ACHTSTE HOOFDSTUK.

De rentmeester Nilus had zich van zijn opdracht goed gekweten,

en Rufinus moest toegeven, dat Orion het zijne gedaan en de

voorbereidingen voor deze onderneming zoo voorzichtig en offervaardig

had uitgevoerd, dat zijne persoonlijke medewerking niet onontbeerlijk

scheen. Onder deze omstandigheden kon hij den jongeling nauwelijks

euvel duiden, dat hij zijn persoon ter beschikking stelde voor zijne

Byzantijnsche vrienden, maar zijn uitblijven verontrustte hem toch en

maakte hem gejaagd, minder om der wille van zich zelven en de goede

zaak als om Paula. Want het was noch hem noch zijne vrouw verborgen

gebleven, hoe haar hart tot den jonkman werd getrokken. Vrouw Johanna

ging het uitblijven van den jongen man nog nader ter harte dan hem, ja

zij had het liefst haar man geheel teruggehouden van de onderneming,

welker gevaren thans voor haar angstig gemoed vertiendubbeld

werden. Maar zij wist dat zij eerder den Nijl kon doen terugvloeien,

dan hem afbrengen van de belofte, die hij der abdis had gegeven, en

zoo dwong zij zichzelve althans oogenschijnlijk kalm te blijven. In

Paulas tegenwoordigheid verklaarde Rufinus, dat Orions uitblijven

gerechtvaardigd was en roemde zeer de vrijgevigheid waarmede hij

voor de Nijlboot en het zeeschip gezorgd, en de uitstekende mannen

die hij in zijne plaats gesteld had. Pulcheria verblijdde zich in de

onderneming haars vaders en het liefst ware zij meegegaan, om hem

te helpen hare dierbare nonnen te redden. De opzichter van de werf

was niet enkel met zijne zonen, maar met nog drie andere Grieksche

geloofsgenooten en handwerksgezellen verschenen, die bij den lagen

waterstand, waardoor de scheepvaart thans zeer beperkt was, zonder

werk rondliepen. Gaarne namen zij deel aan zulk eene goede zaak,

die bovendien beloofde winstgevend te zijn, daar Orion den ouden

meester rijkelijk van geld had voorzien.

Met de koelte, die na zonsondergang inviel, was er verbetering

gekomen in Paulas toestand. Zij begreep waarlijk niet wat zij van

Orions uitblijven te denken had. Nu eens maakte zij zich angstig,

dan weder verheugde zij zich, want misschien bleef hij bewaard voor

groote gevaren. Zij had hem in de eerste dagen na zijn terugkeer uit

Konstantinopel de goedheid en de gastvrijheid van het senatorenpaar

hooren roemen, terwijl de Mukaukas, wien alle herinneringen aan

de hoofdstad dierbaar bleven, met hem instemde. Het moest hem lief

zijn juist aan deze vrienden zijn bijstand te verleenen, en Nilus,

die haar van ganscher harte was toegedaan, had bijzonderen nadruk

gelegd op Orions groet aan haar. Mogelijk kwam hij morgen, en hoe

meer zij terugdacht aan zijn woord, dat hij vriendelijk vertrouwen

nog nimmer bedrogen had, des te levendiger gevoelde zij zich gedrongen

om, in strijd met den raad der abdis elke bedenking te laten varen de

neiging haars harten te volgen en vol vertrouwen en zaligheid reeds

nu de zijne te worden.

De afnemende maan was nog niet opgegaan en de nacht duister, toen de

nonnen begonnen op te breken. De groote Nijlboot kon, bij den lagen

stand van den stroom, alleen op tamelijken afstand van den oever,

bij den kloostertuin landen, en de zusters, die zich verkleed hadden

als Egyptische boerinnen, moesten een voor een aan boord gebracht

worden. Men wilde de abdis het laatst door het slikkige oeverwater

dragen en de oude opzichter van de werf had zich voorbehouden haar

dezen dienst te bewijzen. Vrouw Johanna, Pulcheria, de voedster en

ook de orthodoxe Grieksche opvoedster Eudoxia stonden rondom haar,

terwijl zij Paula bij het geven van den afscheidskus toefluisterde:

"God zegene u, mijn kind! Hij blijft nu bij u en dus zal het dubbel

noodig zijn aan uwe belofte indachtig te zijn," en toen Paula haar

fluisterende antwoordde: "Ik ben hem in de eerste plaats vriendelijk

vertrouwen schuldig," hernam de abdis: "En aan uzelve standvastigheid

en voorzichtigheid."

Rufinus bleef het laatst aan den oever staan, terwijl zijne vrouw en

dochter hem omarmden. "Neem een voorbeeld aan dit arme kind!" zeide

de grijsaard tot zijne gade, terwijl hij haar innig aan zijn hart

drukte. "Zoo waarachtig de mensch de maatstaf is aller dingen, oudje,

zoo zeker moet het ditmaal best met mij afloopen, wanneer de eeuwige

liefde daarboven niet sluimert. Tot wederziens, allerbeste vrouw, en

wanneer uw dwazen man eenig kwaad overkomt, erken dan altijd dat hij

het zich op den hals haalde, om een paar dozijn onschuldige menschen

voor het ergste te vrijwaren. In elk geval blijf ik op den weg, dien

ik mij heb aangewezen. Maar waarom is mijn Philippus niet hier bij

het afscheid?"

