In den jongstverloopen donkeren nacht was in Katharina het gevoel van
medelijden met Heliodora geheel uitgedoofd. Zij had haar in gezelschap
van hare kamenier en een ouden doofstommen stalslaaf heimelijk
begeleid naar eene waarzegster, die er te Memphis althans niet minder
gevonden werden dan toovenaars, alchimisten en scheikundigen. Men
had der jonge vrouw aangezegd, dat hare levenslijn opsteeg tot het
hoogste geluk en dat alle, zelfs de stoutste wenschen haars harten,
vervuld zouden worden. Met deze wenschen was het kwikstaartje maar
al te zeer vertrouwd, en de waarschijnlijkheid, dat deze werkelijk
de vervulling nabij waren, had hare jaloezie gaande gemaakt en haar
geleerd ook Heliodora te haten.
De weduwe was in eenvoudige, maar kostbare gewaden bij de toovenares
gekomen. In plaats van een gouden haak had een knop haar peplos op
den schouder saamgehouden, die overeenkomstig hare liefhebberij voor
kostbare edelgesteenten uit een saffier van buitengewone grootte
bestond. Der waarzegster was deze terstond in het oog gevallen en
had haar doen zien, dat zij met eene aanzienlijke en rijke vrouw te
doen had. Zij had de eenvoudig gekleede Katharina voor eene juffrouw
van gezelschap of eene arme vriendin der voorname dame gehouden en
haar daarom slechts voorspeld, dat zij na eenige bezwaren te boven
gekomen te zijn een gelukkig leven zou leiden aan de zijde van een
niet zeer jongen echtgenoot, alsmede dat zij rijk met kinderen gezegend
zou worden.
De zaak van deze vrouw scheen nogal wat op te brengen, want het
inwendige van haar huis stak zeer gunstig af bij de ellendige hutten,
die het overal omgaven in dit armelijk en berucht stadskwartier. Van
buiten onderscheidde het zich weinig van de aangrenzende woningen,
ja het werd met opzet verwaarloosd, om de overheden te bedriegen,
die op tooverij en de uitoefening van magische kunsten de doodstraf
hadden gesteld; maar de versiering van de kleine, opene zuilenzaal,
waarin zij hare bezweringen en voorspellingen pleegde te doen, had
niet weinig geld gekost. Aan de wanden hingen tapijten met magische
teekens; de zuilen waren met figuren beschilderd, die verbazing en
schrik moesten wekken; op kleine altaren rookten boven kolenbekkens
aarden potten en ketels van verschillende grootten, bekers, flesschen,
kannen, een rad, waarin een draaihals op en neer huppelde, wasfiguren
en daaronder mannen- en vrouwenbeelden met naalden in het hart, een
kooi met vleermuizen en glazen vol spinnen, kikvorschen, bloedzuigers,
kevers, schorpioenen, duizendpooten en andere afzichtelijke gedierten
stonden op voetstukken in de rondte, en aan eene der lange zijden
van de zaal liep eene korte lijnbaan, waarvan men zich bediende
bij zekere Thracische betoovering. Welriekende en scherpe dampen
vervulden de ruimte, en achter een gordijn, dat de muzikanten voor
het oog onzichtbaar maakte, liet zich het eentonig gezang van enkele
kinderstemmen, schellengeluid en doffe trommelslag hooren.
De tooveres Medea kon nog niet ouder zijn dan ongeveer zes-en-veertig
jaren, toch paste zij zeer goed in deze omgeving, zoo overvloedig
rijk aan vreemde, betooverende, weerzin, angst- en schrikwekkende
dingen; want haar gelaat was bleek en zijne ongewone lengte werd nog
verhoogd door den hoog opgekamden, pikzwarten haarbos midden op den
schedel. Bij het einde van het eerste bezoek der vrouwen, waardoor
zij verrast was geworden en waarbij een en ander op dit toovertheater
ontbroken had, wat heden eene bijzondere uitwerking deed, had zij
Heliodora uitgenoodigd over drie dagen terug te keeren. De jonge vrouw
was deze uitnoodiging gevolgd en op den bepaalden tijd verschenen
in gezelschap van Katharina. Men kon Egypte, het land der tooverij
en der magische kunsten, toch niet verlaten, zonder de proef er van
genomen te hebben. Zoo oordeelde ook vrouw Martina, hoewel zij voor
zichzelve op die waarzegging niet gesteld was. Zij was met haar lot
tevreden, en stonden er veranderingen tot haar nadeel voor de deur,
dan wilde zij zich door eene goede waarzegster niet bij voorbaat
laten beangstigen. Door eene slechte bedrogen te worden was nog minder
aanlokkend. Buitengewoon geluk kon zij niet meer gebruiken, dat zou
haar gestoord hebben in hare rust. Maar voor het jonge volkje, lag
het leven nog open, en als het een kijkje in de toekomst wilde nemen,
was zij de laatste, om dit euvel te duiden.
