Orion bevond zich in het ruime vertrek alleen, en het was hem alsof
na storm en onweder de geheele wereld rondom in het ijdele niets
verzonk. Hij gevoelde in de eerste plaats, dat er iets verschrikkelijks
had plaats gehad, dat hem uit het bereik van alles dreigde te werpen,
waarvoor hij gewoon was te buigen, en dat hij tot hiertoe als heilig
had beschouwd. Hij had den patriarch den oorlog verklaard ter eere van
en uit liefde tot zijne goede engel, en de macht en invloed van dezen
man waren niet minder groot dan zijne gestalte. Doch voor het oog van
den jonkman verhief zich hoog en zegevierend het beeld van de geliefde,
en hij zag in zijn vader een bondgenoot bij den kamp, dien hij geheel
op eigene verantwoordelijkheid zou aangaan. Met behulp van zijn scherp
geheugen en zijne helderheid van geest herinnerde hij zich thans
ieder woord, dat hij uit den mond van den prelaat had vernomen. De
geweldige grijsaard, wiens gemoed van geloofsijver overliep, had met
hem gespeeld als een kat met een muis. Hij had getracht hem uit te
hooren en te doorgronden, voor hij met het laatste voor den dag kwam,
waarmede hij had moeten beginnen; daar hij van alles onderricht was,
toen hij hem voor de eerste maal, als had hij geen ernstig verwijt
tegen hem op het hart, de hand had gereikt. Orion nam zich voor,
ook zonder hem vast te houden aan zijn geloof en zich door hem de
beide andere hoogste goederen eener christenziel, liefde en hoop,
niet te laten ontrooven. Als door een wonder scheen zijne moeder,
ondanks den angst van haar bloedend hart, den kerkvorst nog niets
van den vloek des vaders te hebben medegedeeld, en welk een wapen
tegen hem zou zij Benjamin daarmede in de hand hebben gegeven! Met
innig medelijden dacht hij aan de arme, ongelukkige vrouw, en daarbij
bekroop hem de argwaan, dat de prelaat zich weder tot haar had begeven,
om hem aan te klagen en haar tot nieuwe bekentenissen te bewegen.
Sedert het vertrek van den patriarch was reeds eenige tijd verloopen,
en zonder hem uitgeleide te doen, iets wat opzien moest baren,
had Orion den hoogen gast laten vertrekken. In dit vergrijp tegen de
welvoegelijkheid, de ongeschreven wet der samenleving, zag de zoon van
een oud aanzienlijk huis, die de achting daarvoor als met de moedermelk
had ingezogen, eene beleediging, die hij zichzelven had aangedaan,
en om deze weder goed te maken, streek hij haastig met de hand zijne
verwilderde haren terecht en ijlde naar het viridarium terug. Daar werd
zijn vermoeden terstond bevestigd, want het gevolg van den patriarch
stond nog vóor den ingang van de fonteinzaal, waar zijne moeder zich
ophield en waaruit Benjamin zoo juist te voorschijn kwam.
Met hoffelijke waardigheid, en als had hij met Orion in der minne
onderhandeld, nam de grijsaard zijn geleide aan. In het viridarium
vroeg hij zijn jongen gastheer naar den naam van eenige zeldzame
gewassen en gaf hem den raad op zijne goederen zorg te dragen voor
het aanplanten van schaduwgevende boomen. In de voorzaal stonden
tegen de pilasters aan beide zijden van de hooge achterdeur de
marmeren beelden van de waarheid en de gerechtigheid, kostelijke
kunstwerken van den Alexandrijn Aristeas, die leefde ten tijde van
keizer Hadrianus. De gerechtigheid droeg de weegschaal en het zwaard
in de handen; de waarheid zag in een spiegel. Toen de patriarch deze
beelden naderde, zeide hij tot den priester die hem vergezelde: "Nog
altijd!" Hierop stond hij stil en zeide, zich half tot Orion en half
tot den geestelijke wendende: "Uw vader heeft, gelijk ik zie, geen acht
geslagen op mijn wenk, dat zulke heidensche beelden niet passen in een
christelijk huis, en allerminst in een, dat een officieel karakter
draagt. Wij weten wel welk karakter die symbolen aan deze beelden
geven, maar hoe licht kan de mindere man, die hier moet wachten,
die vrouw met den spiegel voor de ijdelheid houden terwijl die andere
met de weegschaal hem in koopmanstaal schijnt te zeggen: betaal wat
ons toekomt, anders--hierop doelt het zwaard--geldt het uw leven!"
