NEGENDE HOOFDSTUK.

De arts Philippus stond haastig op van de rustbank, waarop hij naast

zijn ouden vriend het ontbijt had gebruikt. Voor den grijsaard stond

nog een half gevuld bord; hij had de spijzen minder haastig verslonden

dan de ander, en met een afkeurenden blik zag hij den man aan die

zooveel spoed maakte, dat hij den gemengden wijn staande door zijn

keel goot, bij het genot waarvan hij vroeger, na het einde van den

maaltijd, gaarne met Horus Apollon wat gepraat of een ernstig gesprek

gevoerd had. Dat was voor den grijsaard altijd de aangenaamste ure van

den dag geweest, maar thans gunde Philippus zich zelfs des avonds bij

het hoofdmaal nauwelijks den tijd, om zich behoorlijk te verzadigen.

Ongetwijfeld werd niet alleen zijne, maar ook de krachtsinspanning van

alle andere artsen in dezen tijd gevorderd. Bijna drie weken waren er

verloopen sedert de verjaging der nonnen, en de ontzettende hitte van

dezen zomer was sedert nog toegenomen. In plaats van te stijgen, daalde

de stroom nog altijd lager; de uit Aethiopië komende duivenboden,

die men dagelijks met verlangen en spanning te gemoet zag, wisten ook

niets te melden van eene zwelling der wateren op den bovenloop van

den stroom. Het bijna stilstaande, brakke water aan den oever begon

thans door zijne onwelriekende uitdampingen zeer schadelijk te worden

voor de gezondheid der geheele bevolking, inzonderheid in de nabijheid

daarvan vertoonde de vloed eene roodachtige kleur, en het anders zoo

reine, smakelijke water in de leidingen was van allerlei plantaardige

bestanddeelen en vreemde lichamen bezwangerd, vuil en walchelijk om

te drinken. De geringe lieden gaven zich gewoonlijk de moeite niet om

het te zuiveren, en de meesten hunner werden aangetast door een nog

onbekende, doodelijke, aanstekelijke ziekte. Het aantal offers nam

toe met den dag en de groei van de komeet hield gelijken tred met de

stijgende ellende van de stad. Ieder bracht het luchtverschijnsel in

verband met dezen zomergloed, het uitblijven van den Nijl-was en het

verschijnen van de pest. Over deze omstandigheid hadden de arts en

zijn grijze vriend soms harde woorden met elkander; want Philippus

wilde aan het gesternte geen invloed toekennen op het menschelijk

leven, terwijl Horus Apollon er aan geloofde, en zijne zienswijze

door eene lange reeks van voorbeelden wist te bekrachtigen. Voor

zijn tegenstander hadden die voorbeelden geen kracht van bewijs; hij

verlangde deugdelijke gronden, doch evenals iedereen zoo leefde ook

hij onder den invloed van den angst voor eene aanstaande schrikkelijke

gebeurtenis, die de aarde en de menschheid bedreigde.

Gelijk ieder gemoed in Memphis zich gedrukt en beklemd gevoelde

door zulke schrikbeelden van de naaste toekomst, en door den last

van het onheil, dat niet meer dreigde maar reeds begonnen was zijne

slagen uit te deelen, zoo lag op de wegen, de tuinen, de palmen en

sykomoren langs de straten eene zware massa grijs en alles verstikkend

stof. De hagen van tamarisken en ander struikgewas zagen er uit, als

uitgevreten muren van kleurlooze, ongebrande Nijltegels, zelfs in de

hoofdstraat omgaf den wandelaar eene dichte, grijze nevel, die door de

voetstappen werd opgejaagd. Reed er een wagen, draafde er een ruiter

door de heete straten, dan werden zij vervuld met grijze stofwolken,

die de voorbijgangers drongen mond en oogen te sluiten. De stad was

zoo stil, zoo ledig, zoo verlaten! Niemand verliet zijne woning tenzij

eene dringende noodzakelijkheid of vroomheid er hem toe aandreef. Elk

huis was een gloed uitstralende oven, en zelfs het bad gaf geene

verkwikking, omdat het water sedert lang niet meer koel was. Tot

overmaat van smart waren de rijpende dadels aan de boomen door eene

ziekte aangetast, zij vielen bij duizenden uit de spichtige bundels

onder de sierlijk gebogen bladerenkronen op den grond, en sedert

eergisteren begonnen er in toenemende hoeveelheid doode visschen

aan land te drijven. Ook onder de geschubde waterbewoners heerschte

eene doodelijke ziekte, en de arts verzekerde zijn vriend, dat dit

den mensch met nieuwe gevaren bedreigde, want wie zou den oever van

de doode visschen zuiveren, en hoe spoedig begonnen ze bij de hitte

te rotten.

