DERDE HOOFDSTUK.

Orion had er tegen opgezien om met zijne moeder naar huis terug te

rijden; maar Neforis was, nadat zij zich beklaagd had over de weduwe

Susanna, die ook heden achter het vrouwenhek haar ongenoegen op

eene in het oog vallende wijze had getoond, opzij gezonken en daarna

vast ingeslapen. Met het hoofd geleund op den schouder van haar zoon

bereikte zij het stadhouderlijk verblijf en Orions bezorgheid over de

geliefde vrouw kreeg nieuw voedsel, toen het hem slechts met moeite

gelukte haar te doen ontwaken. Hij voelde hoe zij als dronken waggelde,

terwijl hij haar aan zijn arm niet naar de fonteinzaal maar naar het

slaapvertrek voerde, waar zij verlangde wat te rusten. Nauwelijks had

zij zich op de legerstede uitgestrekt of een diepe slaap overmande

haar.

Orion begaf zich vervolgens naar den juwelier Gamaliël, kocht van hem

een zeer kostbaren en grooten, maar eenvoudig in goud gezetten diamant,

en de broeder van den Israëliet nam op zich dezen mede te nemen naar

Konstantinopel en hem daar te overhandigen aan de weduwe Heliodora,

die bovendien tot zijne klanten behoorde. In het woonvertrek van den

juwelier schreef Orion vervolgens een brief aan zijne voormalige

geliefde, waarin hij haar in warme en dringende woorden bad, den

diamant aan te nemen en hem daarvoor den smaragd naar Memphis terug

te zenden door een betrouwbaren ijlbode, dien de goudsmid Simeon van

al het noodige zou voorzien.

Vermoeid en hongerig gebruikte hij wat later dan gewoonlijk het

middagmaal, evenals sedert de laatste dagen alleen met de Griekin

Eudoxia, de opvoedster van Maria. Het kind mocht de kamer nog niet

verlaten, tot groote vreugde van de paedagoge, althans in éen opzicht;

want het maaltijden onder vier oogen met den schoonen jongeling was

voor haar bedaagd gemoed een buitengewoon genot. Hoe beleefd was het,

dat deze rijke en aanzienlijke erfgenaam den slaven een wenk gaf om

haar vóor hem te bedienen; hoe vriendelijk, als hij geduldig naar haar

luisterde, wanneer zij vertelde van de aanzienlijke huizen, waar zij

vroeger onderwijs had gegeven! Zij zou voor haar dischgenoot in den

dood zijn gegaan; daar zich echter geene gelegenheid aanbood voor zulk

eene zelfopoffering, verzuimde zij althans niet hem opmerkzaam te maken

op de beste brokjes en te zorgen voor versche bloemen op zijne kamer.

Voor het overige trok zij zich op hoogst verdienstelijke wijze en met

zelfverloochenende liefde hare leerlinge aan, sedert deze krank was,

haar grootmoeder het hart van Maria had afgewend, en zij had opgemerkt

dat Orion met vaderlijke liefde zich aan de kleine nicht liet gelegen

liggen. De jongeling had heden nog geen tijd gevonden om naar Maria

te vragen, en de mededeeling van Eudoxia, dat zij zich minder rustig

dan gisteren toonde, maakte hem zoo bezorgd, dat hij, wat de Griekin

er ook tegen in bracht, zonder het nagerecht af te wachten opstond,

om zelf naar de kleine kranke te gaan zien.

Hij klom werkelijk bezorgd de trap op. Er was zooveel dat hem

bezwaarde, en terwijl hij Maria's kamer naderde, moest hij zichzelven

met een weemoedig lachje bekennen, dat hij, die in de residentie menig

aanzienlijk man en menige zeer gevierde vrouw ontweken had, omdat zij

aan zijne hooge eischen niet voldeden, hier buiten dit kind niemand

had, van wie hij zeker kon zijn begrepen te zullen worden. Tusschen

zijn kloppen en de uitnoodiging om binnen te komen verliep geruimen

tijd, gedurende welke hij achter de deur haastig hoorde heen en weer

loopen. Eindelijk vond hij Maria overeenkomstig het voorschrift van

den arts op een divan naast het wijd geopende en goed beschaduwde

venster. Hare legerstede was omgeven door bloeiende planten en op

het tafeltje voor haar stonden twee groote bloemruikers, een half

verwelkte en een frissche, die bijzonder fraai was.

