ZEVENDE HOOFDSTUK.

Inwendig diep beleedigd, viel Orion te huis gekomen op den divan

neder. Zij had gezegd, dat haar hart hem toebehoorde, doch wat

was dat voor een armzalige, koele liefde, die niets vergunde voor

zij zich van alle zijden verzekerd zag! En hoe had Paula aan eene

derde kunnen toestaan, om zich te plaatsen tusschen hen beiden,

en haar handelingen en gevoelens te besturen? Wat tusschen hen was

voorgevallen, moest zij aan die derde verraden hebben. Voor deze

hem vijandig gezinde Melchietische non wilde, zou hij... het was om

zijn verstand te verliezen.... Doch hij kon niet terug, hij had zich

tegenover den waardigen grijsaard en tegenover haar tot dit onzinnig

avontuur verplicht. In plaats van de edele, trotsche beheerscheres

van zijn gansche wezen zag hij in zijne verbeelding thans eene in

tranen badende, onzelfstandige, koelhartige vrouw.

Daar lagen de kaarten en plannen, die hij zich door Nilus op zijn

kamer had laten brengen, om ze te bestudeeren voor de taak, die de

edele Amr hem had opgedragen, en toen zijn blik er op viel, sloeg

hij met zijn vuist tegen den wand, sprong hij op en liep als een

bezetene in dezelfde kamer op en neer, die door haar stil leven was

gewijd. Daar stond nog hare luit, die hijzelf opnieuw besnaard en

gestemd had. Om wat tot rust te komen, nam hij die op, greep naar

het plectrum en begon te spelen. Doch het instrument was slecht,

zij had zich met een armzalig ding tevreden gesteld. Hij wierp het

op het rustbed en nam zijn eigen speeltuig ter hand, een geschenk van

Heliodora. Hoe verstond zij de kunst om aan deze luit schoone en weeke

tonen te ontlokken! Ook nu gaven hare snaren een heerlijken klank,

langzamerhand begon hij er behagen in te scheppen, en de muziek bracht,

gelijk zoo vaak gebeurt, zijn onstuimig gemoed tot rust. Gevoelvol

en roerend klonk zijn spel, doch menigmaal greep hij zoo heftig in

de snaren, dat hun geweldig trillen en ruischen deed denken aan de

weeklachten en kreten van eene vertwijfelende ziel.

Daar sprong opeens, te midden van dit hartstochtelijk spel, met

dreunenden knal de kam op den bodem der luit, en op hetzelfde

oogenblik opende de secretaris, die hem in de hoofdstad vergezeld

had, in vroolijke opgewondenheid de deur en riep hem reeds op den

drempel toe: "Heer, denk eens aan! Daar komt een bode uit de herberg

van Sostratus en brengt u dit tafeltje over, het is open en ik heb

het gelezen. Begrijp eens, het is nauwelijks te gelooven! De senator

Justinus met zijne edele gemalin, de aanzienlijke matrone Martina,

zij zijn hier, hier te Memphis, en zij laten u uitnoodigen om hen te

bezoeken, ten einde gewichtige dingen met hen te bespreken. Heden nacht

zijn zij aangekomen, zeide de bode, en nu... Welk eene vreugde! Wat

hebt gij niet in hun paleis genoten! Kunnen wij hen in de herberg

laten? Zoolang er nog gastvrijheid in de wereld is, zou dit zonde

zijn!"

"Onmogelijk, volstrekt onmogelijk!" zeide Orion, die de luit uit de

hand had geworpen en nu zelf het tafeltje bekeek. "Waarachtig hij is

het, zijn eigen handschrift! En juist die twee, die zoo moeielijk

te bewegen waren om zich te verplaatsen, zijn in Egypte, hier te

Memphis! Bij Zeus"--zoo zwoeren de christelijke jongelieden van

hooger stand te Alexandrië en Konstantinopel nog altijd--"bij Zeus,

ik ben hun verschuldigd ze hier als vorsten te ontvangen! Wacht! Gij

zegt natuurlijk aan den bode, dat ik terstond zal komen, en laat het

nieuwe Pannonische vierspan voor den zilveren wagen zetten. Ik ga naar

mijne moeder, doch dat kan nog wachten. Gij beveelt Sebek terstond de

gastenverdieping, vanwaar de kranken nu gelukkig verdwenen zijn, voor

de aanzienlijke gasten in orde te laten brengen. Mijne tegenwoordige

kamer worde er bij genomen en ik ga naar mijn vroeger verblijf

terug. Zij hebben zeker een groot gevolg. Twintig, dertig slaven moeten

aan het werk, want op zijn langst binnen twee uren moet alles gereed

zijn. De beide zalen moeten bijzonder fraai gemeubeld worden. Wat er

ook ontbreekt, Sebek kan zonder bedenking over alles beschikken, wat

in het stadhouderlijk paleis is. Justinus hier in Egypte!--Doch maak

nu voort! Neen wacht even, hier neem die geschriften en plannen,--of

neen, zij zijn te zwaar voor u. Overhandig ze aan een slaaf en laat

ze naar Rufinus brengen, die ze bewaren moet tot ik kom. Zeg hem,

dat ik er onderweg gebruik van wilde maken; dan weet hij het wel."

