TWEEDE HOOFDSTUK.

Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof

na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets

verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks

had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen,

waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig

had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van

en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen

man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van

den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde,

en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel

op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp

geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans

ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De

geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met

hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te

hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam,

waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was,

toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt

tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor,

ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de

beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop,

niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder,

ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets

van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen

tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met

innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij

bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven,

om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.

Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen,

en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren,

had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de

welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van

een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk

had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan,

en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne

verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd

zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch

stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich

ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.

Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne

onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium

vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame

gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor

het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden

tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de

marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke

kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van

keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard

in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze

beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: "Nog

altijd!" Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half

tot den geestelijke wendende: "Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht

geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een

christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter

draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden

geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten,

die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere

met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat

ons toekomt, anders--hierop doelt het zwaard--geldt het uw leven!"

Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende:

"Als ik terugkom--en gij weet wat ik hiermede bedoel--dan zal het

mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door

deze beelden uit den tijd der afgoderij."

"De waarheid en de gerechtigheid," antwoordde Orion met een gedempte

stem, "hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in

dit huis heerschappij gevoerd."

"Het zou schooner en eervoller zijn," antwoordde de kerkvorst, "dat

gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis

de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke

deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen,

alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het

geloof en aan de andere de deemoed."

Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van

de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen

en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en

slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met

zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de

heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over

de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.

Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al

de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt,

doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert

zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de

uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had

zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom

gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij

was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd,

die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader

ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het

godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere

dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar

wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam

zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.

Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld,

en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet

in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders

zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het

gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide

scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek

hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt

van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had

ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit

had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion,

dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de

vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor

hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den

Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen, dezen in

haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar

alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak

vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem,

en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest

hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te

verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde

zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak,

hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk

als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas

zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam

bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal

tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen

van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht

van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde

als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De

oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare

stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.

Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte

hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem

weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk

stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen,

en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij

hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter

den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein

marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende

menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander

afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich,

afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten

hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde

zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar

stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of

naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder

vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der

hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions

echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter

bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor

wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was,

volgaarne prijs geven.

Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie,

dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en de priesters

de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige

hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun

vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw

wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De

oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen

Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde

stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige

hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar

hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.

De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en

daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen

achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen

en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang,

dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag

op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam

van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde,

door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den

regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal

niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert

eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.

Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek,

en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen,

in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij

meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat

hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel,

die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing

van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat

het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare

zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde

gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en

hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige

taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God

de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een

koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den

helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon

op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden

geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden

nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met

knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven,

die naar zijn afschuwelijk rijk voerde. In hun doodsangst en bij het

gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne

dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen

drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige

stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de

frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met

verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk

gehuil van den duivel in het oor, dat het gewelf der hel deed trillen,

en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop

hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren

gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet

door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden

opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden

gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt,

of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In

vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben,

was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde

de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....

Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend

van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam

hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp

bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met

fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep

hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang

naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel,

en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep:

"Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die

vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere

is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij

en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar

buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees

vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en

op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der

zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd

rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot

ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is

in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de

Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel

dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam

te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware

is, te doen wat ik als goed en recht heb erkend, dat zij voortaan

het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn

hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik

terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij

bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als

mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid,

de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!"

Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij

eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek

was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden

in het oor: "Heer, straf mij niet voor mijne misdaden." Daar viel

de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden

vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op

de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast

was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te

ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde

hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord "verlost"

kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der

wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen

van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des

te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen

wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen,

wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde

tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht

bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd

vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den

weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij

zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem

had dan hij.

Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in

Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne

verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene

beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld,

kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser,

wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij

zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld,

dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook

hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen

kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te

verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit

den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijke vernederingen,

smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch

vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus

kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde

werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige

en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles

begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn,

Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf

als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet,

voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet

enkel om Paula's wil....

Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid

gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke

belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het

heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van

het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde

daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit

mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit

aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee

ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten

laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten,

en dronk ook dit, opdat er van den verlossenden drank niets verloren

zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling,

toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken

werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had

de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht

gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met

zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar

lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan

hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan

de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis

zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam

en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte

met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand

de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij

geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe,

dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en

zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer

inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.

De nijlbruid · 第 41 / 66 题