Wat was het kind in de laatste dagen veranderd! De ronding der

wangen was verdwenen, en het geheele aardige smalle gezichtje werd

als beheerscht door de bovendien bijzonder groote oogen, die thans

nog sterker schitterden. Gisteren, toen zij zonder koorts was, had

zij er bleek uitgezien, maar heden gloeiden hare wangen, en daarbij

herhaalde zich dat trekken met de lippen en met den rechterschouder,

dat sedert den sterfdag van haar grootvader begonnen was, zoo vaak,

dat Orion zich bezorgd bij haar neerzette.

"Is grootmoeder bij u geweest?" luidde zijn eerste vraag, doch het

antwoord bestond slechts uit een treurig schudden met het hoofd. Alle

nieuwe bloemen die de kamer versierden waren zijn geschenk, zoo ook

de verwelkende ruiker. De andere, frissche, kwam niet van hem. Hij

deed dus onderzoek naar den gever en was niet weinig verwonderd te

zien, dat deze vraag zijne lieveling opnieuw onrustig maakte en in

verwarring bracht. Daar moest iets bijzonders schuilen achter dien

ruiker, dat lag voor de hand, en de jonge man, die hare overprikkelde

zenuwen niet onnoodig wilde kwellen en zijne vraag ook niet weder

intrekken kon, had er reeds spijt van haar gedaan te hebben, toen

de ontdekking van een vederen waaier, die hij met de woorden: "ei,

wat is dat?" opnam, hem uit de verlegenheid redde.

Opnieuw vloog Maria het bloed naar het aangezicht, en terwijl

zij hem met groote oogen smeekend aanzag, legde zij den vinger op

den mond. Doch hij knikte haar toe, als wilde hij zeggen dat hij

alles begreep, en vroeg zacht: "Was Katharina bij u? Zoo bindt de

hovenier van Susanna de bloemen. Die waaier... Toen ik klopte... Is

zij misschien nog hier?"

Hij had juist geraden en Maria wees zwijgende op de deur van het

aangrenzend vertrek.

"Maar om godswil kind," vroeg Orion met eene gedempte stem verder,

"wat wil zij hier nog doen?"

"Zij is heimelijk en in eene boot hier gekomen," fluisterde het

kind. "Door haar Anubis die op het rentmeesterskantoor is, heeft zij

mij laten vragen of zij komen mocht. Zij kon het zonder mij niet

langer uithouden, zij had mij toch geen kwaad gedaan. Toen heb ik

'ja' gezegd en zoodra ik daareven u aan het kloppen herkende, is zij

een-twee-drie naar de slaapkamer gevlucht."

"En wanneer grootmoeder haar nu ontmoet?"

"Ja dan--wat er dan van mij worden zal... Ach God, Orion als gij eens

wist, hoe dat..."

Over hare wangen biggelden twee dikke tranen, waarvan Orion de

beteekenis maar al te goed begreep. Hij streek haar vriendelijk over

de lokken en zeide zacht, terwijl hij telkens naar het slaapvertrek

keek: "Ik ben eigenlijk gekomen om u veel van Paula te vertellen. Zij

heeft u zoo lief en noodigt u uit om bij haar te komen en bij haar te

blijven. Maar dat moet gij stil voor u houden, meisje, en aan niemand

zeggen, ook niet aan Eudoxia en Katharina, want ik weet zelf nog

niet hoe het gelukken zal van grootmoeder vergunning te krijgen. In

elk geval moeten wij daarbij zeer verstandig en voorzichtig te werk

gaan, begrijpt ge? Ik neem u thans maar in het vertrouwen, opdat gij

bij voorbaat en ook bij nacht u daarop verheugen kunt, wanneer gij

weder zoo dom zijt om als de hazen de oogen open te houden, in plaats

van gerust te gaan slapen. Als alles meeloopt, dan zijt gij wellicht

morgen--denk eens aan!--ja morgen reeds bij Paula. Eerst had ik de hoop

reeds opgegeven om de zaak door te zetten, maar daareven--is het niet

grappig?--pas een paar minuten geleden, heb ik tot mij zelven gezegd:

'het zal wel gaan!', en zoo moet het dus doorgezet worden."