De jonge weduwe en het meisje betraden den drempel der tooveres in
zekere spanning, en van de twee was Katharina ditmaal wel het meest
ongerust, want in den namiddag had zij Philippus het huis van Rufinus
zien verlaten, terwijl spoedig daarop Arabische beambten het waren
binnengegaan. Vóor zonsondergang was Paula met betraande oogen in den
tuin verschenen, en toen een weinig later Pul met hare moeder bij haar
waren gekomen, was de Damasceensche vrouw Johanna om den hals gevallen,
en had zoo bitter geschreid, dat ook deze en hare dochter, "die altijd
de tranen spoedig bij de hand had", zich hadden laten meesleepen,
om met haar van droefheid te snikken. Daar was iets gewichtigs
voorgevallen, maar toen zij naar het huis van Rufinus was gegaan,
om wat naders te hooren, had de oude Betta, die altijd boos op haar
was haar kort en onheusch afgewezen. Verder hadden zij en Heliodora
op de straat eene zeer pijnlijke ontmoeting gehad, want de wagen van
vrouw Neforis, die hen aan de grens der doodenstad moest afzetten,
was onderweg door eene afdeeling Arabische ruiters aangehouden,
en zij hadden zich moeten laten welgevallen, dat de aanvoerder haar
allerlei vragen deed.
Zoo betraden zij dan ditmaal het huis der "lokken Medea", gelijk de
tooveres in de wandeling werd genoemd, met een angstig kloppend hart,
doch zij werden met zulk eene onderdanige hoffelijkheid ontvangen,
dat zij spoedig tot bedaren kwamen, en ook de uiterst vreesachtige
Heliodora weldra weder vrijer begon te ademen. De waarzegster wist nu
ook wie Katharina was, en bewees de eenige dochter der rijke weduwe
meer achting. Heden stond de smalle sikkel der nieuwe maan aan den
hemel, en deze omstandigheid, verzekerde Medea, veroorloofde haar
klaarder te zien als in den tijd van den Punaneger, zooals zij den
nacht zonder maneschijn noemde. Haar zielsoog was bij het eerste bezoek
onder de inwerking van vijandige machten overvallen door Typhonische
duisternis. Terstond nadat de vrouwen waren vertrokken, had zij dit
begrepen; maar heden zag zij des te helderder. Haar innerlijk oog
was nu blank als een zilveren spiegel, zij had het gereinigd door
drie dagen te vasten, en haar kon geen stofje ontgaan.
"Helpt," zoo ving zij aan, "Gij Horus-kinderen, helpt Hapi en
gij heilig drietal!"--"O gij schoonen, gij schoonen!" ging zij in
vervoering voort. "Honderden aanzienlijke vrouwen hebben mijne kunst
beproefd, doch zooveel gunst van het lot als boven de uwen, zag ik
nog nooit boven twee hoofden vereenigd. Hoort gij, hoe het borrelt
in de geluksketels? Daar worden de deksels opgestuwd. Buitengewoon,
buitengewoon!"
Zij strekte om te bezweren de hand naar de beide ketels uit en
riep plechtig: "Overmaat van geluk, overvloed, overvloed, berstende
schuren. Zefa-ou, Metramao... Keer terug tot de ware vlakte, ware
hoogte, ware diepte, de juiste maat! Uwe el Meï--afmeter, afweger,
gebruik ze, Techouti, gebruik ze, dubbele Ibis!"
Daarop beval zij beiden zich neer te zetten op sierlijke stoelen
tegenover de ketels, bond aan de ringvingers van ieder hunner den
"anoubischen draad", vroeg fluisterend en onder nauwelijks verstaanbare
bezweringen aan de weduwe en de jonkvrouw een haar, en nadat zij ze
beiden elk in een ketel had gelegd, riep zij met hartstochtelijken
ijver, en als hing van het kleinste verzuim het wel en wee harer
bezoeksters af: "De vinger met de anoubische draad op de plaats van het
hart gedrukt, de oogen op den ketel gericht en den damp, die opstijgt
tot de geesten des hemels, des lichts, tot den Groote in de hoogte!"
