De arts Philippus ijlde na zijn gesprek met Orion de stad door,
en lette daarbij zoo weinig op de lieden die hem tegenkwamen, en op
de processie, die met luid gezang hem voorbijtrok, om den hemel te
smeeken den Nijl eindelijk te doen stijgen, dat hij meer dan een
voorbijganger tegen het lijf liep en menigeen hem scheldwoorden
achterna gaf. Hij ging enkele huizen binnen, maar noch de kranken,
noch hunne huisgenooten herkenden in den barschen en gejaagden
man den arts en vriend, die anders de lijdenden zoo deelnemend en
met zooveel opbeurende warmte toesprak, de kinderen omhoog tilde,
hen een kus gaf of vroolijk met hen gekscheerde. Heden kon hij zelfs
volwassenen schrik en angst aanjagen. De aangename plicht was hem voor
de eerste maal een zware last, hij zag in elken lijder een kwelgeest,
die met anderen tegen zijne rust samenzweerde. Wat liefs ondervond
hij van de menschen, dat hij zich om hunnentwil het genot des levens
ontzegde en zich bij nacht den slaap liet ontrooven? Rufinus had
gelijk, in dezen tijd leefde de een alleen om den ander te kwellen,
hoe zelfzuchtiger men was, als met een bord voor het hoofd, zonder
links of rechts te zien, des te verder kon men het brengen! Dwaas die
hij was, zich door eens andermans leed in zijne rust te laten storen,
zichzelven in zijn wetenschappelijk onderzoek te laten belemmeren!
Terwijl al zulke gedachten hem bestormden, betrad hij een net klein
huisje aan de haven, waar een braaf schipper, omgeven door zijne vrouw
en kinderen, op sterven lag. Dáar gevoelde hij zich eensklaps weer
de oude, dáar putte hij al zijn wetenschap uit om nog te genezen,
dáar openbaarde zich al de warme hartelijkheid van zijn gemoed,
en met een bloedend hart en een ledigen buidel verliet hij die
woning. Doch zoodra hij weer buiten was, keerde de vorige stemming
met verdubbelde bitterheid terug. Toch lag het voor de hand: ondanks
het stelligste voornemen om zich niet meer voor anderen op te offeren,
moest hij het toch doen! Deze drang was sterker dan hij. Evenmin als
een dronkaard het drinken, kon hij nalaten met de lijdenden te lijden,
het beste wat hij had te zaaien, om niets daarvoor te oogsten. Hij
was geschapen om alleen voor anderen alles te zijn; dat was zijn lot!
Met gebogen hoofd trad hij de werkkamer van zijn ouden vriend weder
binnen, die evenals gisteren achter zijne rollen en drie lampen voor
zijne schrijftafel zat, waaronder een slaaf lag te snorken, om op
zijne bevelen te wachten. Met den welluidenden Griekschen groet:
"verheug u!" die heden klonk als een: "gij moogt wat mij aangaat
stikken!" wierp hij zijn bovengewaad af, en op den tegengroet
van den grijsaard en diens bezorgden uitroep: "Wat ziet gij er uit
Philippus!" antwoordde hij knorrig: "als iemand die een trap verdient
in plaats van een welkomstgroet; als een onnoozele, die zich weer
bij den neus liet nemen; als een hond, die de hand nog lekt van den
vlegel, die hem schandelijk geranseld heeft!" Daarop wierp hij zich
op zijn rustbed en vertelde Horus Appollon welk eene ontmoeting hij
had gehad met Orion. "En het dolste ervan is nog," dus besloot hij,
"dat die kerel mij bijna bevallen is, dat hij werkelijk op den weg
schijnt te zijn om een fatsoenlijk mensch te worden, dat ik niet
meer noodig heb hem in mijne verbeelding in den kalkoven te werpen,
bij de gedachte alleen, dat hij de hand naar Paula zou kunnen
uitstrekken. Maar"--en nu stond hij haastig op--"maar al help ik
hem ook, om het arme kind te verwijderen uit de nabijheid van dat
in de hersens gekrenkte oude wijf, Maria's arts kan en wil ik niet
blijven! Er loopen kwakzalvers genoeg rond in dit lijkennest, en uit
dezen mag zij er een kiezen. Ik.... ik...."
"Gij zult de kleine verder behandelen," zeide Horus Apollon doodbedaard
hem in de rede vallende.
"Om te beleven dat mijn hart dagelijks met netels geslagen
wordt?" zeide de arts driftig, terwijl hij met heftige gebaren den
grijsaard naderde. "Gelooft gij, dat ik lust heb om het liefje van
den stadhoudersknaap dagelijks te ontmoeten, mij vaak tweemaal per
dag de weerhaken laten omdraaien in mijne bloedige wond?"