Daarop liep hij lachend verder, op luchtigen toon tot Orion zeggende:
"Als ik terugkom--en gij weet wat ik hiermede bedoel--dan zal het
mij genoegen doen als mijne oogen niet meer beleedigd worden door
deze beelden uit den tijd der afgoderij."
"De waarheid en de gerechtigheid," antwoordde Orion met een gedempte
stem, "hebben bijna een vijftal eeuwen op deze plaats gestaan en in
dit huis heerschappij gevoerd."
"Het zou schooner en eervoller zijn," antwoordde de kerkvorst, "dat
gij dit kondet zeggen van den eenigen, dien in een christelijk huis
de eerste plaats toekomt; in zijn rijk gedijt elke andere christelijke
deugd vanzelf. De christen moet uit zijn huis elk beeldwerk verbannen,
alleen bij de deur zijns harten plaatse hij aan de eene post het
geloof en aan de andere de deemoed."
Onderwijl waren zij in den tuin gekomen ter plaatse waar de wagen van
de weduwe Susanna wachtte. Orion hielp den prelaat bij het instappen
en toen deze hem ten aanzien van eene menigte geknielde beambten en
slaven de hand tot een kus toestak, raakte de jonkman haar even met
zijne lippen aan. In diep gebogen houding bleef hij staan, zoolang de
heilige man door de opene zijde van de karos zijne handen zegenend over
de schare uitstrekte; daarna begaf hij zich haastig tot zijne moeder.
Hij had verwacht de ongelukkige vrouw uitgeput te zullen vinden door al
de aandoeningen, die het bezoek van den prelaat bij haar had opgewekt,
doch hij trof vrouw Neforis veel bedaarder aan dan hij haar sedert
zijns vaders dood gezien had; haar anders zoo kalm gelaat droeg de
uitdrukking eener dweepzieke opgewondenheid, die Orion verraste. Had
zij aan zijn vader gedacht? Was het den patriarch gelukt haar vroom
gemoed zoo te bezielen, dat zij zichzelve geheel vergeten kon? Zij
was gereed om naar de kerk te gaan en nadat zij de eer had geroemd,
die haar en haar huis door het bezoek van den allerheiligsten vader
ten deel was gevallen, verlangde zij van Orion dat hij haar naar het
godshuis zou begeleiden. Ofschoon hij deze uren voor geheel andere
dingen bestemd had, voldeed de liefhebbende zoon terstond aan haar
wensch, hief haar in den wagen, zeide den voerman dat hij langzaam
zou rijden, en plaatste zich aan hare zijde.
