Terwijl Orion over den stroom naar Fostat reed, begaf hem de vroolijke
stemming, die hem nog kort geleden had bezield. Had Paula hem althans
niet een klein deel kunnen en moeten wijden van het uur, dat zij aan
het kind had geschonken? Hij was afgescheept met een vriendelijken
handdruk en een dankbaren blik, toen zij hem welkom had geheeten. Zou
zij hem niet blijde tegemoet zijn gevlogen, wanneer de liefde,
waarvan zij hem gisteren de verzekering had gegeven, haar hart zoo
innig en vurig doortintelde als het zijne? Was de trotsche ziel van
deze jonkvrouw, die zijne moeder koud en ongenaakbaar noemde niet
vatbaar voor warme zichzelve vergetende overgave? Was er geen middel
om het heilige vuur, dat in hem ontvlamd was, ook in haar aan te
blazen? Allerlei twijfelingen en het bittere gevoel van teleurstelling
kwelden hem, en een menigte bedenkingen drongen zich aan hem op, die
verre van hem gebleven zouden zijn, wanneer hij bij het wederzien,
haar blijmoedig: "ik bemin u" vernomen had, en zijne lippen gewijd
waren door haar eersten kus.
Ontstemd en verdrietig trad hij de woning van den veldheer binnen. In
de voorzaal ontmoette hij smeekelingen, die waren afgewezen, en met
een bitter lachje moest hij bekennen, dat hij zooeven op dezelfde
wijze onverrichter zake was weggezonden, weggezonden--en door wie?
Hij liet zich aanmelden en zijne stemming verbeterde een weinig toen
hij terstond toegelaten en met voorbijgang van vele wachtenden in
de ontvangkamer van den veldheer gebracht werd. Deze ontving hem
met vaderlijke hartelijkheid; en toen hij hoorde dat Orion met den
patriarch in openbaren strijd was geraakt, werd hij opgewonden en
riep hij met uitgestrekte handen: "Neem mijne rechterhand, vriend,
ga tot den Islam over, en met deze linker maak ik u, in naam van mijn
heer den Kalief, ondanks uwe jeugd, tot opvolger van uw vader. Weg
met alle bedenkingen! Sla toe, spoedig, spoedig! Het kwelt mij Egypte
te moeten verlaten, terwijl ik weet dat Memphis geen stadhouder heeft."
Een hooge blos kleurde Orions aangezicht. Zijns vaders opvolger! Hij,
de nieuwe Mukaukas! Hoe streelde dit zijne eerzucht, welke nieuwe wegen
openden zich tot werkzaamheid! Het schemerde hem voor de oogen en eene
geheimzinnige kracht drong hem zijn weldoener tegemoet te gaan, die hem
nog altijd zijne rechterhand toestak. Maar zijne levendige verbeelding
deed hem opeens het beeld van den Verlosser aanschouwen, met wien
hij in de kerk zwijgend een verbond had gesloten, hoe deze droevig
het zacht gelaat van hem scheen af te wenden. Hij herinnerde zich
wat hij beloofd had, alles was vergeten wat Paula hem had aangedaan,
hij greep wel is waar de hand van den veldheer, doch alleen om haar
aan zijne lippen te brengen en hem te danken. Vervolgens bad hij hem
met warmen, vriendelijken aandrang niet op hem te willen toornen,
wanneer hij standvastig bleef en in het geloof zijner voorvaderen en
van zijn vader volhardde. De veldheer werd niet boos, maar haastig en
niet met die blijmoedige hartelijkheid waarmede hij hem verwelkomd
had, waarschuwde Amr hem voor den patriarch op zijne hoede te zijn,
tegen wien hij niet bij machte was hem te beschermen, zoolang hij
volhield christen te blijven.
Toen Orion hem daarop mededeelde, dat hij voor korten tijd dacht
op reis te gaan en thans gekomen was om afscheid te nemen, liet de
veldheer hierover zijn leedwezen blijken. Ook hij moest van hier
naar Medina, en dat wel reeds overmorgen. "Daar ik u," zeide hij,
"te jong achtte voor den hoogen post van uw vader, was ook ik erop
bedacht een moeielijke taak voor u te vinden, bij het volbrengen
waarvan gij zoudt kunnen toonen, dat ik geene te hooge verwachtingen
van u koesterde. Gij blijft volharden bij uw besluit, doch ik kan
onmogelijk aan een christen van uwe jaren het zóo gewichtig ambt van
stadhouder te Memphis toevertrouwen; ofschoon wij het met den jongen
muzelman gewaagd zouden hebben. Doch ik wil u de taak, die ik u had
toegedacht, ook thans niet onthouden. Gelukt het u die te volvoeren,
dan zal het goed zijn voor uzelven en ben ik voornemens van uw dienst
partij te trekken in het belang der geheele provincie. Wat toch dringt
mij thans van hier te gaan, waar mijne tegenwoordigheid bij honderd
nieuwe onvoltooide scheppingen zoo noodig zou zijn, wat anders dan de
zorg voor het welzijn van dit land, waar ik maar een vreemdeling ben,
terwijl gij het moet liefhebben als uw vaderland en den geboortegrond
van uwe familie. Ik ga naar Medina, omdat de Kalief in den brief die
daar ligt mij verwijt, dat ik uit een zoo rijk land als Egypte te
geringe sommen in de schatkist breng. En toch komt geen dinar van
uwe belasting in mijn eigen buidel.
"Van die belasting houd ik honderd-vijftigduizend arbeiders op de been,
om de kanalen en waterwerken te herstellen, die mijne voorgangers,
de Byzantijnsche bloedzuigers, zoo schandelijk verwaarloosd hebben
en geheel lieten vervallen; daarvoor bouw en schep ik en strooi zaad
uit voor de toekomst. Dat kost geld! Dat verslindt het leeuwendeel
van de inkomsten. Ik begeef mij op weg, niet om mij te zuiveren van
beschuldigingen, maar om Omar te overreden mij ook voor het vervolg te
vergunnen niet als een roover huis te houden, maar het ware welzijn
der provincie niet uit het oog te verliezen. Ik doe het ongaarne om
ontelbare redenen, en gij, jonge man, zult, als uw vaderland u wat
waard is... Hebt gij het lief en wenscht gij uw geboortegrond het
beste toe?"
