TIENDE HOOFDSTUK.

In den jongstverloopen donkeren nacht was in Katharina het gevoel van

medelijden met Heliodora geheel uitgedoofd. Zij had haar in gezelschap

van hare kamenier en een ouden doofstommen stalslaaf heimelijk

begeleid naar eene waarzegster, die er te Memphis althans niet minder

gevonden werden dan toovenaars, alchimisten en scheikundigen. Men

had der jonge vrouw aangezegd, dat hare levenslijn opsteeg tot het

hoogste geluk en dat alle, zelfs de stoutste wenschen haars harten,

vervuld zouden worden. Met deze wenschen was het kwikstaartje maar

al te zeer vertrouwd, en de waarschijnlijkheid, dat deze werkelijk

de vervulling nabij waren, had hare jaloezie gaande gemaakt en haar

geleerd ook Heliodora te haten.

De weduwe was in eenvoudige, maar kostbare gewaden bij de toovenares

gekomen. In plaats van een gouden haak had een knop haar peplos op

den schouder saamgehouden, die overeenkomstig hare liefhebberij voor

kostbare edelgesteenten uit een saffier van buitengewone grootte

bestond. Der waarzegster was deze terstond in het oog gevallen en

had haar doen zien, dat zij met eene aanzienlijke en rijke vrouw te

doen had. Zij had de eenvoudig gekleede Katharina voor eene juffrouw

van gezelschap of eene arme vriendin der voorname dame gehouden en

haar daarom slechts voorspeld, dat zij na eenige bezwaren te boven

gekomen te zijn een gelukkig leven zou leiden aan de zijde van een

niet zeer jongen echtgenoot, alsmede dat zij rijk met kinderen gezegend

zou worden.

De zaak van deze vrouw scheen nogal wat op te brengen, want het

inwendige van haar huis stak zeer gunstig af bij de ellendige hutten,

die het overal omgaven in dit armelijk en berucht stadskwartier. Van

buiten onderscheidde het zich weinig van de aangrenzende woningen,

ja het werd met opzet verwaarloosd, om de overheden te bedriegen,

die op tooverij en de uitoefening van magische kunsten de doodstraf

hadden gesteld; maar de versiering van de kleine, opene zuilenzaal,

waarin zij hare bezweringen en voorspellingen pleegde te doen, had

niet weinig geld gekost. Aan de wanden hingen tapijten met magische

teekens; de zuilen waren met figuren beschilderd, die verbazing en

schrik moesten wekken; op kleine altaren rookten boven kolenbekkens

aarden potten en ketels van verschillende grootten, bekers, flesschen,

kannen, een rad, waarin een draaihals op en neer huppelde, wasfiguren

en daaronder mannen- en vrouwenbeelden met naalden in het hart, een

kooi met vleermuizen en glazen vol spinnen, kikvorschen, bloedzuigers,

kevers, schorpioenen, duizendpooten en andere afzichtelijke gedierten

stonden op voetstukken in de rondte, en aan eene der lange zijden

van de zaal liep eene korte lijnbaan, waarvan men zich bediende

bij zekere Thracische betoovering. Welriekende en scherpe dampen

vervulden de ruimte, en achter een gordijn, dat de muzikanten voor

het oog onzichtbaar maakte, liet zich het eentonig gezang van enkele

kinderstemmen, schellengeluid en doffe trommelslag hooren.

De tooveres Medea kon nog niet ouder zijn dan ongeveer zes-en-veertig

jaren, toch paste zij zeer goed in deze omgeving, zoo overvloedig

rijk aan vreemde, betooverende, weerzin, angst- en schrikwekkende

dingen; want haar gelaat was bleek en zijne ongewone lengte werd nog

verhoogd door den hoog opgekamden, pikzwarten haarbos midden op den

schedel. Bij het einde van het eerste bezoek der vrouwen, waardoor

zij verrast was geworden en waarbij een en ander op dit toovertheater

ontbroken had, wat heden eene bijzondere uitwerking deed, had zij

Heliodora uitgenoodigd over drie dagen terug te keeren. De jonge vrouw

was deze uitnoodiging gevolgd en op den bepaalden tijd verschenen

in gezelschap van Katharina. Men kon Egypte, het land der tooverij

en der magische kunsten, toch niet verlaten, zonder de proef er van

genomen te hebben. Zoo oordeelde ook vrouw Martina, hoewel zij voor

zichzelve op die waarzegging niet gesteld was. Zij was met haar lot

tevreden, en stonden er veranderingen tot haar nadeel voor de deur,

dan wilde zij zich door eene goede waarzegster niet bij voorbaat

laten beangstigen. Door eene slechte bedrogen te worden was nog minder

aanlokkend. Buitengewoon geluk kon zij niet meer gebruiken, dat zou

haar gestoord hebben in hare rust. Maar voor het jonge volkje, lag

het leven nog open, en als het een kijkje in de toekomst wilde nemen,

was zij de laatste, om dit euvel te duiden.

