Orion was alleen en keek haar droevig na. Was dat de vloek zijns
vaders? Het scheen als moest ieder, die hem beminde, daarvoor smart
en ellende oogsten. Hij huiverde, doch zijn jeugdige moed en zijn
veerkracht waren sterk genoeg om deze pijnlijke gedachte te boven
te komen. Welk eene gelegenheid bood zich aan om zijne kracht te
toonen! Reeds onder het verhaal van Katharina had de kloeke jonkman,
die naar daden dorstte, zich tot taak gesteld om de kloosterzusters te
redden. Hoe grooter gevaren verbonden waren aan de oplossing van dit
vraagstuk, ja hoe onuitvoerbaarder dit scheen op het eerste gezicht,
des te meer was het hem thans welkom.
Blijmoedig en strijdlustig wierp hij de deur achter zich dicht en ging
naar den hof. Het begon reeds duister te worden. De arts moest thans
bij Maria zijn en hij had het plan opgevat het kind met zijne hulp uit
de stadhouderlijke woning te verwijderen. Eerst wanneer hij wist dat
Maria bij Paula in het huis van Rufinus veilig geborgen was, kon hij
met een vrij gemoed datgene ondernemen en doorzetten, wat hem voor den
geest zweefde. "De wagen met den Perzischen draver voor!" riep hij op
de trap een slaaf toe, en een oogenblik later trad hij tegelijk met
de slavin, die brandende lampen bracht, de kamer van de kleine binnen.
Noch het kind, noch Philippus merkte hem dadelijk op, en hij hoorde
hoe zij den arts, die haar pols tusschen zijne vingers hield, vroeg:
"Wat scheelt u toch heden? Mijn God"--het lamplicht viel juist helder
op zijn gelaat--"wat ziet gij er bleek en treurig uit! Wacht eens,
ik heb zoo straks een aardig kereltje van was gekneed...."
Met dit knutselwerk wilde zij den man, die altijd zoo vriendelijk
tegen haar was, wat opvroolijken, doch terwijl zij zich voorover boog,
om het te grijpen, bemerkte zij haar oom en riep: "Philippus komt hier
om mij te genezen, doch hijzelf ziet er uit als had hij een drankje
noodig. Pas op, gij krijgt die bittere, bruine medicijn van gisteren,
dan zult gij eens proeven, wat leelijk smaakt!"
Hoe vriendelijk deze uitroep ook gemeend was, geen van beide mannen,
die elkander zwijgend en met eene vormelijke buiging begroetten,
lette er op. Maar ook zonder de opmerking van het kind zou het
Orion zijn opgevallen, welke eene verandering er bij den arts sedert
gisteren had plaats gehad. Schijnbaar zonder acht te geven op hem die
was binnengekomen, deed hij Maria nog enkele korte vragen, verzocht
Eudoxia de vroegere voorschriften, ook verder in acht te nemen, en
bracht daarna haastig aan allen tegelijk een afscheidsgroet. Doch
Orion beantwoordde dien niet, maar vroeg met een liefdevollen blik
op de kleine: "Toch nog een enkel woord!"
Dit gaf ook Philippus aanleiding weder naar het kind terug te keeren,
en toen daarop de oogen der mede minnaars elkander ontmoeten, wisten
zij, dat zij althans in éen opzicht het eens waren en hetzelfde
gevoelden. Het was den arts niet onbekend gebleven, hoe vriendelijk
de jonge man zich het lot van Maria had aangetrokken; en daarom volgde
hij hem zwijgend naar het vertrek, dat hij thans bewoonde en vroeger,
zooals Philippus wist, de woning van Paula was geweest. "Gij zijt in
dienst van uw, plicht," herhaalde hij zich telkens, om kalm te blijven
en ten minste in het algemeen goed te verstaan, wat de klankvolle stem
van dien schoonen jonkman tot hem zeide, wat hij hem als een smeekeling
voordroeg met eene warmte, waarvoor hij hem niet in staat had geacht.