"Ik verwacht eene geheel andere werking van deze herhaalde bezoeken,"
zeide de ander. "Gij zult u gewennen Paula aan te zien voor wat zij
sedert gisteren slechts voor u zijn kan: een aardig meisje, zooals
er in Egypte duizenden zijn, de bruid van een ander."
"Ja, als dit hart een jachthond was, die gaat liggen als men 'koest'
roept!" hernam Philippus met een honenden lach. "Het blijft erbij, ik
moet weg, uit Memphis weg, of mijnentwege ook van deze erbarmelijke
aarde! Ik zou in hare nabijheid de rust--mijne kostelijke verlorene
zielrust!--kunnen wedervinden?"
"En waarom zou u dat niet gelukken? Voor ieder is elk ding slechts dat
waarvoor hij het aanziet. Hoor eens naar mij. Ik had een werk voltooid
over den ouden en nieuwen kalender, en mijn leermeester verlangde,
dat ik daarover eene voordracht zou houden in het Museum--indien de
tegenwoordige school van woordenvitters te Alexandrië nog dien naam
verdient--doch ik durfde dit niet op mij nemen omdat ik vreesde dat
de tegenwoordigheid van zoovele geleerde toehoorders mij verlegen
zou maken. Mijn meester gaf mij den raad het er voor te houden,
dat mijn auditorium niet uit menschen, maar alleen uit koolstruiken
bestond. Dat vond ik slim bedacht; ik volgde den raad, en zoo kwam
ik over mijne verlegenheid heen en mijne rede vloeide als olie."
"Een aardig verhaaltje," antwoordde Philippus, "maar ik zie niet
in...."
"Gij moet, wil ik hiermede zeggen," voegde de oude hem haastig toe,
"die allervoortreffelijkste geliefde, zoo al niet tot een koolstruik,
dan toch in uwe gedachten tot een wezen maken, zooals er twaalf in een
dozijn gaan, een schepsel waarmede uw hart niets heeft te maken. Wil
dit eens ernstig en het zal u gelukken."
"Als het hart een getal en de hartstocht kalendermakerij ware!" zeide
de arts. "Gij zijt een wijs man en uwe schriftrollen en tabellen
hebben u als wallen en muren tegen den hartstocht beveiligd."
"Wie weet!" hernam de ander. "In elk geval zou die hartstocht mij nooit
hebben gedwongen, om der wille eene vrouw, die mijne liefde versmaadt,
mijn vriend en vader de weinige dagen wreedaardig te vergallen, die
hem nog vergund worden onder de zon te wandelen. Wilt ge mij beloven
niet meer over die vlucht uit Memphis en dergelijken onzin te bazelen?"
"Leer mij eerst mijne veerkracht te meten."
"Wilt gij ten minste beproeven die te oefenen?"
"Ja, uit liefde voor u."
"Belooft ge mij het arme, kleine meisje dat ik gaarne mag lijden
ondanks hare afkomst, verder te behandelen?"
"Zoo lang ik kan uithouden dagelijks met haar te verkeeren...."
"Gij weet wie ik bedoel...."
"Ik houd u aan uw woord. Kom nu hier en laat ons nog een paar
hoofdstukken overzetten."
Tot laat in den avond bleven de vrienden bij den arbeid samen en
toen de grijsaard alleen was, dacht hij: Zoo lang hij het kind van
nut kan zijn, gaat hij niet heen, inmiddels zal het mij wel gelukken
voor die vervloekte sirene eene put te graven.
Orion had den volgenden morgen vroeg de handen vol werk. Voor de zon
opging, zond hij twee betrouwbare boden naar Dumiat en overhandigde aan
beiden een brief met de opdracht, om een zeilschip voor de vluchtenden
gereed te houden. De een zou drie uur later vertrekken dan de ander,
opdat het plan niet mislukken zou, wanneer een hunner een ongeluk
overkwam. Hijzelf ging het eerst naar de haven en het gelukte hem daar
spoedig eene goede, ruime Nijlboot uit Dumiat te huren. De kapitein,
een geschikt en betrouwbaar man, beloofde hem de afspraak geheim te
houden en morgen namiddag te zijner beschikking te zijn. Nadat hij
onderweg over alles had nagedacht, begaf hij zich terstond naar het
rentmeesterskantoor, om daar met hulp van Nilus een testament op te
maken, hetwelk den volgenden morgen in tegenwoordigheid van den notaris
en getuigen rechtsgeldigheid zou erlangen. Zijne moeder, de kleine
Maria en Paula benoemde hij tot zijne voornaamste erfgenamen. Verder
vermaakte hij als legaten vooreerst eene aanzienlijke som aan de
zieken- en weeshuizen des lands, alsmede aan de kerk, om voor het heil
zijner ziel te laten bidden, ten andere een aan "den rechtvaardigste
onder de rechters des huizes," den rentmeester Nilus. Ook de Griekin
Eudoxia, de opvoedster van Maria, werd bedacht en eindelijk gelastte
hij de vrijlating van alle huisslaven, en vermaakte hen, opdat zij
geen gebrek zouden lijden, een zijner grootste grondbezittingen in
Opper-Egypte, die zij als hun gemeenschappelijk eigendom moesten
bearbeiden. Voor de trouwe dienaars en vrijgelatenen der familie
vergrootte hij de rijke schenkingen, die zijn vader hun reeds
vermaakt had.