De jonge weduwe en het meisje betraden den drempel der tooveres in

zekere spanning, en van de twee was Katharina ditmaal wel het meest

ongerust, want in den namiddag had zij Philippus het huis van Rufinus

zien verlaten, terwijl spoedig daarop Arabische beambten het waren

binnengegaan. Vóor zonsondergang was Paula met betraande oogen in den

tuin verschenen, en toen een weinig later Pul met hare moeder bij haar

waren gekomen, was de Damasceensche vrouw Johanna om den hals gevallen,

en had zoo bitter geschreid, dat ook deze en hare dochter, "die altijd

de tranen spoedig bij de hand had", zich hadden laten meesleepen,

om met haar van droefheid te snikken. Daar was iets gewichtigs

voorgevallen, maar toen zij naar het huis van Rufinus was gegaan,

om wat naders te hooren, had de oude Betta, die altijd boos op haar

was haar kort en onheusch afgewezen. Verder hadden zij en Heliodora

op de straat eene zeer pijnlijke ontmoeting gehad, want de wagen van

vrouw Neforis, die hen aan de grens der doodenstad moest afzetten,

was onderweg door eene afdeeling Arabische ruiters aangehouden,

en zij hadden zich moeten laten welgevallen, dat de aanvoerder haar

allerlei vragen deed.

Zoo betraden zij dan ditmaal het huis der "lokken Medea", gelijk de

tooveres in de wandeling werd genoemd, met een angstig kloppend hart,

doch zij werden met zulk eene onderdanige hoffelijkheid ontvangen,

dat zij spoedig tot bedaren kwamen, en ook de uiterst vreesachtige

Heliodora weldra weder vrijer begon te ademen. De waarzegster wist nu

ook wie Katharina was, en bewees de eenige dochter der rijke weduwe

meer achting. Heden stond de smalle sikkel der nieuwe maan aan den

hemel, en deze omstandigheid, verzekerde Medea, veroorloofde haar

klaarder te zien als in den tijd van den Punaneger, zooals zij den

nacht zonder maneschijn noemde. Haar zielsoog was bij het eerste bezoek

onder de inwerking van vijandige machten overvallen door Typhonische

duisternis. Terstond nadat de vrouwen waren vertrokken, had zij dit

begrepen; maar heden zag zij des te helderder. Haar innerlijk oog

was nu blank als een zilveren spiegel, zij had het gereinigd door

drie dagen te vasten, en haar kon geen stofje ontgaan.

"Helpt," zoo ving zij aan, "Gij Horus-kinderen, helpt Hapi en

gij heilig drietal!"--"O gij schoonen, gij schoonen!" ging zij in

vervoering voort. "Honderden aanzienlijke vrouwen hebben mijne kunst

beproefd, doch zooveel gunst van het lot als boven de uwen, zag ik

nog nooit boven twee hoofden vereenigd. Hoort gij, hoe het borrelt

in de geluksketels? Daar worden de deksels opgestuwd. Buitengewoon,

buitengewoon!"

Zij strekte om te bezweren de hand naar de beide ketels uit en

riep plechtig: "Overmaat van geluk, overvloed, overvloed, berstende

schuren. Zefa-ou, Metramao... Keer terug tot de ware vlakte, ware

hoogte, ware diepte, de juiste maat! Uwe el Meï--afmeter, afweger,

gebruik ze, Techouti, gebruik ze, dubbele Ibis!"

Daarop beval zij beiden zich neer te zetten op sierlijke stoelen

tegenover de ketels, bond aan de ringvingers van ieder hunner den

"anoubischen draad", vroeg fluisterend en onder nauwelijks verstaanbare

bezweringen aan de weduwe en de jonkvrouw een haar, en nadat zij ze

beiden elk in een ketel had gelegd, riep zij met hartstochtelijken

ijver, en als hing van het kleinste verzuim het wel en wee harer

bezoeksters af: "De vinger met de anoubische draad op de plaats van het

hart gedrukt, de oogen op den ketel gericht en den damp, die opstijgt

tot de geesten des hemels, des lichts, tot den Groote in de hoogte!"