Philippus wist sedert lang, hoe de grootmoeder zich op
beklagenswaardige wijze van hare kleindochter had afgewend, en
vond Orions wensch, om het kind uit het stadhouderlijk paleis te
verwijderen, maar al te zeer gerechtvaardigd. Toen hij echter vernam,
dat zij aan Paulas hoede zou worden toevertrouwd, voer eene huivering
door al zijne leden en keek hij zoo somber voor zich, dat de ander
spoedig raadde wat er bij hem omging. Inderdaad, had de arts bij
zichzelven gezegd, dit kind moet den minnaar tot een voorwendsel
dienen, om meer bij zijn geliefde te kunnen komen, en reeds was
hij, niet bij machte om deze vrees te verkroppen, opgesprongen om
haar uit te spreken, toen Orion hem het woord van de lippen nam en
met neergeslagen oogen, bescheiden en oprecht zeide: "Om het kind,
alleen om Maria's wil--bij mijn zaligen vader..."
De arts schudde somber het hoofd, trad zijn medeminnaar nader en
prevelde op doffen toon: "Terwille van dit kind ben ik in staat
veel te doen en veel te laten. Beter dan bij Rufinus en Paula kan
het nergens onder dak worden gebracht: doch wanneer ik zou moeten
denken," en hier verhief hij zijne stem en zijne oogen verkregen een
onheilspellenden, dreigenden gloed "wanneer ik zou moeten denken:
de heilige, bedreigde onschuld is slechts eene brug...."
"Neen, neen!" haastte Orion zich met nadruk te zeggen. "Nog eens
geef ik u plechtig de verzekering, dat ik niets op het oog heb dan
de redding van het kind! En nu er toch zooveel gezegd is, komt het
op een woord meer of minder niet aan! Het huis van Rufinus staat
dag en nacht voor u open. Als alles gaat gelijk ik mij voorstel, dan
zal ik in den eersten tijd ver van hier van Memphis, van de dochter
van Thomas zijn. Er broeit iets schandelijks, een boevenplan meer
mag ik niet zeggen, en met gevaar van mijn leven wil ik trachten
dit te verijdelen. Dit ontneemt u het recht mij verder van dingen
te verdenken, die evenzeer tegen mijne natuur strijden als tegen
de uwe. Vergis ik mij niet, dan dingen wij beiden, gij en ik, naar
denzelfden prijs en zijn wij elkanders tegenstanders geworden, maar
waarom zou het kind daaronder lijden? Vergeet dit ter wille van Maria,
en dit vergeten zal uwe waarde slechts doen stijgen in hare oogen;
gij weet wie ik bedoel!"
"Mijne waarde?" vroeg de ander op spottenden toon. "Hier beslist geen
waarde, maar hoe de blinde deerne van het geluk hare gaven daarheen
strooit, maar alleen hoe een neus, eene kin, een oog gevormd zijn,
alleen wat zich toevallig in het weeke was van een meisjeshart
afdrukt, onverschillig of het misdadig of edel is. Maar," riep hij,
als buiten zichzelven den ander toe, "maar ik mag vervloekt zijn
als ik weet hoe wij op deze dingen komen! Heeft mijne dwaasheid dan
met ontblooten boezem op straat rondgeloopen, om zich aan iedereen te
vertoonen? Hoe weet gij, wat ik gevoel? Heeft zij u wellicht over dien
belachelijken minnaar gesproken? Maar wat raakt het mij: gij weet nu
reeds, of zult het morgen wel vernemen, wie het hanengevecht gewonnen
heeft. Kijk mij maar aan! Zij die harten breken zien er anders uit
dan dit Thersites-gezicht tegenover u. Veel geluk met uw overwinning,
en het andere--daar het wel zoo zijn moet, tot morgen!"
Hierop liep hij haastig naar de deur, doch Orion hield hem tegen,
smeekte hem zijn toorn althans voor dit oogenblik te vergeten,
bezwoer dat Paula hem met geen woord zijne neiging had verraden,
dat hij veeleer zelf door jaloezie was gekweld, toen hij Philippus
gisteren zoo laat bij haar had gezien, en bad hem bij al wat goed
was het onschuldige, lieve kind zijn bijstand niet te ontzeggen,
hij mocht dan met woorden hem mishandelen zooveel hij wilde, als dat
zijn gemoed verlichten kon.
