ELFDE HOOFDSTUK.

Het was in de stadhouderlijke woning een ontzettende nacht. Vrouw

Martina vroeg zich af welke zonde zij begaan had, dat zij juist

uitverkoren was, getuige van zulk een ongeluk te zijn. En wat werd

er nu van hare huwelijksplannen? Eene verhuizing in deze ontzettende

hitte was zeker eene ware beproeving; maar zij had eenige malen uit het

eene verblijf naar het andere willen trekken en zich als een bal heen

en weer willen laten werpen, als zij daardoor haren lieven "grooten

Sesostris" uit dit verschrikkelijk gevaar had kunnen redden. Dit

alles was zeker het gevolg van die onzinnige, dolle geschiedenis

met de nonnen. En deze Arabieren! Zij namen maar wat hun behaagde,

en waren waarlijk in staat den zoon van den grooten Mukaukas uit te

plunderen en tot een bedelaar te maken. Eene fraaie geschiedenis! Nu

Heliodora had voor beiden genoeg, en zij en haar man behoefden haar

in hun testament niet te vergeten. Doch hier was misschien sprake

van geheel andere dingen: van leven of dood.

Bij deze gedachte voer eene rilling haar door de leden en hare vrees

zweefde niet in de lucht. De zwarte Arabier, die tot haar gekomen

was, om met haar te onderhandelen en haar ten slotte toe te staan

tot morgen in de stadhouderlijke woning te blijven, had haar dit

juist door den tolk doen weten. Een ongehoord, afgrijselijk onheil,

waarvoor geen naam was te vinden! En zij daar midden in, gedwongen

alles mede te beleven! En haar man, haar arme Justinus. Hoe moest

hem dit alles ter harte gaan! Hare oogen werden niet droog, en voor

zij insliep bad zij recht vurig, dat hare heilige en de goede moeder

Gods dit alles tot een verblijdend einde mochten brengen. Met de

gedachte: "Welk een ongeluk!" sloot zij de oogen en in den vroegen

morgen ontwaakte zij daarmee weder.

Toch was het ontzettendste, wat er in dezen noodlottigen nacht had

plaats gehad, niet tot hare ooren doorgedrongen. Eene schare Arabische

krijgslieden was bij het aanbreken van den nacht te voet, te paard en

in booten den Nijl overgestoken, en had, onder aanvoering van den Wekil

Obada, het stadhouderlijk paleis omsingeld. Nadat het stellig gebleken

was, dat Orion zich inderdaad op reis bevond, werd de rentmeester Nilus

gevangen genomen. Vervolgens hadden de zwarten in last de weduwe van

den Mukaukas van het gebeurde te onderrichten en haar aan te zeggen,

dat zij reeds morgen het huis moest verlaten. Dit moest geschieden,

omdat de Wekil met het eerwaardig verblijf van het oudste geslacht

in den lande iets zeer bijzonders in den zin had.

Vrouw Neforis was nog wakker en hield zich in de fonteinzaal op, toen

de tolk, als voorlooper van Obada, zich bij haar liet aandienen. Hij

vond haar een weinig onthutst, want ofschoon zij niet meer in

staat was regelmatig te denken, en haar de invallende gedachten als

bliksemschichten door de hersens schoten, als zij haar geest moest

inspannen, zoo had zij toch bemerkt, dat er iets bijzonders in hare

woning plaats had. Maar zoowel de huismeester Sebek als hare kamenier

hadden hare vragen ontweken en daarop in zooverre geantwoord, dat

naar zij zeiden de plaatsvervanger van Amr gekomen was, om met den

jongen heer te spreken. Het scheen eene belangrijke zaak te gelden,

misschien eene valsche aanklacht.

Orion, zoo berichtte de hermeneut, was aangeklaagd van eene onderneming

op het getouw te hebben gezet, die aan twaalf Arabische krijgers

het leven had gekost, en reeds de aanval op een enkelen muzelman van

de zijde eens Egyptenaars werd, gelijk zij wist, met den dood en de

verbeurdverklaring van het vermogen gestraft. Verder was haar zoon

van roof aangeklaagd. Aan het einde van zijne mededeeling, die vrouw

Neforis met strakke blikken, verbaasd en ten laatste als verpletterd

had aangehoord, vroeg de tolk gehoor voor den Wekil.

"Nog niet dadelijk, nog eenige oogenblikken," luidde het met moeite

uitgebracht antwoord van de weduwe, want zij moest zich eerst door

het genot van haar arcanum versterken. Zoodra dit gebeurd was, toonde

zij zich bereid Obada te ontvangen.