Vrouw Johanna begon bitter te weenen en zeide: "Dat, ook dat is

zoo treurig! Hoe komt het, dat hij zoo van ons vervreemdt en juist

nu?--Ach man, als gij mij lief hebt, neem dan Gibbus mede op reis?"

"Ja, heer, neem mij mede," voegde de gebochelde hovenier er

bij. "Tegen den tijd dat wij terug zijn stijgt de Nijl zeker en

intusschen kunnen de bloemen ook zonder mijne hulp verdorren. Ik heb

heden nacht gedroomd, dat gij een roos hadt afgebroken van den bult

hierachter. Zij zat er midden op als de knop op het deksel van een

pot. Dat heeft wat te beteekenen, en laat ge mij achter, wat wordt

er dan van de roos, dat wil zeggen, wat goeds kan ik dan voor u doen?"

"Draag dan, wat mij betreft, uw zonderling bloembed mede op het schip,"

zeide de oude lachend. "Zijt gij nu tevreden, Johanna?"

Nu omarmde hij haar en Pulcheria nog eens, en toen hem daarbij eene

traan uit het oog zijner vrouw op de hand viel, blies hij haar in

het oor: "Gij zijt de roos van mijn leven geweest, en zonder deze

geen heerlijk eden, geen paradijs."

De groote Nijlboot stak van wal naar de diepere bedding van den stroom

en de duisternis onttrok hen weldra aan de oogen der achterblijvende

vrouwen. Het gelui der kloosterklok klonk de vluchtelingen achterna,

het waren Pulcheria en Paula die deze in beweging brachten.

Geen windje woei er, zelfs het kleine zeil van het

stroomafwaartsvarende Nijlschip kon niet uitgezet worden, maar de

matrozen haalden de riemen aan met alle kracht en zoo gleed het

schip al verder en verder naar het noorden. De ervaren kapitein

stond met een boom op de plecht van de boot, om de diepte te peilen;

zijn ervaren broeder zat aan het roer. Het wenden van de boot ging

moeielijk bij dezen lagen waterstand, en ook de beste kenner van den

stroom kon gemakkelijk op onbekende ondiepten stooten, ontstaan door

nieuw slik, dat bij den geringen waterafvoer zich had vastgezet. Toen

de maan nauwelijks was opgegaan, zat het vaartuig dan ook eenige

stadiën onder Fostat vast, en de matrozen moesten te water, om het

onder luid gezang, met inspanning van al hunne krachten weer los te

wringen en vlot te krijgen. Zulk een oponthoud volgde meermalen tot

zij te Letopolis waren gekomen, waar zij bij de verdeeling van den

stroom, zoo mogelijk ongemerkt, de tolwachters voorbij moesten. Tegen

alle verwachting bleef het groote vaartuig onzichtbaar in de nevels,

die vóor zonsopgang van het watervlak opstegen. Zoowel de kapitein

als de manschappen, schreven dit toe aan de voorbidding van de vrome

zusters, en met nieuwen moed bezield stuurden zij het schip in den

Phatmetischen Nijlarm.

Bij helder daglicht waren de ondiepten gemakkelijk te ontwijken, maar

hoe smal was de waterader, die anders in deze maand zoo verbazend kon

zwellen! De boschjes van papyrusriet aan den zoom van het stroombed

stonden hier en daar op drogen bodem en hun spichtig groen was voor

een deel in geelachtig stroo veranderd. Het weeke oeverslib was tot

eene steenachtige massa verhard, en een witachtige stof werd daarover

gestrooid door den zachten westenwind, die begon op te steken, zoodat

men een zeil kon spannen. Op vele plaatsen was de grond gebarsten

en diepe spleten liepen er door de zwartachtige oppervlakte, die

als dorstige kelen ten hemel gaapten, begeerig naar drenking. De

schepraderen stonden op drogen bodem bezijden den stroom, die zich

uit hunne nabijheid had teruggetrokken en de akkers, die nog kort

geleden door hen begoten waren zagen er uit als de dorschvloer,

waarop men de vruchten dorscht, die zij gedragen hebben. De dorpen

en palmboschjes waren gehuld in een dichten damp, waardoor de heete

zonnestralen schitterden met geelachtigen glans, en de wandelaars op

de hooge dammen langs den oever, sleepten met gebogen hoofden hunne

voeten voort door het zware stof van den weg.

De zon goot meedoogenloos haar brandenden gloed van den wolkenloozen

hemel uit over de aarde, den stroom en de vluchtende nonnen, die witte

doeken over hunne hoofden hadden uitgespreid en in doffe gevoelloosheid

haar verder lot afwachtten. De aarden kruik met Nijlwater ging van

de eene hand in de andere over, doch hoe meer zij dronken, des te

hooger steeg het onaangenaam gevoel en het verlangen naar nieuwe

verfrissching. Op het etensuur keerden de schotels bijna onaangeroerd

naar de kleine kajuit terug. De abdis en Rufinus zochten de zusters

moed in te spreken, doch in den namiddag werd ook de grijze abdis

door een flauwte overvallen. In de kleine, bedompte kajuit, waarin

zij zich terugtrok, was het echter nog minder uit te houden dan op

het dek. Zoo verliep een lange, pijnlijke dag, de heetste die de

matrozen zich konden herinneren. Nochtans leden dezen er het minst

onder, hoewel zij met wonderbare volharding van den vroegen morgen

tot den laten avond aan de riemen zaten.