"Van ganscher harte!" antwoordde de jonkman.
"Welaan, dan moet gij thans, wanneer het eenigszins geschieden kan,
stil te huis blijven en u met alle kracht wijden aan het werk dat
ik u zal opgeven. Ik haat alle uitstel. Niet lang heen en weer
rijden en de paarden vermoeien, maar recht op den vijand los gaan,
dat is mijne grondstelling, en niet alleen in het veld. Neem die
les ter harte! Gij zult geen tijd te verliezen hebben, want wat ik
verlang is niet gemakkelijk. Gij moet, gesteund door uw kennis van
dit land en van zijne bewoners, alsmede met behulp van de lijsten
en aanteekeningen in de archieven van uw oud stadhouderlijkhuis,
waarover uw vader mij gesproken heeft, beproeven eene nieuwe indeeling
in districten te ontwerpen, waarbij gij inzonderheid zult hebben
te letten op hetgeen elk der districten zal kunnen opbrengen. Die
oude manier van belastingheffing deugt niet, dat ondervinden wij
dagelijks; gij zult speelruimte genoeg vinden voor verbeteringen van
allerlei aard. Werp al het bestaande omver, wanneer gij het noodig
acht. Ook anderen hebben hunne krachten beproefd aan eene indeeling
in districten en eene nieuwe wijze van belastingheffing. Het beste
ontwerp verdient de voorkeur en gij schijnt mij de man te zijn om
den prijs weg te dragen en u daarmede een schoon, ruim veld van
werkzaamheid voor de toekomst te openen. Als het geen verveling is,
of verlangen naar de genietingen van eene groote stad, waaraan gij
gewoon zijt, die u aandrijven dit treurige Memphis..."
"Neen heer," verzekerde Orion haastig. "Wat ik mij voornam komt
mijzelven niet eens ten goede, en als ik mij niet vast verbonden
had, dan vatte ik reeds morgen die heerlijke arbeid met beide handen
aan. Dat gij eene goede oplossing van zulk een gewichtig vraagstuk van
mij verwacht, is het schoonste geschenk, dat mij ooit ten deel viel. Om
mij uw vertrouwen waardig te maken, keer ik zoo spoedig mogelijk terug
en zal al wat ik aan verstand en scherpzinnigheid, aan volharding en
vaderlandsliefde bezit, aan dit werk ten koste leggen. Ik ben een
vlijtig scholier geweest, en schande over mij, wanneer dat, wat ik
als jongeling, was, den man verhinderde, den knaap te overtreffen."
"Goed gesproken," antwoordde de veldheer en stak Orion de hand
toe. "Doe uw best en gij zult ruimschoots gelegenheid vinden uwe
krachten te toonen. Onthoud mijne waarschuwing voor den patriarch
en den zwarten Wekil. Ik heb hier helaas niemand, die zijne plaats
vervullen kan uitgezonderd den wakkeren kadhi Othman, maar deze is
geen krijgsman en op zijne plaats onontbeerlijk. Obada moet mij dus
wel vervangen. Ontwijk hem en de Barmhartige zij met u..."
Toen Orion op den terugweg de schipbrug achter zich had, zag hij eene
versierde Nijlboot, zooals er thans hier maar zelden een landde, in de
haven voor anker liggen en op de Nijlstraat kwam hij twee draagstoelen
tegen, gevolgd door lastdieren en dienaars. Dat alles zag er prachtig
en voornaam uit; op een andere tijd zou het hem nieuwsgierig gemaakt
hebben; doch heden stelde hij zich maar vluchtig de vraag, wie zij
wel zijn zouden, die waren aangekomen, waarop hij verder nadacht
over het werk door Amr hem opgedragen. Uit den diepsten grond zijns
harten verwenschte hij de ure, waarin hij zich verbonden had voor
vreemden in de bres te springen; want hij, die na zoo lang werkeloos
te zijn geweest er naar snakte zijne krachten te beproeven, die zich
plotseling en als door een wonder geroepen zag op den weg, dien hij
zelf zich had gekozen, gevoelde zich thans belemmerd en afgetrokken
van eene taak, die hij hoopte voortreffelijk te kunnen volvoeren,
en waarmede hij zijn vaderland eene dienst zou bewijzen. Eene taak
bovenal die hem aantrok als met honderd magneten.
Nadat zijn testament den volgenden morgen rechtsgeldig was verklaard,
verzocht hij den rentmeester om een gesprek onder vier oogen. Hij was
tot de overtuiging gekomen, dat althans éen in dit huis en die eene
kon enkel Nilus zijn, kennis moest dragen van het plan dat hij ging
volvoeren. De rentmeester noodigde Orion dus uit hem te volgen naar
het impluvium van zijn bijzonder verblijf en deze uitnoodiging werd
door vele der aanwezige schrijvers vernomen, zonder dat zij zich in
hun arbeid lieten storen. Alleen de jongste van allen, een aardige
zestienjarige knaap, met een gebruind Egyptisch gelaat en verstandige
levendige gitzwarte oogen, die elk woord van den rentmeester en zijn
heer opmerkzaam gevolgd had stond zacht uit zijn neergehurkte houding
op, zoodra deze twee het kantoor verlaten hadden, en sloop ongemerkt
naar de voorzaal. Van daar ijlde hij naar de trapladder, die op de
duiventil uitkwam, waarvoor hij altijd zorg droeg; van het hooge
verblijf der gevleugelde boden liet hij zich haastig afzakken op het
dak van de benedenverdieping, en kroop op handen en voeten voorzichtig
tot aan het groote, opene vierkant, waardoor het impluvium licht en
lucht ontving. Vlug schoof hij met de hand het zeil een weinig opzij,
dat deze ruimte 'smiddags overschaduwde, en luisterde met inspanning
naar het gesprek, dat weldra beneden hem plaats had.