De secretaris vloog de kamer uit, en Orion liet zich snel de haren

ordenen en zijn treurgewaad in nieuwe plooien leggen, waarop hij zich

naar zijne moeder begaf. Zij had dikwijls en veel van de hartelijke

ontvangst gehoord, die haar zoon en in vroegeren tijd haar gestorven

echtgenoot in het huis van den senator ten deel was gevallen, en zij

vond dus dat het vanzelf sprak de zoogenaamde gastenverdieping, waartoe

ook Paulas gewezen kamer behoorde, voor de reizigers in te ruimen;

doch zijzelve verlangde beschouwd te worden als te zeer lijdende, om

zich met de gasten bezig te houden. Zij gaf vervolgens Orion den raad

om zijne reis te verschuiven, ten einde zich geheel aan de vrienden

te kunnen wijden; hij verklaarde echter, dat hij zich door hen niet

kon laten terughouden. Men kon zich geheel verlaten op Sebek en de

overste-huishoudster, en de keizer zelf ontsloeg een kranke van de

verplichtingen eener gastvrouw. Zij zou evenwel het edele paar wel

toestaan, haar hunne opwachting te maken, doch ook dit sloeg vrouw

Neforis af, het was voldoende als de gasten dagelijks in haar naam

en met hare groete uitgelezen vruchten en bloemen en ten laatste

kostelijke geschenken ontvingen.

Orion oordeelde dit plan harer waardig en weldra rende hij met zijne

Pannoniërs den hof uit. Bij de haven ontmoette hij den kapitein van

het schip dat hij gehuurd had, hield hem haastig twee vingers voor en

deze gaf door herhaald hoofdknikken te kennen, dat hij de beteekenis

van dezen wenk: "twee uren voor middernacht wordt gij verwacht,"

verstaan had. Het zien van den door de zon verbranden schipper en het

vooruitzicht voorname vrienden hunne goedheid te kunnen vergelden,

wekte hem weder op, en hoezeer het hem leed deed juist deze gasten te

moeten verlaten, zoo begonnen de gevaren die hem wachtten toch weder

zijne zenuwen te prikkelen. Het zou hem niet zwaar vallen de abdis

onderweg voor zich te winnen, en Paula zou hij misschien heden avond

nog tot rede brengen. Justinus en zijne vrouw waren ook Melchieten,

en hij wist dat zij, die hij hoogschatte, met zijn plan zeker ingenomen

zouden zijn, als hij hen in zijn vertrouwen nam.

De herberg van Sostratus, een verbazend groot, vierkant gebouw,

dat een ruimen hof omsloot, was de voornaamste en grootste van de

stad. De oostzijde was naar de straat en den Nijl gekeerd en bevatte

de beste vertrekken van het huis, die de senator met zijne gemalin

en die hem vergezelden sedert den afgeloopen nacht bewoonden. Het

geratel van het vierspan lokte Justinus naar het venster, en zoodra

hij Orion herkende, zwaaide hij met een tafellaken, dat hij dadelijk

had gegrepen, in de straat, riep hem een vroolijk "welkom" toe,

en ging daarna snel in het vertrek terug.

"Daar is hij," zeide hij tot zijne gade, die slechts met de

noodzakelijkste kleedingstukken bedekt op een rustbed lag, zich door

een knaap wat koelte toe liet waaien, en van tijd tot tijd een beker

met vruchtensap aan de droge lippen bracht.

"Wel komaan, dat is goed!" antwoordde de matrone en beval hare kamenier

zoo spoedig mogelijk een overkleed, maar het dunste dat zij vinden

kon, te brengen. Vervolgens richtte zij zich tot een zeer lieftallig

vrouwelijk wezen, dat reeds bij den eersten roep van Justinus van den

divan was opgesprongen, en vroeg: "Wilt gij, dat hij u hier dadelijk

zal vinden, mijn hartje, of laat gij ons liever eerst met hem spreken

en hem vertellen, dat wij u hebben medegetroond?"

"Dat zal wel het beste zijn," antwoordde zij tot wie de vraag werd

gericht, met eene welluidende stem. Zij haalde diep adem, alvorens zij

angstvallig vervolgde: "Wat zal hij nu van mij denken? Men wordt oud,

maar die dwaasheid, die dwaasheid..."

"Neemt toe!" zeide de matrone lachende, "of wordt zij met de jaren

minder? Doch daar zal hij reeds zijn."

De jonge vrouw vloog naar eene zijdeur, waarachter zij verdween. Vrouw

Martina zag haar na, en terwijl zij met den vinger haar gemaal in de

richting wees, zeide zij: "Zij laat de deur op een kiertje staan. Lieve

God, bij deze hitte ook nog verliefd zijn, eene griezelige gedachte!"

Daar ging de deur open en nu volgde eene allerhartelijkste

begroeting. Men kon het den jonkman en dit bejaarde paar aanzien,

dat zij zich innig verheugden over dit wederzien.

Toen Justinus Orion omarmde riep de matrone: "Mij ook een kus!" en

nadat de jonkman spoedig en blijde aan haar wensch had voldaan, klaagde

zij zuchtende: "O mensch, o menschenkind, groote Sesostris! Hoe is uw

beroemde voorvader in staat geweest onder zulk eene zon groote dingen

tot stand te brengen! Wat mij betreft, ik verga, ik smelt hier als

boter; doch wat doet men al niet voor die men liefheeft!--Maar Syra,

Syra! Om godswil nog zoo'n kleinigheid, dat er als een kleedingstuk

uitziet. Hoe verstandig zijn toch de modes der Afrikaansche boeren, die

wij onderweg meermalen hebben ontmoet! Wanneer zij een doekje dragen

van een vinger of drie breed, dan meenen zij al zeer net aangekleed

te zijn.--Maar ga nu zitten, zitten hier aan mijne voeten! Een stoel

voor den heer, Argos, dan wat wijn, en het water in zulk eene vochtige,

aarden kruik, en zoo koel als straks. Manlief, ik vind dat de jongen

er nog aardiger uitziet. Maar lieve God, dat rouwgewaad! Hoe treurig

staat het hem! Arme, arme jongen; wij hebben het reeds te Alexandrië

gehoord!"