De grijsaard ontveinsde zich niet, dat de arts het in zulk een tijd

zwaar, zeer zwaar te verantwoorden had, wilde hij zijn beroep met alle

nauwgezetheid vervullen. Maar hij kende zijn Philippus en had hem nu

twee jaren geleden gedurende pestmaanden altijd frisch, vroolijk en

geestig gezien, en nog meer opgewekt door de groote inspanning, die

van hem gevorderd werd. Wat hem thans zoo geheel anders deed zijn,

wat zijne ziel vergiftigde, hem martelde en als onder een banvloek

deed zuchten, het was niet de bijna bovenmenschelijke zelfopoffering,

die zijn plicht van hem vorderde, maar alles was een gevolg van de

rampzalige afdwaling zijns harten, waarvan hij zich niet bevrijden

kon. Intusschen hield Philippus de belofte, die hij aan den ouden man

had gedaan. Dagelijks ging hij naar het huis van Rufinus, dagelijks

ontmoette hij daar Paula, en evenals de wonden van een verslagene

gaan bloeden, wanneer de oogen van zijn moordenaar op hem vallen,

zoo ontwaakte daar telkens de oude pijn, wanneer hij haar ontmoette en

gedwongen was met haar te spreken. Ook voor dezen kranke was het noodig

de grondoorzaak van het lijden weg te nemen, door de Damasceensche

uit zijn levenskring te verwijderen; de grijsaard beschouwde het als

zijne roeping, als zijn plicht dit te bewerken.

De kleine Maria en de andere patiënten in het huis van Rufinus namen

in beterschap toe, maar er was nog veel wat eene sombere schaduw wierp

over deze verblijdende feiten. Vrouw Johanna en Pulcheria waren zeer

bezorgd over het lot van haar vader. Noch van hem noch van de nonnen

hadden zij sedert hun vertrek iets gehoord, en de verlatene gade en

hare dochter, die tot den arts opzagen als tot een goeden, trouwen,

alvermogenden beschermgeest, stortten voor Philippus al hare zorgen,

smarten en vrees uit. En haar angst klom te meer sedert reeds driemaal

Arabische beambten in haar huis waren gekomen, om onderzoek te doen

naar den man en vader en de plaats waar hij zich ophield. Al wat

de vrouwen zeiden werd opgeschreven, en vrouw Johanna, over wier

lippen nog nooit een leugen was gekomen, had zich gedwongen gezien

valsche opgaven te doen en te verklaren, dat haar man voor zaken naar

Alexandrië was gereisd, ja dat hij wellicht nog naar Syrië moest. Wat

beduidde dat uitvragen? Bleek daaruit niet dat men te Fostat kennis

droeg van Rufinus' aandeel in de ontvluchting der nonnen?

Men was daar echter beter onderricht dan de vrouwen konden vermoeden,

doch hield geheim wat men wist; want het onderdrukte volk mocht

niet te weten komen, dat het een handvol Egyptenaars gelukt was eene

gansche bende Arabische krijgers te vernietigen, en alleen een onzeker

gerucht gaf de Memphieten eenige kennis van het gebeurde. De arts had

van Rufinus' plan eerst gehoord, toen men met de uitvoering reeds te

ver gegaan was, om haar nog tegen te houden, en thans kwelde hem de

gedachte, dat zijn beste, oude vriend en de zijnen in het ongeluk

gestort konden worden ter wille van die vreemde zusters. Want hij

had in het geheim vernomen, dat het tusschen de verdedigers der

vluchtelingen en de muzelmannen tot een strijd was gekomen, die aan

vele strijders van beide zijden het leven had gekost.