Deze knaap was Anubis, de zoogbroeder van het kwikstaartje, en het
scheen wel dat hij in de kunst om luistervink te spelen bij zijne
geliefde meesteres niet achter stond, want opmerkzamer dan hij kon
niemand de ooren spitsen. Hij wist ook wel waarom hij zich op het dak
blootstelde aan de gloeiende pijlen van de onbarmhartige Afrikaansche
zomerzon; zijne aangebodene speelnoote, die zijn jong hartstochtelijk
gemoed geheel beheerschte, had hem een hartelijken kus beloofd, wanneer
hij haar nadere inlichtingen kon verschaffen omtrent de gevaarvolle
reis van Orion. Anubis had haar reeds gisteren avond mededeeld, wat
hij in de voorzaal van het rentmeesterskantoor had afgeluisterd; maar
het kwikstaartje was met deze algemeene aanwijzingen niet tevreden
geweest. Zij wilde duidelijk zien, nauwkeurig weten wat er op het
getouw werd gezet, en zij bedroog zich niet door te onderstellen,
dat juist het loon hetwelk zij den knaap had toegezegd, hem zou
aansporen om zelfs het onmogelijkste te beproeven. Anubis had echter
niet gedacht, dat hij zoo spoedig zijn doel zou bereiken, hoe stout
zijne verwachtingen ook waren, want nauwelijks was het hem gelukt het
zeil op zijde te schuiven, toen Orion begon den rentmeester opening
te geven van alles wat hij dacht te doen.
Nadat deze zijne mededeelingen had geëindigd, wachtte de knaap het
antwoord van den rentmeester niet af, maar kroop, als bedwelmd door
den gelukkigen uitslag van zijn pogen en het uitzicht op het loon,
dat voor hem eene hemelsche zaligheid omvatte, naar de duiventil. Doch
hij kon den weg niet volgen waarlangs hij gekomen was, want bevond hij
zich weder in de voorzaal en trof een der andere beambten hem daar aan,
dan werd hij naar het schrijfvertrek verbannen. Hij kroop dus naar
de borstwering van het dak, die naar de zijde van de visschershaven
gekeerd was, boog er zich over heen en greep een gootpijp om zich
daarlangs te laten afglijden. Doch deze was helaas zeer oud en
verteerd, hetgeen niet was opgemerkt, omdat het te Memphis zoo zelden
regent; en nauwelijks volgde het lichaam van den knaap zijne handen,
of het halfvergane blik scheurde krakend van een. Met de brokken
van de gootpijp stortte de overmoedige jongen vier manshoogten naar
beneden; men hoorde op den geplaveiden vloer een zwaren, doffen slag en
jammerlijk gekerm, en kort daarna wist het geheele rentmeesterskantoor,
dat de arme, flinke duivenliefhebber Anubis bij de verpleging van
zijne diertjes van het dak was gevallen en zijn been gebroken had. De
beide mannen in het impluvium zouden eerst later het ongeval vernemen,
want er was bevel gegeven hen niet in hun onderhoud te storen.
Nilus had de vertrouwelijke mededeelingen van zijn jongen meester
met toenemende verbazing, weerzin en schrik aangehoord, en toen
Orion had uitgesproken, met al de overredingskracht van een trouw
hart, dat zich bezorgt maakt voor het heil van lichaam en ziel van
een geliefd persoon, bij hem aangedrongen om van dit waagstuk af te
zien, waaruit voor hem niet anders kon volgen dan afkeuring, nadeel en
vervolging. Nilus was een Jacobiet van ganscher harte en de gedachte,
dat zijn jonge meester op het punt stond voor Melchietische nonnen
het uiterste te wagen en den toorn, ja den vloek van den patriarch op
zich te laden, kon hij niet verdragen. De welgemeende waarschuwingen en
smeekingen van den trouwen beambte bleven op Orion niet zonder invloed,
doch hij volhardde in zijn besluit en bracht Nilus aan het verstand,
dat hij Rufinus zijn woord had gegeven en daarom niet meer terug kon
treden, ofschoon hijzelf geen lust meer had in de volvoering van zijn
plan. Het stuitte hem tegen de borst, ja het was hem onmogelijk den
ouden braven man alleen deze gevaarlijke reis te doen ondernemen.
Oprechte bezorgdheid maakt vindingrijk en nauwelijks had Orion
uitgesproken of Nilus deed hem een voorslag, die wel in staat was de
laatste bedenking van den jonkman op te heffen. De Grieksche opzichter
van de werf, Melampus, was een ijverig Melchiet, al durfde hij niet
openlijk voor zijn geloof uitkomen. Hij en zijne beide zonen, twee
frissche stevige scheepstimmerlieden, hadden reeds meermalen hunne
frissche, ondernemingszucht getoond, en Nilus twijfelde niet of zij
zouden maar al te gaarne aan een waagstuk deelnemen, dat de redding
van zoovele geloofszusters ten doel had. Zij moesten Orions plaats
vervangen en konden den ouden heer veel krachtiger ondersteunen
dan hij.
De jongeling stemde met dezen voorslag in zooverre in, dat hij
degelijke hulp verwachtte van de wakkere handwerkslieden, die hij
zeer goed kende; hij wilde ze dus wel meenemen, maar daarom niet
van zijne eigene medewerking afzien. Hij moest eindelijk Nilus,
die zoo taai bleef volharden bij zijne vermaningen, het zwijgen
opleggen. Desniettemin ging de bezorgde man met hem naar de werf, en de
oude meester, een goedhartige reus, toonde zich zoo van harte bereid om
zijne hulp te verleenen tot het redden der nonnen, "als ware elk hunner
zijne eigene moeder". De jongens zouden het als een feest beschouwen,
dat zij aan zulk een waagstuk deel mochten nemen. Het bleek weldra
dat hij zich daarin niet bedroog, want nadat men hen in het geheim
had ingewijd, zwaaide de een vol geestdrift met zijne bijl, en de
ander sloeg zoo vroolijk met zijne stevige vuist in de linkerhand,
als zou hij ten dans gaan. Onverwijld stapte Orion met alle drie in
eene boot en liet zich naar het huis van Rufinus roeien, om hen aan
dezen voor te stellen, en zij bevielen den ouden man voortreffelijk.