Een vloed van tranen goot zich over Maria's wangen uit; en hoewel

er geen einde aan scheen te komen, zoo behoefde zij niet te snikken

en haar borst bleef rustig. Ook hare lippen bewogen zich niet, maar

uit hare vochtige, heldere oogen straalde zulk een overvloed van

dankbaarheid en geluk, dat Orion de tranen in zijne eigene oogen voelde

wellen en blijde was iets te vinden, waardoor hij zijne ontroering

kon verbergen. Want toen Maria zijne rechterhand greep en daarop eene

lange warme kus drukte, bevochtigden hare tranen zijne hand en riep

hij: "Zie eens, geheel nat alsof zij uit een waterbekken kwam..."

Verder bracht hij het niet, want opeens vloog de deur van de slaapkamer

open, en de fijne, hooge stem der Griekin Eudoxia riep: "Maar waarom

wilt gij nog langer tegenstribbelen? Maria zal er zeker blijde om

zijn! Kind, kind, daar breng ik u uwe verlorene vriendin! Welk een

verrassing!"

Daarop verscheen het kwikstaartje, dat de opvoedster met alles behalve

zacht geweld voor zich uit over den drempel duwde. Eudoxias gelaat

straalde van zelfvoldoening, als had zij een heldendaad volbracht,

toch verschrok zij een weinig, toen zij Orion hier nog aantrof.

De gescheiden verloofden stonden tegenover elkander. Het gebeurde was

niet weder goed te maken; doch behalve dat hij haar met eene afgemetene

buiging ontving, en zij den waaier zachtkens voor haar gelaat heen

en weer bewoog, om hare verlegenheid te verbergen, gebeurde er niets,

wat een onkundige had kunnen opvallen. Ja, Katharina's gezichtje nam

een uitdagende uitdrukking aan, als hij vroeg naar zijn witte hondje,

en zij recht koel antwoordde, dat zij het beest in den hoenderhof

aan een ketting had gelegd, omdat de patriarch, haar gast, niet van

honden hield.

"Vele menschen vereert hij met dezelfde gevoeligheid," antwoordde

Orion.

"Wanneer zij het verdienen," antwoordde het kwikstaartje, zonder zich

lang te bedenken.

Op deze wijze werd het gesprek korten tijd voortgezet, doch de

jonkman was noch in eene stemming om de hatelijkheden van het meisje

lijdelijk aan te hooren noch om ze met gelijke munt te betalen, en

daarom maakte hij zich tot vertrekken gereed. Doch voor hij afscheid

had genomen, zeide Katharina, die uit het venster gezien en opgemerkt

had hoe laag de zon reeds aan den hemel stond: "Lieve hemel, wat is

het al laat! Ik moet weg, want aan den avonddisch mag ik niet gemist

worden! Mijn boot ligt in de visschershaven bij de uwe. Is de deur

van het rentmeesterskantoor nog niet gesloten?"

Orion keek naar den stand der zon en zeide: "Het is heden

Sanutius-dag!"

"Dat weet ik!" zeide Katharina. "Juist daarom had Anubis heden

middag vrij."

"En om dezelfde reden," voegde Orion er bij, "is er in het kantoor

geen schepsel meer aan den arbeid."

