, haar arme Justinus. Hoe moest
hem dit alles ter harte gaan! Hare oogen werden niet droog, en voor
zij insliep bad zij recht vurig, dat hare heilige en de goede moeder
Gods dit alles tot een verblijdend einde mochten brengen. Met de
gedachte: "Welk een ongeluk!" sloot zij de oogen en in den vroegen
morgen ontwaakte zij daarmee weder.
Toch was het ontzettendste, wat er in dezen noodlottigen nacht had
plaats gehad, niet tot hare ooren doorgedrongen. Eene schare Arabische
krijgslieden was bij het aanbreken van den nacht te voet, te paard en
in booten den Nijl overgestoken, en had, onder aanvoering van den Wekil
Obada, het stadhouderlijk paleis omsingeld. Nadat het stellig gebleken
was, dat Orion zich inderdaad op reis bevond, werd de rentmeester Nilus
gevangen genomen. Vervolgens hadden de zwarten in last de weduwe van
den Mukaukas van het gebeurde te onderrichten en haar aan te zeggen,
dat zij reeds morgen het huis moest verlaten. Dit moest geschieden,
omdat de Wekil met het eerwaardig verblijf van het oudste geslacht
in den lande iets zeer bijzonders in den zin had.
Vrouw Neforis was nog wakker en hield zich in de fonteinzaal op, toen
de tolk, als voorlooper van Obada, zich bij haar liet aandienen. Hij
vond haar een weinig onthutst, want ofschoon zij niet meer in
staat was regelmatig te denken, en haar de invallende gedachten als
bliksemschichten door de hersens schoten, als zij haar geest moest
inspannen, zoo had zij toch bemerkt, dat er iets bijzonders in hare
woning plaats had. Maar zoowel de huismeester Sebek als hare kamenier
hadden hare vragen ontweken en daarop in zooverre geantwoord, dat
naar zij zeiden de plaatsvervanger van Amr gekomen was, om met den
jongen heer te spreken. Het scheen eene belangrijke zaak te gelden,
misschien eene valsche aanklacht.
Orion, zoo berichtte de hermeneut, was aangeklaagd van eene onderneming
op het getouw te hebben gezet, die aan twaalf Arabische krijgers
het leven had gekost, en reeds de aanval op een enkelen muzelman van
de zijde eens Egyptenaars werd, gelijk zij wist, met den dood en de
verbeurdverklaring van het vermogen gestraft. Verder was haar zoon
van roof aangeklaagd. Aan het einde van zijne mededeeling, die vrouw
Neforis met strakke blikken, verbaasd en ten laatste als verpletterd
had aangehoord, vroeg de tolk gehoor voor den Wekil.
"Nog niet dadelijk, nog eenige oogenblikken," luidde het met moeite
uitgebracht antwoord van de weduwe, want zij moest zich eerst door
het genot van haar arcanum versterken. Zoodra dit gebeurd was, toonde
zij zich bereid Obada te ontvangen.
De zwarte vijand van haar zoon wenschte voor haar te verschijnen als
een mild en grootmoedig man, en deelde haar met vleiende onderdanigheid
mede, terwijl hij telkens zijne tanden liet glinsteren, dat zij
in den loop van den volgenden dag het huis verlaten moest, waarin
zij den langsten en gelukkigsten tijd haars levens doorgebracht
had. Op zijne verklaring, dat haar eigen vermogen niet aangetast zou
worden, en het haar vrijstond te Memphis te blijven of haar huis te
Alexandrië te betrekken, antwoordde zij gelaten, dat dit wel terecht
zou komen. Daarop vroeg zij, of de Arabieren haar zoon reeds in
handen hadden?
"Dat juist niet," antwoordde de Wekil, "doch wij weten waar hij
schuilt, en morgen of overmorgen hebben wij den beklagenswaardigen
jongeling in onze macht."
Bij de laatste woorden bemerkte de weduwe een glans van vergenoegen in
de oogen van den zwarte, die tot dusver getracht had zich medelijdend
te toonen, en met een zacht hoofdknikken ging zij voort: "Dus is het
hier een vraag van leven en dood?"