Orion bleef bij hem; hij had hem gisteren beloofd het ontbijt met hem
te gebruiken en dat stond gereed. Paula was reeds sedert een uur in
het klooster en kon, zooals vrouw Johanna verzekerde, elk oogenblik
terugkeeren. Men zette zich dus zonder haar aan tafel, de schotels
werden opgedragen, het maal liep ten einde en nog altijd was zij niet
terug. Orion had aanvankelijk zijne teleurstelling weten te verbergen,
maar eindelijk werd hij geheel door dit gevoel beheerscht, zoodat het
zijne gastvrouw moeite kostte, hem door vragen en wedervragen korte en
verstrooide antwoorden te ontlokken. Ook Rufinus werd bezorgd, maar
juist toen hij opstond om naar Paula te gaan uitzien, zag Pulcheria,
die aan het venster stond, haar komen en vloog met een vroolijk
"daar is zij!" naar buiten.
Weder verliep de eene minuut na de andere, van een kwartier werd
het een halfuur, en Orion wachtte nog altijd te vergeefs op de
jonkvrouw. Zijne blijde verwachting had reeds lang voor ongeduld,
het ongeduld voor het gevoel van gekrenkte waardigheid en dit voor
spijt en bitterheid plaats gemaakt, toen Pulcheria eindelijk in hare
plaats het eetvertrek binnentrad en hem uit naam van Paula verzocht
in den tuin te komen.
Buitengewoon lang was zij in het klooster opgehouden. Gelijk de
rook, die de ijmker in een bijenkorf laat trekken, had de treurmare
de stille, vrome zusters uit haar gewone rust opgeschrikt en allen
door elkander gejaagd. Zij moesten heden wat het meest van waarde was
bijeen pakken, en hoewel Orion gezegd had, dat maar een klein aantal
kisten en zakken in de boot plaats konden vinden, kwam de eene haar
bidstoeltje, de ander een groot heiligen beeld, een derden een koperen
vischketel, en een vierde, vijfde en zesde zelfs met de groote kast
met de gebeenten van den martelaar Ammonius aandragen, waaraan de
priesterkerk haren bijzonderen roep van heiligheid dankte. De abdis
had met al hare zeggingskracht en waardigheid tusschenbeide moeten
komen, om al dat overtollige terug te houden, en menige zuster, die
met hare dierbare maar al te omvangrijke bezitting werd afgewezen,
was weenende met haar schat afgetrokken. De overste van de nonnen
was eerst in de gelegenheid geweest zich geheel aan Paula te wijden,
nadat men een overzicht had kunnen nemen van de geheele bagage,
die zou worden medegevoerd. Zij had de jonkvrouw daarna naar haar
woonvertrek gebracht, dat met kostbare en degelijke voorwerpen keurig
versierd was, en haar met oprechte deelneming gelegenheid gegeven het
hart voor haar uit te storten. Wie deze twee te zamen had gezien, zou
licht hebben kunnen denken, dat een bekommerde dochter haar toevlucht
had gezocht aan het hart eener moeder, om raad bij haar in te winnen;
want de grijze abdis kon in hare jeugd veel gelijkenis hebben gehad
met de dochter van Thomas. De voorname en toch aanvallige houding der
jonkvrouw was alleen bij de matrone tot eene vorstelijke, nederbuigende
waardigheid geworden, en men kon het haar ernstig gesloten mond niet
meer aanzien, dat deze eens het aanminnig sieraad van haar gelaat
was geweest. Terwijl zij de mededeelingen van het meisje volgde,
veranderden hare rustige oogen telkens van uitdrukking, zij tintelden
enkel van fanatischen gloed, wanneer geloofsijver haar gemoed
vervulde. Zij kreeg van allerlei te hooren, want Paula beschouwde
dit onderhoud als eene biecht, en verzweeg voor hare moederlijke
en tegelijk priesterlijke vriendin niets van alles wat er in haar
uitwendig leven, in haar hoofd en hart was omgegaan, sedert zij het
huis van den Mukaukas had betreden. Zij hield niets in hare ziel
verborgen, trachtte niets te bemantelen of te vergoelijken, en toen
zij de mannelijke worsteling van haar geliefde schilderde om al den
ernst van het leven te begrijpen, werd zij door liefde en geestdrift
medegesleept ten einde zijn beeld, dat een oogenblik door eene donkere
schaduw verduisterd was, in des te helderder glans te laten schijnen.
Nadat Paula ten laatste hare biecht geëindigd had, was de abdis een
tijd lang zwijgende blijven zitten. Toen had zij het meisje tot zich
getrokken en op liefderijken toon gevraagd: "En thans? Niet waar,
alles wat in u is dringt en drijft u om den hartstocht, die op
zoo bijzondere wijze zich van u meester heeft gemaakt, zijn loop
te laten, den geliefden man in de wijdgeopende armen te snellen,
u aan hem over te geven en te zeggen: 'Hier hebt ge mij, ik ben de
uwe! Haal den priester, dat hij ons zegene!'--Is het zoo, zie ik goed?"
Paula had toestemmend geknikt met een blos op de wangen, doch de oude
vrouw had haar hoofd tegen haar borst gelegd en was op ernstigen toon
voortgegaan: "Ik zag hem toen hij met zijn vierspan mij voorbijreed, en
dacht daarbij aan menig beroemd beeldwerk van Grieksche heidenen. Hij
bezit schoonheid, geboorte, rijkdom, ja ook een geest van gaven,
kortom alles wat het hart van eene Paula winnen kan; en zij--dat zie
ik--geeft het hem gaarne."