En Paula? Had zij ten minste maar den indruk op hem gemaakt van

gelukkig te zijn! Doch zij was bleek geworden, en dat de naar lichaam

en ziel gezonde jonkvrouw hem thans niet te gemoet kwam met die

trotsche, vrije, zelfbewuste houding van weleer, het was niet door

de hitte, die alle schepselen neerdrukte, maar door eene smart die

haar inwendig verteerde, veroorzaakt door hem, aan wien zij gehecht

was met geheel haar hart, en die haar het vorstelijk geschenk harer

liefde vergold--op welk eene wijze!

Philippus moest nog voortdurend bezoeken afleggen in de stadhouderlijke

woning, en reeds een veertien dagen geleden had hij begrepen wat de

oorzaak was van den vreemden toestand der weduwe van den Mukaukas. Zij

gebruikte het opium van haar gestorven gemaal en dat in onzinnige

hoeveelheden, en wist zich telkens nieuwen voorraad te verschaffen

door een tweeden arts. Door klachten en smeekingen was het haar

gelukt Philippus te bewegen haar niet aan haar lot over te laten, en

daarom bleef hij haar bezoeken, in de hoop haar althans in het genot

van het vergif te beperken. Ook de vrouw van den senator, Martina,

noodigde hem uit het stadhouderlijk paleis niet te vermijden. Zij

was wel niet ziek maar leed vreeselijk van de hitte en was gewoon

haren waarden, ouden huisarts dagelijks te ontvangen, zich door hem

nieuwtjes te laten vertellen, en nu en dan wat te klagen, wanneer in

haar overigens zeer gezond lichaam soms iets niet in orde was. Nochtans

liet Philippus, die handen vol werk had, zich met praatjes niet in,

maar zijne raadgevingen waren goed en hielpen haar den gloed van dezen

hemel beter te verdragen. De levendige, verstandige, openhartige,

vaak wel-is-waar zeer scherpe en kort aangebonden man beviel haar, en

hare natuurlijke, aangename manier van doen trok ook hem aan. Somwijlen

gelukte het vrouw Martina, haren "Hermes Trismegistus" die gewoonlijk,

"zoo verbazend ernstig was, als ware er niets grappigs meer op aarde,"

een lachje af te dwingen en hem een antwoord te ontlokken, waaruit

bleek dat deze isegrim toch inderdaad een geestige kerel was en niet

verlegen, om den bal terug te kaatsen.

Heliodora bezat weinig aantrekkelijks voor Philippus. Er bestond

wel-is-waar tusschen hare smeekende oogen en die van Rufinus' dochter

eene onmiskenbare overeenkomst, doch in de laatste lag zielsverlangen

naar de genade en de liefde Gods, in de eerste warme begeerte naar de

toegenegenheid van menschen, die haar bevielen. Deze vrouw was zeker

aanvallig, maar hare volgzaamheid, die geen eigen doel had, die zelfs

geen poging deed om eene eigene zienswijze te hebben, sprak niet tot

zijn gemoed, dat wist wat het wilde; ja het verdroot hem wanneer zij,

nadat hij haar had tegengesproken, zijn laatsten volzin herhaalde om,

beschaamd over hare eigene dwaasheid, met hem in te stemmen. Haar

gezelschap scheen ook de verstandige matrone, in wier eigen huis

het eene bezoek het andere volgde, en voor wie de begrippen "avond"

en "een onderhoudend gesprek in een talrijk gezelschap" van dezelfde

beteekenis waren, niet te voldoen, want zij noemde zelfs zijne korte

bezoeken oasen in haar Egyptisch woestijnleven, en die van de kleine

Katharina beschouwde zij als eene weldaad.