Eindelijk volgde de avond op deze schrikkelijke namiddaguren. Toen zich

even voor zonsondergang een koeler windje verhief en de voorhoofden

verfrischte, waarop de zweetdroppels parelden, ontwaakten de

neergedrukte en gemartelde vrouwen tot een nieuw leven. Dat pijnlijk

gevoel van het oogenblik had hen zoo beheerscht, dat zij onvatbaar

waren voor vrees of hoop en geheel buiten staat, om over de toekomst

te peinzen. Maar thans begonnen zij te denken aan den langen weg,

dien zij hunne vervolgers vooruit waren. De avondmaaltijd smaakte de

hongerenden, de abdis onderhield zich vriendelijk met den wakkeren

opzichter van den scheepstimmerwerf en begon met Rufinus een ernstig

gesprek aan te knoopen over Paula en Orion. De wensch van de oude

vrouw, om Orion een proeftijd op te leggen, wilde den ouden heer niet

bevallen. Aan de zijde van zulk een geliefde zou hij ook zonder dat

de degelijke jonkman toonen te zijn, waarvoor hij hem hield, ondanks

zijn wegblijven.

De gebochelde hovenier bracht met zijne grappen de jongere nonnen aan

het lachen, en na den maaltijd vereenigden de zusters zich tot een

gemeenschappelijk gebed. Ook de roeiers gevoelden zich krachtiger en

levenslustiger, en het was goed dat maar enkele onder de Grieksche

nonnen Egyptisch verstonden, want een grappenmaker onder de matrozen

begon een liedje te zingen op de schoonheid van zijn liefje, dat niet

voor vrouwenooren gemaakt was.

Al pratende dachten de zusters aan die zij achterlieten en menigeen

sprak vol hoop over het wederzien, dat hun in het vaderland wachtte,

maar eene oudere non verbood hun dit; want het was zondig, Gods genade

vooruit te loopen, en waar men zijne hulp nog zoo noodig had, te

spreken, als had hij haar in zijne barmhartigheid reeds verleend. Zij

moesten beangst zijn en bidden, want zijzelve wist bij ervaring dat

een dreigend onheil dan alleen ten beste wordt gekeerd, wanneer men er

zeer voor gevreesd heeft. Daarop begon eene andere zuster te berekenen,

of de vervolgers haar te voet of te paard zouden inhalen, en daar dit

laatste haar zeer mogelijk voorkwam, klopte hare harten weder beangst.

Doch daar ging de maan op en wat zich aan den zoom van den Nijlarm

verhief en zich in de gladde watervlakte weerspiegelde, nam weder

bepaalde vormen aan, en verloor daardoor het schrikaanjagende, dat de

gemoederen beklemde. Hoe verder zij voeren, des te dichter schenen

de papyrusboschjes langs den oever. Duizenden vogelen nestelden

daarin, maar zij sliepen allen, en eene diepe, tastbare duisternis

was zwijgend over het landschap uitgespreid. Als een reuzenlotus,

te midden van kleine, geurige lotusbloemen, die zij in glinsterende

blankheid nog overtrof, dreef het spiegelbeeld van de maan over het

donkere water. Het schip liet een lichtende streep achter zich, en na

elken riemslag schitterde het op den vloed en de zachte lichtstralen

weerspiegelden in glinsterende druppels. In de donzige pluimen van

de toppen der slanke papyrusstengels speelde het schijnsel der maan,

een dunne sluier als van fijn violet zilverbrokaat omhuifde de boomen,

en dagschuwe uilen vlogen met gelijkmatigen, onhoorbaren vleugelslag

van den eenen top naar den ander.

De betoovering van dezen nacht bij maneschijn greep ook de zielen der

nonnen aan. Zij staakten hare gesprekken; doch toen zuster Martha, de

jonge nachtegaal van het klooster, een vroom gezang aanhief, volgden

de anderen haar ongenoodigd. De schertsende liederen der matrozen

verstomden, en zacht als het wandelend maanlicht omzweefden het stil

voortglijdende schip de psalmen en hymnen der maagdelijke zusters,

die de hulp des Allerhoogsten inriepen. Urenlang en, wijl de komeet

aan den hemel stond, met bijzonderen ijver, gaven zij zich over aan

de geruststellende zielsverheffende vreugde van het zingen; doch

langzamerhand verloren die stemmen haar kracht, en zacht, droomerig

vermoeid ging met den stillen loop van den stroom haar vreedzaam lied

zeewaarts. Ieder zag voor zich of richtte het oog dweepend nu eens ten

hemel, dan weder naar het tintelende water en de lotusbloemen aan zijne

oppervlakte. Niemand lette op den oever, ook de mannen niet, die door

het zacht gezang in slaap waren gewiegd of meer droomden dan waakten.