Wederom had het meisje haar toegeknikt, en daarop was de grijze abdis
met een stille zucht, en als kostte het haar groote moeite om zich
in het onvermijdelijke te schikken, voortgegaan: "Elke waarschuwing
zou dus ijdel zijn.--Hij is in elk geval niet van ons geloof, hij..."
"Maar hoe hij dat hoogacht," zeide Paula, "dat toont hij, terwijl
hij voor u en de uwen vrijheid en leven op het spel zet."
"Zeg: voor de geliefde," antwoordde de abdis. "Doch wij willen
dit onderwerp niet verder aanroeren, hoezeer het mij ook smart
mij de dochter van Thomas als de gemalin van een Jacobiet voor te
stellen.--Gij zult hem niet prijsgeven, en de Vader der liefde leidt
trouwe liefde langs wonderbare paden naar het beoogde doel, al gaat
het soms langs omwegen, door kloven en afgronden."
Paula was haar om den hals gevallen, om haar dankbaar te kussen, doch
de abdis had het gelukkige meisje maar korten tijd laten begaan, en
haar daarna aan haar zijde doen neerzitten. Met Paulas rechterhand
in hare beide handen was zij toen overgaan op den toon van kalm
overleg. Zij en de zusters, zoo begon zij, waren Orion grooten dank
verschuldigd. Haar vurigste wensch was dat Paula als vrouw het hoogst
geluk op aarde zou vinden, doch daar zij om raad had gevraagd mocht
de abdis haar de oogen niet doen sluiten voor de gevaren die juist
dat geluk dreigden te ondermijnen. Achter haar, de abdis, lag een
lange reeks van allerlei ervaringen; zij had ontelbare jonge mannen
leeren kennen, die als groote zondaars door vader en moeder, door de
kerk en alle goede menschen waren opgegeven, en velen van dezen hadden
hun dag van Damascus gezien. Er was voor hen een keerpunt gekomen en
de verloren gewaande zonen waren uitnemende, vrome mannen geworden.
Onder dit verhaal was Paula met van vreugde stralende oogen nog
dichter bij haar gekomen; doch de abdis had ontkennend het hoofd
geschud, en terwijl haar gelaat eene steeds klimmende geestdrift
verried, vervolgde zij op hoog ernstigen toon: "Intusschen mijn kind,
bij deze allen had de genade gewerkt, was het wonder geschiedt,
dat wij wedergeboorte noemen. Zij waren dezelfde gebleven naar het
vleesch en de grondtrekken van hun wezen, maar hunne verhouding tot
de wereld en tot het leven was eene geheel andere geworden. Wat hun
vroeger wenschelijk voorkwam dat werd thans door hen verafschuwd,
wat vroeger van waarde scheen was voor hen nietig, het nietige van
waarde geworden. Hadden zij vroeger alles tot hunne eigene wenschen
teruggebracht, thans beschouwden zij alles in het licht van God en
zijn wil. De oude neigingen waren dezelfde gebleven, doch zij lieten
zich binnen de perken houden door de nooit sluimerende erkentenis,
dat zij niet den weg baanden tot blijvende vreugde, maar tot eeuwig
verderf. Deze wedergeborenen leerden de wereld te verachten, en
in plaats van naar het stof was hun blik opwaarts naar den hemel
gericht. Wie van hen struikelde, hij werd door den nieuwen geest
die in hem werkte gedwongen het evenwicht weer te vinden, alvorens
geheel te vallen.--Doch Orion? Uw geliefde? Naar ik zie stapt hij
over zijne schuld heen en wacht hij eene verzoening met God van het
volbrengen eener waardige levenstaak in deze wereld. Niet alleen
is zijne gezindheid dezelfde gebleven, maar ook zijne betrekking
tot het leven en tot al de goederen, die het den kinderen dezer
wereld aanbiedt. Zinnelijke liefde drijft hem aan, te streven naar
wat hoog en groot is, met ernstigen wil tracht hij het te bereiken,
doch hij kan en zal struikelen over elken steen, dien de duivel hem
in den weg werpt, en het zal hem zwaar vallen weder op te staan;
want het ongeluk heeft hem niet wedergeboren tot een nieuw leven in
God. Juist zulke jonge mannen zag ik ontelbare malen terugzinken in
de zonde, waaraan zij zich ontworsteld hadden, en voor wij ons geheel
en al mogen toevertrouwen aan een man, die, al is het ook maar eens,
zoo ver is afgedwaald van de wegen Gods, en bij wien de genade hare
krachtige werking nog niet heeft getoond, is het noodig zijn gang en
zijne handelwijze langer dan enkele dagen na te gaan. Gevoelt gij u
gedrongen om vast te houden aan de neiging uws harten, werp u dan niet
eer in de geopende armen van den geliefde, geef niet eer het reine
heiligdom van lichaam en ziel aan hem over, word niet eer de zijne,
voor hij eerst zich geheel standvastig heeft getoond."
"Maar ik geloof aan hem!" riep Paula onder een vloed van tranen.
"Gij gelooft, omdat gij liefhebt," antwoordde de abdis.
"En omdat hij het verdient."
"Sedert hoe lang?"
"En was hij niet een voortreffelijk jonkman vóor dien misstap?"
"Dat is ook menig moordenaar geweest. Eén oogenblik was voldoende om
zoovelen als misdadigers uit de samenleving te verbannen."
"Zijne omgeving draagt hem nog altijd op de handen."
"Als den zoon van den Mukaukas."
"En omdat hij door hetgeen hij is aller harten wint."
"Ook het hart van den Allerhoogste?"
"O moeder, moeder waarom meet gij hem naar den maatstaf uwer den hemel
gewijde ziel! Hoe weinig uitverkorenen worden de genade deelachtig,
waarvan gij spreekt!"
"Wie als hij gezondigd heeft, moet er met inspanning naar streven."
"Dat doet hij, moeder, op zijne wijze."
"Die verkeerd is, verkeerd voor allen die zulke zonden hebben
begaan. Alles, waarnaar hij streeft, zijn wereldlijke goederen."
"Neen, neen, hij staat vast in het geloof aan God en den Heiland. Hij
is geen bedrieger."