Zij droogde daarbij hare oogen af en tegelijk de zweetpaarlen op haar

voorhoofd, en haar gemaal voegde de betuiging van zijne deelneming

over den dood van den Mukaukas bij de hare. Het was een aangenaam,

vroolijk paar, die Justinus met zijne Martina: twee menschen,

die zich zoo recht te huis gevoelden in hun grooten, door erfenis

verkregen welstand, en die, ofschoon van hooge geboorte, nooit met

hun adeldom te koop behoefden te loopen, daar hun die in de oogen

van groot en klein toekwam. Zij hadden zich het recht veroverd,

om in de stijve vormen van de deftigste gezelschappen natuurlijke

menschen te blijven, en wie den vrijen toon van hun huis niet beviel,

die konden wegblijven. Hij, zonder eerzucht, senator ingevolge zijne

bezitting en zijn naam, was er steeds op bedacht van deze schijnbare

waardigheid nooit een ander gebruik te maken, dan om bevoorrechte

dienaars van het huis betrekkingen of de zijnen bij feestelijke

gelegenheden goede plaatsen te bezorgen, en toonde zich overigens een

gastvrij heer, een vriend zijner vrienden, die even gaarne prettig

leefde als leven liet. Martina was eene doodgoede matrone, die nooit

aanspraak had gemaakt op schoonheid, maar om wier hand toch velen

hadden gedongen. Sedert lang vond dit echtpaar het nergens heerlijker

dan in de hoofdstad of op hunne villa aan den Bosphorus, en het

versmaadde daarom het genot van andere voorname en rijke personen,

om baden te bezoeken of nu en dan op reis te gaan. Zij vonden er

hun genoegen in het goede vrienden in hun huis aangenaam te maken;

en aan de zoodanigen was nooit gebrek, vooral ook omdat zij, die aan

het Byzantijnsche hof den rug moede hadden gebogen, in hun ongedwongen

kring bijzonder behagen schepten.

De jeugd koos Martina gaarne tot haar vertrouwde en ook Heliodora,

de weduwe van haar eigen neef, was met haar harteleed tot haar

gekomen; zij toch had Orion in hun huis leeren kennen. Heliodora was

de lieveling van het oude paar, maar hoog, hooger dan zij, stond in

beider achting de jongere broeder van haar gestorven gemaal. Deze

was bestemd geweest hun erfgenaam te worden, doch zij hadden hem twee

jaren lang beweend, daar de tijding tot hen gekomen was, dat Narses

die als tribuun onder de keizerlijke ruiters had gestaan, in den

strijd tegen de ongeloovigen was gevallen. Intusschen was niemand in

staat nadere zekerheid te geven van zijn dood, tot hunne onvermoeide

nasporingen aan het licht hadden gebracht, dat hij door de Saracenen

gevangen was genomen, en in Arabië als slaaf diende. Door Orion en

zijn gestorven vader hadden zij de bevestiging van deze tijding en

weinige uren na de afreis van den jongen Egyptenaar een met bevende

hand geschreven brief van den verlorene ontvangen, waarin hij hun

smeekte zijne verlossing door Amr, den stadhouder van Egypte, te

bewerken. Het bejaarde paar was nu op reis gegaan en Heliodora had

het hare er toe bijgebracht om hen tot dezen stap te bewegen. Haar

verlangen naar Orion, wien zij een vol jaar had toebehoord met al de

toewijding van een teeder gemoed, was sedert zijn vertrek van uur tot

uur toegenomen, en zij had dit der matrone niet verheeld. Deze hield

het weder voor haar plicht het arme, minzieke kind bij te staan,

want Heliodora had haar echtgenoot, den neef van den senator, tot

aan zijn einde met roerende trouw en zorgvuldigheid verpleegd, en

bovendien was zij, Martina, het geweest, die den jongen Egyptenaar,

die "het haar gedaan had," de gelegenheid had aangeboden om de jonge

weduwe te ontmoeten. Die twee wáren immers voor elkander geschapen, en

te koppelen was haar grootste genot. Maar in dit geval hadden alleen

de harten, niet de handen elkander gevonden, en het was voor Martina

eindelijk zeer pijnlijk geworden, als zij Orion en Heliodora door de

geheele wereld en met alle recht een verloofd paar hoorde noemen.

Eens had zij den jongen Egyptenaar op hare innemende manier recht

ernstig aangesproken en ten antwoord ontvangen, dat zijn vader, een

Jacobiet, hem nooit zou vergunnen met eene vrouw van eene andere

geloofsbelijdenis te huwen. Daar had zij toen weinig tegen kunnen

inbrengen; doch zij had vaak gedacht, als ik Heliodora maar eens aan

den ouden Mukaukas voorstellen kon, dan zou hij, dien zij jaren geleden

in de hoofdstad had gekend als de schoone jonge vriend van aanminnige

vrouwen, zijn tegenstand wel hebben opgegeven. Haar lieveling bezat

inderdaad alles, wat in een vaderhart de oprechte wensch kon doen

opkomen haar met zijn zoon te verbinden. Zij was van goeden huize,

de weduwe van een aanzienlijk man, rijk, pas twee-en-twintig jaren

oud, en bezat eene schoonheid, die oud en jong in verrukking moest

brengen. Martina meende geen lieftalliger, zachter schepseltje te

kennen. Hare groote, smachtende oogen, ze noemde ze "biddende",

moesten een steen vermurwen, en haar blond, licht golvend haar

was zoo zacht als haar gemoed. Daarbij kwam hare gevulde, buigzame

gestalte, en de wijze waarop zij zich wist te kleeden, te zingen

en de luit te tokkelen! Niet zonder reden trachtte al wat jong en

voornaam was te Konstantinopel hare gunst te verwerven. Kon de oude

Mukaukas haar maar eens hooren lachen! Er was niets vroolijkers te

bedenken dan dit gelach, dat helderder klonk dan eene klok. Zij stond

in geestes-ontwikkeling nu juist niet bijzonder hoog, maar evenmin

kon men haar onnoozel noemen. Al te verstandige vrouwen vielen niet

altijd in den smaak van iedereen.