De vrouwen volgden met een kloppend hart het gebod der tooveres, en
deze draaide plotseling met duizelingwekkende snelheid op de teenen
in het rond; daarbij vloog de haarbos op haar schedel omhoog en de
tooverstaf in hare wijd uitgestrekte rechterhand beschreef een wijden,
zuiveren cirkel. Als door een schrik aangegrepen, hield zij daarna
plotseling op te draaien; op hetzelfde oogenblik gingen de lampen uit,
en de zaal werd door niets verlicht dan door de sterren aan den hemel
en de glimmende kolen onder de ketels. De doffe muziek stierf weg,
maar eene nieuwe, sterker geur drong door het gordijn in de zaal.
Medea wierp zich nu op de knieën, strekte de armen ten hemel, wierp
het hoofd met een alleen door haar uitvoerbaren snellen ruk zoover
terug, dat het geheele gelaat was gekeerd naar het firmament boven
haar, en haar blik, recht opwaarts ziende, de sterren waarnam. In
deze vreeselijke houding, met het blauwe hemelgewelf boven haar
hoofd, zong zij bezwering op bezwering met eene helder roerende,
smachtende stem. Haar borst welfde zich daarbij sterk omhoog, haar
haarbos stond niet meer op, maar was naar de vrouwen gekeerd, die
niet anders dachten dan dat deze den hemel aanroepende vrouw, door
de opstijging van het bloed achterover op den grond zou vallen. Doch
zij zong en bleef zingen, en hare witte tanden schitterden daarbij in
het sterrelicht, dat loodrecht op haar neerviel. Onder den overvloed
van demonische namen en magische woorden, die zij omhoog riep en liet
trillen door de lucht, deed zich uit de richting van het gordijn een
beangstigend, jammerend tweeledig rochelen, zuchten en klagen hooren;
het eene geluid scheen voort te komen uit de beklemde borst van een
door bitter lijden aangegrepen man, het andere was als het zacht,
half verstikt gekrijt van een kind, dat pijn lijdt. Het laatste
werd steeds luider en eindelijk hoorde men in het Egyptisch: "Water,
een slokje water!"
De vrouw verliet opeens hare schrikkelijke houding, rees op en riep:
"De klacht der beroofden en armen, van wie genomen werd, om aan de
in overvloed badenden te geven, de noodkreet dergenen, die door het
lot werden geplunderd om u gaven te schenken, genoeg voor honderden."
Na deze woorden, die zij op zalvenden toon in het Grieksch had
gesproken, keerde zij zich naar het gordijn en riep nu weder plechtig
in het Egyptisch terug: "Geef den dorstende te drinken, de gelukkigen
gunnen hem een dropje van hun overvloed. Geef den klagenden kinderdemon
den witten drank, om hem te vreden te stellen en te verdrijven. Laat
muziek klinken, om de klachten der jammerende geesten te overstemmen!"
Daarna keerde zij zich naar Heliodora's ketel en zeide ernstig,
als volgde zij een hooger bevel: "Zeven goudstukken, om het werk te
voleindigen," en terwijl de jonge vrouw haar beurs voor den dag haalde,
de tooveres de lampen ontstak en de munten in de kokende vloeistof
wierp, zong zij onophoudelijk: "Rein, blinkend goud, zonlicht, in
de bergen verborgen. Heilige zeven, schaschef, schaschef! Heilige
zeven! Vereenigt u! Smelt samen."
Zij goot hierop een dampende vloeistof, zoo zwart als inkt, uit
den ketel op een vlakken schotel, riep Heliodora aan hare zijde en
verklaarde haar wat haar oog op den blanken spiegel zag: het was
niets dan schoons, het gaf enkel hartverblijdende antwoorden op de
vragen der weduwe. Wat de tooveres zeide, moest het vertrouwen op hare
magische krachten versterken, want zij beschreef Orion zou nauwkeurig,
als zag zij hem in den inktspiegel voor zich en wel op reis met een
anderen heer. Maar daar kwam reeds zijn terugkeer op de blanke vlakte
te voorschijn, daar zag zij Heliodora aan de borst van den geliefde,
en nu welk een tafereel. Niet de bisschop van Memphis, maar een vreemde
legde hare en zijne hand in elkander voor het altaar in een grooten,
heerlijken dom en zegende hun verbond.