De zwarte vijand van haar zoon wenschte voor haar te verschijnen als

een mild en grootmoedig man, en deelde haar met vleiende onderdanigheid

mede, terwijl hij telkens zijne tanden liet glinsteren, dat zij

in den loop van den volgenden dag het huis verlaten moest, waarin

zij den langsten en gelukkigsten tijd haars levens doorgebracht

had. Op zijne verklaring, dat haar eigen vermogen niet aangetast zou

worden, en het haar vrijstond te Memphis te blijven of haar huis te

Alexandrië te betrekken, antwoordde zij gelaten, dat dit wel terecht

zou komen. Daarop vroeg zij, of de Arabieren haar zoon reeds in

handen hadden?

"Dat juist niet," antwoordde de Wekil, "doch wij weten waar hij

schuilt, en morgen of overmorgen hebben wij den beklagenswaardigen

jongeling in onze macht."

Bij de laatste woorden bemerkte de weduwe een glans van vergenoegen in

de oogen van den zwarte, die tot dusver getracht had zich medelijdend

te toonen, en met een zacht hoofdknikken ging zij voort: "Dus is het

hier een vraag van leven en dood?"

"Blijf bedaard, edele vrouw," luidde het antwoord, "alleen van

den dood."

Zij sloeg den blik ten hemel, bleef eenige oogenblikken in die houding

zitten, en vroeg dan verder: "En wie heeft hem van roof beschuldigd?"

"Het hoofd zijner eigen kerk..."

"Benjamin," prevelde zij binnensmonds, en haar mond vertrok zich tot

een eigenaardig lachje. Zij had gisteren haar testament opgesteld ten

gunste van den patriarch en de kerk. "Wanneer Benjamin het gelezen

heeft," had zij tot zichzelve gezegd: "verandert hij misschien van

gezindheid jegens u en de uwen, en laat hij ijverig voor ons bidden."

Daar zij verder niets zeide, zag de Wekil haar vragend en met eenige

verlegenheid aan, tot zij eindelijk opstond en niet zonder waardigheid

afscheid van hem nam met de opmerking, dat de zaken hiermede

afgehandeld waren en zij verder niets met hem te bespreken had.

Hiermede was dit onderhoud afgeloopen, en toen de Wekil de fonteinzaal

verlaten had, mompelde hij bij zichzelven: "Welk eene vrouw! Zij is

of van demonen bezeten en niet wel bij het hoofd, of eene buitengewone

heldin!"