"Blijf bedaard, edele vrouw," luidde het antwoord, "alleen van
den dood."
Zij sloeg den blik ten hemel, bleef eenige oogenblikken in die houding
zitten, en vroeg dan verder: "En wie heeft hem van roof beschuldigd?"
"Het hoofd zijner eigen kerk..."
"Benjamin," prevelde zij binnensmonds, en haar mond vertrok zich tot
een eigenaardig lachje. Zij had gisteren haar testament opgesteld ten
gunste van den patriarch en de kerk. "Wanneer Benjamin het gelezen
heeft," had zij tot zichzelve gezegd: "verandert hij misschien van
gezindheid jegens u en de uwen, en laat hij ijverig voor ons bidden."
Daar zij verder niets zeide, zag de Wekil haar vragend en met eenige
verlegenheid aan, tot zij eindelijk opstond en niet zonder waardigheid
afscheid van hem nam met de opmerking, dat de zaken hiermede
afgehandeld waren en zij verder niets met hem te bespreken had.
Hiermede was dit onderhoud afgeloopen, en toen de Wekil de fonteinzaal
verlaten had, mompelde hij bij zichzelven: "Welk eene vrouw! Zij is
of van demonen bezeten en niet wel bij het hoofd, of eene buitengewone
heldin!"
Vrouw Neforis liet zich naar haar slaapkamer brengen, en nadat zij
zich te bed gelegd had, beval zij de kamenier zeker kastje uit hare
kist te nemen en het op het artsenijtafeltje aan het hoofdeinde van
haar legerstede te plaatsen. Toen zij alleen was haalde zij de beide
brieven, die de Mukaukas Georg haar als bruidegom geschreven had,
en een gedicht, dat Orion eens aan haar gericht had, daaruit te
voorschijn en beproefde ze te lezen. Doch het schemerde haar voor
de oogen, zoodat zij de bladen weer moest wegleggen. Daarop nam zij
een pakje ter hand, dat de lokken bevatte, die zij van de verstijfde
hoofden harer gestorven zonen en haars gemaals had gesneden. Met
dweepachtige teederheid beschouwde zij deze dierbare voorwerpen, en nu
begon het opium zijn uitwerking te doen. Met tastbare duidelijkheid
traden de beeltenissen van de afgestorvenen voor hare verbeelding,
en zij ging met hen om als stonden zij in vollen levenskracht aan
haar bed. Met de lokken in de hand sloeg zij daarna den blik omhoog,
en trachtte zich voor den geest te brengen wat heden had plaats gehad
en wat haar wachtte. Zij moest dit vertrek, deze breede legerstede,
dit huis, kortom alles verlaten, waaraan de dierbaarste herinneringen
verbonden waren van hen, die zij zoo liefhad. Men wilde haar daartoe
dwingen--maar voegde het haar zich te onderwerpen aan den wil van
dien zwarte, dien vreemdeling, hier waar zij te gebieden had? Met een
minachtend lachje schudde zij het hoofd en opende een glazen fleschje,
hetwelk nog voor de helft met opiumpilletjes gevuld was, nam eenigen
op den tong en sloeg den blik weer naar boven. Daar deed zich een
nieuw visioen voor hare verbeelding op; zij zag hem, van wien ook de
dood haar niet had kunnen scheiden, en hare gestorven zonen aan zijne
voeten. En nu steeg Orion uit de wolken op, gelijk een duiker uit de
golven van den stroom, en sprong op den oever van het eiland, waar
haar gemaal stond met de jongelingen. Zijn vader opende voor hem de
armen en drukte hem aan zijn hart, en zijzelve, of althans haar schim,
voegde zich bij de anderen, en ieder ging haar teeder te gemoet, en
ten laatste ook haar gemaal, aan wiens borst zij bleef rusten. Was
zij reeds geruimen tijd en lang voor de Arabieren haar overvielen,
half bewusteloos en als beneveld geweest, thans gevoelde zij eene
aangename, de leden verlammende slaperigheid, waaraan zij zich geheel
en al verlangde over te geven. Doch nauwelijks had zij de oogleden
gesloten of de gedachte vloog haar weer door het hoofd aan hetgeen
haar wachtte, en met inspanning van al haar wilskracht richtte zij
zich op, nam het water dat steeds op het tafeltje bij haar stond,
ten einde de rest van de pilletjes uit het fleschje er in te werpen
en den beker tot den bodem te ledigen.