Dat was kwaad! Voor geen prijs wilde zij in het huis van den stadhouder

gezien worden en nu begon zij, die uit de dagen van haar spelen

met Maria elken schuilhoek van het paleis kende, te overleggen, en

haar fijn gezichtje verkreeg daarbij eene voor Orion geheel vreemde,

loerende uitdrukking, die hem mishaagde en tegelijk zijne bezorgdheid

wekte, niet voor zichzelven, maar voor Maria, voor wie uit den omgang

met deze speelgenoote niets goeds kon volgen. Dergelijke bezoeken

moesten zich niet vaak herhalen. In hare tegenwoordigheid wilde hij

er niet over spreken; maar aan Katharina moesten terstond de noodige

wenken worden gegeven. Zonder zijne hulp kon zij niet ongemerkt

buiten komen, en daarom brak hij hare overleggingen af, deelde haar

mede dat hij den sleutel van het rentmeesterskantoor bij zich droeg,

onderzocht of de voorzaal vrij was, en leidde haar terstond hierop

door allerlei gangen in het met het woonhuis verbonden kantoor. Dit

was op dit uur als uitgestorven, en toen Orion dicht naast haar voor

de achterpoort stond, die uitkwam op den weg naar de visschershaven,

en hij den sleutel reeds ophief, om die te openen, liet hij zijne hand

weder zakken, en brak voor het eerst het stilzwijgen af, dat beiden

gedurende dezen geheimen tocht in acht hadden genomen, en vroeg: "Wat

drong u toch om naar Maria te gaan, Katharina? Zeg het mij eerlijk?"

Haar hart, dat sneller klopte, sedert zij met hem alleen in het

doodsche, van menschen verlaten, huis vertoefde, begon nu onstuimig

te slaan en een groote angst overviel haar, zij wist zelve niet

waarvoor. Zij was om velerlei redenen naar de stadhouderlijke woning

gegaan, doch éene was van overwegend belang: Maria moest van haar

vernemen, dat haar jonge oom en Paula elkander liefhadden; want het

kind kon, gelijk zij uit ervaring wist, voor hare grootmoeder niets van

belang verzwijgen, en dat vrouw Neforis Paula niet lijden mocht was een

openbaar geheim. Zeker droeg deze nog geen kennis ervan, hoe ernstig

haar zoon het meende met zijne verliefdheid op de Damasceensche; doch

was vrouw Neforis eens hiervan onderricht, dan--daaraan twijfelde

zij niet--dan zou zij niets onbeproefd laten om Orion van Paula af

te houden. Zoo had zij dan de kleine ook medegedeeld, dat de lieden

reeds vertelden hoe deze twee een gelukkig bruidspaar waren, en

zijzelve had hen in den tuin van haar buurman zien minnekoozen. Tot

hare teleurstelling had Maria dit alles zeer gelaten aangehoord, en

scheen het meisje er volstrekt niet door getroffen te worden. Toen

Orion haar thans de vraag deed wat haar naar deze woning had gevoerd,

kon zij maar éen antwoord geven: "Onweerstaanbaar verlangen naar de

kleine Maria."

"Natuurlijk," sprak de ander, "doch ik zou u willen verzoeken om

aan uw vriendelijk verlangen niet te spoedig weer te voldoen. Uwe

moeder laat hare boosheid tegen de mijne maar al te openlijk blijken,

en deze zal nieuw voedsel ontvangen, wanneer zij verneemt dat wij u

aanmoedigen om tegen haar wil te handelen. Misschien zult gij weldra

in de gelegenheid zijn Maria meermalen te zien, maar juist dan verzoek

ik u haar niet over dingen te spreken, die haar te veel opwinden. Gij

hebt u kunnen overtuigen hoe prikkelbaar zij is en hoe zwak zij er

uitziet. Haar jong hartje en haar wat al te vroeg ontwikkeld gevoels-

en denkvermogen moeten tot rust komen, mogen niet door al te sterke

indrukken opnieuw in beweging worden gebracht, en gij zijt in staat

zulke indrukken te wekken. De patriarch is een vijand van mij en

dit huis, en gij--ik zeg het niet om u te krenken--hebt hem in den

afgeloopen nacht beluisterd en waarschijnlijk allerlei gewichtige

dingen uit zijn mond vernomen en daaronder ook zoodanige, die mij en

mijn huis betreffen".

Katharina stond doodsbleek tegenover den jongen man. Hij wist dat en op

welk tijdstip zij den patriarch beluisterd had; de schrik hierover en

het pijnlijk bewustzijn dat zij zichzelve in zijne oogen vernederd had,

bracht haar in verwarring. Zij gevoelde zich overrompeld, beleedigd en

bedreigd. Intusschen behield zij tegenwoordigheid van geest genoeg,

om haar tegenpartij spoedig te antwoorden: "Maak u niet bezorgd! Ik

zal niet wederkomen. Het zou bovendien niet geschied zijn, als ik

had kunnen voorzien..."

"Mij te ontmoeten?"