Dit laatste werk had eenige uren in beslag genomen, en Nilus, die
alles in de juiste vormen goot en opteekende wat Orion dicteerde,
was diep bewogen en verbaasd over het doorzicht en de goedheid van den
jonkman, dien hij, sedert hij hem den rechterstoel had zien ontwijden,
voor een verloren mensch had gehouden. Uit de bepaling van Orion,
dat het testament geopend moest worden ingeval hij vier weken na
het opstellen ervan nog niet was teruggekeerd van eene reis, die
hij morgen zou aanvaarden, begreep de trouwe beambte, dat de laatste
telg van het huis, in welks dienst hij vergrijsd was, zich aan groote
gevaren dacht bloot te stellen. Doch uit bescheidenheid waagde hij
het niet iets te vragen, en zijn heer nam hem niet in zijn vertrouwen.
Toen beide mannen de voorzaal betraden, stond daar de klerk Anubis,
de zoogbroeder en vriend van de kleine Katharina; doch Nilus sloeg
geen acht op hem. Terwijl hij Orion met vochtige oogen de hem ten
afscheid gebodene hand kuste en den jonkman beloofde morgen avond
voor zijn vertrek hem nog eens vaarwel te komen zeggen, opende de
jonge Anubis, die zich eerbiedig op een afstand had gehouden hoewel
hij zijne ooren spitste, gedienstig de zware met ijzer beslagene deur.
Uitgeput en hongerig vroeg Orion naar zijne moeder, en toen hij hoorde
dat zij zich te bed had begeven, ging hij naar de eetzaal om wat te
gebruiken. Ofschoon het uur van het ontbijt pas was aangebroken, kon
men het der Griekin Eudoxia toch aanzien, dat zij hem met ongeduld
wachtte. Er was een nieuwtje dat haar geen rust liet, en Orion had
ternauwernood den drempel overschreden en haar begroet of zij riep
hem toe: "Weet gij het al? Hebt gij het vernomen?"
Daarop begon zij, verblijd over zijne korte ontkenning, haastig te
vertellen, dat vrouw Neforis op verlangen van den arts, die er zoo
even geweest was, besloten had haar met hare kleindochter te zenden
naar een vriend van Philippus, waar de lucht beter was, en wel reeds
heden of op zijn laatst morgen.
Bij deze mededeeling schrikte Orion onwillekeurig. Hij had niet
verwacht dat de arts zoo vroeg zou komen en nu was juist door dezen
beschikt, wat sedert gisteren avond niet meer raadzaam scheen.
"Hoogst onaangenaam!" prevelde hij in zichzelven, terwijl een slaaf
hem een gebraden hoen en asperges diende.
"Niet waar? En wellicht moeten wij ver buiten de stad!" antwoordde
zij met een smachtende blik, terwijl zij een lange asperge door de
tanden trok.
Dit ziende en hoorende werd Orion te moede, alsof hij die oude gekkin
het goede gerecht misgunde, en het was op niet zeer vriendelijken toon
dat hij haar antwoordde: stad of land stonden in dit geval volkomen
gelijk, hier gold alleen de vraag wat het beste was voor de kleine.
Toen hij haar mededeelde, dat hij morgen avond op reis ging gaf
Eudoxia een gil, liet van schrik een asperge in haar schoot vallen
en zeide op klagenden toon: "O dan, dan is alles voorbij!..."