Katharina, wie het gezang van Medea en wat daarop gevolgd was met vrees
had vervuld en in stilte deed huiveren, volgde ieder woord der tooveres
met angstige spanning. Wat de vrouw zeide, de wijze waarop zij Orion
beschreef, het was wonderbaarder dan alles wat zij ooit voor mogelijk
had gehouden. En de dom, waarin het verliefde paar getrouwd zou worden,
was de Sophia-kerk te Konstantinopel, waarvan zij veel gehoord had. Het
hart werd haar als toegeknepen, maar met hoeveel aandacht zij ook de
woorden van Medea volgde, haar scherp oor hoorde toch voortdurend
het treurig rochelen en klagen achter het gordijn, dat beangstigde
haar, beklemde haar adem, en een diep martelend gevoel van ellende
overweldigde hare ziel. Dien krijtenden kindergeest daar achter,
van welks geluk haar een deel ten goede gekomen zou zijn, had zij,
juist zij, zeker niets ontroofd, want wie was er thans ongelukkiger
dan zij? Alleen die schoone, smachtende, jonge vrouw daar had het lot
met gaven, genoeg voor ontelbare anderen, zoo kwistig overladen. O als
zij haar de eene na de andere had kunnen ontrooven, van den grooten
robijn af, dien zij heden droeg, tot de liefde van Orion toe!
Bleek en overspannen gaf zij aan de roepstem der tooveres gehoor,
nadat ook zij zeven goudstukken geofferd had. Zij had daarvoor het
liefst eene moorddadige verwensching gekocht, om de gelukkige daar
er mede te verpletteren. Reeds begon de pikzwarte vloeistof in den
schotel te vloeien, waaruit een scherp riekende damp opsteeg, doch de
tooveres blies dezen opzij. Zoodra het donkere vocht een weinig was
afgekoeld en de oppervlakte niet meer troebel maar glad was, vroeg
Medea het meisje, wat zij het eerst begeerde te vernemen. Doch het
antwoord werd Katharina van de lippen genomen; een verschrikkelijk
geklop en gedreun deed plotseling het huis daveren, en met een luiden
gil liet de tooveres den schotel vallen, zoodat de inhoud omhoog
spatte, en lauwe, vuile druppels zich hechtten aan het kleed en de
armen van het meisje. Een onverwachte, ontzettende schrik bracht haar
geheel in verwarring, en Heliodora, die zelve nauwelijks op de been
kon blijven, moest haar steunen; want Katharina waggelde en dreigde
in elkaar te zakken.
De tooveres was verdwenen; in de zaal bevonden zich alleen een half
volwassen knaap, een jonge man en een lang opgeschoten, schamel gekleed
Egyptisch meisje. In alle richtingen heen en weervliegende wierpen zij
de voorwerpen, die hier en daar stonden, in eene opening van den vloer,
waarvan zij het luik hadden weggetrokken, goten water op de kolen,
doofden de lampen uit en dreven de vrouwen met gemeene scheldwoorden
in een hoek van de zaal. Daarna klommen de knapen zoo vlug als katten
naar het open dak, en sprongen naar buiten. Daar weerklonk een schel
gefluit door het huis, en een oogenblik later stormde de tooveres de
zaal binnen, vatte de beide bevende vrouwen bij de schouders en riep
hun toe: "Om Christus' wil hebt medelijden! Het is om mijn leven te
doen. Op tooverij staat den dood. Ik heb mijn best voor u gedaan. Gij
zijt--hoort gij wat gij zeggen moet?--gij zijt uit barmhartigheid
gekomen om de kranken te verplegen."
Daarop duwde zij beiden door het gordijn, waarachter nog altijd
klaagtonen werden gehoord, in een bedompt laag vertrek, en het
groote, magere meisje slenterde haar achterna. Daar lagen op armzalige
legersteden een oud man met donkere vlekken op zijne naakte borst en
zijn aangezicht, rillend over al zijne leden, en een vijfjarig kind,
welks hoogroode wangen van de koortshitte gloeiden. Heliodora dacht
in dit vertrek te stikken en Katharina klemde zich bevende aan haar
vast; doch de tooveres haalde hen van elkander zeggende: "Ieder voor
een bed; gij bij het kind, gij bij den oude!"
Werktuigelijk volgden beiden de vrouw, die van angst buiten adem
was. Het kwikstaartje, dat zich nog nooit om eene kranke bekommerd
had, werd van afschuw vervuld en wendde de oogen van de lijders
af. De jonge vrouw, die vele, vele nachten aan de lijdenssponde
van een geliefde gewaakt had en goedhartig,--want dat was zij van
nature--haar lijdende slaven vaak met eigene hand hulp had verleend,
zag het kind medelijdend in het vriendelijke, gloeiende gelaat,
en veegde het met den doek de zweetpaarlen van het voorhoofd.