De blik van den kapitein was op het bed van den stroom gericht,

toch bespeurde hij, toen de morgen niet ver meer was, aan den

oostelijken oever van tijd tot tijd bliksemende lichtstralen achter de

rietboschjes; toch was het of er nu en dan in het riet iets ruischte en

knakte. Zou er een jakhals in de dichte massa der woekerplanten zijn

gebroken, om het nest van een watervogel te overvallen, of zocht een

hyena zich door de rietstengels baan te breken? Die flikkerlichten,

dat knakken en nu weer die doffe slagen op den harden grond, dat

alles volgde de boot in dezen nacht als een haar onheilbrengende,

lichtende en hoorbare schaduw.

Opeens verschrikte de aanvoerder en richtte hij zijn blik naar het

oosten. Wat was dat? Misschien weidde er eene kudde runderen op de

akkers achter het riet, mogelijk waren het twee stieren, die met de

horens tegen elkaar stieten. De vloed was zoo laag en zijne oevers

zoo hoog, dat men volstrekt niet kon waarnemen wat daar gebeurde. Maar

eene schelle stem riep hem en de gebochelde hovenier zeide op gedempten

toon: "Dáar, dáar... daar flikkert het weer, en... ik wil mijn eigen

neus opeten, als dat niet... daar weder... Barmhartige God, ik vergis

mij niet; het is paardengetrappel! En daar... dat was hinniken. Ik

ken het... daar begint het in het oosten te dagen. Bij alle heiligen,

wij worden vervolgd!"

De kapitein zag met inspanning van al zijne zintuigen in de richting

van het oosten, en nadat hij een tijd lang gezwegen had, zeide hij

op zeer beslisten toon: "Ja!"

"Zoo stelt de vogelaar een net voor een zwerm kwartels," zeide de

hovenier met een zucht; doch de ander gaf hem knorrig door een teeken

te verstaan, dat hij zwijgen zou en tuurde opmerkzaam rond. Daarna

beval hij den bultenaar Rufinus en de werklieden te wekken, en de

nonnen in de kajuit te brengen.

"Zij zullen zich daar voelen als ingelegde dadels, die men in

doozen naar Rome stuurt," prevelde de hovenier in zichzelven,

terwijl hij Rufinus ging opzoeken. "Arme zielen, haar heilige moge

ze voor stikken bewaren! En ik, in waarheid, als vrouw Johanna niet

zulk een trouwe ziel was op twee beenen, en ik niet gezworen had

bij mijn meester te blijven, dan sprong ik nu in het water, om een

tijdlang de gastvrijheid van de flamingos en ooievaars in het riet

te genieten. Men moet zichzelven kunnen vernederen!"

Terwijl hij zijn last volbracht, overlegde de kapitein met zijn broeder

aan het roer. Er was in de nabijheid geen brug en dat was goed. Als die

ruiters daar ginds vervolgers waren, dan moesten zij door het water,

om bij hen te komen, en nauwelijks drie stadiën stroomafwaarts werd het

rivierbed breeder en vloeide de stroom door eene moerassige streek. Het

eenige diepe vaarwater was aan den westelijken oever, en mannen te

paard, die daar heen komen wilden, stelden zich bloot aan het gevaar

om in het slib weg te zinken. Gelukte het hen tot zoo ver te komen,

dan was er veel gewonnen. Moedig en op ernstige dingen voorbereid,

spoorde de schipper de matrozen aan om alle krachten in te spannen,

en weldra dreef het vaartuig dicht langs den westelijken oever van

den vloed en was van de oostelijke door eene breede uitgestrektheid

slib gescheiden.

Het begon nu te dagen en de oostelijke hemel verfde zich bloedig rood,

als wilde hij vooruit verkondigen, dat deze morgen bestemd was om

een geweldigen strijd en gapende wonden te zien. Het zaad van het

kwikstaartje begon te kiemen. De Wekil had op uitnoodiging van den

bisschop eene bende ruiters de nonnen achterna gezonden met het bevel,

de vluchtelingen naar Memphis terug te voeren en die haar begeleidden

gevangen te nemen. Daar de boot de tolwachten ongemerkt voorbijgekomen

was, hadden de ruiters zich moeten verdeelen, om ook langs den

anderen Nijloever te zoeken. Twaalf ruiters waren den Phatmetischen

arm gevolgd en deze waren naar alle berekening voldoende, om een paar

dozijn vrouwen en een hand vol matrozen, die waarschijnlijk wel geen

pogingen zouden doen, om zich te verweren, gevangen te nemen. De Wekil

had geen kennis gedragen van de aanwezigheid van den werfopzichter en

de zijnen. De vervolgers waren omstreeks den middag van den vorigen

dag opgebroken en hadden een paar uren voor het aanlichten van den

dag het schip in het gezicht gekregen. Doch hun aanvoerder achtte

het raadzaam den aanval eerst te ondernemen bij helderen zonneschijn,

opdat niemand ontvluchten mocht. Hij en zijne lieden waren Arabieren en

goed bekend met de richting van den Nijlarm, dien zij volgen moesten,

doch niet nauwkeurig met de eigenaardigheden ervan.