Het kwikstaartje was haar dagelijksche gast geworden en bij deze hitte

was haar vroolijk, hoewel soms kwaadsprekend gebabbel voldoende,

om haar den tijd te korten. Katharinas moeder maakte geen bezwaren

tegen deze bezoeken, want Heliodora had haar in haar prachtigste

toilet bezocht, en haar met Katharina eene gastvrije ontvangst in de

hoofdstad aangeboden. Misschien ging zij daarheen, want te Memphis

bleef zij in geen geval, en dan was het een geluk door lieden als hare

nieuwe bekenden in de samenleving te worden binnengeleid. Natuurlijk

kreeg vrouw Martina ook veel van Paula te hooren, en hoewel dit zeer

partijdig gekleurd was en er niet dan tot haar nadeel werd gesproken,

zoo zou zij toch de dochter van den grooten en beroemden Thomas,

dien zij gekend had, gaarne persoonlijk ontmoet hebben. Overigens

vreesde zij van de Damasceensche, na alles wat zij vernomen had, niet

veel voor hare nicht. Zij moest buitengewoon schoon, maar hoogmoedig,

terugstootend, het tegendeel van beminnenswaardig zijn en daarbij eene

orthodoxe als Heliodora. Wat kon den 'grooten Sesostris' aanleiding

geven haar de voorkeur te schenken?

Ook Katharina bood de matrone aan haar met de Damasceensche in kennis

te brengen; doch niets kon vrouw Martina bewegen, zich uit haar

voor de zonnehitte zoo goed mogelijk beschut verblijf naar buiten te

begeven. Zij liet het aan Heliodora over, die sedert lang éen hart

en éene ziel met de kleine was en in zooveel dingen zich naar haar

wil voegde, om haar van de schoone heldendochter te vertellen. Dit

kon gebeuren, want het kwikstaartje had de stoutheid gehad de beide

mededingsters samen te brengen en wel nadat zij elk afzonderlijk had

medegedeeld, wat zij van Orions betrekking tot de andere wist. Dat was

eene kostelijke grap, maar in éen opzicht bereikte zij daarmede toch

haar doel niet; want Paula liet door niets blijken dat zij leed aan

de ziekte der ijverzucht, die zij in haar wilde opwekken. Heliodora

was echter bedrukt en beangst van de Damasceensche teruggekeerd;

want deze had haar koel en met hoffelijke vormelijkheid ontvangen,

en ook in het vervolg was de jonge vrouw zich tegenover haar steeds

bewust gebleven, dat deze buitengewone jonkvrouw zeer wel in staat

was haar beeld in Orions hart te verdonkeren, ja het daaruit geheel

te verdringen. Evenals een gekwetste, al doet het hem pijn, de wond

bevoelt, om zich van den toestand te overtuigen, gevoelde zij zich vaak

getrokken tot Katharina, alleen om uit haar tuin de mededingster te

zien, of om zich bij haar te laten brengen, ofschoon haar dan altijd

eene koele ontvangst ten deel viel.

Katharina had in den beginne medelijden gevoeld met de jonge vrouw,

in wie zij wat verstandelijke ontwikkeling betreft haar mindere

zag. Doch dit was ingevolge eene bepaalde aanleiding geheel voorbij,

en nu haatte zij ook deze jonge weduwe en gaf haar kleine steken zoo

vaak zij kon. Paula scheen echter niet te verwonden, en toch was er

geen leed dat Katharina haar niet gaarne zou hebben aangedaan, aan

wie zij de grootste vernedering in haar ongelukkig leven had te wijten.

Hoe liet het zich verklaren, dat de Damasceensche in de schoone

Heliodora geene gevaarlijke mededingster zag? Zij meende, dat Orion

deze vrouw niet voor zoo langen tijd had kunnen verlaten, wanneer hij

werkelijk hare liefde beantwoordde. Om de Byzantijnsche te ontwijken

en voor haar, Paula, te blijven, wat hij voor haar was en zijn

moest, bevond hij zich met den senator thans verre van Memphis. Deze

Heliodora--eene stem in haar binnenste riep het haar toe--was de arme,

bedrogene vrouw, waarmede hij in de hoofdstad gespeeld en voor wie

hij dien noodlottigen diefstal van den smaragd begaan had. Bracht

het lot hem slechts tot haar terug, en schonk zij den teruggekeerde

wat hij begeerde en waarnaar hare eigene ziel zoo vurig verlangde,

dan was zij geheel en alleen de koningin van zijn hart, dan moest zij

dat zijn, hieraan viel niet te twijfelen. En wanneer zij in weerwil

daarvan bezorgd en bezwaard het hoofd liet hangen, dan geschiedde dit

niet uit vrees van hem te zullen verliezen, maar uit zorg voor haar

vader en haar ouden, besten vriend Rufinus en de zijnen, die geheel

en al de haren waren geworden.