Onderweg vroeg hij haar wat zij den patriarch had medegedeeld,
en haar antwoord zou hem hebben gerustgesteld, indien het hem niet
in een ander opzicht met nieuwe bezorgdheid had vervuld. De anders
zoo verstandige, rustige geest dezer kalme vrouw scheen onder het
gewicht van het ongeluk geleden te hebben, want alles wat zij zeide
scheen zeer verward en begreep hij maar half. Doch dit eene bleek
hem duidelijk, dat zij den patriarch geen deelgenoot had gemaakt
van den vloek, waarmede zijn vader gescheiden was. De kerkvorst had
ook tegenover haar de houding van den gestorvene afgekeurd en dit
had haar zeker den mond gesloten. Zij beklaagde zich tegen Orion,
dat Benjamin den ontslapene nooit begrepen had, zoodat zij de
vurige begeerte had moeten onderdrukken om haar hart geheel voor
hem te ontsluiten. Eerst in de kerk, in tegenwoordigheid van den
Verlosser zelven, zou zij het over zich kunnen verkrijgen, dezen in
haar hart te laten lezen als in een open boek. In het huis Gods, dáar
alleen, zoo had eene inwendige stem haar gezegd, zou zij vrijspraak
vinden voor haar en haren zoon. Dag en nacht hoorde zij die stem,
en hoeveel leed het haar deed hem smart aan te doen, thans moest
hij het hooren: die stem liet niet af haar te bevelen den band te
verscheuren, die hem aan de Melchietin verbond. Gisteren geloofde
zij, dat het haar oudste gestorven zoon was die tot haar sprak,
hij die voor zijn Jacobietisch geloof het leven liet. Die stem klonk
als de zijne, en had haar toegeroepen, dat het oude huis van Menas
zou ondergaan, wanneer die Melchietin het reine bloed van haar stam
bezoedelde. Benjamin had hare bezorgdheid begrepen, en was andermaal
tot haar gekomen alleen om haar te bezweren het misdadig verlangen
van Orion naar de dochter van Thomas te bestrijden met al de kracht
van haar moederlijk gezag. Daar de patriarch denzelfden eisch stelde
als die stem, zoo kwam zij van God en moest hij haar gehoorzamen. De
oude boosheid tegen Paula was weder ontwaakt en men kon het aan hare
stem hooren, dat zij klom bij elken volzin, waarin zij haar gedacht.
Orion smeekte haar zich te matigen en herinnerde haar aan de belofte
hem gedaan bij het sterfbed van zijn vader, en toen zijne moeder hem
weenende en klagende begon te antwoorden, hield de wagen voor de kerk
stil. Thans spande hij al zijne krachten in om haar gerust te stellen,
en daar de weeke, teedere klank zijner stem haar goeddeed, knikte zij
hem vriendelijk toe, terwijl zij hem in het godshuis volgde. Achter
den narthex, het voorportaal van de kerk, waar zich bij een klein
marmeren waterbekken drie boetelingen ten aanzien van de binnentredende
menigte den rug met geeselslagen kastijdden, moesten zij van elkander
afscheid nemen; want de plaats voor de vrouwen bestemd bevond zich,
afgescheiden van die der mannen, achter een sierlijk gesneden houten
hekwerk. Terwijl vrouw Neforis in die richting voortschreed, schudde
zij zacht het gebogen hoofd. Zij dacht aan de keus, die Orion haar
stelde, om zich te schikken of naar de bevelen van den patriarch of
naar de wenschen van haren zoon. Hoe gaarne had zij dien zoon weder
vroolijk gezien, doch Benjamin had haar gedreigd met het verlies der
hemelsche zaligheid, wanneer zij hare toestemming gaf tot Orions
echtverbintenis met eene kettersche; de eeuwige zaligheid echter
bestond voor haar in een wedervinden, een wederbezitten, en daarvoor
wilde zij den zoon, benevens alles waaraan haar hart nog gehecht was,
volgaarne prijs geven.
Orion woonde de godsdienstoefening bij op de plaats zijner familie,
dicht bij het allerheiligste, waar het altaar stond en de priesters
de plechtigheden verrichtten. Het was gescheiden van het drieledige
hoofdschip door een muur, die met gebrekkig beeldwerk en dun
vergulde sieraden was getooid: even min als het geheele gebouw
wekte dit gedeelte een diepen, heerlijken of verheffenden indruk. De
oorspronkelijk rijk versierde basiliek was bij een treffen tusschen
Jacobieten en Melchieten door de laatsten geplunderd, en de verarmde
stad was niet in staat geweest om den ouden glans harer eerwaardige
hoofdkerk ook maar eenigermate te herstellen. Orion zag rond, maar
hij zag niets, dat hem tot eerbied kon stemmen.