Toen tot de reis naar Egypte besloten werd, stond het van te voren

bij Martina vast, Heliodora mede te nemen en in Memphis de plagerij,

die hare lieveling op ieders tong had gebracht, tot ernst te doen

worden. Toen zij nu te Alexandrië vernam, dat de Mukaukas Georg

inmiddels gestorven was, hield zij het spel voor gewonnen. En nu waren

zij te Memphis, nu zat Orion voor haar en nu noodigde de jonge man

haar en haar geheele gevolg dat uit een twintigtal personen bestond,

bij zich in zijn huis. Het sprak vanzelf dat de reizigers aan dezen

eisch van het gastrecht gaarne gevolg gaven, en er werden terstond

toebereidselen gemaakt tot de verhuizing.

Justinus vertelde wat hem bewogen had naar Egypte te gaan en verzocht

Orion om zijne hulp. De jonkman had den neef des senators als een

der schitterendste en beminnenswaardigste jongelieden in de hoofdstad

gekend, en het deed hem oprecht leed, de vrienden te moeten mededeelen

dat de man, die de bevrijding van den gevangene gemakkelijk bewerken

kon, overmorgen naar Medina dacht te vertrekken, terwijl hijzelf zich

gedwongen zag nog hedenavond voor onbepaalden tijd op reis te gaan. Hij

bemerkte, hoe deze zeer stellig uitgesprokene verzekering het oude paar

teleurstelde en bedroefde, en op aandringen van den senator deelde hij

hem en zijne gemalin onder het zegel der gestrengste geheimhouding

mede, wat hem van hier riep en welk een gevaarlijk waagstuk hij op

zich had genomen te volbrengen. Hij had zijn verhaal begonnen in de

overtuiging, dat zijne orthodoxe gasten er mede ingenomen zouden zijn,

maar tot zijne verbazing keurden beiden zijn voornemen af, en dat,

gelijk zij verzekerden, niet alleen om hun zelven en de hulp die zij

van hem verwachtten.

De senator maakte hem opmerkzaam, dat hij het natuurlijk hoofd was

der Egyptische bevolking van zijn vaderland en dat hij door zulk een

onderneming zijn gezag ondermijnde bij hen, wier leiding hem toekwam

als de zoon van zijn vader. Zijne eerzucht moest hem voorschrijven

naar die leiding te streven, en in plaats van den patriarch door zulk

een avontuur in het aangezicht te slaan, was het zijn plicht, hand

aan hand met den prelaat, wiens macht hij veel te gering schatte,

zijne geloofsgenooten een dragelijk bestaan te bezorgen in dit door

de muzelmannen veroverde land.

Paulas naam werd in dit gesprek niet genoemd, doch Orion dacht aan

haar en bleef standvastig bij zijn besluit, ofschoon eene stem in

zijn binnenste zich er heftig tegen verzette. Om echter de vrienden

te toonen hoeveel er hem aan gelegen was hun welgevallig te zijn,

sloeg hij hun voor terstond met Justinus den stroom over te gaan en

zijne zaak den stadhouder Amr voor te dragen. Een blik naar buiten deed

hem zien, dat er voor zonsondergang nog ongeveer anderhalf uur moest

verloopen. De rit met zijn snelvoetige Pannonische rossen behoefde

niet meer tijd in beslag te nemen, en gedurende zijne afwezigheid met

Justinus kon de verhuizing plaats hebben. Reeds hielden vrachtwagens

uit het stadhouderlijk paleis voor de herberg stil, en andere wagens

waren later besteld, om de lieve gasten naar hun nieuw verblijf

te brengen.

De senator nam den voorslag van den jongeling aan, en terwijl beide

mannen zich verwijderden, riep mevrouw Martina Orion achterna: "Mijn

senator zal u onderweg wel bewerken, en wanneer gij zijn verstandig

voorstel aanneemt, ontvangt gij daarna eene schoone belooning. De

goudtalenten niet ontzien, oudje, tot de veldheer belooft voor de

bevrijding van den jongen te zullen zorgen.--Luister naar mij, Orion,

en laat die dwaze streek varen."

De zonneschijf was nog niet geheel achter de Lybische bergen verdwenen,

toen het snuivende met wit schuim bedekte vierspan het stadhouderlijk

hof weder binnenreed. De mannen hadden helaas niets uitgericht, want

Amr hield eene wapenschouwing over de troepen tusschen Heliopolis en

Oniou en werd eerst in den nacht of morgen vroeg terug verwacht. De

verhuizing uit de herberg was afgeloopen, en men zag de blanke

slaven van het senatorspaar reeds tusschen de bruine en zwarte van

het stadhouderlijk huis. Vrouw Martina was in verrukking over haar

nieuw verblijf, en over de prachtige haar ten deele onbekende bloemen,

waarmede de lijdende huisvrouw de beide groote ontvangzalen als een

welkomstgroet had laten opsieren, doch het mislukte bezoek in Fostat

viel als honingdauw op hunne vroolijke stemming.