Maar hij voegde haar vermanend toe: "Dan vangt uw plicht eerst
recht aan, om u geheel aan het kind te wijden. Gij weet dat hare
eigene grootmoeder thans de tegenwoordigheid van Maria niet verdragen
kan. Schenk haar uwe liefde, gelijk gij reeds begonnen zijt te doen,
wees haar tot eene moeder, en als gij mij werkelijk genegen zijt,
toon het dan daardoor. Wat mij betreft zult gij ontwaren, dat ik u
hiervoor erkentelijk ben en dat niet enkel met woorden. Ga morgen
naar het rentmeesterskantoor, daar zal Nilus u het eenige geven,
waarmede ik thans mijne dankbaarheid toonen kan. Wijd nu gerust al
uwe kracht aan de verpleging van het kind; ik was er op bedacht voor
uwe ouderdom te zorgen."
Midden onder de dankzeggingen, waarmede de Griekin hem overlaadde,
stond hij op en begaf hij zich naar zijne moeder. Zij rustte nog
altijd, maar hij liet zich ditmaal toch aanmelden, en zij ontving hem
gaarne, ja zij had zijn bezoek reeds verwacht. In haar slaapkamer,
die goed beschut was voor de brandende zonnehitte, rustte zij in eene
halfliggende houding op een divan, en openbaarde den zoon haar besluit
om den raad van den arts te volgen en het kind toe te vertrouwen
aan een zijner vrienden. Dat alles zeide zij op slaperigen, gelaten
toon, doch zoodra Orion haar tegensprak en verzocht de kleine nog in
de stadhouderlijke woning te houden, werd zij levendiger en onder de
uitroepen: "Wenscht gij dat? Kunt gij dat van mij vorderen?" scheen zij
hem verstoord met de oogen te meten. Daarna ging zij klagende voort:
"Alles verkeert thans. De ouderdom vergeet niet, maar de jeugd heeft
een zeer kort geheugen. Gij hebt reeds lang gansch andere dingen
in het hoofd dan ik; ik denk er nog altijd aan wie hem, wie mijn
dierbaren afgestorvene in het aangezicht van den geopenden hemel de
laatste oogenblikken op aarde tot eene hel maakte!"
Een zacht snikken, zonder weenen, bracht hierop hare borst in eene
snelle, krampachtige beweging en Orion waagde het niet haar verder
te weerspreken. Met hartelijke woorden zocht hij haar tot rust te
brengen, en toen zij zich weder herstelde, deelde hij haar mede,
dat hij haar voor eenigen tijd dacht te verlaten, om naar het beheer
van hunne goederen te gaan zien. Deze mededeeling deed haar genoegen;
zij achtte het thans heerlijk alleen, geheel alleen en onopgemerkt
te zijn. De witte pilletjes gaven haar meer, verhieven hare stemming
beter dan elke omgang met menschen. Ze brachten haar in slapenden en
in wakenden toestand droomen, en deze waren duizendmaal schooner dan
het verlaten bestaan der werkelijkheid. Alles wat zij in het leven op
aarde verlangde was: geheel in herinneringen op te gaan, te bidden,
te droomen, zich te verplaatsen aan gene zijde des grafs te midden
van hare afgestorvenen, en bovendien te eten en te drinken, wat zij
dan ook gaarne en rijkelijk deed.
Toen Orion op eene nadere vraag zijner moeder antwoordde, dat
hij eerst naar Delta dacht te gaan, betreurde zij dit; want in
Opper-Egypte zou hij zijne schoonzuster, de moeder der kleine Maria
kunnen bezoeken. Daarbij rees zij overeind, wreef met de hand over het
voorhoofd en wees op het tafeltje aan het hoofdeinde van den divan,
waar naast een beker met vruchtennat, fleschjes, doozen en andere
dingen, ook een schrijftafeltje en een briefrol lagen. Zij greep
naar de laatste, overhandigde haar aan Orion en zeide: "Een schrijven
van uw schoonzuster! Het is gisteren avond gekomen, en ik begon ook
het te lezen, maar het ving aan met eene weeklacht over uw vader,
en dat--gij weet het--voordat ik ging slapen--ik kon met den besten
wil niet verder lezen, kon het niet lijden! En heden... Eerst de kerk,
toen de arts en zijn eisch betreffende het kind. Ik heb nog geen moed
gehad verder te lezen. Wat kan mij een brief ook anders dan kwaad
brengen. Weet gij iets dat voor mij een bron van vreugde zou kunnen
zijn? Maar thans... Ik bid u, lees mij den brief voor; maar niet weer
dat over uw vader; dat bewaar ik voor later, voor mij alleen."