De geheele gemeente moest de godsdienstoefening staande bijwonen, en
daar deze zeer lang pleegde te duren, steunden niet alleen de vrouwen
achter het hekwerk, maar ook vele mannen gevoelden zich als lammen
en kreupelen op krukken. Hoe leelijk klonk het Egyptisch gezang,
dat telkens werd afgebroken door den schrillen klank van den slag
op een metalen bekken, terwijl men daar tusschen het geruisch vernam
van babbelende lieden, die zoodra hun gepraat in twisten ontaardde,
door een priester luide en heftig tot de orde werden geroepen. In den
regel liep alles met deze liturgische oefeningen af, als het avondmaal
niet werd uitgedeeld; doch in deze dagen van angst besteeg sedert
eene week geregeld een priester of monnik dag aan dag den kansel.
Kort nadat de jonkman zijne plaats had ingenomen, begon de preek,
en met eene pijnlijke gewaarwording herkende hij in den holoogigen,
in lompen gehulden monnik, die haar hield, een geestelijke, dien hij
meer dan eens in de herberg van Nesptah zoo beschonken had gezien, dat
hij zijn bewustzijn geheel verloren had. En deze afzichtelijke kerel,
die zelfs op den kansel pronkte met de smerigheid en verwaarloozing
van zijn lichaam, donderde der sidderende gemeente in het oor, dat
het uitblijven van het wassen des Nijlwaters een gevolg was van hare
zonde en de straf Gods voor hare misdaden. In plaats van de beangstigde
gemoederen te troosten, op lieflijken toon tot geloof op te wekken, en
hen te vervullen met de hoop op betere tijden, stelde hij hun in vurige
taal voor welk eene straf hun wachtte voor hunne kleingeloovigheid. God
de Heer plaagde hen en het land met groote hitte, maar deze was een
koele noordenwind in den adventstijd vergeleken bij den gloed van den
helschen oven, dien de satan reeds voor hen stookte. De brandende zon
op aarde verlichtte den dag, maar die vlammen daar beneden verbreidden
geen licht, opdat de verschrikkingen dergenen geen einde zouden
nemen, die de dienaars van den duivel met lans- en gaffelsteken, met
knodsslagen en diepe beten in het vleesch over de smalle brug dreven,
die naar zijn afschuwelijk rijk voerde. In hun doodsangst en bij het
gedrang op dezen weg trapten moeders hare zuigelingen, vaders hunne
dochters onder den voet, en wanneer de verdoemden den stekeligen
drempel van de hellezaal betraden, kwam hun een akelige, giftige
stank te gemoet, die hen dreigde te doen stikken en hen toch als de
frissche lucht kracht verleende om nieuwe kwellingen te ondergaan met
verhoogde gevoeligheid aller zintuigen. Daar dreunde hun het jammerlijk
gehuil van den duivel in het oor, dat het gewelf der hel deed trillen,
en opeens greep hij hen met vreeselijk geknars van het rooster waarop
hij lag, perste en maalde hen fijn als druiven tusschen zijn ijzeren
gebit, en slikte hen door naar zijn brandend ingewand, zoo zij niet
door de knechten der satans in gloeiende ovens aan hunne tongen werden
opgehangen, of beurtelings door de vlammen of door het ijs werden
gesleept om eindelijk op het aambeeld der hel in stukken gebeukt,
of met doeken en stroppen dood geworgd en gewrongen te worden. In
vergelijking van zulk eene smart, die men dáar te lijden zou hebben,
was elke zielepijn zoet als de kus eener geliefde. De moeder hoorde
de kokende hersenen in den schedel harer zuigelingen borrelen....