"Misschien; maar beeld u hiervan niet te veel in!... Wat mijn luisteren

aangaat... Nu ja, ik heb mij bij het venster geplaatst. Ik kon maar

halve woorden verstaan van hetgeen binnen besproken werd; en wie komt

niet in verzoeking te willen hooren, wat mannen van beteekenis met

elkander verhandelen? Zulk een man, wanneer ik uw vader uitzonder, heb

ik in Memphis niet weder ontmoet, sedert Memnon heenging. Wij vrouwen

hebben nu eenmaal wat nieuwsgierigheid van moeder Eva geërfd; maar

zoover brengen wij het zelden, dat wij in de kisten van onze gasten

naar halsketenen gaan zoeken. Ik heb als misdadige weinig geluk,

mijn lieve Orion! Reeds tweemaal verdiende ik die naam... Dank zij

het grootmoedig en ruim gebruik, dat gij van mijne onervarenheid hebt

gemaakt, heb ik zwaar, zoo verschrikkelijk zwaar gezondigd, dat het mij

nog altijd mijne levensrust beneemt. Ditmaal mocht het vergeeflijker

zijn, doch in beide gevallen werd ik betrapt, zooals gij weet."

"Uwe verwijten zijn rechtvaardig," antwoordde Orion somber. "Maar

meisje, wij hebben beiden het lot te danken, dat wij niet lang op den

dwaalweg vertoefden. Reeds eenmaal heb ik u vergiffenis gevraagd en

ik doe het nog eens. Dat voldoet u niet, ik zie het aan uw gelaat, en

ik kan het u nauwelijks euvel duiden. Misschien is het u meer welkom,

wanneer ik u andermaal beken, dat geen misdaad harder en gruwzamer

kon bestraft worden dan de mijne."

"Zoo?" vroeg Katharina op gerekten toon, en ging daarop luchtig voort,

terwijl zij met haar waaier speelde: "Maar gij ziet er waarlijk

alles behalve geknakt uit, en het is u bovendien gelukt die bewuste

'andere',--Paula, als ik goed raad--voor u te winnen...."

"Zwijg daarover!" zeide Orion zeer beslist, haar belettende verder te

gaan, en bracht den sleutel reeds aan de deur, doch zij plaatste zich

voor hem en zeide, hem met den vinger dreigende: "Het is dus zoo! Nu

weet ik genoeg. Overigens hebt gij met uw plompe 'zwijg daarover'

groot gelijk. Over uwe liefdesgeschiedenissen bekommer ik mij niet

meer, doch naar iets anders mag ik wel vragen, want het gaat mij

alleen aan. Hoe hebt gij over onze heg heen kunnen zien? Anubis is

nauwelijks een hoofd kleiner dan gij..."

"En hij heeft er voor u de proef eens van genomen?" haastte hij zich

te zeggen, waarbij hij zich niet onthouden kon te lachen, daar hij

inzag dat zijn oprecht gemeende ernst bij Katharina zeer misplaatst

was. "Ondanks uwe loffelijke voorzorg verzoek ik u het volgende voor

toekomstige gevallen wel ter harte te nemen. Wat voor Anubis geldt

past niet op iedereen, en behalve voetgangers zijn er ook slanke

lieden op hooge paarden."

"Gij zijt dus die nachtelijke ruiter geweest!"

"Die het niet nalaten kon naar uw venster op te zien."

Bij deze woorden deed zij verschrikt eene schrede achterwaarts;

haar oog verhelderde, maar slechts voor een oogenblik; daarop vroeg

zij scherp, terwijl zij met beide handen de veeren van haar waaier

samenkneep: "Moet dat spot zijn?"

"Stellig niet," antwoordde hij gelaten, "want ofschoon gij grond

genoeg hebt om op mij verstoord te zijn..."

"Zoo heb ik u tot heden niet den minsten grond gegeven, zeker niet,"

ging zij opgewonden voort, "ik ben de gekrenkte, mishandelde, ik

geheel alleen, en gij moet toegeven, dat gij bij mij in schuld staat

en ik het recht heb iets van u te verlangen."

"Doe het," hernam Orion, "ik ben tot uw dienst."

Daarop zag zij hem vlak in het aangezicht en vroeg: "Vooreerst:

hebt gij reeds verder verteld dat ik..."

"Dat gij geluisterd heb? Neen--aan geen levende ziel."

"En belooft ge mij het niet te zullen verraden?"