De vrouwen volgden met een kloppend hart het gebod der tooveres, en

deze draaide plotseling met duizelingwekkende snelheid op de teenen

in het rond; daarbij vloog de haarbos op haar schedel omhoog en de

tooverstaf in hare wijd uitgestrekte rechterhand beschreef een wijden,

zuiveren cirkel. Als door een schrik aangegrepen, hield zij daarna

plotseling op te draaien; op hetzelfde oogenblik gingen de lampen uit,

en de zaal werd door niets verlicht dan door de sterren aan den hemel

en de glimmende kolen onder de ketels. De doffe muziek stierf weg,

maar eene nieuwe, sterker geur drong door het gordijn in de zaal.

Medea wierp zich nu op de knieën, strekte de armen ten hemel, wierp

het hoofd met een alleen door haar uitvoerbaren snellen ruk zoover

terug, dat het geheele gelaat was gekeerd naar het firmament boven

haar, en haar blik, recht opwaarts ziende, de sterren waarnam. In

deze vreeselijke houding, met het blauwe hemelgewelf boven haar

hoofd, zong zij bezwering op bezwering met eene helder roerende,

smachtende stem. Haar borst welfde zich daarbij sterk omhoog, haar

haarbos stond niet meer op, maar was naar de vrouwen gekeerd, die

niet anders dachten dan dat deze den hemel aanroepende vrouw, door

de opstijging van het bloed achterover op den grond zou vallen. Doch

zij zong en bleef zingen, en hare witte tanden schitterden daarbij in

het sterrelicht, dat loodrecht op haar neerviel. Onder den overvloed

van demonische namen en magische woorden, die zij omhoog riep en liet

trillen door de lucht, deed zich uit de richting van het gordijn een

beangstigend, jammerend tweeledig rochelen, zuchten en klagen hooren;

het eene geluid scheen voort te komen uit de beklemde borst van een

door bitter lijden aangegrepen man, het andere was als het zacht,

half verstikt gekrijt van een kind, dat pijn lijdt. Het laatste

werd steeds luider en eindelijk hoorde men in het Egyptisch: "Water,

een slokje water!"

De vrouw verliet opeens hare schrikkelijke houding, rees op en riep:

"De klacht der beroofden en armen, van wie genomen werd, om aan de

in overvloed badenden te geven, de noodkreet dergenen, die door het

lot werden geplunderd om u gaven te schenken, genoeg voor honderden."

Na deze woorden, die zij op zalvenden toon in het Grieksch had

gesproken, keerde zij zich naar het gordijn en riep nu weder plechtig

in het Egyptisch terug: "Geef den dorstende te drinken, de gelukkigen

gunnen hem een dropje van hun overvloed. Geef den klagenden kinderdemon

den witten drank, om hem te vreden te stellen en te verdrijven. Laat

muziek klinken, om de klachten der jammerende geesten te overstemmen!"

Daarna keerde zij zich naar Heliodora's ketel en zeide ernstig,

als volgde zij een hooger bevel: "Zeven goudstukken, om het werk te

voleindigen," en terwijl de jonge vrouw haar beurs voor den dag haalde,

de tooveres de lampen ontstak en de munten in de kokende vloeistof

wierp, zong zij onophoudelijk: "Rein, blinkend goud, zonlicht, in

de bergen verborgen. Heilige zeven, schaschef, schaschef! Heilige

zeven! Vereenigt u! Smelt samen."

Zij goot hierop een dampende vloeistof, zoo zwart als inkt, uit

den ketel op een vlakken schotel, riep Heliodora aan hare zijde en

verklaarde haar wat haar oog op den blanken spiegel zag: het was

niets dan schoons, het gaf enkel hartverblijdende antwoorden op de

vragen der weduwe. Wat de tooveres zeide, moest het vertrouwen op hare

magische krachten versterken, want zij beschreef Orion zou nauwkeurig,

als zag zij hem in den inktspiegel voor zich en wel op reis met een

anderen heer. Maar daar kwam reeds zijn terugkeer op de blanke vlakte

te voorschijn, daar zag zij Heliodora aan de borst van den geliefde,

en nu welk een tafereel. Niet de bisschop van Memphis, maar een vreemde

legde hare en zijne hand in elkander voor het altaar in een grooten,

heerlijken dom en zegende hun verbond.