Bij dit afgrijselijk woord van den monnik wendde Orion zich huiverend
van hem af. De vloek waarmede de patriarch hem bedreigd had, kwam
hem voor den geest, en het was hem als werd de heete met wierookdamp
bezwangerde lucht van het geheele sombere kerkgebouw vervuld met
fladderende uilen en akelige vleermuizen. Een diepe afschuw greep
hem aan en opeens ontwaakte de frissche moed der jeugd, de drang
naar vrijheid, de lust om te leven met alle kracht in zijne ziel,
en het scheen hem toe dat eene stem in zijn binnenste hem toeriep:
"Weg met elken dwang en alle ketenen, ontplooi uwe wieken, geest die
vleugelen draagt! Weg met dien god der verschrikking, die een andere
is dan de hemelsche vader, wiens liefde de menschheid omvat. Ga vrij
en ongebonden voorwaarts, steun op eigene kracht, begeef u kalm naar
buiten in het volle, zonnige leven, geleid door uw eigen wil! Wees
vrij, maar niet als de slaaf, die ternauwernood de boeien ontkomen en
op eigen beenen staande, zich weder begeeft in de dienstbaarheid der
zinnen; neen, om uit vrije aandrift, met het zweet op het voorhoofd
rusteloos te streven, ten einde het hoogste doel te bereiken, alles tot
ontwikkeling en tot zijn recht te brengen, wat er groots en goeds is
in uwe ziel. Ja, het leven is een dienst! Evenals de leerlingen van de
Stoa wil ook ik nastreven wat zij deugd noemden, met geen ander doel
dan omdat het schoon is, omdat het ongestoord genot geeft deugdzaam
te zijn. Geheel op eigene verantwoordelijkheid te zoeken wat het ware
is, te doen wat ik als goed en recht heb erkend, dat zij voortaan
het wit waarnaar ik jagen wil. Aan de beide groote wenschen van mijn
hart: de verzoening met mijn vader en het bezit van Paula, voeg ik
terstond als derde toe: het zoeken naar het hoogste doel dat voor mij
bereikbaar is, en het kalm worstelen, om het zoo nabij te komen als
mijne krachten toelaten. De weg, die daarheen leidt, is de arbeid,
de leidster, die ik te volgen heb, om niet af te dwalen, mijne liefde!"
Met gloeiende wangen en diep ademhalende keek hij rond, als zocht hij
eene tegenpartij om daaraan zijne krachten te meten. De ellendige preek
was ten einde en uit het gezang der gemeente klonken hem de woorden
in het oor: "Heer, straf mij niet voor mijne misdaden." Daar viel
de gedachte aan zijn misdrijf en bovenal de vloek zijns stervenden
vaders hem weer loodzwaar op het hart; hij liet het moede hoofd op
de borst zinken en zeide tot zichzelven, dat hij te zwaar belast
was om de stoute vlucht te wagen, waartoe hij de vleugels begon te
ontplooien. Nog was hij niet ontheven van dien banvloek, nog gevoelde
hij zich niet verlost van zijn last. Doch bij het woord "verlost"
kwam het beeld hem voor den geest van den Verlosser, die de zonden der
wereld op zich had genomen, en hoe meer hij zich verdiepte in het wezen
van dien Heiland, dien hij sedert zijn kindsheid had liefgehad, des
te vaster werd hij overtuigd, dat hij aan de vrijheid van zijn eigen
wil geen afbreuk deed, maar veeleer gehoor gaf aan zijn oud verlangen,
wanneer hij alles wat hem bezwaarde aan Jezus beleed; dat de liefde
tot en het geloof in hem ook voor zijne ziel eene verlossende kracht
bezat. En zoo verhief hij oog en hart tot hem; als aan een beproefd
vriend vertrouwde hij hem alles toe wat hem beangstigde en in den
weg stond en bad hem om zijn bijstand. In liefde tot Jezus wist hij
zich éen met Paula, ofschoon zij eene andere voorstelling van hem
had dan hij.