Orion, zeide zij, moest dit ongelukkig gesternte als een godsoordeel

beschouwen. De hemel zelf verlangde, dat hij zijn avontuur zou opgeven

en zich tevreden stellen met de voorbereiding van dat edele werk, dat

ook zonder hem uitvoerbaar was, om een ander werk, waarbij zijne hulp

dringend noodig was, alleen uit vriendschap ten einde te brengen. Hij

echter gaf opnieuw zijn leedwezen te kennen, dat hij ondanks alles

zich moest vasthouden aan zijn genomen besluit, en als Martina hem

vroeg: "Ook wanneer mijn geschenk u bij uitnemendheid welgevallig is,"

antwoordde hij met een droevig hoofdknikje, als wilde hij zeggen,

"helaas, ook dan!"

"Dat zullen we zien," hernam zij op luchtigen toon, waarna zij met

ernst vervolgde: "Ieder mensch heeft iets eigenaardigs, wat zijn

bijzonder karakter uitmaakt en wat hem goed staat: zoo hebt gij uw

beminnenswaardig voorkomen, mijn zoon! Maar zoo vast op éen stuk te

blijven staan, dat past niet voor u, dat staat u zoo vreemd, en is

juist het tegendeel van hetgeen ik bij u beminnenswaardig noem. Wees

u zelf, ook in dit geval!"

"Dat wil dus zeggen, zwak en bereid om in te willigen, inzonderheid

wanneer goedhartige vrouwen..."

"Als oude vrienden u smeeken," verbeterde zij snel; doch voor zij

verder ging, wendde zij zich tot haar gemaal en zeide: "Lieve God,

man, kom eens hier aan het venster! Hebt gij ooit zulk een gloed

van purper en goud aan den hemel gezien? Het is waarlijk als

stonden die oude pyramiden en geheel Egypte in vlammen. Maar nu,

groote Sesostris"--zoo noemde zij Orion, als zij goed in haar humeur

was--"nu is de tijd gekomen, om u te laten zien wat ik voor u heb

medegebracht. Eerst deze ring," en daarbij overhandigde zij hem een

kostbaren armring, met gesneden steenen van oud-Griekschen arbeid

bezet, "en dan--neen, neen, nog geen dank--en dan... Het ding is nogal

groot, en bovendien... Volg mij maar." Met deze woorden liep zij uit

de ontvangzaal naar het voorvertrek, ging hem tot aan de deur van

de kamer vooruit, die eerst Paula en toen hemzelven gehuisvest had,

opende die even, wenkte hem binnen te gaan, en schoof Orion met een

vluchtig: "Ziedaar, daar hebt gij het" over den drempel.

Heliodora stond dicht bij het venster. De lichte weerschijn van de

ondergaande zon omscheen hare slanke en toch gevulde lenige gestalte;

hare smeekende oogen zagen hem met eerbiedige bewondering aan, en

de over de borst gekruiste blanke armen gaven haar het aanzien van

eene heilige, die met smachtend verlangen, in het vooruitzicht van

onuitsprekelijke zaligheid, deemoedig een wonder wacht.

Ook vrouw Martinas oogen waren op hem gevestigd en zag, hoe hij

bij den aanblik der jonge vrouw doodsbleek werd, hoe hij door een

zeker, zij wist niet welk, gevoel aangegrepen hevig verschrikte

en voor de met een krans van licht omgevene gestalte daar aan het

venster terugtrad. Zulk een uitwerking had de goede matrone niet van

deze verrassing verwacht. Behalve op het theater kon zij zich niet

herinneren ooit een man gezien te hebben, die zoo door de liefde

werd aangegrepen, want zij vermoedde niet dat het hem was als had

zich plotseling een gapende afgrond voor zijne voeten geopend. Met

eene behendigheid, die niemand van de matrone met haar zwaar, dik

lichaam verwacht had, keerde vrouw Martina daarop haastig naar haar

man terug, en riep hem reeds van den drempel toe: "Alles is goed,

alles is in orde! Bij haar aanblik was het, als had de bliksem hem

getroffen. Let op--daar wordt hier aan den Nijl nog bruiloft gevierd."

"Mijn zegen erop," antwoordde de senator, "maar bruiloft of geen

bruiloft, als zij dien kostelijken jongen maar zoo van de wijs brengt,

dat hij dit dolle avontuur uit zijn hoofd zet. Ik heb gezien dat

ook die bruine kerels bij de Arabieren voor hem ter aarde buigen,

en zoo iemand, dan overreedt hij den stadhouder voor Narses het zijne

te doen. Hij mag, neen, hij mag niet weg! Gij hebt Heliodora toch op

het hart gedrukt...."

"Dat zij hem vasthoudt?" zeide de matrone lachende. Ik zeg u, zij

nagelt hem hier vast, als het zijn moet."

"Nu dat is goed!" hernam Justinus. "Maar vrouw, het past toch

inderdaad niet, dat gij hen zoo aan elkaar opdringt, zou men kunnen

zeggen. Eigenlijk zijt gij toch zoowat haar vrouwelijke mentor,

hare moederlijke patrones."

"Lieve hemel!" antwoordde Martina. "In ons huis hebben zij ook geene

getuigen genoodigd bij hunne samenkomsten. Eerst moet dat arme,

verliefde volkje zich toch uitspreken en zich verblijden over het

wederzien! Daarna kom ik wel tusschenbeide en dan ben ik weer in allen

ernst de bezorgde moederlijke vriendin. Tinus, Tinus! Als het hier

nog tot eene bruiloft komt, God weet of ik dan nog niet barrevoets

eene bedevaart doe naar de heilige Agathe."

"En ik slechts op één schoen!" verzekerde de senator, "want--alles

wat betamelijk is--dat gebabbel over Dora ging ten laatste de grenzen

te buiten. Het ging niet langer, om die twee te zamen bij ons te

zien. Maar nu... neen in ernst! Ga nu naar hen toe...."