Vrouw Neforis liet zich naar haar slaapkamer brengen, en nadat zij

zich te bed gelegd had, beval zij de kamenier zeker kastje uit hare

kist te nemen en het op het artsenijtafeltje aan het hoofdeinde van

haar legerstede te plaatsen. Toen zij alleen was haalde zij de beide

brieven, die de Mukaukas Georg haar als bruidegom geschreven had,

en een gedicht, dat Orion eens aan haar gericht had, daaruit te

voorschijn en beproefde ze te lezen. Doch het schemerde haar voor

de oogen, zoodat zij de bladen weer moest wegleggen. Daarop nam zij

een pakje ter hand, dat de lokken bevatte, die zij van de verstijfde

hoofden harer gestorven zonen en haars gemaals had gesneden. Met

dweepachtige teederheid beschouwde zij deze dierbare voorwerpen, en nu

begon het opium zijn uitwerking te doen. Met tastbare duidelijkheid

traden de beeltenissen van de afgestorvenen voor hare verbeelding,

en zij ging met hen om als stonden zij in vollen levenskracht aan

haar bed. Met de lokken in de hand sloeg zij daarna den blik omhoog,

en trachtte zich voor den geest te brengen wat heden had plaats gehad

en wat haar wachtte. Zij moest dit vertrek, deze breede legerstede,

dit huis, kortom alles verlaten, waaraan de dierbaarste herinneringen

verbonden waren van hen, die zij zoo liefhad. Men wilde haar daartoe

dwingen--maar voegde het haar zich te onderwerpen aan den wil van

dien zwarte, dien vreemdeling, hier waar zij te gebieden had? Met een

minachtend lachje schudde zij het hoofd en opende een glazen fleschje,

hetwelk nog voor de helft met opiumpilletjes gevuld was, nam eenigen

op den tong en sloeg den blik weer naar boven. Daar deed zich een

nieuw visioen voor hare verbeelding op; zij zag hem, van wien ook de

dood haar niet had kunnen scheiden, en hare gestorven zonen aan zijne

voeten. En nu steeg Orion uit de wolken op, gelijk een duiker uit de

golven van den stroom, en sprong op den oever van het eiland, waar

haar gemaal stond met de jongelingen. Zijn vader opende voor hem de

armen en drukte hem aan zijn hart, en zijzelve, of althans haar schim,

voegde zich bij de anderen, en ieder ging haar teeder te gemoet, en

ten laatste ook haar gemaal, aan wiens borst zij bleef rusten. Was

zij reeds geruimen tijd en lang voor de Arabieren haar overvielen,

half bewusteloos en als beneveld geweest, thans gevoelde zij eene

aangename, de leden verlammende slaperigheid, waaraan zij zich geheel

en al verlangde over te geven. Doch nauwelijks had zij de oogleden

gesloten of de gedachte vloog haar weer door het hoofd aan hetgeen

haar wachtte, en met inspanning van al haar wilskracht richtte zij

zich op, nam het water dat steeds op het tafeltje bij haar stond,

ten einde de rest van de pilletjes uit het fleschje er in te werpen

en den beker tot den bodem te ledigen.

Bij dit alles was hare hand rustig gebleven, en uit het tevreden lachje

om haar mond en den verlangenden blik van haar oog had men kunnen

opmaken, dat zij dorst gevoelde en zich een smakelijke drank gereed

maakte. Zij zag er allerminst uit als iemand, die in wanhoop de hand

aan zichzelve slaat, en zij gevoelde ook geen berouw, geen doodsangst,

geen drukkende last van een schuld, die zij op zich nam, maar eene

zoete vermoeidheid en hoop, zalige hoop op een leven zonder einde,

vereend met hare dierbaren. Maar nauwelijks had zij den doodelijken

dronk genoten, of eene ijskoude rilling ging door hare leden, half

opgericht riep zij de kamenier, die in het aangrenzend vertrek waakte,

en toen deze haar angstig in de strakke oogen zag, stamelde zij tot

haar: "Een priester, haastig--ik wil sterven!"

De dienares liep naar buiten en riep in het viridarium den huismeester

Sebek toe, die met den Wekil voor het tablinum stond, wat er gebeurd

was, en de zwarte stond hem toe aan het verlangen van zijne stervende

meesteres te voldoen en bracht hem zelf tot aan de voorpoort. Pas

buiten gekomen ontmoette de huismeester een diaconus, die zooeven aan

een pestzieke den zegen der kerk gebracht had, en eenige oogenblikken

later stonden zij aan de legerstede van de weduwe. Naast haar lagen

de lokken harer zonen, hare handen waren saamgevouwen rondom een

crucifix; doch hare oogen, die lang gestaard hadden op het aangezicht

van den Verlosser, waren thans weder met een glans van zaligheid naar

boven geslagen.

De priester riep haar bij den naam, doch zij vergiste zich in zijn

persoon; zij hield hem voor haar zoon en stamelde hem liefderijk toe:

"Orion, arm, arm kind! En gij, Maria, mijn hartje, mijn lieve kleine

schatje! Vader--ja, lieve jongen--vader, kom maar; hij is weder

goed en vergeeft u... Allen die ik heb liefgehad zijn weder bijeen,

en niemand--wie kan ons nog scheiden? Weet gij, man? Hoor, Georg!--"

De priester deed wat zijn ambt van hem vorderde, maar zij bleef in

de hoogte staren, zonder hem op te merken, en hare lachende lippen

bewogen zich daarbij onophoudelijk, hoewel het haar niet meer gelukte

duidelijke geluiden voort te brengen. Eindelijk kwamen zij tot rust, de

oogappels verdwenen achter de oogleden, de handen lieten het crucifix

los, zacht beefden hare leden, waarna zij zich uitstrekte en haar mond

opende, als om nog eens diep adem te halen. Maar hij sloot zich niet

weder, en toen de trouwe huismeester de lippen tot elkaar bracht was

haar gelaat reeds verstijfd en had haar hart opgehouden te slaan.--De

trouwe man snikte luide, en toen hij de treurmare aan den Wekil

overbracht, stiet deze een vloek uit en riep den onderbevelhebber,

die naast hem stond toe te zien, terwijl men eenige kameelen belaadde

met de schatten van het tablinum, spijtig toe: "Ik wilde die gekke,

oude vrouw grootmoedig ontzien, en nu speelt zij mij deze poets,

want die in Medina leggen mij haar dood ook nog ten laste als niet..."

Hier hield hij plotseling op, en terwijl hij zich weder tot de kameelen

en hun last keerde dacht hij: "Bij zulk een hoog spel komt het op

een paar goudstukken meer of minder niet aan. Er moeten nog eenige

koppen van den romp--die van den schoonen Egyptenaar voor allen.--Als

de saamgezworenen in Medina hun plicht maar doen! De ondergang van

Omar brengt ook Amr ten val, en daarmede komt alles terecht!"

De nijlbruid · 第 50 / 66 题