Zij zag behalve de goddelijke ook nog eene menschelijke natuur in
Christus, en over dit punt, waarin hare opvatting van de zijne
verschilde, begon hij te peinzen. Terwijl hij nadacht over eene
beschouwing, waarvan hij nog zoo kort geleden een afkeer had gevoeld,
kwam het hem voor dat de geheel eenige gestalte van den Verlosser,
wiens wezen liefde en waarheid ademde, hem nader stond, wanneer hij
zich dacht dat die vlekkelooze en volmaakte als een mensch had gevoeld,
dat hij de levenslust eens menschen in het hart had gedragen, dat ook
hij ontvankelijk was geweest voor het lief en leed dat stervelingen
kwelt, dat hij onder menschen had gewandeld, om zich met hen te
verblijden, dat hij uit reine liefde voor dat rampzalig geslacht uit
den hemel was neergedaald, om zich onuitsprekelijke vernederingen,
smarten, ja den dood te getroosten met een bloedend hart, dat toch
vervuld was van de blijmoedigste zelfverloochening. Ja, die Christus
kon ook zijn Verlosser zijn; hij die met almacht heerschappij voerde
werd voor hem een volmaakt en liefderijk vriend, een edele, zorgvuldige
en dierbare broeder, wien men gaarne zijn hart zou schenken, die alles
begreep, bereid was alles te vergeven, ook dat wat er omging in zijn,
Orions, gewond, naar loutering smachtend gemoed, omdat hij eens zelf
als mensch menschelijk had geleden. Heden waagde hij, de Jacobiet,
voor de eerste maal dit alles zichzelven te bekennen, en dat niet
enkel om Paula's wil....
Heftige slagen op een gebersten metalen schijf wekten hem met luid
gedruisch uit deze overpeinzing; evenals aan het slot van elke
belangrijke Jacobietische godsdienstoefening werd ook heden het
heilig avondmaal bediend. De bisschop plaatste zich voor de kast van
het Allerheiligste, goot wijn in een zilveren beker en brokkelde
daarin twee met het Koptische kruis gestempelde broodjes. Van dit
mengsel nam hij eerst zelf en reikte het daarna in een lepel uit
aan de leden der gemeente, die éen voor éen naderden. Nadat twee
ouderlingen hun deel hadden ontvangen, kreeg Orion ook het zijne. Ten
laatste reinigde de priester de bokaal door er water in te gieten,
en dronk ook dit, opdat er van den verlossenden drank niets verloren
zou gaan. Hoe had het hart geklopt van den aankomenden jongeling,
toen hij voor het eerst tot dit heiligste aller christelijke gebruiken
werd toegelaten! Hij kende den diepen, heerlijken zin ervan, hij had
de reinigende, verlossende, verkwikkende en tot alle goeds kracht
gevende werking van het avondmaal vaak ondervonden, als hij het met
zijne ouders en broeders te zamen genoot. Hoe waren zij verkwikt naar
lichaam en ziel, vaster dan ooit aan elkander verbonden, vaak hand aan
hand naar huis gegaan! Heden was het hem, die zich niet ergerde aan
de gebrekkige vormen der Godsvereering volgens de geloofsbelijdenis
zijner kindsheid, als werd door het brood en den wijn, het lichaam
en het bloed des Verlossers, het verbond betegeld, dat hij in stilte
met hem had gesloten, en als nam de Heiland met onzichtbare hand
de schuld en den vloek van hem weg, die hem zoo zwaar drukte. Hij
geraakte in eene hoog eerbiedige stemming, en het scheen hem toe,
dat zijn volgend leven hem Gode nader zou brengen dan vroeger, en
zijne liefde hem in staat zou stellen, ernstiger, vrijer en met meer
inspanning de gaven te gebruiken die de hemel hem had verleend.