Katharina, wie het gezang van Medea en wat daarop gevolgd was met vrees

had vervuld en in stilte deed huiveren, volgde ieder woord der tooveres

met angstige spanning. Wat de vrouw zeide, de wijze waarop zij Orion

beschreef, het was wonderbaarder dan alles wat zij ooit voor mogelijk

had gehouden. En de dom, waarin het verliefde paar getrouwd zou worden,

was de Sophia-kerk te Konstantinopel, waarvan zij veel gehoord had. Het

hart werd haar als toegeknepen, maar met hoeveel aandacht zij ook de

woorden van Medea volgde, haar scherp oor hoorde toch voortdurend

het treurig rochelen en klagen achter het gordijn, dat beangstigde

haar, beklemde haar adem, en een diep martelend gevoel van ellende

overweldigde hare ziel. Dien krijtenden kindergeest daar achter,

van welks geluk haar een deel ten goede gekomen zou zijn, had zij,

juist zij, zeker niets ontroofd, want wie was er thans ongelukkiger

dan zij? Alleen die schoone, smachtende, jonge vrouw daar had het lot

met gaven, genoeg voor ontelbare anderen, zoo kwistig overladen. O als

zij haar de eene na de andere had kunnen ontrooven, van den grooten

robijn af, dien zij heden droeg, tot de liefde van Orion toe!

Bleek en overspannen gaf zij aan de roepstem der tooveres gehoor,

nadat ook zij zeven goudstukken geofferd had. Zij had daarvoor het

liefst eene moorddadige verwensching gekocht, om de gelukkige daar

er mede te verpletteren. Reeds begon de pikzwarte vloeistof in den

schotel te vloeien, waaruit een scherp riekende damp opsteeg, doch de

tooveres blies dezen opzij. Zoodra het donkere vocht een weinig was

afgekoeld en de oppervlakte niet meer troebel maar glad was, vroeg

Medea het meisje, wat zij het eerst begeerde te vernemen. Doch het

antwoord werd Katharina van de lippen genomen; een verschrikkelijk

geklop en gedreun deed plotseling het huis daveren, en met een luiden

gil liet de tooveres den schotel vallen, zoodat de inhoud omhoog

spatte, en lauwe, vuile druppels zich hechtten aan het kleed en de

armen van het meisje. Een onverwachte, ontzettende schrik bracht haar

geheel in verwarring, en Heliodora, die zelve nauwelijks op de been

kon blijven, moest haar steunen; want Katharina waggelde en dreigde

in elkaar te zakken.

De tooveres was verdwenen; in de zaal bevonden zich alleen een half

volwassen knaap, een jonge man en een lang opgeschoten, schamel gekleed

Egyptisch meisje. In alle richtingen heen en weervliegende wierpen zij

de voorwerpen, die hier en daar stonden, in eene opening van den vloer,

waarvan zij het luik hadden weggetrokken, goten water op de kolen,

doofden de lampen uit en dreven de vrouwen met gemeene scheldwoorden

in een hoek van de zaal. Daarna klommen de knapen zoo vlug als katten

naar het open dak, en sprongen naar buiten. Daar weerklonk een schel

gefluit door het huis, en een oogenblik later stormde de tooveres de

zaal binnen, vatte de beide bevende vrouwen bij de schouders en riep

hun toe: "Om Christus' wil hebt medelijden! Het is om mijn leven te

doen. Op tooverij staat den dood. Ik heb mijn best voor u gedaan. Gij

zijt--hoort gij wat gij zeggen moet?--gij zijt uit barmhartigheid

gekomen om de kranken te verplegen."

Daarop duwde zij beiden door het gordijn, waarachter nog altijd

klaagtonen werden gehoord, in een bedompt laag vertrek, en het

groote, magere meisje slenterde haar achterna. Daar lagen op armzalige

legersteden een oud man met donkere vlekken op zijne naakte borst en

zijn aangezicht, rillend over al zijne leden, en een vijfjarig kind,

welks hoogroode wangen van de koortshitte gloeiden. Heliodora dacht

in dit vertrek te stikken en Katharina klemde zich bevende aan haar

vast; doch de tooveres haalde hen van elkander zeggende: "Ieder voor

een bed; gij bij het kind, gij bij den oude!"

Werktuigelijk volgden beiden de vrouw, die van angst buiten adem

was. Het kwikstaartje, dat zich nog nooit om eene kranke bekommerd

had, werd van afschuw vervuld en wendde de oogen van de lijders

af. De jonge vrouw, die vele, vele nachten aan de lijdenssponde

van een geliefde gewaakt had en goedhartig,--want dat was zij van

nature--haar lijdende slaven vaak met eigene hand hulp had verleend,

zag het kind medelijdend in het vriendelijke, gloeiende gelaat,

en veegde het met den doek de zweetpaarlen van het voorhoofd.