"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde de matrone. "Maar eerst nog even

hier aan het venster! O die zon! Ja, nu is het te laat. Nog geen

twee minuten geleden zag de gansche hemel er uit als mijne roode

Syrische mantel. Nu ligt daaronder alles in het duister. Het huis,

de tuin zijn mooi, en alles is oud en degelijk: juist zoo heb ik mij

de bezitting van den rijken Mukaukas gedacht."

"Ik ook," hernam Justinus. "Maar nu zult gij gaan! Worden zij het eens,

dan mag Dora van geluk spreken."

"Dat zou ik meenen!" zeide vrouw Martina. "Maar hare villa behoeft

zij ook niet weg te stoppen, en daar zullen zij elken zomer wonen,

dat zal ik doorzetten. Wanneer die arme, beste jongen, Narses,

er het leven niet af brengt--want twee jaren als slaaf te dienen,

dat wil wat zeggen--dan zou ik in staat zijn...."

"Het testament te veranderen? Dit is zoo kwaad niet: doch daarmede

hebben we den tijd, nu moet ge terstond gaan!"

"Dadelijk, dadelijk! Men moet toch kunnen uitspreken. Ik voor mij

zou niemand weten, dien ik liever in de plaats van Narses stelde...."

"Als Orion en Dora? Nu, mij goed, maar thans..."

"Misschien is het zondig zich een levende reeds onder de dooden

te denken... De arme jongen mag in geen geval naar zijne ruiterij

teruggezonden worden."

"In geen geval; maar Martina..."

"Morgen zal Orion den Arabier onze zaak eens na aan het hart leggen..."

"Als hij maar hier blijft!"

"Willen we wedden dat zij hem vasthoudt?"

"Dan zou ik wel een gek zijn!" zeide de senator lachend. "Krijg

ik ooit iets van u als ik win? Maar thans, alle scherts ter zijde,

thans gaat ge, om naar beiden te zien!"

Ditmaal volgde de matrone het bevel van haar gemaal, en zij had de

weddenschap gewonnen, want waartoe Orion noch door den brief van zijne

schoonzuster, noch door de vermanende stem van zijn kinderlijk geloof,

noch door de trouwhartige waarschuwing van den eerlijken beambte,

noch door de overtuigende beweegredenen van den senator te brengen

was geweest, daartoe had de zoete vleierij van Heliodora hem verleid.

Hoe was de liefde in haar hart ontvlamd, toen zij had bemerkt dat haar

aanblik hem zoo diep had geschokt; met welk een roerende hartelijkheid

was zij in zijne armen gezonken; hoe ootmoedig en als verteerd door

zoete smart en zalige vreugde was zij neergegleden aan zijne voeten,

had zij zijne knieën omvat en hem met betraande, van dweepende

vereering sprekende oogen gebeden haar heden niet te verlaten,

ten minste nog tot morgen te blijven, om haar dan, als hij wilde,

in het stof te vertreden. Nu, juist nu, van hem te scheiden, terwijl

zij door smart en innig verlangen opgewonden, hem had weergevonden,

om zich te zien prijsgeven aan een onzeker lot, dat zou haar einde,

dat zou zeker haar dood zijn. En toen hij zich desniettemin trachtte

te verzetten, was zij hem om den hals gevlogen, had zij zijn mond

met brandende kussen gesloten en hem allerlei vleiende namen in het

oor gefluisterd, die hem eens zoo dierbaar waren geweest.

Waarom had hij nooit ernstig beproefd haar tot de zijne te maken,

waarom haar zoo snel vergeten? Omdat zij, die tegenover anderen hare

waardigheid streng wist te bewaren, zich aan hem na enkele ontmoetingen

zonder weerstand had overgegeven, als ware zij bedwelmd door eene

magische betoovering. De licht verworven kostelijke buit was hem

weldra toegeschenen van minder waarde te zijn. Maar heden deed juist

dat zijn liefdegloed ontvlammen, wat hem toen had afgekoeld. Zoo

wilde, zoo moest hij bemind worden, met geheele overgave, met een

hart dat enkel aan hem en niet aan zichzelve dacht, dat voor vurige

liefde niet anders vroeg dan liefde, dat zich niet angstig allerlei

grenzen stelde en vreemden bijstand inriep, om zich voor hem te

beveiligen. Deze schoone, jonge vrouw, die een en al hartstocht,

het banvonnis der samenleving, leed en smart op zich genomen had om

zijnentwil, van wien zij wist dat hij haar verlaten had, omdat hij

haar voor God en de menschen nooit tot de zijne kon maken, ja die

vrouw wist lief te hebben, en het beurde hem op, hem die in menige

ure aan zichzelven begon te twijfelen, zoo vereerd, zoo--hij kon het

zich niet ontveinzen--zoo 'vergood' te worden. En hoe aanminnig,

hoe recht vrouwelijk bleef zij bij dit alles! Die smeekende oogen

die hem te Konstantinopel verveeld hadden, omdat zij altijd dezelfde

roerende uitdrukking vertoonden, wanneer zij vol angst tot zijne ziel

riepen haar niet te verlaten, die verleidelijke oogopslag, waarmede

zij weleer hem verzocht haar den mantel om te hangen, waarmede zij

hem het eerst had aangetrokken, dat alles was thans weder nieuw voor

hem en oefende de vroegere tooverkracht op hem uit.

In deze oogenblikken van teeder samenzijn had hij beloofd, ten

minste in overweging te nemen, of hij zich niet los kon maken van de

verplichtingen die hij had aangegaan. Doch nauwelijks was dit gebeurd,

of de herinnering aan Paula werd weder in hem wakker en eene innerlijke

stem riep hem toe, dat zij tot eene hoogere menschensoort behoorde

dan deze zich overgevende, zwakke, hem geheel onderdanige vrouw, dat

zij zijne opkomst, Heliodora zijne ondergang beteekende. Eindelijk was

het hem gelukt zich uit de omhelzing der wedergevondene los te maken,

en na zijne eerste schrede uit dezen roes in het werkelijke leven had

hij als een ontwakende rond gezien, en was het hem als had een booze

geest den spot met hem gedreven, dat juist Paulas kamer het tooneel

was geweest van deze wederontmoeting en zijne zwakheid.