Zoo stonden de zaken, toen de arts Philippus den wijn na den maaltijd,

tot groot verdriet van zijn ouden vriend Horus Appollon, zwijgend

en haastig door zijn keel goot. Juist zette hij den beker neder,

toen de zwarte deurwachter een bultenaar aanmeldde, die den meester

terstond over eene gewichtige aangelegenheid begeerde te spreken.

"Gewichtige aangelegenheid?" herhaalde de arts. "Geef mij bij mijne

eigene nog vier andere beenen of een instrument om den tijd te rekken,

dan wil ik nieuwe patiënten aannemen, anders niet! Zeg den knaap...."

"Niets, niets van kranken, heer!" zeide de zwarte, hem in de rede

vallende. "Komt van heel ver, is de tuinman van den ouden Grieken-heer

Rufinus."

Philippus verschrikte. Hij vermoedde welke tijding die bode bracht

en met een angstig kloppend hart, beval hij, hem binnen te brengen.

Een blik op Gibbus zeide hem dat zijn vermoeden juist was geweest. De

arme kerel was nauwelijks te herkennen. Een dikke laag stof bedekte

hem van het hoofd tot de voeten en gaf hem het aanzien van een ouden

man, wiens hoofdhaar en baard vergrijsd waren. De sandalen hingen

gescheurd aan zijne voeten, in zijn met stof bestrooid gelaat had het

zweet diepe voren getrokken, en de tranen die hij vergoot, terwijl

de arts hem vragend de hand reikte, groeven nieuwe op zijne wangen.

Op Philippus' bange langgerekte uitroep: "Dood?" gaf een zwijgend

hoofdknikje het antwoord, en toen de arts den hovenier, met beide

handen aan zijne slapen, toeriep: "Dood! Rufinus, mijn arme, oude

Rufinus dood! Maar hoe, om godswil, hoe is dat gekomen? Spreek,

spreek toch man!" toen wees Gibbus op den grijsaard en zeide met

nadruk: "Kom met mij naar buiten heer; geen derde moet...."

Doch Philippus beduidde hem, dat hij die daar zat zijn ander ik was

en nu deelde de bultenaar mede, wat hij beleefd had en hoe zijn beste

heer gestorven was.

Horus Apollon had bij dit bericht verbaasd en met afkeuring het

hoofd geschud, terwijl de arts menige vloek uitstiet. Doch men had

het verhaal van den ongeluksbode niet afgebroken, en eerst toen hij

geëindigd had zeide Philippus, met gebogen hoofd en vochtige oogen:

"Arme, trouwe, oude vriend, dat hij juist zoo moest sterven; hem,

die hier het beste achterlaat, heeft het getroffen, en ik--ik!"

Daarbij slaakte hij een diepen zucht, maar de grijsaard wierp hem

een blik toe, die zeide, dat hij zulk een uitroep afkeurde en hem

beleedigde.

Terwijl Philippus het tafeltje, dat de abdis zoo zorgvuldig mogelijk

gesloten had, ontzegelde en begon te lezen, vroeg Horus Apollon den

hovenier: "En de nonnen? Zijn zij allen ontkomen?"

"Ja heer! Den volgenden morgen na onze aankomst te Dumiat stak een

triremis [15] met haar in zee."

De oude prevelde half binnen'smonds: "De werkbijen gedood en de

hommels gered!"

Maar Gibbus sprak hem tegen en roemde het moeitevol en arbeidzaam

leven der zusters, die ook hem eens hadden verpleegd.

Intusschen had de arts het laatste schrijven van zijn vriend

gelezen. Vol inwendige onrust draaide hij het om en om, liep met

groote stappen de kamer op en neer en bleef eindelijk staan voor

den hovenier, terwijl hij hem toeriep: "En wat nu? wie zal hen die

tijding overbrengen?"

"Gij, heer," antwoordde Gibbus, terwijl hij smeekend de handen naar

hem uitstrekte.

"Ik, natuurlijk ik!" hernam de arts, zich op de lippen bijtende. "Wat

moeielijk, pijnlijk, schier ondragelijk is, komt zooals vanzelf spreekt

op mijn hoofd neer. Maar ik kan, ik mag, ik wil het niet doen! Heb

ik dan dat dolle avontuur verzonnen en op mijne rekening? Merkt gij

het op vader? Wat die knaap gekookt heeft, ik, ik--daar zorgt het

lot wel voor--ik krijg dat weder te vreten!"