Zoodra de morgenster was ondergegaan, verrichtten de muzelmannen

hun ochtendgebed en kwamen daarna achter de papyrusboschjes te

voorschijn. Hun aanvoerder bracht de handen als spreekbuis aan den

mond en riep de afvarenden toe, dat de boot moest stilhouden. Hij

kwam op last van den stadhouder en had bevel gekregen die naar

Fostat terug te voeren. De vluchtende schenen hem inderdaad te willen

gehoorzamen, want de roeiers hielden de riemen in. De kapitein had

in den spreker den aanvoerder van de veiligheidsbeambten in Fostat

herkend, een streng man, en eerst nu werd het hem duidelijk in welk

eene levensgevaarlijke onderneming hij zich had gestoken. Gewoon,

om zich naar de bevelen der overheid te voegen, hare beambten wel te

misleiden, maar haar zoo min als het noodlot te weerstaan, verklaarde

hij het voor waanzinnig, om weerstand te bieden; er bleef niets anders

over dan zich te onderwerpen.

Doch Rufinus weersprak hem levendig en bracht hem aan het verstand,

dat dezelfde straf hem wachtte, hetzij hij de wapenen neerlegde of

zich verweerde; en de oude opzichter van de werf riep vol vuur hem

toe: "wij hebben uw boot gebouwd en ik ken u, Setnau; gij zult geen

Judas voor ons worden en wilt gij het toch zijn, dan vloeit hier op

dit dek christenbloed, voor wij de ongeloovigen de tanden toonen."

Doldriftig, terwijl zijn zuidelijk bloed begon te koken, sloeg

de kapitein zich tegen borst en voorhoofd, schold zichzelven

een bedrogene, een verloren man, en beklaagde zijne arme vrouw en

kinderen. Doch Rufinus maakte aan dat razen een einde; hij had met de

abdis gesproken en drukte den ongelukkigen man op het hart, dat hij

van de ongeloovigen in geen geval genade had te wachten, maar dat hij

gemakkelijk op christelijken bodem voor zich en de zijnen een goed

en zeker heenkomen kon vinden. De abdis beloofde hem, dat zij hem

en zijne familie mede zou nemen op het zeeschip en aan land zetten,

waar hij het begeerde.

Setnau dacht aan zijn broeder op Cyprus; doch het gold thans zijn huis

en tuin in Dumiat, waar thans aan een vijftal palmboomen de vruchten

rijpten, het gold, zijne nieuwe en stevige Nijlboot, waarmede hij voor

zich en de zijnen het brood verdiende, op te geven, en toen hij dit

den grijsaard voorhield, biggelden bittere tranen langs zijne bruine

wangen. Doch Rufinus verklaarde dat hij, wanneer het gelukte de nonnen

te redden, op schadeloosstelling aanspraak had. Hij kon dan zelf de

waarde van zijn have en goed opgeven, en men zou hem alle verlies uit

den kloosterschat, die in de zware kist aan boord was, niet alleen

vergoeden, maar hem bovendien nog eene mooie som uitbetalen voor al

wat hij had doorstaan.

Hierop wisselde Setnau een veelbeteekenenden blik met zijn broeder,

die ongehuwd was, en nadat hem was toegezegd, dat ook deze eene

plaats op het zeeschip zou ontvangen, gaf hij den ouden man zijne

rechterhand. Daarop schudde hij zijne leden als had hij wat af te

werpen dat hem knelde, duwde het lederen kapje op zijn geschoren hoofd

vermetel opzij, richtte zich in al zijne lengte op en riep den Arabier,

die hem en andere Egyptenaars toch reeds meer dan eens met kwetsenden

trots bejegend had, op hoonenden toon toe, dat als hij iets van hem

hebben wilde, hij het kon komen halen.

Het geduld der muzelmannen was al lang uitgeput, en na deze uitdaging

gaf de aanvoerder den zijnen een wenk en sprong hen vooruit in het

water. Maar weldra zonken de voorste paarden zoo diep in het slib, dat

het verder gaan onmogelijk bleek en het teeken moest worden gegeven

om terug te keeren. Daarbij steigerde een weerspannig paard en zijn

ruiter stikte in den modder. De verdedigers van het schip zagen hunne

vijanden met levendige gebaren raad houden, en de kapitein sprak de

vrees uit, dat zij het plan om de boot te nemen opgaven, maar naar

Dumiat rijden en hen daar, vereenigd met de Arabische bevolking van

die plaats, de vlucht afsnijden zouden. Doch hij had niet gerekend met

den krijgsmanstrots dezer mannen, die in ontelbare veldslagen gansch

andere hinderpalen te boven waren gekomen. De boot moest veroverd,

die er in waren moesten gevangen genomen en gestraft worden.

Van het schip zag men hoe zes ruiters, en onder hen de bevelhebber,

van hunne paarden stegen en ze aan elkander koppelden, om daarna

met hunne slagbijlen drie hooge palmen te vellen, terwijl de vijf

anderen naar het zuiden draafden. Deze moesten zeker om het moeras

heengaan, om op een gunstiger plek den stroom over te steken, ten

einde het schip van de westzijde aan te vallen, terwijl de vijf

anderen op de palmstammen van de oostzijde zouden naderen. Aan den

rechter, oostelijken oever van den rivierarm, waar de Arabieren

het vlot maakten, lag droog akkerland, waardoor de weg naar Dumiat

liep; aan den anderen oever in de nabijheid waarvan het schip lag,

breidde het moeras zich zeer ver uit. Eene onafzienbare wildernis van

papyrusriet en biezen, dat de droogte en de zonnehitte van dit jaar

tot stroo hadden verdroogd, bedekte hier den op de meeste plaatsen

uitgedroogden en harden moerasgrond, en toen er uit het noordoosten

een krachtige morgenwind opstak, kwam de kapitein op een gelukkigen

inval. Door deze verdorde en verschroeide plantenmassa hadden zich de

vijf tegen hem afgezonden ruiters een weg te banen. Bracht men vuur

in dat stroo langs een zijkanaal, dat de vlammen verhinderde zich

noordwaarts uit te breiden, dan dreef de wind den ruiters de rook in

het aangezicht. Zij mochten van geluk spreken, als zij niet stikten

of gedwongen werden in den stroom te springen, terwijl zij reddeloos

verloren waren, wanneer de vlammen hen bij het moeras bereikten.