Het menschlievend hart van den arts bleef voor deze bede niet gesloten,
en toen hij eindelijk zich gereed maakte tot heengaan, in de blijde
maar tevens smartelijke overtuiging, dat zijn gelukkiger medeminnaar de
geliefde waardiger was geworden, had hij met Orion afgesproken, dat hij
vrouw Neforis, bij wie hij eene lichte graad van geestverbijstering
meende waar te nemen, zou voorschrijven het kind toe te vertrouwen
aan een met hem bevrienden arts in de nabijheid der stad, omdat de
lucht in de stadhouderlijke woning voor Maria gevaarlijk was.
Zoodra Philippus het huis verlaten had, reed Orion naar Rufinus,
en toen hij met een paar woorden verklaarde dat iets ernstigs en
gewichtigs hem herwaarts deed komen, verzocht de grijsaard dat hij
hem zou volgen naar zijn werkkamer. Doch de jonkman hield hem hiervan
terug, ten einde met hem en de vrouwen eerst alles in orde te brengen,
wat de opneming van de kleine Maria betrof.
"Zoo wordt langzamerhand het geheele stadhouderlijk huis in onzen
tuin geplant!" zeide Rufinus. "Ik heb er vrede mee; en gij, oudje,
wat zegt gij ervan?"
"Dat ik het stellig goedvind," antwoordde zij. "Eigenlijk hebben gij
en ik hierin niets te zeggen; zij zal Paulas gast zijn."
"Ware zij maar reeds hier," zeide de jonkvrouw; "want wie kan weten
of uwe moeder, Orion.... Er waait hier eene bedenkelijke Melchietische
wind."
"Laat Philippus en mij daarvoor zorgen!" hernam hij. "Gij had eens
moeten zien hoe gelukkig het kind was!"
Daarop nam hij Paula ter zijde en vroeg haar haastig: "Hoop ik niet
te veel? Behoort uw hart aan mij? Mag ik, bij wat er ook gebeure op
u rekenen, op u en uwe liefde?"
"Ja, ja!" welde het op uit den diepsten grond van haar hart, waarop
hij, ruimer ademhalend, gerust en vroolijk den grijsaard volgde.
In de goed verlichte werkkamer onderrichtte hij Rufinus, zonder
Katharinas naam te noemen, van den aanslag van den patriarch tegen
het Caecilia-klooster. Waarom bekommerde hij zich over het lot van
deze Melchietische nonnen? Maar na dien kerkgang, waarbij een licht
voor zijne ziel was opgegaan, beschouwde hij het als zijn plicht
voor al wat recht was in de bres te springen en tegen alles te velde
te trekken, wat hij voor nietswaardig hield. Hij wist bovendien, hoe
warm en beslist zijn vader juist voor dit klooster tegen den patriarch
partij had gekozen. Eindelijk had hij ook gehoord, hoe zijne geliefde
aan dat klooster en de zusters die het bewoonden gehecht was, en vol
blijden moed maakte hij zich gereed, om door kloeke daden een einde
te maken aan dat mijmeren over zichzelven en zijne kracht te toonen.
De grijsaard hoorde hem aan met klimmende verbazing en schrik, en nadat
Orion zijne mededeelingen geëindigd had, stond hij radeloos op, de
handen wringende. Doch de jonkman sprak hem moed in en verklaarde, dat
hij niet gekomen was, om hem eene noodlottige tijding te brengen, maar
om met hem te overleggen hoe men de in gevaar verkeerende onschuldigen
redden zou. De grijze menschenvriend en zwerver spitste zijne ooren, en
evenals een oud strijdros voor den ploeg, wanneer het de trompet hoort
blazen, begint te steigeren en den hals trotsch en fier omhoog heft,
als onder het schitterend tuig van vroeger jaren, zoo richtte Rufinus
zich op in al zijne lengte. Zijne oude oogen begonnen te fonkelen, en
vol geestdrift en en verlangen om te handelen als een vurig jonkman
sprak hij: "Zoo is het goed, en ik ben mede van de partij, en dat
niet om te raden, neen, neen, met hoofd en hand en voet, ja met mijn
geheele lichaam! En gij, jonge man, gij! Ik heb het u van den beginne
wel aangezien, wat in u steekt, ondanks, ondanks... Maar, zoo waar de
mensch de maatstaf aller dingen is, hij die langs afgelegen paden en
omwegen in het rijk der deugd aanlandt, wordt daar dikwijls een beter
burger, dan wie midden in dat rijk ter wereld kwam.--Het is al laat,
doch het gebed voor den nacht is nog niet begonnen en ik zal de abdis
nog op vinden. Hebt gij een voorstel te doen?"