"En toch gelooft hij zich van de boete ontslagen te kunnen rekenen."
"Vergeeft de Heer ook niet alles, na oprecht berouw? En hij heeft
berouw gehad; hoe zwaar, hoe bitter zwaar heeft hij geleden!"
"Zeg liever: de striemen gevoeld, die de gevolgen waren van zijne
ongerechtigheden. Er volgen nog meer, en hoe zal hij ze dragen? De
verzoeking loert van alle zijden en hoe zal hij aan haar ontkomen? Als
een waarschuwende moeder ben ik verplicht u toe te roepen: houd zijn
en uw hartstocht nog in bedwang; ga voort hem te beproeven en sta
hem niet eerder zelfs het kleinste toe, jonkvrouw, voordat hij..."
"En tot wanneer, ja hoelang zal ik zoo onwaardig op wacht staan?" zeide
Paula, snikkende. "Is dat liefde, die niet vertrouwt, niet bereid is
ook saam te leven met hem, wiens schreden nog niet vast staan?"
"Ja, mijn kind, ja," antwoordde de grijze abdis. "Alles te dulden,
alles te verdragen is de plicht der ware liefde en ook de uwe;
doch eerst dan zult gij uzelve en hem door den onverbrekelijksten
aller banden laten binden, wanneer hij die wankelde een wandelaar is
geworden, die met vasten stap voorwaarts schrijdt. Volg elk zijner
schreden, sta hem met trouwe zorg ter zijde, twijfel niet aan hem
als hij zich anders voordoet dan gij had verwacht, tracht met een
vroom gemoed hem de genade waardig te doen worden, maar geef hem niet
overijld, niet nu reeds het jawoord."
Paula voegde zich niet gewillig naar deze vermaning, maar het kwaad
door Orion begaan, vervulde de abdis met groot wantrouwen. Zulk een
groot zondaar, wien de vloek eens vaders had getroffen had naar hare
overtuiging zich uit de wereld moeten terugtrekken, smachtende naar
genade en jagende naar de wedergeboorte in plaats van aan de zijde
van zulk eene bevoorrechte jonkvrouw als Paula, waaraan hij zoo innig
gehecht was, de zaligheid te zoeken, die zij enkel gunde aan hare
geloofsgenooten, aan wier wandel geen smet kleefde. Ja hoe gaarne
had zij, die na eene stormachtige jeugd midden in de wereld eerst in
het klooster zielsrust en waarachtig geluk had gevonden, het dierbaar
kind der vriendin als reine bruid van Christus aan hare zijde gezien,
misschien als hare opvolgster in de betrekking van abdis! Het vele
verdriet, dat zij zelf door de lichtzinnigheid van trouwelooze mannen
had ondervonden, had zij hare lieveling willen besparen, en daarom was
zij geen duimbreed afgeweken van den inhoud van haar goeden raad en
niet moede geworden de jonkvrouw met nadruk hoewel liefderijk op het
hart te drukken, dat zij zich daarnaar moest gedragen. Eindelijk had
Paula van haar afscheid genomen met de belofte, dat zij niet eer eene
verloving met Orion zou aangaan, vóor hij uit Dumiat was teruggekeerd
en de abdis haar schriftelijk had medegedeeld, welk oordeel zij zich
over hem gevormd had op de aanstaande vlucht.
Zooveel tranen als bij dit onderhoud had de jonkvrouw, die zooveel
geestkracht bezat, niet geweend sedert de noodlottige mis van Abyla,
waarbij zij haar vader en broeder had verloren, en met een zeer beweend
gelaat en hevige hoofdpijn was zij op den gloeiend heeten middag door
de brandende zon weergekeerd naar het huis van Rufinus en hare oude
Betta. Deze had er zeer op aangedrongen dat Paula wat zou gaan liggen,
en toen zij geen gehoor vond, had zij haar tenminste overgehaald het
hoofd te verkoelen met water zoo frisch als het bij zulk eene hitte
te vinden was, en zich het haar door hare vaardige hand opnieuw te
laten opmaken. Hare overleden moeder vond bij deze middelen altijd
baat, als zij hoofdpijn had.
Toen Paula eindelijk op een schaduwrijk plekje van den tuin tegenover
den geliefde stond, zagen beiden elkander schuchter en vreemd
aan. Hij was bleek en blijkbaar ontstemd, en hare rood bekreten
oogen en het gerimpeld voorhoofd, dat klopte en stak van pijn,
droegen er niet toe bij zijne stemming te verbeteren. Het stond aan
haar zich te verontschuldigen, en toen hij na zijn groet haar niet
dadelijk toesprak, zeide zij dan ook op zachten, innig smeekenden
toon: "Vergeef mij, dat ik zoo laat kom. Hoe lang hebt gij wel niet
moeten wachten! Maar het afscheid van mijne beste vriendin en tweede
moeder heeft mij zoo diep ontroerd, en was treuriger dan ik zeggen
kan. Toen ik terugkwam wist ik van de hevige hoofdpijn niet, waar ik
het zoeken zou, en thans.... Hoe gansch anders heb ik heden morgen
vroeg gehoopt u te zullen ontmoeten!"
"Reeds gisteren," zeide hij somber, "bleef er geen tijd
voor mij over.--En heden,--gij waart er bij toen Rufinus mij
uitnoodigde--heden!--Ik maak geen hooge aanspraken, en mijn God,
hoe zou ik dit durven doen tegenover u? Maar geldt het niet ook
van mij afscheid te nemen, misschien voor altijd? Waarom moest aan
eene vriendin zooveel van uw tijd en uwe kracht worden afgestaan,
dat er maar een klein overschot bleef voor den vriend? Dat noem ik
niet billijk verdeelen."
"Hoe zou ik het kunnen loochenen?" zeide zij droevig, "ja zeker, gij
hebt gelijk, maar ik kon gisteren avond het kind, terwijl het zijne
smart bij mij uitweende, niet terstond verlaten, en als gij wist
hoe zeer ik verschrikte, en hoe pijnlijk mijn hart werd aangedaan,
toen ik in plaats van u, een brief...."