Zoodra nu de scherpe oogen van den stuurman uit den top van den mast

de Arabieren een eind verder zuidwaarts den stroom zagen doorwaden,

werd het riet op verschillende plaatsen in brandgestoken en de vlammen

grepen snel en wild om zich heen. De morgenwind dreef ze zuidwaarts,

tegelijk met grijze rookwolken waarover de stralen der rijzende zon een

stroom van licht uitgoten. Als reusachtige gele en roode hagedissen

kropen, joegen en kronkelden zich de vlammen over den drogen bodem,

schoten hier op, en zonken daar neer. Zonder flikkering bij helderen

dag verslonden zij vraatzuchtig wat zij bereikten, en teekenden den weg

dien zij gegaan waren af door witachtig stof. Hun adem verhoogde de

hitte van den dag, die langzamerhand den middag naderde, en ofschoon

de rook, door den wind voortgezweept, naar het zuiden dreef, zoo

dwarrelden toch enkele wolkjes over de boot en benauwden de borst

van de nonnen en hare beschermers.

Een groot Nijlschip kwam van Dumiat de rivier op en zag den smalle

waterweg door het andere versperd. De kapitein was een bloedverwant

van Setnau, en toen deze hem toeriep, dat het hier een strijd gold

met Arabische roovers, volgde deze zijn raad, wendde zijn vaartuig

met groote moeite en ging bij het naaste vlek voor anker, ten einde

andere van het noorden komende booten te waarschuwen, om niet in

dit gevaarlijk avontuur bekneld te raken. Die van het zuiden kwamen

afdrijven werden vooreerst door den rook en het vuur teruggehouden.

De zes krijgslieden op den oosterlijken oever zagen met woede en

ontzetting den steeds toenemenden vuurgloed; doch zij hadden

de palmstammen reeds aan elkaar gebonden, en maakten zich

gereed met behulp van dit vlot de onbeschaamde weerspannigen de

verdiende tuchtiging te doen ondergaan. Maar dezen hadden ook

niet stil gezeten. Ieder man aan boord voerde wapenen en een der

scheepstimmerlieden was met een matroos uitgezonden om door het riet

te sluipen, verder noordwaarts den vloed over te steken, en als de

Arabieren den aanval begonnen hunne paarden af te maken, of zoo een

mocht beproeven langs den eenigen weg naar Dumiat te ontkomen, dezen

van het paard te halen.

Daar hingen de zes aan het luchtig saamgevoegde vlot, waarop hunne

bogen en pijlkokers lagen. Zij stuwden het voor zich uit en het

bleek hun op het watervlak te kunnen dragen, terwijl hunne voeten den

slikkigen bodem maar even aanraakten. Het waren allen echte krijgers,

echte zonen der woestijn en van hun volk, kerels als had de natuur,

toen zij hen schiep, aan haar meesterwerk onder de gevleugelde

schepselen, den adelaar, gedacht. Scherp van blik, stevig en toch

fijn van beenderen, zonder overvloedige vleeschvorming aan de

gespierde ledematen, met bruine, scherp besneden, karakteristieke

aangezichten, waarbij niet enkel de gebogen neus aan den koning

der vogels herinnerde, bezaten zij ook den moed en den bloedigen

strijdlust en roofzucht van den adelaar. De magere, gespierde

linkerarm van ieder klemde zich vast aan het vlot, en met het ronde

schild in de rechterhand vingen zij, zoodra zij de boot op een

schot afstand genaderd waren, de pijlen op, die van daar hun werden

toegezonden. Woedend knarsten zij met hunne witte tanden, en ook

het kleinste ontging niet aan hun valkenoog. Zij waren uitgegaan om

te vallen, ook wanneer het schip in plaats van met een twintigtal

matrozen en handwerkslieden, door vijftig Egyptische soldaten

verdedigd werd. Het moedige hart gevoelde zich door het pantserhemd,

de schrandere sneldenkende kop door den metalen helm beschut, en met

minachting en vreugde bemerkten zij, hoe de pijlen met een matten klank

op hunne schilden afstieten. Het was de begeerten hunner ziel den dood

te brengen; den dood te ondergaan, daarvoor beefden zij niet terug,

want in het geopende paradijs zag hunne gloeiende verbeeldingskracht

weelderige vrouwen, die hen met wijd uitgespreide armen en volle

bokalen de vervulling beloofden van al hunne wenschen.