Haar vraag naar het witte hondje, dat zij hem tot een aandenken had

medegegeven, deed hem weder denken aan dien onzaligen smaragd, die

een tegengeschenk daarvan had moeten zijn, en toen hij om het antwoord

te ontwijken vertelde, dat hij, indachtig aan hare liefhebberij voor

zeldzame juweelen, haar een bijzonder schoonen steen had toegezonden,

waarover hij nog nader met haar spreken moest, gaf zij hare vreugde en

hare dankbaarheid op zulk eene kinderlijk aandoenlijke wijze lucht,

wist zij zoo welsprekend partij te trekken van zijn welgevallen

in hare teedere aanhankelijkheid, ten einde hem te overtuigen van

de noodzakelijkheid om te blijven, dat hij zelf daaraan begon te

gelooven en haar zin deed. Hoe meer dit besluit met zijne eigene

wenschen overeen kwam, des te gemakkelijker viel het hem er gronden

voor te vinden. De oude Rufinus had hem niet meer noodig, en had hij,

Orion, ook reden om zich te schamen over zijne wankelmoedigheid,

zoo mocht hij van den anderen kant toch zeggen, dat hij ondankbaar

en onvriendelijk zou handelen tegen zijne goede vrienden, wanneer hij

hen in den steek liet, juist nu hij hen van nut kon zijn. Het zou er

bij de nonnen op twee beschermende armen meer of minder niet aankomen,

terwijl de gevangen Narses, zonder zijne voorspraak bij den veldheer,

licht kon bezwijken, alvorens het gelukte hem los te koopen. In elk

geval was het meer dan tijd een vast besluit te nemen. Neen, hij kon

heden niet weg! Het was beslist! Rufinus moest terstond in kennis

gesteld worden van zijn veranderd besluit. Het scheen hem thans niet

mogelijk zich tot schrijven te zetten; de rentmeester moest in zijn

naam spreken, en hij wist wel hoe gaarne en met hoeveel ernst Nilus

zich van die taak kwijten zou.

Heliodora klapte in de handen, en juist toen vrouw Martina aan de deur

klopte, traden beiden de helderverlichte voorzaal binnen. Haar gelaat

straalde van geluk, en in hare kostbare, nieuwmodische, zorgvuldig

gekozen kleederen zag zij er zoo aanvallig en, niettegenstaande zij

slechts van middelbare grootte was, zoo vorstelijk prachtig uit,

dat zij ook in de hoofdstad de bewondering der mannen en de afgunst

der vrouwen zou hebben gewekt; hij was blijkbaar opgeruimd, maar om

zijne lippen speelde toch een ernstig lachje.

Nog had hij de deur niet gesloten, toen hij voor het vertrek,

dat aan Paulas vroegere kamer grensde, twee vrouwelijke wezens

opmerkte, die, terwijl vrouw Martina bij hare nicht aanklopte,

de voorzaal binnengekomen waren. Het was de kleine Katharina en

hare kamenier. Men had den jongen Anubis, nadat hij van het dak was

gevallen hier ondergebracht, en niettegenstaande dit gedeelte van het

huis voor de voorname gasten was ingericht, was de arts Philippus niet

te bewegen geweest de overbrenging van den kranke, die volstrekt rust

noodig had, naar de benedenverdieping toe te staan.

De moeder van den zwaar bestraften luisteraar, Katharina's voedster,

was bij hem. Het kwikstaartje vergezeld van hare kamenier had hem

opgezocht en zou zich gaarne vergewischt hebben of het haar zoogbroeder

gelukt was, vóor zijn val iets af te luisteren. Doch de arme knaap

was zoo zwak en leed zooveel pijn, dat zij geen moed vond, om hem

met vragen te kwellen. Haar gang uit Samaritaansche barmhartigheid

zou echter niet onbeloond blijven, want Orion met zulk een schoone,

voorname vrouw te zien komen uit Paulas vroegere kamer, dat was iets

buitengewoons, waarvoor het wel der moeite waard was de oogen wijd te

open te doen. Zij zou gaarne tweemaal den weg naar het stadhouderlijk

paleis hebben afgelegd, al ware het enkel om de kleederen en sieraden

van deze uit den hemel gevallene vreemdelinge te zien. Zoo iets raakte

in Memphis zelden verdwaald. Of niet deze bevallige, voorname dame

eigenlijk de "andere" was en niet Paula? Kon Orion niet evengoed met

de Damasceensche zijn spel gedreven hebben, als vroeger met haar? Daar

in die kamer moest een zalig wederzien zijn gevierd, dat verried elke

trek van het heiligen gelaat der blonde schoone. O die Orion! Zij

had hem kunnen verworgen, doch het deed haar genoegen, dat er buiten

haar nog anderen, en wel zulke edele en aanvallige anderen waren,

die hij bedroog.

"Hij blijft!" had Heliodora reeds van den drempel de matrone

toegeroepen, en deze had den jonkman de hand toegestoken met een innig:

"Dat God het u loone!"

Zij verheugde zich ook over het gelukkig uitzicht van hare nicht;

doch bij dit alles waren de oogen van de levendige vrouw toch overal,

en toen zij Katharina opmerkte, die nieuwsgierig was blijven staan,

wendde zij zich tot haar, begroette haar vriendelijk en vroeg Orion:

"Eene zuster, of wel het nichtje, van wie gij ons verteld hebt?"