"Gaarne!--Wat moet op dit 'vooreerst' nu in de tweede plaats volgen?"

Het antwoord op deze vraag liet op zich wachten, het viel het

kwikstaartje zichtbaar zwaar het te geven; doch eindelijk begon zij

met neergeslagen oogen: "Ik zou wel... Maar gij zult mij voor dwazer

houden dan ik werkelijk ben; intusschen... Ja ik vraag het u toch,

al haalt het mij eene nieuwe vernedering op den hals.--De waarheid

wil ik weten, en als u nog iets heilig is, dan moet ge mij, voor

ik u deze vraag doe, bij het heiligste zweren, dat ge mij juist zoo

zult antwoorden, als ware ik geen kinderachtig meisje, maar--verstaat

gij?--als ware ik de hoogste rechter ten jongsten dage!"

"Wat klinkt dat plechtig!" hernam Orion.--"Vergun mij echter op te

merken, dat er vragen zijn, die ons niet alleen betreffen, en wanneer

gij mij de zoodanigen.."

"Neen, neen," antwoordde Katharina, "wat ik bedoel gaat u en mij

alleen aan."

"Dan zie ik geen reden, waarom ik u niet ter wille zou zijn," zeide de

andere weder. "Doch ik zou u een wederdienst willen vragen. Evenals

u komt het ook mij wenschelijk voor te weten, waarover een man van

zooveel beteekenis als de patriarch met een ander spreekt, en daar

ik mij ter uwer beschikking stel..."

"Ik dacht," zeide zij, hem lachende in de rede vallende, "dat gij er

allereerst belang in zoudt stellen uw schuld aan mij althans voor een

deel af te doen. Doch ik verlang geene buitengewone grootmoedigheid,

en het weinige wat ik heb kunnen afluisteren is spoedig verteld. Het

zal u bovendien tamelijk onverschillig zijn... Ik vervul dus uw wensch,

en gij belooft mij daarentegen..."

"De volle waarheid te zeggen."

"Zoo stellig als gij op vergeving van zonden hoopt?"

"Zoo waar ik dit hoop!"

"Dat is goed!"

"Wat verlangt gij dan nu te hooren?"

Zij schudde het hoofd en zeide angstig: "Nog niet, neen, neen,

zoo kan het niet gaan! Laat mij het eerst aan de beurt, en doe dan

de deur open. Als ik weg wil, moet ge mij laten loopen, zonder een

woord verder te spreken of te vragen. Haal mij een zetel, ik moet

een oogenblik gaan zitten."

En zij scheen inderdaad rust noodig te hebben, want sedert de laatste

oogenblikken zag zij er bleek en afgemat uit en hare vingers beefden,

terwijl zij het gelaat met een doekje afveegde. Zoodra zij plaats

genomen had, begon zij te vertellen, en terwijl zij haastig en op

onverschilligen toon sprak, als gold het niets bijzonders, hoorde

Orion haar in groote spanning aan, want wat hij vernam, was voor hem

bijzonder belangrijk.