"Ja! Overmorgenavond om dezen tijd."
"Waarom niet dadelijk morgen?" vroeg de driftige grijsaard.
"Omdat wij met al de voorbereidselen, die noodzakelijk gemaakt moeten
worden, in twaalf daguren niet klaar komen."
"Goed, goed!"
"Overmorgenavond zal dus eene groote boot--niet een van de onzen--aan
den oever van den kloostertuin gereed liggen. Ik begeleid de vrouwen
tot Dumiat aan zee. Nog dezen nacht zend ik een renbode daarheen en
laat door mijn neef Columella, den grootsten reeder der stad, voor
de vluchtenden een zeeschip uitrusten. Dat zal de nonnen brengen
waarheen de abdis zal bevelen."
"Kostelijk, voortreffelijk!" riep de oude man in geestdrift. Hij greep
naar zijn hoed en zijn stok, en daarbij nam zijn van vreugde stralend
gelaat eene ernstige uitdrukking aan. Vol waardigheid trad hij naar
den verrasten jonkman toe, zag hem met vaderlijke vriendelijkheid
aan en zeide: "Ik weet wat uw huis door onze, door geloofsgenooten
dergenen wedervaren is, voor wie gij thans zoo kloekmoedig in de bres
wilt springen, en dat, jonge man, dat is edel, dat is groot! Bij u,
dien zij mij als een jongen wereldling met een ruim geweten hebben
afgeschilderd, moet ik voor de eerste maal vinden, wat ik onder de
vromen en deugdzamen van mijne jarenlange omzwervingen te vergeefs
heb gezocht: den wil namelijk, om met blijmoedige zelfopoffering,
den vijand, den andersdenkende uit groote gevaren te redden. Maar
gij zijt jong, Orion, en ik ben oud. Gij vindt voldoening in de
daad alleen, ik zie op de gevolgen. Weet gij wat u te wachten staat,
wanneer ontdekt wordt welk een bijstand gij verleent aan het wild,
dat de patriarch reeds meent in zijn net gevangen te hebben? Hebt gij
bedacht, dat Benjamin, de onverbiddelijkste en daarbij de machtigste
onder de Jacobietische geloofsbedrijvers, u dan als een doodvijand
vervolgen zal met al de verschrikkelijke middelen, waarover hij te
beschikken heeft?"
"Dat heb ik overwogen," antwoordde Orion.
Nu legde Rufinus de linkerhand op zijn schouder en de rechter op zijn
hoofd en zeide: "Zoo ontvang daarvoor bij voorbaat den zegen van een
oud man, ja van een vader."
"Van een vader," herhaalde Orion zacht, terwijl een gevoel van vreugde
zijn lichaam en zijne ziel doortrilde, en ontroerd zonk hij aan de
borst van den grijsaard.
Een oogenblik hielden zij elkander omvat, toen maakte Rufinus zich
uit zijne omarming los, om zich naar de abdis te spoeden. Orion hield
de vrouwen gezelschap, wier nieuwsgierigheid op het hoogst werd
gespannen, toen zij den grijsaard zagen verdwijnen door de poort,
die naar den kloostertuin leidde. Vrouw Johanna kon van innerlijke
onrust niet stilzitten, en Pul gaf verstrooide antwoorden, als Orion
en Paula, die elkander veel te zeggen en in te fluisteren hadden,
trachtten haar nu en dan in het gesprek te mengen. Eens slaakte zij
een diepen zucht en als hare vriendin haar vroeg: "Wat hebt gij,
mijn kind?" antwoordde zij met een beklemd gemoed: "Er moet iets
ernstigs op handen zijn, dat voel ik. Was Philippus maar hier!"
"Wij zijn, goddank, allen wel," antwoordde Orion.
"Ja, ja, den Heiland zij geloofd," antwoordde zij haastig, maar
zij dacht daarbij: "Gij denkt dat hij alleen goed is om zieken te
genezen, maar eerst als hij er is zal alles goed gaan en zich ten
beste schikken."