Hierop sprak de jonkman Katharina toe en maakte haar met zijne gasten

bekend. Zij vertelde harerzijds wat haar hierheen had gebracht en

deed het op zoo allerliefste en hartelijk medelijdende wijze--want

zij was haar zoogbroeder en speelnoot oprecht genegen--dat zij der

matrone en Heliodora zeer goed beviel en deze de hoop uitspraken

haar recht dikwijls weer te zien. Nadat zij zich verwijderd had,

zeide vrouw Martina: "Een bekoorlijk popje! Frisch en rein, als pas

uit den dop gekropen, flink en netjes; en wat babbelt zij aardig!"

"En bovendien de rijkste erfdochter van Memphis, misschien wel van

geheel Egypte," voegde Orion er bij. Daar hij echter bespeurde dat

Heliodora bij deze opmerking de oogen bedroefd neersloeg, ging hij

lachend voort: "mijne moeder had ons voor elkander bestemd, doch

wij verschillen te veel in lengte, en passen ook overigens niet

bij elkander."

Hierop nam hij afscheid van de vrouwen, begaf zich naar Nilus en gaf

hem kennis van zijn besluit. Het verzoek om zijn uitblijven bij Rufinus

te verontschuldigen en de dochter van Thomas voor hem te groeten,

alsmede aan haar de beweegredenen duidelijk uit een te zetten, die

hem terug hielden, had tot uitwerking, dat de stille, bescheidene

man buiten zichzelven raakte van vreugde en zich veroorloofde Orion

als een zoon te omarmen.

Tot omstreeks middernacht bleef de jonge gastheer met zijne gasten

bijeen, en toen vrouw Martina hare beschermelinge den volgenden

morgen een weinig vermoeid doch stil gelukkig wederzag, kon zij

haar mededeelen, dat de mannen den Nijl reeds waren overgegaan,

en waarschijnlijk met den stadhouder reeds alles in orde hadden

gebracht. Doch groot was hare teleurstelling toen beiden na eenigen

tijd terugkeerden en haar mededeelden, dat Amr na de wapenschouwing

bij Heliopolis, in plaats van naar Fostat terug te keeren, regelrecht

naar Alexandrië was gegaan. Daar moest hij nog gedurende eenige

dagen verwijlen, waarna hij zich naar Medina zou begeven. Er bleef nu

voor den senator niets anders over dan hem onverwijld na te reizen,

en Orion bood zich vrijwillig aan hem daarheen te vergezellen.

Heliodoras vluchtige poging om hem terug te houden, leed schipbreuk

op zijn ernstig en standvastig besluit. Deze reis moest echter alleen

dienen om zijne eigene zwakheid en deze schoone vrouw te ontvluchten,

die niets meer voor hem zijn kon en mocht. In den vroegen morgen

had hij tijd gevonden om Paula te schrijven, maar hij had meer dan

éen half voltooiden brief weggeworpen, voor hij de rechte woorden

had gevonden. Ze zeiden haar, dat hij haar en haar alleen liefhad,

en terwijl hij ze in het was grifte, had hij met ontevredenheid over

zijn eigen gedrag gevoeld, dat zijn hart inderdaad aan Paula behoorde,

was het besluit in hem gerijpt aan zijne betrekking tot Heliodora een

einde te maken, en zich niet eerder aan zijne geliefde te vertoonen,

vóór het hem gelukt was den band voor altijd te verscheuren, die hem

aan de jonge weduwe verbond.

De vrouwen hadden de reizigers naar den wagen gebracht, en toen

zij met gebogen hoofden, als verslagene krijgslieden, in de groote

voorzaal terugkeerden, ontmoetten zij daar het kwikstaartje met

hare kamenier. Martina wilde het meisje tegenhouden en overreden

mede te gaan naar haar verblijf; doch Katharina voldeed niet aan

haar verlangen en scheen groote haast te hebben. Zij kwam van haren

zoogbroeder Anubis, die heden minder pijn had dan gisteren en haar,

zoo goed het gaan wilde had medegedeeld wat hij vernomen had. Dat zij

naar het noorden zouden vluchten, stond bij haar vast; doch hij had

het reisdoel van de zusters of niet goed verstaan of vergeten. Zijne

moeder en verpleegster waren buiten de kamer gezonden, en toen had het

dankbare kwikstaartje zich over hem heen gebogen, zijn aardigen kop een

weinig opgeheven en hem twee zulke hartelijke kussen gegeven, dat de

arme jongen er waarlijk angstig van was geworden. Toen hij zich weder

alleen met zijne moeder bevond, gevoelde hij zich gaandeweg beter,

en de herinnering aan het onuitsprekelijk geluk, dat hem wedervaren

was, had de groote smarten, die hij om Katharinas wil leed, meer en

meer gelenigd.

Het kwikstaartje keerde niet terstond naar haar moeder terug,

maar begaf zich onverwijld naar den bisschop van Memphis, dien zij

alles vertelde wat zij vernomen had omtrent de bewoonsters van het

Caecilia-klooster, en wat men voor haar gedaan had. De zachtaardige

Plotinos geraakte bij deze mededeeling zeer in toorn, begaf zich,

zoodra zij hem verlaten had, naar Fostat, om de hulp van den

stadhouder, en daar deze afwezig was, van zijn Wekil in te roepen,

ten einde te bewerken dat deze de vluchtende nonnen zou vervolgen.

Toen Katharina op haar kamer alleen was, zeide zij stil tevreden tot

zichzelve, dat zij nu iets op het getouw had gezet, dat Orion zoowel

als Paula de vreugde van menigen dag bederven, ja zoo zij hoopte voor

beiden noodlottig worden zou.

De nijlbruid · 第 46 / 66 题