Katharina huiverde bij alles wat zij zag, doch reeds werd hare

opmerkzaamheid door iets nieuws geboeid, want aan de andere zijde

van het huis hoorde men wapengekletter, de deur werd met geweld

opengestooten en de arts Philippus trad de kamer binnen. Hij beval

de veiligheidsbeambten, die hem vergezelden, buiten te wachten. Hij

verscheen op last der bouleuten, aan wie ter oore was gekomen, dat

zich door de pest aangetaste kranken bevonden in het huis van Medea,

en dat zij desniettemin voortging met bezoeken te ontvangen. Men

had reeds lang besloten haar de uitoefening van dit handwerk te

beletten; en heden was het bericht gekomen, dat zij in den avond

voorname bezoekers verwachtte. De beambten wilden haar op heeter daad

betrappen en de arts verlangde uit te maken, of haar huis tot de door

de ziekte aangetaste behoorde. In elk geval wenschte de senaat de

tooveres in de gevangenis ter zijner beschikking te hebben, hoewel

men aan Philippus van dit verlangen niets had medegedeeld.

Zij die binnenkwamen, hadden in het minst niet verwacht deze gasten

hier te vinden. Met een afkeurend hoofdschudden keek de arts hen aan,

legde de tooveres het zwijgen op met een barsch: "dat alles zal wel

blijken," toen zij haastig verzekerde, dat deze edele dames gekomen

waren, om uit christelijke barmhartigheid de arme lijders te troosten

en te helpen, en bracht de onvrijwillige krankenverpleegsters

onverwijld naar buiten. Daar deelde hij haar mede in welk een

schrikkelijk gevaar zij zich door hare lichtzinnigheid gebracht hadden,

en gebood haar ten stelligste zich terstond naar huis te begeven,

dáar, ondanks het late uur, een bad voor zich gereed te laten maken

en van kleederen te verwisselen.

Met knikkende knieën bereikten zij den wagen en nog voor deze zich

in beweging zette, barstte Heliodora in bittere tranen uit, terwijl

Katharina zich nijdig achterover in de kussens wierp en met een blik

op hare gezellin, die zoo geheel ontdaan was, dacht: "Het begin van het

ongehoord geluk, dat haar verspeld werd! Goed, als het zoo voortgaat."

Het was alsof demonen, die het kwikstaartje welgezind waren dezen

wensch vernomen hadden; want toen de wagen voorbij het wachthuisje

den eersten hof van het stadhouderlijk verblijf wilde inrijden, werd

hij aangehouden door vreemde gewapenden, met bruine krijgshaftige

aangezichten, en moest hij eenige oogenblikken hier wachten tot een

Arabisch bevelhebber verscheen, die verlangde te weten wie zij waren

en wat zij begeerden.

Zij antwoordden met bevende stem, waarop haar werd medegedeeld, dat

zoo even op last der Arabische regeering beslag was gelegd op het

stadhouderlijk paleis. Orion was van eene groote misdaad beschuldigd

en zijne gasten moesten morgen het huis verlaten. Katharina, die den

tolk kende, kreeg vergunning Heliodora naar de vrouw van den senator

te vergezellen, zich van den wagen te bedienen om terug te rijden en,

als zij dit begeerde, de Byzantijnsche met zich naar huis te nemen;

want in het stadhouderlijk verblijf zou het er in de eerste dagen

zeer oorlogzuchtig uitzien.

Zij hielden nu te zamen raad. Het kwikstaartje drong er op aan, dat

Heliodora haar terstond naar hare moeder zou vergezellen, want zij

hield zich en hare gezellin voor verpest; en hoe zouden zij, in dit

door soldaten bezet gebouw, een bad kunnen nemen? De jonge vrouw kon

en durfde in dezen toestand niet bij vrouw Martina blijven. Morgen

moest ook de matrone bij Katharina komen; hare moeder, zeide zij,

zou zich bijzonder verheugen over zulke lieve gasten.

De weduwe liet werktuigelijk alles met zich doen, en nadat vrouw

Martina gaarne had ingewilligd, om de uitnoodiging van hare "reddende

engel" te volgen, bracht de wagen beiden naar het huis der weduwe

Susanna. Deze was reeds lang te bed en hield zich vast overtuigd,

dat haar dochtertje in hare vriendelijke kamer lag te slapen en te

droomen. Katharina liet haar niet wekken en de badkamer was zoover

verwijderd van Susannas vertrekken, dat zij rustig doorsliep, terwijl

haar kind en hare nieuwe gast er gebruik van maakten.

De nijlbruid · 第 49 / 66 题