"'t Is zwaar, zeer zwaar, mijn kind!" antwoordde de oude. "Doch het

is uw plicht. Bedenk eens--wanneer hij, zooals hij daar voor ons

staat bij de vrouwen komt..."

Opeens viel Philippus hem in de rede: "Neen, neen, dat gaat

niet! En gij, Gibbus, gij--heden is er weder een Arabier bij

vrouw Johanna geweest, en als zij--gij valt door uw uiterlijk

zeer in het oog--wanneer zij ook maar vermoeden dat gij uw heer

vergezeldet... Neen, man, uw trouw verdient beter loon! Zij zullen u

niet vangen! Ik maak u vrij van uw dienst bij de weduwe en wij--wat

denkt gij er van, vader?--Wij behouden hem bij ons."

"Goed zoo!" antwoordde de grijsaard. "Eens moet de Nijl weder

stijgen. Blijf bij ons! Ik snak reeds lang naar zelfgekweekte

groenten."

Maar de bultenaar nam zeer bescheiden dien voorslag niet aan en

verklaarde, dat hij tot zijne oude meesteres terug wilde keeren. Toen

de arts hem daarop nog eens onder het oog bracht aan welke gevaren hij

zich blootstelde, en de grijsaard zijne beweegredenen van dit besluit

wenschte te weten, zeide de hovenier: "Ik heb mijn heer beloofd bij

de vrouwen te blijven en nu er buiten mij geen vrij man in huis is,

zal ik hen alleen laten, om mijn erbarmelijk leven te redden? Dan

liever een kromsabel tegen mijn hals. Is de kop eraf, wat er dan

overblijft dat brokje schoonheid gun ik de schurken."

Bij deze woorden, die hol en afgebroken uit een verdroogden mond te

voorschijn kwamen, vertrok de trouwe man zijn gelaat; men zag door

het stof zijne wangen verbleeken en Philippus moest hem steunen,

want de voeten weigerden hem den dienst. De lange wandeling door

de vreeselijke hitte had de krachten van den bultenaar uitgeput;

een dronk wijn bracht hem echter weldra weder bij en Horus Apollon

beval den slaaf hem mede te nemen naar de keuken en den kok zoo goed

mogelijk voor hem te doen zorgen.

Zoodra beide geleerden alleen waren, zeide de grijsaard: "Die oude,

wakkere waaghals, die daar gestorven is, stelt u buitengewone eischen;

men kon het u aanzien bij het lezen."

"Hier, lees!" antwoordde de arts, wederom door de kamer stappende,

terwijl de grijsaard het tafeltje ter hand nam. De beide zijden waren

met onregelmatige, golvend op en neer gaande schriftregels bedekt,

die aldus luidden:

"Rufinus met den dood voor oogen, aan zijn geliefden Philippus.