"Ik moest naar den veldheer aan de overzijde," zeide Orion, haar in de
rede vallende. "Dit avontuur dwingt mij hier veel achter te laten, en
ik ben niet meer de meest vrije van alle vrijen van weleer. Gedurende
dit pijnlijk ontbijt heb ik als op naalden gezeten. Maar spreken wij
daarover niet meer. Met een hart vervuld van blijmoedige hoop kwam
ik hierheen. En nu? Ziet gij, Paula, deze onderneming verscheurt
voor mij meer banden, en laadt meer op mijne schouders dan gij u
denken of weten kunt. Dat verklaar ik u later. Zij brengt mij in eene
allergevaarlijkste verhouding, en om tegen alles bestand te zijn,
om den frisschen moed, den blijden zin, die ik daarbij noodig heb,
te bewaren, moet ik van éen ding zeker zijn, waarvoor ik zelfs nog
gansch andere gevaren en moeiten als een vroolijk spel op mij zou
kunnen nemen, moet ik weten..."
"Wilt gij weten," haastte zij zich te zeggen, "of mijn hart geheel
en al zich voor uwe liefde heeft ontsloten..."
"Of ik," sprak hij met klimmende geestdrift, "trots al het zware
lijden, dat deze arme ziel drukt, gelukkiger kan zijn dan de zaligen
in den hemel. O, Paula, eenig aangebeden meisje, mag ik..."
"Gij moogt," hernam zij luide en uit den diepsten grond harer
ziel. "Ik heb u lief, Orion, ik zal nooit, neen nooit meer ophouden
u van ganscher harte lief te hebben."
Daar vloog hij naar haar toe, zichzelven niet meer meester omvatte hij
haar met beide armen, drukte haar aan zijn hart, zonder acht te geven
op de nabijheid van het huis, waar zoovele oogen hen konden zien,
en overlaadde haar met vurige kussen, tot zij zich losmaakte uit
zijne omarming en hem smeekend toeriep: "niet zoo, neen, bid ik u,
niet zoo en nu nog niet."
"Nu, juist nu! Of wanneer anders?" vroeg hij onstuimig. "Doch hier, in
dezen tuin, daar hebt gij gelijk in, hier is de plaats niet voor twee
gelukkige menschenkinderen, die elkander gevonden hebben. Kom mede,
ga mij voor in huis, zoek ons daar een plaatsje, waar wij ongezien
en niet beluisterd alleen met ons geluk...."
"Neen, neen!" zeide zij gejaagd, terwijl zij met de hand streek over
het pijnlijke voorhoofd. "Kom mede op de bank onder de sykomore, daar
zitten we in de schaduw, daar kunt ge mij alles zeggen en daar zult
gij ook nog eens hooren, hoe machtig de liefde mij heeft aangegrepen."
Teleurgesteld en verwonderd keek hij haar aan, doch zij liep naar
de sykomore, zette zich daar neder en hij volgde haar langzaam. Zij
gaf hem een vriendelijken wenk zich naast haar neer te zetten, doch
hij bleef voor haar staan en zeide op doffen, treurigen toon: "Altijd
dezelfde, altijd die kalmte en koelheid... Is dat het ware Paula? Is
dat de machtige liefde waarvan gij spreekt? Moet dat het antwoord zijn
op de smachtende kreet van een harte ontgloeid in hartstochtelijke
liefde? Is dat alles wat liefde aan liefde betaalt, wat de bruid den
bruidegom verschuldigd is, die op het punt is haar te verlaten?"
Zij zag hem hierop met grooten angst aan en zeide diep geroerd en
innig: "O Orion, Orion! Hebt gij dan niet gehoord, gezien, gevoeld
hoe zeer ik u liefheb? Gij moet het gevoelen, en is dit zoo, stel u
dan daarmede tevreden. Gij, eenig geliefde, ik bezweer het u! Stel u
er mede tevreden dat dit hart u behoort, dat uwe, ja uwe Paula--daar
is zij, ik, ik ben het--aan niets denken, voor niets zorgen, bidden
en smeeken wil dan voor u, ja voor u, thans mijn een en mijn alles."
"Nu, kom dan met mij," zeide hij driftig, "en sta den verloofde toe,
waar hij recht op heeft!"
"Neen, neen, niet verloofde, nog niet!" riep zij smeekende uit den
diepsten grond harer beangstigde ziel. "Ook in mijne aderen vloeit
warm bloed, dat mij naar u doet smachten, ook ik verlang in uwe
armen te snellen en mijn hoofd tegen het uwe te laten rusten, maar
uwe bruid--heden, reeds heden mag en kan ik het niet worden!"
"En waarom niet? Laat mij weten waarom niet!" riep hij verstoord,
terwijl hij zijne gebalde vuist tegen de borst drukte. "Waarom wilt
gij mijne bruid niet zijn, als het waar is dat gij mij liefhebt? Waarom
verzint gij deze nieuwe, afschuwelijke foltering?"