Hun scherp oor verstond het zacht gefluister, waarmede de aanvoerder

zijne bevelen gaf, en toen zij ter zijde van het schip gekomen waren,

klemde éen zich vast aan het open venster van de kajuit, snel als

de wind sprong de aanvoerder op zijn schouder en vandaar op het dek

van het schip, nadat hij een matroos, die een bijl tegen hem zwaaide,

met een lans had doorboord. Een tweede Arabier volgde hem op den voet,

twee blanke kromsabels glinsterden in de zon, de schrille kreten van

het woedend krijgsgeschreeuw der muzelmannen doortrilden de lucht,

en als eerste offer van hun grimmigen strijdlust viel de kapitein, met

een wijdgeopende wond over voorhoofd en aangezicht, achterover op den

grond. Doch een oogenblik later stortte een zware ra op het hoofd van

den aanvoerder der muzelmannen neer en bracht hem ten val. De stuurman

had in zijne woede met dit wapen zijn gewonden broeder gewroken.

Een akelig geschreeuw, vermengd met het gegil en gejammer der vrouwen,

vervulde het schip. De tweede muzelman verbreidde met den moed en de

kracht der vertwijfeling den dood om zich heen, en het gelukte nog

drie zijner strijdgenooten de boot te beklimmen; den laatste stieten

de aangevallenen in het water. Van de scheepstimmerlieden waren reeds

twee, van de matrozen vijf gevallen. Rufinus had zich bij den kapitein

neergezet, die hevig bloedde, maar misschien nog te redden was. Hij

legde linnen strooken over de groote, gapende wonden van den man, die

zoo straks nog bezorgd over vrouw en kind had gesproken, en dien hij

voor de zijnen behouden wilde. Daar suisde een sabelhouw op hemzelven

neder en uit zijn achterhoofd en rug stroomde het donkere bloed. Doch

ook zijn moordenaar ontging de wraak niet; de oude opzichter van de

werf velde hem met zijne zware bijl.

Aan den oostelijken oever van den stroom maakten de uitgezonden

boden de paarden van de Arabieren af, om te verhinderen dat een die

ontkomen mocht naar Fostat zou vluchten of verder naar Dumiat rijden,

om het gebeurde te verraden.

Aan boord van het schip werd het stiller en stiller. Alle vijf

de Arabieren lagen op het dek en de woedende matrozen maakten de

gewonden onder hen zonder erbarmen af. Een matroos, die in den mast

was gevlucht, had gezien dat de vijf andere ruiters, om het vuur te

ontkomen, juist ter plaatse van het moeras in den stroom gesprongen en

in het water verdwenen waren. Zoo had van de muzelmannen zelfs niet

één zich kunnen redden, die het lot en de poëzie zoo gaarne sparen,

om de schrikkelijke tijding te verkondigen.

Langzamerhand waagden de vrouwen zich weder op het dek. Zij die

geoefend waren in de verpleging van kranken en gewonden schaarden

zich rondom de lijders en openden de artsenijkisten. Terwijl onder

leiding van den stuurman de vaart werd voortgezet, hadden allen

handen vol werk, en daar zij zich ijverig aan dezen arbeid wijdden,

verdroegen zij gemakkelijker de hitte van den dag. De lijken van de

vijf muzelmannen en acht christenen, waaronder zich twee der Grieksche

scheepstimmerlieden bevonden, werden in de nabijheid van een dorp,

van elkander gescheiden, aan den oever neergelegd, en de abdis

gaf den eenen een tafeltje in de hand, waarop zij de woorden had

geschreven: "Acht christenen, die uit noodweer als beschermers van

vrome vervolgden, dapper strijdende den dood hebben gevonden. Bidt

voor hen en begraaft hen, alsmede die anderen, die hen, gehoorzaam

aan het bevel van hun aanvoerder, het leven hebben benomen."

Nadat Rufinus, wiens hoofd in den schoot van den hovenier rustte,

die hem met het scherm der abdis voor den zonnebrand beschutte,

weder tot bezinning was gekomen en rondgezien had, zeide hij met een

blik op den scheepskapitein, die naast hem lag zacht in zichzelven:

"Ik had ook eene vrouw en een lief kind te huis, en toch.... Hoe

smartelijk is dat! Het geeft niet of men zich aftobt, om zulk eene

smart te lenigen. Het eenige hier beneden wat werkelijk bestaat,

is niet de vreugde het is de smart, de ellendige lichamelijke smart,

en wanneer het bovendien daarbinnen dan nog bijt en brandt.... Water,

een teug water.... Hoe goed zou ik het nu kunnen hebben bij mijne

Johanna in onze schaduwrijke woning.... En toch, toch..... heelen,

redden, onverschillig, wie hulp behoeft.... Nog een teug.... wijn en

water, wanneer het mag, eerwaarde vrouw!"

De abdis had bij de hand wat hij begeerde, bracht hem den beker

aan den mond, sprak hem vele hartelijke, vertroostende woorden van

dankbaarheid toe en vroeg hem wat zij, als zij ontkwamen, voor hem

en de zijnen doen kon.

"Heb de mijnen lief," zeide hij zacht. "Pul zal nu zeker in het

klooster willen. Maar zij mag haar moeder niet verlaten. Johanna,

Johanna..."