Men had hem op bevel van den patriarch nagegaan. Deze was reeds

omstreeks middernacht te weten gekomen, dat hij in Fostat was geweest

en daar den Arabischen veldheer had opgezocht. Anders was er niets over

hem gezegd, alleen had men de vrees geuit, dat hij het plan bij zich

omdroeg het geloof zijns vaders af te zweren en tot de ongeloovigen

over te gaan. Van meer gewicht was, wat Orion te weten kwam omtrent

de onderhandelingen van den prelaat met den vertegenwoordiger van den

Kalief. Deze had aangedrongen op de vermindering van kloosters, van

monniken en nonnen, die van vrome stichtingen en geschenken leefden,

naar den regel van Pachomius allerlei handwerken uitoefenden, en

omdat zij niet in hun onderhoud behoefden te voorzien in staat waren

de meeste voorwerpen voor het dagelijksch leven, van de matten in

huis tot de schoenen voor de voeten, veel goedkooper te leveren dan

de gewone handwerkers in stad en land. Het grootste deel van die arme

lieden was bij zulk eene concurrentie reeds ondergegaan, en Amr, die

zag dat ook de Arabische handwerkslieden, de lederwerkers, de wevers,

de touwslagers en dergelijken met hetzelfde lot bedreigd werden,

had besloten een flinken greep in dien kloosterarbeid te doen,

en deze zeer te beperken. De patriarch had met taaie en krachtige

volharding zich hiertegen verzet, maar ten slotte had hij toch bijna

de helft der monniken- en nonnencoenobiën prijs moeten geven. Hij

had echter niets afgestaan om niet, want Benjamin wist al te goed

hoe groote hinderpalen hij als hoofd der nieuwe kerk der regeering

in den weg kon leggen. Het was aan den patriarch dus overgelaten om

zelf de kloosters aan te wijzen, die tot opheffing bestemd werden,

en de prelaat had natuurlijk allereerst de hand gelegd op de laatste

Melchietische coenobiën, en onder dezen ook op het Caecilia-klooster

naast het huis van Rufinus. Deze inrichting moest reeds binnen drie

dagen ontruimd worden en vervallen aan de Jacobietische kerk. Dit

moest in alle stilte geschieden, daar men thans, terwijl ieder in

koortsachtige spanning verkeerde over het uitblijven van het wassen

van den Nijl, te vreezen had, dat het arme volk van Memphis in de bres

zou springen voor de rijke zusters, aan wie het zoovele weldaden, zulk

eene vriendelijke verpleging te danken had. Ook van den senaat der stad

had men verzet te verwachten tegen een maatregel, die de gestorven

Mukaukas als onrechtmatig en nadeelig voor het algemeen belang had

afgekeurd. De verdrevene orthodoxe nonnen zouden als leekenzusters,

zooals zulks meermalen pleegde te geschieden, bij Jacobietische

kloosters worden ingedeeld, doch de abdis moest naar een afgelegen

Ethiopisch coenobium worden vervoerd, waar geen mogelijkheid was

om te ontvluchten, daar zij én door hare hooge afkomst én door haar

kennis én door haren uitgebreiden invloed gemakkelijk de kerkvorsten

van het geheele oosten tegen Benjamin in opstand zou kunnen brengen,

wanneer men haar vrij liet.

Dit geheele verhaal had maar enkele oogenblikken in beslag genomen en

werd met tamelijke onverschilligheid medegedeeld. Wat gingen Katharina,

wat Orion, een broeder van twee slachtoffers der Melchietische

geweldenarij, de opheffing van orthodoxe kloosters en de verdrijving

van kettersche nonnen aan?

Orion liet ook niet blijken hoezeer het medegedeelde hem ter harte

ging en toen Katharina eindelijk opstond en uitgeput naar het slot

van de deur wees, zeide zij alleen, als had zij er spijt van zooveel

tijd verbeuzeld te hebben: "Dat is in hoofdzaak alles."

"Alles?" herhaalde Orion, terwijl hij het slot opende.

"Stellig en zeker alles," antwoordde zij angstvallig. "Wat ik

u vragen wilde.... of ik het te weten kom of niet.... het kan mij

niet schelen.... Ja, het ware wellicht beter .... O zeker .... Laat

mij heengaan!"

Doch hij deed niet wat zij verlangde, maar zeide vriendelijk: "Vraag

maar, ik antwoord gaarne."

"Gaarne?" herhaalde zij, ongeloovig de schouders ophalende. "Eigenlijk

moet gij u toch niet op uw gemak gevoelen, wanneer gij mij aanziet;

maar het gaat in Memphis en op de wereld nu eenmaal niet toe zooals

het behoort. Want wat bekommert gij mannen er u over wat gij van

een arm meisje gemaakt hebt? Meen niet dat ik u verwijten wil doen,

God beware mij! Ik ben niet eens boos op u. Zoo iemand, dan kan ik

het gebeurde wel dragen. Denkt gij het ook niet? Aan mij is het best

besteed; het kan mij niet deren! Ik ben zeer rijk en niet leelijk,

en er zullen nog wel honderd komen, die naar mijne hand dingen. O,

ik ben een benijdenswaardig schepsel! Eén vrijer heb ik reeds gehad,

en de eerstvolgende zal in elk geval trouwer zijn en mij niet zoo

koel opzij schuiven als de eerste; denkt gij dat ook niet?"

"Ik hoop het," antwoordde Orion ernstig, "hoe bitter de drank ook is

die gij mij reikt..."