Orion maakte het rolletje open en doorliep vluchtig met saamgetrokken
lippen de weeklacht der non over den afgestorvene. Elke volzin van den
brief der weduwe van den martelaar ademde wild fanatisme. Zij had in
het klooster gevonden wat zij zocht, zij verklaarde nu enkel in God en
in den God-Heiland te leven. Ook haar kind was voor haar slechts een
vreemd, jong schepseltje van God, en het gaf haar enkel vreugde er voor
te bidden. Toch achtte zij het haar plicht voor het zielenheil van het
kind te zorgen, en als het haar grootmoeder niet te zwaar viel van het
kind te scheiden, wenschte zij de kleine thans weder te zien. Zij was
kort geleden abdis van haar coenobium geworden, en niemand kon haar
beletten het kind bij zich te nemen. Doch zij vreesde dat overgroote
natuurlijke liefde haar weder aan de vleeschelijke wereld zou doen
hechten, waarmede zij voor eeuwig gebroken had, en daarom zou zij
Maria in een naburig klooster laten opvoeden, niet voor aardsche
ellende maar voor hemelsch geluk, niet tot levensgezellin van een
zondigen echtgenoot, maar tot eene reine bruid van Christus.
Orion gevoelde eene koude rilling door zijne leden, terwijl hij dit
schrijven voorlas, en toen hij het rolletje neerlag en zijne moeder
zeide: "Misschien heeft zij gelijk, misschien is het reeds nu onze
plicht het kind niet naar den vriend van den arts maar naar het
klooster te zenden, en het op den eenigen weg te brengen, die zonder
gevaar of hindernis ten hemel leidt!"--zeide Orion tot zich zelven,
dat het zijn plicht was dit levenslustige kind voor zulk een lot te
bewaren. Hij verzocht daarom zijne moeder te bedenken, dat het er
in de eerste plaats op aan kwam voor de gezondheid van het kind te
zorgen. Hij zag nu ook in, dat zij zoo straks gelijk had. Zijn vader
had zich ook altijd naar de voorschriften van Philippus gedragen,
en reeds daarom was het haar plicht diens raad te volgen.
Vrouw Neforis, die reeds eenigen tijd begeerig had gezien naar een
doosje dat naast haar stond, weersprak hem niet, en dienzelfden
avond bracht Orion de kleine Maria met hare opvoedster bij Rufinus,
die beiden, niettegenstaande zijne bedenkingen van gisteren, gaarne
opnam. Toen Maria dicht naast Paula's bed in het hare lag en de
jonkvrouw zich over haar heenboog, sloeg de kleine de armen om haar
hals, drukte het hoofdje tegen hare borst en voelde dat het daar
warm, zacht en veilig rustte. Maria weende, als ware zij uit kerker
en boeien verlost, en stortte al de smart en het lijden van haar diep
gewond hartje uit in de ziel harer vriendin.
Deze hoorde onder alles Orions stem in den tuin en met onweerstaanbare
kracht gevoelde zij zich tot den geliefde getrokken, dien zij bij
zijne aankomst maar vluchtig begroet had. Maar zij kon het niet over
zich verkrijgen het kind van haar boezem te weren, het juist nu te
verlaten.--Doch neen, neen, zij moest hem zien! Alles wat in haar
was, dreef haar naar hem heen en toen Pul de kamer binnenkwam, legde
zij Maria's hand in die van het meisje en zeide: "Zoo, nu sluit gij
beiden vriendschap en blijft bij elkander tot ik terugkom en u wat
moois vertel. Gij hebt Orion zoo lief, mijn meisje; nu, over hem en
mij zal mijn geschiedenisje handelen."
"Hij moest dadelijk weg," merkte Pul haastig op. "Op dit tafeltje
staat zijn groet. Hij verging bijna van ongeduld, en toen hij niet
langer wachten kon, schreef hij dit voor u op."
Met een klagende uitroep nam Paula den brief in handen, dien zij op
hare kamer las. Hij had even smachtend als zij op hare komst gehoopt,
doch eindelijk kon hij niet langer toeven. Hoe anders, heette het
in dit schrijven aan zijne geliefde, had hij gehoopt dezen dag te
besluiten, dien hij gewijd had aan de redding harer vriendinnen!
O, waarom, waarom had zij zich hier laten terughouden, waarom was zij
althans niet voor een oogenblik naar hem toegesneld, om hem voor zijne
goedheid en trouw te danken, en hem luid en open te hooren verklaren,
wat hij haar gisteren maar toegefluisterd had. Bedroefd en ontevreden
over zichzelve begaf zij zich naar het kind terug.
Orion had inderdaad zijn vertrek niet langer kunnen uitstellen, want
hij had het noodig geacht den vertegenwoordiger van den Kalief kennis
te geven van zijne reis en van zijn strijd met den prelaat. Van alle
beweeggronden, die hem aandreven de nonnen te helpen, was 'wraak'
de eenige, dien de Arabier het best zou begrijpen.