Meermalen herhaalde hij dien naam, alsof die welluidende klank zijn

oor en zijn hart streelde. Vervolgens schudde hij herhaaldelijk zijne

leden en prevelde: "Brrr! zoo'n koude huivering af en toe.... dat deugt

niet.... Die houw in mijn rug, die... Aan mijn hoofd doet het wel meer

pijn, maar die andere... 't Is leelijk, dat het links aankwam... Neen,

het is goed zoo; want had hij--zat het daar rechts, zoo... dan kon ik

niet schrijven, en ik wil, ik moet voor... het te laat is. Een tafeltje

en een schrijfstift! Dadelijk, dadelijk.... En als ik geschreven heb,

waardige vrouw, dan sluit gij het tafeltje goed, heel goed weg. Dat

belooft gij mij! Alleen hij mag het lezen, voor wien het bestemd

is.... Gij Gibbus! hoort gij, mijn Gibbus? Het is voor Philippus, den

arts Philippus, dien zult gij het brengen! Die droom van de roos op uw

bult.... Uit de ellende hier op aarde--verklaar ik het goed?--wassen

vrede en vreugde daarboven. Alzoo voor Philippus! En dan; te Dumiat

woont mijn oude schoolvriend, de arts Christodorus. Gij brengt mijn

lijk bij hem, Gibbus! Gij luistert toch? Hij moet het in een kist

met zand doen, om het voor bederf te bewaren, en te Alexandrië naast

mijne moeder begraven. Dan kunnen Johanna en het kind.... dan kunnen

ze mij bezoeken. Ik laat niet veel na. Wat dat alles kost...."

"Dat is mijne zaak, de zaak van het klooster!" zeide de abdis.

"Zoo erg is het nog niet gesteld," zeide de oude met een glimlach. "Wat

mij aangaat, dat betaal ik; het uwe behoort aan de armen, waardige

vrouw. Gij vindt hier in het taschje meer dan gij noodig hebt,

Gibbus! Maar nu.... spoedig, spoedig.... het tafeltje!"

Toen hij het met de stift in de hand hield, dacht hij eerst een

tijdlang na en schreef toen met bevende vingers en met inspanning

van al zijne krachten. Hoe groot zijne smart was, kon men zien aan

zijn saamgetrokken mond en zijne pijnlijke blikken. Doch hij liet zich

daardoor niet afleiden, hoe vaak de hovenier en de abdis hem ook baden

de stift uit de hand te leggen. Eindelijk haalde hij vrijer adem,

sloot het dubbele tafeltje, overhandigde het aan de abdis en zeide:

"Zoo... Goed wegsluiten! Aan den arts Philippus. Aan hem alleen

eigenhandig; hoort ge, Gibbus?"

Thans verloor hij zijn bewustzijn, doch nadat men zijn voorhoofd en de

wonden opnieuw verfrischt had, kwam hij weder bij en prevelde zacht:

"Ik heb van Johanna en het arme kind gedroomd. Zij brachten mij een

komisch masker. Wat zou dat wel beduiden? Dat ik mijn geheele leven

een nar was, omdat ik voor het leed van anderen mijzelven en de

mijnen vergat? Neen, neen! 'Zoo waar de mensch de maatstaf is aller

dingen,'--als dat zoo ware, dan zou dwaasheid het ware en rechte

zijn.--Ik, ik.... mijn wil, het doel waaraan mijn leven gewijd was...."

Hier bleef hij steken, daarna richtte hij zich plotseling in de hoogte,

sloeg de heldere oogen naar boven en riep luide en blijmoedig: "O

gij, mijn barmhartige Heiland! Ja, ja! Thans zie ik het in.... Dank,

dank!.... Wat ik heb nagestreefd, waarvoor ik heb geleefd, daarvoor,

o mijn Verlosser, die de liefde zelve zijt, daarvoor laat gij--o hoe

genadig is dat, hoe doet het mij goed!--daarvoor laat ge mij sterven."

Wederom verloor hij zijn bewustzijn; zijn hoofd begon heeter te

gloeien, zijn keel te rochelen, en over zijne droge lippen, die

zorgvuldige vrouwenhanden vaak bevochtigden kwamen telkens de namen

dergenen, die hij het meest lief had en onder hen ook die van Paula. Op

de vijfde namiddagure viel hij in den schoot van den bultenaar en had

uitgeleden. Een vriendelijk lachje breidde zich over zijne trekken

uit en het stille gelaat van den man, die zooveel had rondgezworven,

geleek in den dood dat van een kind.

Den hovenier was het, als had hij zijn eigen vader verloren en zijne

radde tong bleef stom, tot hij met de geredde zusters te Dumiat kwam,

en den laatsten wensch van zijn heer vervulde.

Het zeeschip der nonnen nam ook den verwonden bootskapitein Setnau,

zijne vrouw, zijne kinderen, zijn broeder, den stuurman en de in

leven gebleven scheepstimmerlieden aan boord.

Terzelfder ure, dat Rufinus de oogen sloot, verscheen de

veiligheidswacht van Memphis onder aanvoering van bisschop Plotinos,

en legde in naam van den patriarch Benjamin en van de Jacobietische

kerk beslag op het Melchietisch Caecilia-klooster en al de bezittingen

van de zusters-ziekenverpleegsters. Den volgenden morgen reisde de

bisschop naar Opper-Egypte af, om den kerkvorst van zijn wedervaren

bericht te geven.

De nijlbruid · 第 47 / 66 题