Ieder begreep dat er iets buitengewoons, iets noodlottigs op handen
was, en toen de grijsaard eindelijk terugkeerde, bevestigde zijn
uiterlijk dit vermoeden. Stil en ernstig ontdeed hij zich van hoed en
staf, trok zijne vrouw hartelijk naar zich toe en zeide: "Het komt
er nu op aan ons moedig en verstandig te toonen, oudje; ik heb een
zwaren plicht op mij genomen."
Vrouw Johanna was doodsbleek geworden, en terwijl zij zich vaster aan
haar man klemde en hem bad te spreken en haar niet langer te folteren,
beefde zij over haar gansche lichaam en biggelde dikke tranen langs
hare wangen. Zij vermoedde dat er iets was dat haar man weder ver van
haar en haar kind zou verwijderen, om andere menschen te dienen en
te helpen, en zij wist tevens dat zij hem niet tegenhouden kon. Maar
al had zij dit ook kunnen doen, zoo zou zij toch de kracht gevonden
hebben om hem niet te beletten zijn voornemen uit te voeren, daar
zij hem altijd begreep en met hem datgene als noodzakelijk voor zijn
inwendig geluk beschouwde, wat hem uit den engen kring van zijn huis
de wijde wereld indreef.
Hij zag wat bij haar omging, en het deed hem leed, maar hij liet er
zich niet door van zijn stuk brengen. Hij die er naar streefde elk
krank dier te genezen, had er zich aan gewend haar, die hij het meeste
liefhad, om zijnentwil te zien lijden. Hij hield zich overtuigd, dat
het huwelijk den man niet beletten mocht zijne innerlijke roeping te
volgen, en in dezen verhevenen waan wist hij vaak voor zichzelven
en zijne vrouw te rechtvaardigen, waartoe hem voornamelijk de lust
om te zwerven en de begeerte om te handelen aandreven. Ook zonder
deze neiging zou hij voor zijne bedreigde buren het zijne hebben
gedaan, maar thans vervulde zij hem met nog meer lust om het schoone,
gevaarlijke reddingswerk te volvoeren.
Het gruwzaam lot dat de arme zusters te wachten stond, en de gedachte
haar uit hunne nabijheid verbannen te zien, deed de vrouwen bitter
leed, en de mannen zagen vele tranen vloeien. Maar zij genoten ook
het verkwikkend schouwspel, drie vrouwelijke wezens op gelijke wijze
vast besloten te zien, om alles te wagen en hen, die zij liefhadden
alles te doen wagen, om eene daad te verhinderen, die haar met
weemoed en afgrijzen vervulde. Vrouw Johanna bracht er geen woord
tegen in toen haar echtgenoot verklaarde de vluchtende zusters te
willen begeleiden, en toen Rufinus met heldere oogen Orions overleg en
wakkere vastberadenheid prees, vloog Paula naar hem toe en reikte hem
vroolijk en trotsch beide handen. Het was den jonkman bij dit alles,
als schoot hij vleugelen aan, en deze onheilspellende avond werd voor
hem de gelukkigste zijns levens.
De abdis had in het plan toegestemd en het nog op enkele punten
uitgebreid. Twee leekezusters en eene non zouden terugblijven. De beide
eersten moesten elkaar afwisselen bij de verpleging der kranken in
huis, als gewoonlijk de klokken luiden en zingen, opdat het opbreken
der anderen niet zou worden opgemerkt; vrouw Johanna, Paula en Pull
zouden haar daarin bijstaan.
Toen de jonkman, het was reeds laat, wilde vertrekken, wierp Rufinus
de vraag op, of het onder gegeven omstandigheden wel aanging Maria in
zijn huis op te nemen; hijzelf twijfelde er aan. Ook vrouw Johanna was
deze zienswijze toegedaan, Paula verzekerde daarentegen, dat zij het
voor beter hield het kind bloot te stellen aan verwijderde gevaren,
waarvoor men nauwelijks beducht behoefde te zijn, dan het in de
stadhouderlijke woning naar lichaam en ziel te laten ondergaan. Pull
schaarde zich aan hare zijde, doch de meisjes moesten zich naar het
oordeel der anderen schikken.