"Omdat de wijsheid mij geleerd heeft," hernam zij met jagenden boezem,
snel en zacht, als vreesde zij hare eigene woorden te hooren, "omdat
zij mij geleerd heeft dat de tijd daarvoor nog niet gekomen is. Ach,
Orion, gij weet nog niet het verlangen, de wenschen te beteugelen,
die in u branden; gij hebt al te spoedig vergeten, wat achter u,
wat achter ons ligt, welk een berg er overschreden moest worden, tot
wij zoover gekomen zijn dat wij elkander vinden, tot ik--ja liefste,
ik moet het uitspreken--in staat ben u zonder boosheid of haat in het
aangezicht te zien. Eene wonderbare geheimzinnige beschikking heeft het
gewild, en ook gij hebt trouw het uwe daaraan toegebracht, dat alles
geheel veranderd is, dat het zwarte nu wit is, dat de kille noordewind
heeft plaats gemaakt voor een heeten wind uit het zuiden. Zoo wordt
gif tot artsenij en vloek tot zegen! Uit hartstochtelijke haat is in
dit dwaze hart eene even geweldige liefde ontstaan. Maar uwe bruid, uwe
vrouw kan ik thans nog niet zijn. Noem het wat mij terughoudt lauwheid,
noem het eene eigenzinnige bedenking, noem het zooals gij wilt. Ik noem
het 'wijsheid' en prijs het, ofschoon het deze arme oogen ontelbare
bittere tranen gekost heeft, alvorens hart en zin besloten waren zich
te voegen naar de waarschuwende stem. En gij, houd vast aan dit éene:
wat er ook gebeure, dit hart zal aan niemand anders behooren--ik ben
de uwe met lijf en ziel!--Uwe bruid wil ik eerst worden als ik met
even blijmoedig vertrouwen als warme liefde u mag toeroepen: 'Gij
zijt overwinnaar gebleven, neem mij tot u, ik ben de uwe!' Dan zult
gij voelen en erkennen, dat Paulas liefde niet koeler, niet zwakker
is... O God, Orion, leer, leer mij verstaan! Gij moet het leeren om
mijnent- en om uwentwil! Mijn hoofd, genadige hemel, mijn hoofd!"
Zij liet het hoofd zinken en drukte de beide handen tegen haar
gloeiend voorhoofd, maar hij legde bleek en huiverend de rechterhand
op haar schouder en zeide op afgemeten, drogen toon, als ware zijn
stem van haar klank beroofd: "De ingewijden verlangen dat hunne
leerlingen proeven ondergaan, alvorens zij de toegang verleenen tot
het mysterie. Wel zijn wij in Egypte, maar het komt mij toch vreemd
voor, als dit op de liefde wordt toegepast. Maar dat alles komt niet
uit uzelve. Wat gij 'wijsheid' noemt, is de stem der abdis uit het
klooster daarginds!"
"De stem der bezonnenheid," hernam Paula zacht. "Het verlangen des
harten had deze luide overstemd, en ik dank het aan die vriendin."
"Wat dankt gij haar?" vroeg de jonkman, diep verontwaardigd. "Om dezen
nietswaardigen dienst moest gij haar verwenschen, gelijk ik thans
doe. Kent zij mij eenigermate? Heeft zij ooit een woord uit dezen mond
vernomen? Als die neuswijze, die oververstandige beheerscheres der
nonnen wist hoe het er hier binnen uitziet, zou zij u anders hebben
geraden. Reeds als kind heeft men mij door vertrouwen en liefde er
toe gebracht het moeielijkste te volbrengen. Wat ik ook misdreven heb,
welwillend vertrouwen heb ik nooit geschonden. En wat u betreft, gij
wijze en bezonnene, zoo had ik, zalig door uwe liefde en alleen op
uwe goedkeuring bedacht, trotsch en gelukkig, dat ik ook uw laatsten
twijfel had overwonnen, voor u zon en sterren uit den hemel kunnen
halen en elke beproeving lachend in het aangezicht durven zien.--Maar
zoo, zoo! In plaats van mij te verheffen vernedert gij mij, stelt ge
mij voor mijzelven aan den schandpaal! Eén met u zou ik u vooruit
zijn geijld naar de sferen des lichts, waar de volmaaktheid woont;
maar zoo, zoo?--Welk eene taak, uwe koele liefde door goede daden
als met olijfboomenhout er toe te brengen om in vlam te geraken! Welk
eene bezigheid voor een man, zich voor zijne geliefde te onderwerpen
aan een proef! Dat is eene foltering, die mij tegen de borst stuit,
mij beleedigt, die ik niet kan verdragen, waartegen alles hier binnen
in verzet komt, waarvan gij zult en moet afzien, wanneer het waar is
wat ge mij zegt, dat gij mij lief hebt!"
"Ik heb u lief, ja ik heb u lief!" riep zij buiten zichzelve van
aandoening, terwijl zij zijne handen greep. "Misschien hebt gij
gelijk. Ik ... mijn God, wat zal ik doen?--Vorder thans geen ja of
neen! Ik ben niet in staat om over het eenvoudigste te denken! Gij
ziet het, hoe ik lijd!"
"Dat zie ik," antwoordde hij, terwijl hij medelijdend het oog sloeg
op haar bleek gelaat en zag hoe smartelijk zij het voorhoofd fronsde,
"en omdat het dan zoo zijn moet: tot heden avond! Zoek nu wat rust
en zorg voor uwe gezondheid,--maar dan..."
"Dan, gedurende de vaart, op de vlucht," zeide Paula, "herhaalt
gij voor de abdis, wat gij mij zoo even hebt gezegd. Zij is eene
voortreffelijke vrouw; zij zal u leeren liefhebben en begrijpen,
dat weet ik. Ook het woord geeft zij u zeker terug..."
"Welk woord?"
"Dat ik haar gaf, niet eer de uwe te zullen worden..."
"Voor dat ik de proef van de oningewijden heb doorstaan?" zeide
Orion gramstorig de schouders ophalend. "Ga nu wat rusten, ga! Wat de
schoonste ure van ons leven had moeten zijn, dat heeft eene vreemde
gemaakt tot eene droevige en onzalige. Gij zijt van uzelve, ik ben
van mij zelven niet zeker. Wat wij hier thans nog verder spreken,
daaruit kan voor u zoo min als voor mij iets goeds voortkomen. Ga
wat rusten, en vergeet in den slaap uwe smart. Wat mij betreft,
ik wil trachten te vergeten, ik wil... O, als gij wist hoe het hier
binnen uitziet! Vaarwel, tot een vriendelijker en gelukkiger weerzien,
ofschoon ik er nauwelijks op durf hopen."
Hierop keerde hij haar ijlings den rug toe, zij echter liep hem
klagende na: "Orion, vergeet het niet, Orion, gij weet dat ik
u liefheb!"
Doch hij hoorde haar niet meer, en liep zonder in het huis van Rufinus
terug te keeren, met haastige schreden de straat op.