Katharina huiverde bij alles wat zij zag, doch reeds werd hare
opmerkzaamheid door iets nieuws geboeid, want aan de andere zijde
van het huis hoorde men wapengekletter, de deur werd met geweld
opengestooten en de arts Philippus trad de kamer binnen. Hij beval
de veiligheidsbeambten, die hem vergezelden, buiten te wachten. Hij
verscheen op last der bouleuten, aan wie ter oore was gekomen, dat
zich door de pest aangetaste kranken bevonden in het huis van Medea,
en dat zij desniettemin voortging met bezoeken te ontvangen. Men
had reeds lang besloten haar de uitoefening van dit handwerk te
beletten; en heden was het bericht gekomen, dat zij in den avond
voorname bezoekers verwachtte. De beambten wilden haar op heeter daad
betrappen en de arts verlangde uit te maken, of haar huis tot de door
de ziekte aangetaste behoorde. In elk geval wenschte de senaat de
tooveres in de gevangenis ter zijner beschikking te hebben, hoewel
men aan Philippus van dit verlangen niets had medegedeeld.
Zij die binnenkwamen, hadden in het minst niet verwacht deze gasten
hier te vinden. Met een afkeurend hoofdschudden keek de arts hen aan,
legde de tooveres het zwijgen op met een barsch: "dat alles zal wel
blijken," toen zij haastig verzekerde, dat deze edele dames gekomen
waren, om uit christelijke barmhartigheid de arme lijders te troosten
en te helpen, en bracht de onvrijwillige krankenverpleegsters
onverwijld naar buiten. Daar deelde hij haar mede in welk een
schrikkelijk gevaar zij zich door hare lichtzinnigheid gebracht hadden,
en gebood haar ten stelligste zich terstond naar huis te begeven,
dáar, ondanks het late uur, een bad voor zich gereed te laten maken
en van kleederen te verwisselen.
Met knikkende knieën bereikten zij den wagen en nog voor deze zich
in beweging zette, barstte Heliodora in bittere tranen uit, terwijl
Katharina zich nijdig achterover in de kussens wierp en met een blik
op hare gezellin, die zoo geheel ontdaan was, dacht: "Het begin van het
ongehoord geluk, dat haar verspeld werd! Goed, als het zoo voortgaat."
Het was alsof demonen, die het kwikstaartje welgezind waren dezen
wensch vernomen hadden; want toen de wagen voorbij het wachthuisje
den eersten hof van het stadhouderlijk verblijf wilde inrijden, werd
hij aangehouden door vreemde gewapenden, met bruine krijgshaftige
aangezichten, en moest hij eenige oogenblikken hier wachten tot een
Arabisch bevelhebber verscheen, die verlangde te weten wie zij waren
en wat zij begeerden.
Zij antwoordden met bevende stem, waarop haar werd medegedeeld, dat
zoo even op last der Arabische regeering beslag was gelegd op het
stadhouderlijk paleis. Orion was van eene groote misdaad beschuldigd
en zijne gasten moesten morgen het huis verlaten. Katharina, die den
tolk kende, kreeg vergunning Heliodora naar de vrouw van den senator
te vergezellen, zich van den wagen te bedienen om terug te rijden en,
als zij dit begeerde, de Byzantijnsche met zich naar huis te nemen;
want in het stadhouderlijk verblijf zou het er in de eerste dagen
zeer oorlogzuchtig uitzien.
Zij hielden nu te zamen raad. Het kwikstaartje drong er op aan, dat
Heliodora haar terstond naar hare moeder zou vergezellen, want zij
hield zich en hare gezellin voor verpest; en hoe zouden zij, in dit
door soldaten bezet gebouw, een bad kunnen nemen? De jonge vrouw kon
en durfde in dezen toestand niet bij vrouw Martina blijven. Morgen
moest ook de matrone bij Katharina komen; hare moeder, zeide zij,
zou zich bijzonder verheugen over zulke lieve gasten.
De weduwe liet werktuigelijk alles met zich doen, en nadat vrouw
Martina gaarne had ingewilligd, om de uitnoodiging van hare "reddende
engel" te volgen, bracht de wagen beiden naar het huis der weduwe
Susanna. Deze was reeds lang te bed en hield zich vast overtuigd,
dat haar dochtertje in hare vriendelijke kamer lag te slapen en te
droomen. Katharina liet haar niet wekken en de badkamer was zoover
verwijderd van Susannas vertrekken, dat zij rustig doorsliep, terwijl
haar kind en hare nieuwe gast er gebruik van maakten.