"De eene koude rilling volgt de andere, ik sterf zeker nog heden,

het gaat snel, het schrijven kost moeite. Als slechts het noodigste

gezegd wordt. Vooreerst: Johanna en het arme kind! Wees voor hen

zooveel gij kunt. Ik had meer voor hen zullen en kunnen zijn. Bescherm

hen als voogd en vriend. Zij hebben om van te leven en kunnen nog

anderen van het hare mededeelen. Mijn broeder Leonax bestuurt ons

vermogen, en hij is een eerlijk man. Johanna weet alles. Zeg haar en

het arme kind, dat ik hen duizendvoudig zegeningen en Johanna voor

zooveel goeds ontelbare dankzeggingen toezend. Gij, vriend: hoor

naar den oude! Maak uw hart los van Paula. Zij is niet voor u. Gij

weet het, de jonge Orion. Maar gij. Wat van de geboorte af op den

top stond, past slecht bij ons, die van onderen op naar de hoogte

zijn gekrabbeld. Wees haar vriend. Zij verdient het, maar laat het

daarmede genoeg zijn. Blijf gij niet alleen. Het schoonste, wat den

man ten deel kan vallen, brengt de vrouw in zijn leven. In den diepen

slaap vlecht zij vriendelijke droomen. Dat alles weet gij nog niet bij

ervaring. Ook uwe waardige, oude vriend, dien ik laat groeten, heeft

zich levenslang van de vrouwen teruggetrokken.--Voor u alleen. Dit

zegt een stervende. Laat ik u bekennen, dat het arme kind, onze Pul,

u houdt voor den volmaakste onder de mannen en u hoogschat gelijk geen

ander. Gij kent haar en ook Johanna. Betuig uw vriend: dat geen boos

woord ooit uit den mond komt van deze twee. Verre zij het van mij, u,

die het beeld van eene andere vrouw in uw hart draagt, te raden: tracht

dat kind voor u te winnen, zij is de vrouw die u past.--En dit voor u

beiden: vereenig u, ik geef maar een raad, vader en zoon, met moeder

en dochter, als goede trouwe huisgenooten en vrienden. Het zal beide

partijen niet berouwen. Dat heeft een stervende gezegd. Verder wil het

niet gaan. Gij, Philippus, zijt voogd over de vrouwen, een trouwe,

dat weet ik. Hetzelfde doel, dezelfde gezindheid, gij en ik, vele

heerlijke jaren... Zorg goed voor beiden, bid ik u, zorg er goed voor!"

Deze laatste woorden waren elk op zichzelf en buiten den regel als

over het tafeltje heengestrooid, en het viel den grijsaard niet

gemakkelijk ze te lezen. Gelijk zoo straks de arts, zoo keek hij nu

verlegen en besluiteloos op dit onverwacht schrijven.

"Welnu?" vroeg Philippus eindelijk.

"Ja, wat nu?" antwoordde de ander schouderophalend. Daarop zwegen

beiden geruimen tijd, tot de oude man opstond en leunende op zijn

staf eveneens de kamer op en neer wandelde en half tegen zijn jongeren

vriend, half in zichzelven prevelde: "Twee stille, verstandige vrouwen;

er zijn, denk ik, maar weinige van dat soort. Wat hielp die kleine

mij eens aardig op van dien lagen zetel in den tuin!" Daarbij lachte

hij stil in zichzelven, hield Philippus, die naast hem liep, tegen

en zeide terwijl hij hem zacht op den arm tikte, met een luchtigen

toon, die hem anders vreemd was: "Een mensch moet toch alles eens

beproeven. Vrouwelijke verpleging voor men ten grave daalt! En het

is ook waar, dat zij beiden kijven noch babbelen?"

"Dat zeker niet," antwoordde de arts.

"En welk een 'maar' zal hierop volgen?" vroeg de grijsaard. "Laat ons

eens lichtzinnig zijn, broeder! Ware het geval niet zoo duivelsch

ernstig, het zou om te lachen zijn! Als we uitrusten, de jonge

tegenover mij, de oude tegenover u, zoontje! Beter gewassen linnen,

geen gat in de kleeren, geen stof op de boeken, een vriendelijk

'verblijd u!' elken morgen en aan den disch... Kijk die vruchten daar

eens op dat bord liggen! Als haver, dat men de paarden voorwerpt! Bij

den oude lagen ze zoo netjes geschikt, gelijk bij ons te huis op

Philae; de avonddisch was een klein kunstwerk, een smulletje ook voor

het oog. Die Pul schijnt er den slag van te hebben, evenals mijne

arme gestorvene zuster. En dan: als men wil opstaan, zoo'n klein,

vriendelijk, jong handje om je te steunen! Onze woning staat mij reeds

lang tegen. In het slaapvertrek vallen kalk en stof van de zoldering;

hier gapen overal spleten in den grond--ik ben er gisteren nog over

gestruikeld--en onze krenterige huisheeren, de heeren bouleuten,

zeggen: wat wij willen laten herstellen, dat kunnen we zelven doen; zij

hebben er geen sestersie voor over. Bij den armen, ouden Rufinus was

alles in den besten staat." De grijsaard begon luide te schaterlachen,

en zich in de handen wrijvende, ging hij voort: "Als we nu eens éen

lijn trokken Philippus? Als we den wensch van den stervende eens

vervulden? Groote, genadige Isis! Een goed werk zou het zeker zijn,

en ik heb mij op niet vele te beroemen. Met wat voorzichtigheid--wat

denkt ge--tot wederopzeggens hij de maand, zou men er ten slotte de

proef van kunnen nemen."