"Nu?"

"Zoo kan ik toch slechts herhalen, dat ik dien drinken moet, omdat

ik ongelijk heb. Niets zou mij hartelijker verblijden, dan dat ik

althans in iets weder goed kon maken, wat ik jegens u heb misdaan."

"O neen!" zeide zij op minachtenden toon. "Zoover zullen onze wenschen

zich niet uitstrekken. Tusschen ons is alles voorbij, en als gij

ooit iets voor mij geweest zijt, thans zijt gij niets meer voor mij,

volstrekt niets. Een stukje verleden hebben wij met elkander doorleefd;

het was wel kort, maar--weet gij het ook?--het is zeer gewichtig voor

mij geweest. Het heeft het jonge ding, dat gij gisteren nog, gelijk ik

zeer goed weet, voor een echt kind hield, wonderbaar snel doen rijpen,

en daarbij veel slechter gemaakt, dan gij u kunt voorstellen."

"Dat zou mij leed doen tot in den diepsten grond mijns harten,"

antwoordde Orion. "Ik kan mijne houding met niets verontschuldigen,

maar dat weet gij zelve wel, dat in de eerste plaats de wenschen

onzer moeders..."

"Ons voor elkander bestemden, wilt gij zeggen? Gij hebt gelijk. En

hebt gij ook ter wille van vrouw Neforis mij toen onder de acacias in

de armen genomen, mij uw éen en alles, uw hartediefje, uw rozenknopje

genoemd? Hebt gij,"--en hier verhief zij hare stem en hare oogen

fonkelden van hartstochtelijke opgewondenheid--"hebt gij,--en ziehier

juist wat ik u vragen wilde en weten moet--hebt gij ook toen gelogen,

of hadt ge mij ten minste in die enkele oogenblikken daar onder de

boomen uit den grond uws harten lief, even lief als thans--ik mag

haar naam niet noemen--als thans uwe 'andere'? De waarheid, Orion,

de volle waarheid, gij hebt het gezworen!"

Hier sloten zich hare lippen, maar hare glinsterende, vochtige,

vragende oogen zeiden hem duidelijk en klaar, dat haar hart hem nog

altijd behoorde, dat zij staat maakte op zijne edelmoedigheid en een

bevestigend antwoord verwachtte. Zij drukte haar gevulden arm tegen

hare borst, als wilde zij op deze wijze het onstuimig kloppen van

haar hart beteugelen. Haar fijn gelaat werd met een nu eens donkeren,

dan weder lichteren blos gekleurd. Haar kleine mond, die zoo even nog

zulke bittere woorden had gesproken, lachte, als ware hij bereid eene

zoete belooning te schenken voor het vertroostend, bemoedigend woord,

waarnaar haar gansche wezen smachtte, en de verstandige oogen, waarin

nu tranen welden, lieten niet af zoo innig en roerend te smeeken! Welk

een betooverend beeld van hulpelooze, liefdevolle, genade smeekende

jeugd en lieftalligheid!

"Evenzoo lief als die 'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" bleef het

voortklinken in 's jonkmans ooren. Zijn teergevoelig hart dreef hem aan

om weder goed te maken, wat hij tegen dit aanminnige, ongelukkige,

jonge schepseltje misdreven had; maar dat "evenzoo lief als die

'andere'!" en "gij hebt het gezworen!" gaven hem kracht standvastig

te blijven. Hij die zich hier geroepen gevoelde medelijden te hebben

en te troosten, strekte de handen naar haar uit, als smeekte hijzelf

om hulp, zeggende: "Ja, Katharina, zoo aanminnig, zoo betooverend

als thans zijt gij ook toen geweest; maar ik... Hoe goed ik ook voor

u was, er is nu eenmaal eene groote liefde, die mijn gansche wezen

vervult... Laat buiten spel, wat later gebeurd is... Stel uwe vraag

alleen wat anders, doe haar nog eens, of veroorloof mij u te zeggen..."

Maar hem bleef geen tijd om verder te spreken; want vóor hij haar

kon terughouden, was zij hem voorbij gesneld en als een vluchtend

wild naar buiten gevlogen, naar de visschershaven.

De nijlbruid · 第 42 / 66 题