Bij dit alles was hare hand rustig gebleven, en uit het tevreden lachje
om haar mond en den verlangenden blik van haar oog had men kunnen
opmaken, dat zij dorst gevoelde en zich een smakelijke drank gereed
maakte. Zij zag er allerminst uit als iemand, die in wanhoop de hand
aan zichzelve slaat, en zij gevoelde ook geen berouw, geen doodsangst,
geen drukkende last van een schuld, die zij op zich nam, maar eene
zoete vermoeidheid en hoop, zalige hoop op een leven zonder einde,
vereend met hare dierbaren. Maar nauwelijks had zij den doodelijken
dronk genoten, of eene ijskoude rilling ging door hare leden, half
opgericht riep zij de kamenier, die in het aangrenzend vertrek waakte,
en toen deze haar angstig in de strakke oogen zag, stamelde zij tot
haar: "Een priester, haastig--ik wil sterven!"
De dienares liep naar buiten en riep in het viridarium den huismeester
Sebek toe, die met den Wekil voor het tablinum stond, wat er gebeurd
was, en de zwarte stond hem toe aan het verlangen van zijne stervende
meesteres te voldoen en bracht hem zelf tot aan de voorpoort. Pas
buiten gekomen ontmoette de huismeester een diaconus, die zooeven aan
een pestzieke den zegen der kerk gebracht had, en eenige oogenblikken
later stonden zij aan de legerstede van de weduwe. Naast haar lagen
de lokken harer zonen, hare handen waren saamgevouwen rondom een
crucifix; doch hare oogen, die lang gestaard hadden op het aangezicht
van den Verlosser, waren thans weder met een glans van zaligheid naar
boven geslagen.
De priester riep haar bij den naam, doch zij vergiste zich in zijn
persoon; zij hield hem voor haar zoon en stamelde hem liefderijk toe:
"Orion, arm, arm kind! En gij, Maria, mijn hartje, mijn lieve kleine
schatje! Vader--ja, lieve jongen--vader, kom maar; hij is weder
goed en vergeeft u... Allen die ik heb liefgehad zijn weder bijeen,
en niemand--wie kan ons nog scheiden? Weet gij, man? Hoor, Georg!--"
De priester deed wat zijn ambt van hem vorderde, maar zij bleef in
de hoogte staren, zonder hem op te merken, en hare lachende lippen
bewogen zich daarbij onophoudelijk, hoewel het haar niet meer gelukte
duidelijke geluiden voort te brengen. Eindelijk kwamen zij tot rust, de
oogappels verdwenen achter de oogleden, de handen lieten het crucifix
los, zacht beefden hare leden, waarna zij zich uitstrekte en haar mond
opende, als om nog eens diep adem te halen. Maar hij sloot zich niet
weder, en toen de trouwe huismeester de lippen tot elkaar bracht was
haar gelaat reeds verstijfd en had haar hart opgehouden te slaan.--De
trouwe man snikte luide, en toen hij de treurmare aan den Wekil
overbracht, stiet deze een vloek uit en riep den onderbevelhebber,
die naast hem stond toe te zien, terwijl men eenige kameelen belaadde
met de schatten van het tablinum, spijtig toe: "Ik wilde die gekke,
oude vrouw grootmoedig ontzien, en nu speelt zij mij deze poets,
want die in Medina leggen mij haar dood ook nog ten laste als niet..."
Hier hield hij plotseling op, en terwijl hij zich weder tot de kameelen
en hun last keerde dacht hij: "Bij zulk een hoog spel komt het op
een paar goudstukken meer of minder niet aan. Er moeten nog eenige
koppen van den romp--die van den schoonen Egyptenaar voor allen.--Als
de saamgezworenen in Medina hun plicht maar doen! De ondergang van
Omar brengt ook Amr ten val, en daarmede komt alles terecht!"