Daarop werd hij weer ernstig, schudde het hoofd en zeide met

een bedenkelijk gezicht: "Neen, neen, men offert er zijne rust

bij op.... Een aardig droombeeld, maar het laat zich bezwaarlijk

uitvoeren."

"In elk geval vooreerst niet," zeide de arts. "Zoolang het lot van

de Damasceensche niet beslist is, bid ik u dit alles te laten rusten."

De oude man begon in zichzelven te vloeken en zeide toen, met een blik

van toorn en verontwaardiging: "Altijd en overal die patricische slang,

zij bederft alles! Doch wacht maar, wacht! Ik denk dat zij spoedig

voor ons uit den weg zal gaan, en dan... Neen, juist nu laat ik me

stellig niet ontnemen wat ons het leven kan veraangenamen, wat op

de weegschaal van het doodengericht mijn gewicht kan vergrooten. De

wensch van een stervende is heilig. Dat zeiden de vaderen reeds en zij

hadden gelijk. De wil van den oude geschiede. Ja, ja, ja! Nu staat het

vast! Zoodra alle bezwaren uit den weg geruimd zijn, vereenigen wij

onze huishouding met die der vrouwen. Ik wil het en heb het gezegd!"

Daar kwam de hovenier weder binnen en de grijsaard riep hem toe:

"Hoor eens man, ten slotte komen wij toch bij elkaar; bijzonderheden

nader. Tot het donker wordt blijft gij bij mijn volkje; maar mondje

dicht, want het zijn allemaal luistervinken en babbelaars. Thans

brengt heer Philippus de treurmare over aan de ongelukkige weduwe,

en gij kunt dan van nacht met haar spreken. Daar beneden mag niets

in het oog vallends gebeuren, en wat uw heer overkomen is, zelfs

dat hij dood is, moet voor de geheele wereld een geheim blijven,

behalve voor ons en de zijnen."

De hovenier wist wat er van zijn zwijgen afhing. Philippus keurde de

schikking van den grijsaard goed, doch vermeed met opzet, om over de

opneming der vrouwen te spreken. Toen hij ten laatste op weg ging, om

zich van zijne zware taak bij de weduwe te kwijten, riep Horus Apollon

hem toe: "Moed, moed, mijn zoon, en werp in het voorbijgaan een blik

in ons tuintje: het deed ons leed, toen die oude palm daar wegstierf,

en thans schiet uit zijn wortel een jong reeds groenend boompje op."

"Sedert gisteren laat het de waaiers hangen en zal wel wegkwijnen,"

antwoordde Philippus schouderophalend.

"Begieten Gibbus!" riep daarop de oude. "Men moet het jonge palmpje

terstond begieten."

"Gij hebt het water bij de hand," hernam de arts en hij stond reeds

op de trap, toen hij erbij voegde: "Als het met ieder zoo gesteld was!"

"Met geduld en goeden wil kan men het zoover brengen," mompelde de

grijsaard. Toen hij alleen was prevelde hij hem knorrig achterna. "Weg

nu met dien verdorrenden ouden palmstronk, zijn vroeger leven, voor

zoover het verbonden is aan die patricische deerne! In het vuur er

mee! Hoe krijg ik haar in mijne macht? Hoe zal ik het overleggen,

ja hoe zal ik?"

Daarop wierp hij zich in zijn leuningstoel en wreef zijn voorhoofd met

de vingertoppen. Hij was nog tot geen besluit gekomen, toen de zwarte

slaaf gehoor kwam vragen voor eenige bezoekers. Het waren de hoofden

van den senaat van Memphis, die men had afgezonden, om aan den oude

wijze raad te vragen. Zoo iemand, dan moest hij een middel vinden, om

het vreeselijk onheil, dat stad en land bedreigde, waartegen gebeden,

offeranden en processiën machteloos waren gebleken, af te wenden

of te verzachten. Zij waren besloten voor niets terug te deinzen,

ook al moest heidensche tooverij erbij in het spel komen.

De nijlbruid · 第 48 / 66 题